_a_. Meistreels. Sprekers en andere dichters.
_b_. Publiek. Voordragen en Lezen. Het Boek.
_c_. Critiek en Theorie. Invloed der Literatuur. Letterroem.
_a_. MEISTREELS. SPREKERS EN ANDERE DICHTERS.
Nog altijd trekken meistreels en herauten door deze landen met vedel,
trompet en beltrom. Wij ontmoeten hen als boden b.v. der Heeren VAN
ARNHEM, VAN ARKEL, BRONKHORST met eene kennisgeving aan de schepenen van
Deventer van huns heeren huwelijk of met een andere opdracht. Van een
enkele hunner kennen wij den welluidenden naam: in het jaar 1365 vinden
wij den heraut HOPEZOMER in de _Cameraars-rekeningen_ vermeld[1]. Nog
altijd beoefenen zij naast de muziek de kunst van het woord. Meester JAN
VAN VLAERDINGHEN, die genoemd wordt onder de "menistreylen" die in 1364
te Middelburg "vor 't sacrament ghenghen", wiens vrouw en dochter ook
tot de meistreelen behoorden, treedt elders op als dichter. In het
toenmalig woord _vedelsage_ [Zijnoot: praatjes voor de vaak.] zien wij
dat verband tusschen muziek en woordkunst uitgedrukt en in
overeenstemming daarmede het woord _vedelaar_ gebruikt om een _dichter_
(misschien een liederdichter) aan te duiden[2].
Naast de menestrelen vinden wij ook nu nog de herauten. Ook zij zijn
werkzaam als dichters. Zoo wordt melding gemaakt van "des heren hyraut
ende sengher van Gaesbeke"; een "mynstreel", maar ook van "Jan Dyllen
den yraut, die voer mijns heren tafel sprac". Doch de meistreels hadden
als dichters hunne beste dagen gehad en gaan het tooneel ruimen voor
anderen. Hebben de herauten hen ook hier te lande op den achtergrond
gedrongen? In Frankrijk was dat, naar het schijnt, het geval. Naarmate
de heraldiek zich ontwikkelde en steeds meer aandacht vroeg en verkreeg,
steeg het aanzien der herauten en nam dat der meistreels af. Misschien
heeft de dichter eener merkwaardige samenspraak tusschen een paar
menestreelen uit dezen tijd het oog op de herauten, wanneer hij een
meistreel tot den ander doet zeggen:
En condi geen reinaerdie,
Smeken [Zijnoot: vleien.], no leckeberden [Zijnoot: flikflooien?]",
Men sal segghen: "gaet uwer verden [Zijnoot: gaat heen.],
Hier en es u nu niet te doene [Zijnoot: heeft men u niet noodig.] ."[3]
Doch in allen gevalle is het wel opmerkelijk dat de dichters, die
vanouds de banierdragers der ridderlijke idealen waren geweest, niet die
idealen zelve op den achtergrond raken. Verreweg de meesten hunner gaan
zich uitsluitend aan de muziek wijden. Sommigen hunner laten het beroep
varen en vestigen zich onder de burgerij; anderen zetten het zwervende
dichtersleven voort. Een paar vertegenwoordigers dier beide soorten zijn
het die wij in de bovenvermelde samenspraak tegenover elkander vinden.
De een, die zich "ter neringhe geset" heeft, ontraadt den ander het
voortzetten van het zwervend leven: vroeger ging het goed, toen de
heeren mild waren en goedgeefsch jegens de meistreels; toen kon men van
zijne kunst leven--maar nu? menigeen sterft van gebrek en armoede. De
ander erkent de waarheid dier woorden ten deele; maar--zegt hij--ik eet
zoo menigen brok, ik drink zoo menigen beker in de taverne, waar ik met
weinig moeite aan kom, dat ik de "wandelinghe" niet kan laten.--Met
hoevele zwervers is het slecht afgeloopen, herneemt de eerste; denk eens
aan GIELIJS VAN TRECHT, aan JAN VAN LIER, aan meester JAN METTER HUVEN
[Zijnoot: muts, kapje.], die allen op hunne tochten het leven hebben
verloren. Welnu--is het antwoord--die kregen hun verdiende loon, en dan,
ik kan eenmaal mijn vrijheid niet opgeven; word ik eens zóó oud dat ik
op krukken moet gaan, kom mij dan nog eens vermanen[4]!
Zóó scheiden zij. Deze zwerver, die zijn zwerversleven lief heeft, is
een type dier dagen. De gansche 14de eeuw door blijven wij hem
aantreffen. Nog in 1396 worden "piperen, heralden, ministrelen" in één
adem genoemd met de "varende lude"; onder deze "varende lude" vond men
de reizende dichters in gezelschap van blinde guitaarspelers, meesters
"van suptilen drachten" [Zijnoot: behendige kunstgrepen.],
gasten die een levend "hoofd van Jut" op hunne schouders droegen, zooals
zekere Brabander, "die hem up sijn hooft liet slaan hoe seere [Zijnoot:
hard.] men woude"; onder hen ook de mislukte studenten, zooals die, aan
wien wij de gewilde dwaasheid van "de frenesie" te danken hebben[5].
Niet alle meistreels geven hun beroep op of blijven zwerven. Sommigen
hunner blijven de kunst getrouw, doch laten, naar het schijnt, de muziek
varen om zich uitsluitend aan de woordkunst te wijden. Dezen zien wij
gedurende de tweede helft der 14de eeuw in deze landen optreden onder
den naam van _sprekers_ of _zeggers_. Velen hunner zijn, evenals vroeger
de menestreelen, verbonden aan den dienst van bijzondere heeren: zoo
vinden wij gewag gemaakt van "des heren spreker van Zevenberghen", "des
hertoghen spreker van Gulic", van "meester JAN, een spreker die bi den
here van Abcoude is", "eenen seggher uut Zeelant, die seide dat hi heren
Vranken knecht van Borssel was"; "enen spreker die bi den here van
Wassenaer placht te wesen", "des heren spreker van Gaesbeke", "enen
spreker die den here van Lymburch toebehoorde", "enen spreker
toebehorende den here van Gistel". Dat deze dienstmannen van adellijke
heeren het wapen van hun heer droegen op hunne kleedij, mag men
vermoeden uit een rekeningpost, die spreekt van "enen vreemden spreker
sonder wapen".
De burgerij volgde ook hier den adel na en nam "stadssprekers" aan; zoo
vinden wij BOUDEWIJN VAN DER LORE als stadsspreker van Gent; "Meyster
PETER VREUGDEGAER, den seggher van Breda", "den spreker van Monickedam".
Misschien waren ook meester JAN VAN VLAERDINGHE, AUGUSTIJNKEN en MEEUS
VAN DORDT, "Meester JAN, de dichter van Sente Gheerdenberghe",
"GODEKIJN, de spreker van Tricht", "meester JAN VAN MACHELEN", "DAEM, de
seggher van IJsselsteyn" en BERTELMEEUS VAN DELF stadssprekers; zij
kunnen echter ook, evenals WILLEM VAN HILLEGAERTSBERCH genoemd zijn naar
hunne woonplaats en als vrije sprekers hebben rondgereisd.
Onder de sprekers zal natuurlijk, evenals vroeger onder de menestrelen,
verschil van ontwikkeling en aanzien hebben bestaan. Sommigen spraken
"voor mijnen here den grave" en konden als AUGUSTIJNKEN VAN DORDT van
zich zelven zeggen:
Want ghi bi heren, bi hoghen vrouwen
Te sijn pleecht.
Anderen die zonder naam worden vermeld als b.v. "twee segghers ut
Brabant", "twee duytsche segghers" zullen van minder aanzien geweest
zijn. Doch bij gemis aan gegevens is het moeilijk hier scheidingslijnen
te trekken en eene plaats te wijzen b.v. aan: Meester HERMAN den
spreker, SNELRYEM den spreker, "den Jonchere van der minnen", "JANNES
DEN COSTER" en zoo menig ander.
Een paar sprekers, AUGUSTIJNKEN en zekere COLPAERT--indien deze tot de
sprekers gerekend mag worden--kenden Latijn; WILLEM VAN HILLEGAERTSBERCH
daarentegen, toch een aanzienlijk spreker, kent het niet.
Dat wij naast deze Dietsche sprekers verscheidene Duitschers vinden, kan
ons in het Beiersch tijdvak niet verwonderen; in het gevolg der
Beiersche graven of Duitsche edelen of althans in hunne omgeving zullen
wij een "blinden dichter van Mens" moeten zoeken, sprekers van "Beem"
(Bohemen), Trier, Keulen, Westfalen; een spreker "die men hiet Ghetuose"
en "enen jonghen spreker van Holsten, gheheten HOPEZOMER." Tegenover
deze Duitschers vinden wij slechts een enkelen Franschman: "CUDELIER,
des conincs spreker van Vrancrike"[6].
Opmerkelijk echter mag heeten dat de Noordnederlanders zoo talrijk zijn,
zoowel onder de ons bekende sprekers als onder de overige dichters van
dezen tijd, die wij niet met zekerheid onder de sprekers kunnen
rangschikken. Tegenover eenige weinige sprekers en dichters van Gent,
Mechelen, Brussel staan vele uit Noord-Nederland. Misschien zijn vele
sprekers uit het Zuiden ons in hunne werkzaamheid vooralsnog onbekend;
doch in elk geval blijkt wel, dat de bewoners der Noordelijke gewesten
in de tweede helft der 14de eeuw meer dan vroeger gaan deelnemen aan de
beoefening der literaire kunst. Evenals hunne voorgangers, de
meistreels, doen ook deze beroepsdichters niets voor niets: geschenken
in geld of kleeren zijn het loon waarvoor zij hunne kunst ten gehoore
brengen. AUGUSTIJNKEN VAN DORDT, die een el wit laken krijgt voor een
paar kousen, een paar laarzen met sporen om er "mijns heren zomer
[Zijnoot: lastpaard.] mede te riden", mag ook hier als type zijner soort
gelden.
Ook elders vertoonen zich in de literatuur van dezen tijd dichters, die
voor geld verzen leveren, al weten wij niet of wij daar met eigenlijke
_sprekers_ te doen hebben. Zoo begint een stichtelijke opwekking tot
menschen van allerlei nering of bedrijf met deze regels:
Omme 't ghebrec van goeden lone
Blijft menich rijm te makene scone
Van den dichters openbaer
Die lustelic te hoorne waer[7].
In een allegorisch gedicht over een burcht, die _Vaste Hoede_ heet,
deelt de auteur ons mede, dat hij aan de burchtvrouw verzocht had hem
een onderwerp voor een gedicht te geven, "want ic met dichtene mi
ghenerde". Met het voordragen van _boerden_ vielen kostelijke kleeren te
verdienen; "constenaers", die in een herberg een "nieuwen zanc" ten
gehoore brachten, werden daarvoor beloond[8]. Dat de berijmde
minnebrieven en minne-naamdichten van dezen tijd op verzoek en voor geld
gemaakt zijn, valt niet te bewijzen; doch hunne volslagen kleurloosheid
zou doen vermoeden, dat zij gemaakt zijn door anderen dan door de
minnaars zelven en dan zeker niet voor niet[9].
Verzen maken voor geld of ander loon, de dichtkunst opgevat als een
beroep--dat scheidt deze dichters van andere, die andere beweegredenen
hadden tot dichten.
Die anderen waren zich wel bewust dat zij tegenover de beroepsdichters
stonden; immers niet zelden laken zij dezen in hunne geschriften. De
auteur van _den Grimbergschen Oorlog_ berispt de "consteneren die hem
met dichten generen", omdat zij verzonnen en onware zaken vertellen; in
den _Spieghel der Sonden_ worden speellieden en goochelaars genoemd in
één adem met degenen, die "valsche rime visieren" [Zijnoot: verzinnen.];
in een ander didactisch werk vinden wij een waarschuwing tegen de
"smekende [Zijnoot: vleiende.] menestrelen". JAN BOENDALE volgt zijn
meester ook in diens afkeer en afkeuring van de meistreelen; in zijne
_Teestije_ laat hij zich minachtend uit over hen:
Die asaghen [Zijnoot: sprookjes.] ende tureluren
[Zijnoot: beuzelpraatjes.]
Dichten vander avonturen.
Scherp laakt hij het in de edelen, dat zij hun goed geven aan rabouwen,
meistreels en herauten, opdat deze hen zullen prijzen en hun lof overal
verkondigen; een mooie lof, voegt hij er aan toe, die door "knechten en
boeven" gegeven wordt! En in zijn _Lekenspieghel_ klinkt het nog eens
schamper: zoo zijn de "yrauden": noode komen zij thuis eten, als zij het
elders gratis kunnen krijgen[10].
Behalve JAN BOENDALE zijn ons slechts enkele dichters, die tot deze
groep behooren, bij name bekend. Hunne beweegredenen tot dichten mogen
onderling verschillen, alle wortelen zij toch in het godsdienstig of
zedelijk gemoedsleven. De Ypersche chirurgijn JAN DE WEERT b.v. had vrij
wat wereldsche poëzie gedicht vóórdat hij zijn _Nieuwen Doctrinael_
schreef, om daarmede de dichterzonden zijner jeugd te boeten. Als
dichter van _Sinte Amands Leven_ kennen wij den jongen geestelijke
GILLIS DE WEVELE van Brugge. Deze legt er den nadruk op, dat hij met
zijn werk geen "winninghe van gelde" of ander loon beoogt; zijn loon
wacht hij slechts van God. Een andere beweegreden, door hem genoemd, is
angst voor de "ledicheit", immers ook heden nog des duivels oorkussen.
Een lofdicht op MARIA werd geschreven uit "groote vreeze", blijkbaar
voor de vergelding die den zondaar wacht. Het _Vagevier van Sinte
Patricius_ dankte zijn ontstaan aan het verlangen des dichters om den
boozen afkeer van hunne boosheid in te boezemen. Andere geestelijke
dichters vragen: bid voor mij die dit schreef, of beloven den lezers
kwijtschelding van zonden[11].
Is ook de liefelijke sproke _van Beatrijs_ te beschouwen als een soort
van boetedoening? Zekerheid hebben wij hier niet. De dichter
(dichteres?) vangt zijn werk aan met:
Van dichten comt mi cleine bate;
Die liede raden mi dat ict late
Ende minen sin niet en vertare
Doch het is bezwaarlijk uit te maken of met deze "bate" al dan niet
geldelijk voordeel bedoeld is; of wij hier een beroepsdichter vóór ons
hebben die zijn beroep vaarwel zegt, of een leek, die vroeger wereldsche
poëzie had gedicht en nu iets beters wil geven.
Dit is trouwens niet het eenige geval, waar wij in onzekerheid blijven
omtrent de personen der dichters van de 14de eeuw. Van sommige kennen
wij de namen, doch ook weinig meer; van andere weten wij zelfs den naam
niet en naar hunne persoonlijkheid kunnen wij slechts gissen. Wij weten
dat LODEWIJK VAN VAELBEKE een bekend menestreel is geweest, die in den
aanvang der 14de eeuw stierf en zich naam had gemaakt o.a. door zijne
"stampiën" (misschien eene soort van dansliederen). OTTO VAN ORLEIEN
schreef eene "bedinghe van onsen Here", die niets karakteristieks heeft;
de samensteller van _die Cracht der Mane_ heette HEINRIC VAN HOLLANT.
Als dichter van den _Seghelyn van Jeruzalem_ noemt zich LOY LATEWAERT,
dien wij om zijne literaire kennis en aanhalingen van door hem zelven
vertaald Latijn voor een eenigermate ontwikkeld man moeten houden. Was
hij misschien een "clerck", verbonden aan den dienst van een edelman?
Diezelfde gissing zou men willen wagen ten opzichte van den man, die ons
het verhaal _Van den borchgrave van Couchi_ naliet; bij den _Malegijs_
en de overige ridderromans van dezen tijd zal men over het algemeen
misschien eer aan meistreelen dan aan "clercken" moeten denken.
In een aantal vierregelige wapendichten op de edelen, die met WILLEM IV
in Friesland sneuvelden, meen ik de hand van een heraut te herkennen.
Elders kunnen wij zelfs geen gissing wagen. Wie schreef b.v. den
geestelijken roman _Van Jonitas en Rosafiere_? BOUDEWIJN VAN DER LORE
noemt zich als auteur van _Achte Persone Wenschen_; doch wie schreef de
overige wenschliederen? Hier staan wij in een duisternis, die bij
voortgezet onderzoek misschien zal verdunnen tot den nevel, waarin wij
een dichter als JAN VAN HULST zien, een zanger als die EGIDIUS, wiens
dood ons gemeld wordt in dat roerend klaaglied dat aanvangt:
Egidius, waer bestu bleven?
Mi lanct na di, gheselle mijn!
Du coors [Zijnoot: verkoost.] die doot, du liets mi tleven.
Dat was gheselscap goed ende fijn,
Het sceen, 't een moeste ghestorven sijn[12].
_b_. PUBLIEK. VOORDRAGEN EN LEZEN. HET BOEK.
Het publiek waarvoor deze dichters optraden, wisselde af evenals vroeger
naar gelang van de poëzie en van den voordrager.
Voorname sprekers, zooals WILLEM VAN HILLEGAERTSBERG en AUGUSTIJNKEN VAN
DORDT, zullen zich vooral tot de aanzienlijken hebben begeven om hun
werk voortedragen. Dat blijkt wel uit het "heren en cnapen", waarmede
zij hunne hoorders niet zelden toespreken. Menige sproke zal ook wel in
de eerste plaats voor den adel bestemd zijn geweest. Zoo wordt in _de
Mantel van eren_ het wapenschild beschreven van den edelen ridder, wiens
lof hier was verkondigd: "van lazure // met twee ramshorne van
goude"[13]. In een andere sproke echter, van het Jodenmeisje dat
Christin wordt, spreekt de dichter zijn publiek aan met: "gi goede
liede"; diezelfde uitdrukking vindt men in het heiligenleven _van Sint
Amand_, doch afgewisseld door: "ghi lieden alle ghemeene... knapen,
joncwive, vrouwen ende heeren." Dat de boerden vooral voor de burgerij
bestemd waren zou men op zich zelf reeds vermoeden; dat vermoeden krijgt
meer zekerheid door een aanvang als: "Alle swighet ende hoert," of:
Ghi goede liede, hoort na mi!
Selke boerde en hoerdi nie
Als ic u hier sal vertellen.
Maar ook sproken en andere ernstige stukken zullen zeker wel eens voor
de mindergegoede standen zijn voorgedragen. De sproke van de edelvrouw,
die "vigilyen" voor de dooden placht te lezen, richt zich niet tot edele
heeren of vrouwen, doch tot "alle... eist wijf of man", en aan het slot
van een notabel lezen wij: "Secht "amen" die hier zijn omtrent[14]."
Nog altijd was de literatuur bestemd in de eerste plaats om te worden
voorgedragen en gehoord; ook zelfs een populair-wetenschappelijk werkje
als _die Cracht der Mane_; ook een prozawerk als het _Leven van Jezus_
richt zich tot degenen "die dit lesen (voorlezen) selen ende hoeren
lesen". Het verzoek om stilte en aandacht blijkt ook in deze tijden nog
niet overbodig. Evenals in de 13de eeuw werd de voordracht van poëzie
nog wel door muziek begeleid. In den aanvang der boerde _van Heile van
Berseele_ ten minste wordt het vertellen van schoone avonturen genoemd
in verband met "vedelen en singhen" en "somtijd spelen metter harpen".
De taverne zal wel--wij hoorden het reeds van den zwervenden
meistreel--de plaats zijn geweest waar men de meeste kans had een
rondreizend dichter aan te treffen en zijne voordrachten bij te wonen.
Een jonkman die gaarne met goede gezellen uitgaat, gaarne een rooden
mond ziet en lachende vrouwenoogen, vertelt ons hoe hij "te wine" of "te
biere" zit:
Ende hoor daer singen ende boerden spreken.
Voor een droge keel wist de voordrager zich te wachten; aan het slot der
zedenschets _van den man die gherne dranc_--een dorstige stof--klinkt
het:
Nu, gheeft mi drincken metter vaert
Want drincken dat es al mijn aert[15].
Tusschen de overgroote meerderheid der hoorders van eenig literair werk
zagen wij in een vroeger tijdperk hier en daar ook eenige lezers. Die
lezers zullen langzamerhand talrijker worden, al blijven zij nog lang
tevens hoorders.
Onder een zich ontwikkelend volk, onder eene zich ontwikkelende burgerij
vooral, neemt de vraag naar literatuur in dezen tijd steeds toe. De
literatuur van een vroeger tijdvak vindt nog altijd aftrek; de werken
der 13de eeuw immers zijn ons bewaard gebleven vooral in afschriften der
14de eeuw. Doch ook de geschriften van tijdgenooten worden door
afschrijvers vermenigvuldigd. De bescheiden RUUSBROECK was er niet op
gesteld dat men zijne werken langs dezen weg onder de menschen bracht.
Slechts heimelijk durfde een priester, die zijn "notarius" geweest was,
Heer JAN'S werk aan eenige bewonderaars toevertrouwen tot het nemen van
een afschrift[16].
Adellijke heeren en vrouwen wekken schrijvers op tot het samenstellen
van een of ander letterkundig werk. Zij wenschen een stuk dat men hun
waarschijnlijk eerst voorgedragen heeft, in bezit te hebben. Zoo schenkt
in 1360 de Graaf VAN BLOYS 19 schellingen en 4 stuivers aan JAN BOT den
"segger", "want hi ene sproke gemaect hadde, ende in gescrifte overgaf,
van minen here van Byamont, des God ghedenke"; in 1398 krijgt de spreker
van Monickedam "die mynen here een sproke van de Vriezen overgaf" twee
"nye gulden"[17]. Men begint een boek als een geschenk te beschouwen:
jonkvrouw JOHANNA VAN BLOIS krijgt voor haar Paschen "enen nuwen
boexkine" ten geschenke, "daer in stont onser Vrouwen legende"[18]. Ook
uit andere feiten blijkt ons, dat de adel prijs stelt op boeken: de
Vlaamsche graaf ROBRECHT VAN BETHUNE bezit een boek van _Godefroi de
Bullion_, van _Merlin_ en de _contes du Barisiel_; een Henegouwsch
edelman, GODEVAERD VAN NAAST (± 1337), bezit reeds eene kleine
boekenverzameling: _le message Carlemaigne_, de geschiedenissen _d'Aëlis
et l'Empereur et du roy Ingres_, van _Atis et Prophelias_, van
_Sidraach_, van _Mainnet_, de _Aventures d'Oultremer_ en den _Veus dou
Paon_.
Lezen de Leliaerts Fransch--de Clauwaerts houden zich aan hun Vlaamsch.
Welk een belangstelling in literatuur en wetenschap spreekt er uit de
boeken, die wij in de tweede helft der 14de eeuw in het bezit vinden van
aanzienlijke en eenvoudige Gentsche burgers. De handschoenmaker JAN DE
BEERE heeft een _Bestiaris_, een _Lucidarius_, een _(Wapene) Martin_,
een boek _van den Landsheren_ en _Evangeliën in vlaems_. WILLEM VAN DEN
PITTE, lakensnijder en eerste schepen, is eigenaar van den "_Spieghel
Ystoriaelle_ in twee bouken ghescreven". Meester SYMOEN ELYAES,
waarschijnlijk een chirurgijn, bezit een _Barlaäm_, een "cleennen"
_Spieghel_" en "een deel van der Biblen". De Clauwaert JAN WASSELINS
heeft een heele bibliotheek. Evenals de twee eerstgenoemde Gentenaars
heeft ook hij een "Bibele in vlaemsche"; maar wat heeft hij al niet
meer! Zijne boekerij is bijna een kort begrip onzer middeleeuwsche
literatuur, voorzoover daarin de voorname genres behalve het lied en het
drama vertegenwoordigd zijn. Wij vinden onder zijne boeken geestelijke
werken over _de Passie_, over _Adam en Eva_, _van der Zielen_ en _van
der ghuldene baghe_; ridderromans _van Ogier, Seghelijn, Isenbaert_[19];
zedekundige werken en leerdichten: van SENECA, "_Pietagoras bloume_",
_Jans Testye_, een paar "doctrinaelen", een _Bestiaris_, _Melibeus_, een
_Wapene Martijn_; een historisch werk over de Pausen en een Kroniek van
Vlaanderen, Brabant en Frankrijk; wetenschappelijke geschriften over
astronomie en medicijnen. Ook "_een bouc van Reynaerde_" ontbreekt
niet[20].
Zouden deze Vlamingen de eenige bezitters van boeken geweest zijn? Met
het oog op het groote aantal handschriften der 14de eeuw, zal men wel
mogen aannemen dat er verscheidene andere boekenliefhebbers waren. De
lust tot lezen bracht meer boeken te voorschijn; die boeken brachten op
hunne beurt meer menschen aan het lezen. JAN BOENDALE waarschuwt wel
tegen de lezing van ijdele boeken, maar toch:
Alse ghi den tijt corten wilt,
In u camere ghi u sluten silt
Ende roepen uwen sceppre an;
Oft ghi selt boeke hebben dan
Van Gode oft van goeden zeden
Ende niet van idelheden
Ende selse lesen oft doen lesen[21].
De _Melibeus_ spreekt niet alleen van _lezen_ maar ook van _overlezen_
en broeder GHERAERT, de Karthuizer-prior, neemt in zijn afschrift van
RUUSBROECK'S _Tabernakel_ ook meeningen van anderen op, opdat "een
subtijl ende verlicht lesere yet orberlics [Zijnoot: nuttigs.] daer uut
moghe _mediteren_"[22].
Naast de voordracht van proza of poëzie, die zoo gemakkelijk ten ooren
invloeide en geen tijd liet tot overpeinzen van wat men niet
onmiddellijk begreep, komt nu langzamerhand het nadenken over het
gelezene, het worstelen met een stuk dat men niet dadelijk vat. In een
vroeger door ons genoemd allegorisch gedicht zien wij vier personages,
die elk een der temperamenten voorstellen, bezig met een lied waarvan
zij den zin niet kunnen vatten. Nu spreken zij af:
Dat si souden al ghemeen
Studeren, peinsen, nacht ende dach,
Bezien wiet eerst ghevinden mach[23].
Dit critisch lezen vindt een tegenhanger in het critisch vergelijken der
onderscheiden handschriften van één werk om daaruit een goeden tekst
samentestellen. Devote bewondering van RUUSBROECK'S geschriften bracht
een lateren bewoner van Groenendaal tot het verzoek aan alle minnaars
der waarheid, om onderscheiden exemplaren van een werk des meesters te
vergaderen "op dat sy doch uut enighen, of nu uut den eenen, dan uut den
anderen, den gherechten sinne vinden ende setten moghen."[24].
_c_. CRITIEK EN THEORIE. INVLOED DER LITERATUUR. LETTERROEM.
Langs deze en dergelijke wegen ging zich de literaire critiek
langzamerhand ontwikkelen.
De vorige eeuw had hare geboorte gezien uit het verschil in aard,
temperament en smaak der menschen. MAERLANT had zich ook hier weer een
vertegenwoordiger van zijn tijd getoond, want in zijn werk vooral vinden
wij die klachten over het "beniden", de "niders" en de "nidechede" onder
degenen voor wie zijn werk bestemd was[25]. Doch in de 14de eeuw zien
wij de critiek toenemen. BOENDALE en de auteur van _Der Mannen ende der
Vrouwen Heimelycheit_ klagen over de "beniders" evenals hunne
voorgangers in dezen; doch in een didactisch stukje van een hunner
tijdgenooten, zien wij de critiek zich uitbreiden ook tot hen die in
wetenschap of muziek zich onderscheiden, en daardoor de ijverzucht van
anderen opwekken. Want zóó laag is de opvatting van critiek in 't
algemeen nog, dat men haar toeschrijft in de eerste plaats aan
ijverzucht of afgunst.
In het bovenbedoeld stukje lezen wij:
Predict een cleerc die waerheit
Of toecht een zijn meesterie,
Pijpt hi, zyncht hi, of dichte seit,
Of spel toecht of melodye,
Ezels ende rude saeftiere [Zijnoot: broddelaars, knoeiers.]
Die der consten niet en weten een haer,
Sullen bi ombekender maniere [Zijnoot: uit gemis aan ontwikkeling.]
Haestelic vinden daer an een "maer"[26].
Doch niet alleen op andermans werk ook op eigen werk en talent gaat de
literaire critiek zich richten.
De samenstellers van _Sinte Amands Leven_ en van _de Tien Plaghen_
beseffen wel dat zij geene "meesters" in de kunst zijn, dat "diepheit
van dichtene" en "sproken van cunsten fijn" hunne zaak niet is. De
bewerker van den _Spieghel der Sonden_ is zich ook wel van iets
dergelijks bewust; doch hij acht dat van geringe beteekenis: "de rime"
moge van minder allooi zijn, wat schaadt dat, indien de _Spiegel_ maar
helder is[27]?
En dan, de critiek was niet louter afkeuring. MAERLANT brengt zijns
ondanks hulde aan de bevalligheid der ridderpoëzie waartegen hij in
later tijd te velde trok en BOENDALE volgt hem ook in die hulde.
MAERLANT zelf werd bewonderd en geprezen door wie na hem kwamen en
AUGUSTIJNKEN VAN DORDT na zijn dood geroemd als "een constenare fijn."
Zelfs zouden wij een oogenblik kunnen meenen, dat men toentertijd te
onzent reeds beroeps-critici gekend heeft, wanneer wij gewag hooren
maken van
Die meerkeren ende de wijsen
Die de grote cunste prisen[28].
Doch ook al laten wij deze plaats uit een sterk Duitsch-getint gedicht
ter zijde, dan nog blijkt uit al het voorafgaande wel, dat men aan
poëzie en alles wat haar raakt meer gewicht gaat hechten dan vroeger.
Reeds het veelvuldig gebruik van den droom als poëtischen vorm wijst op
een hooger opvatting van poëzie. De dichters wilden hierdoor op naïeve
wijze te kennen geven dat poëzie iets buitengewoons is, iets dat buiten
of boven de gewone werkelijkheid staat. Het visioen der mystieken breidt
zich in steeds breeder en flauwer wordende kringen over ons volk uit.
Dichtkunst en poëzie worden opgenomen onder de stoffen van het
dagelijksch gesprek, zij het dat wij daarvan vooralsnog slechts één
bewijs kunnen bijbrengen: HILLEGAERTSBERCH laat "een leeck dichter" en
een "clerck" zich onderhouden over "dichten ende const". JAN VAN HULST
(of welke andere Vlaamsche dichter ook) acht het der moeite waard, ons
het dichten, componeeren en opschrijven van een lied tamelijk uitvoerig
te beschrijven.
Geen auteur van dezen tijd leert ons de toenmalige opvatting en
beschouwing van dichters en dichtkunst beter kennen dan JAN BOENDALE.
In den proloog van zijne _Teestye_ doet hij ons reeds eenige
bekentenissen over zijne neiging tot en zijne beschouwing van poëzie.
Hoog is die beschouwing niet; de neiging tot poëzie komt bij hem voort
uit afkeer van ledigheid, doch tevens uit zijne natuur; poëzie is
vermoeienis des geestes, doch daarom verzaakt hij haar niet. Hij hoopt
zich met deze "reyne onlede" [Zijnoot: bezigheid.] bezig te houden,
zoolang God hem het leven gunt, en zijn talent aan te wenden ten dienste
van zijn beschermer, Heer ROGIER VAN LEEFDALE[29].
Veel gewichtiger echter voor ons doel is het bekende hoofdstuk uit het
derde Boek van _der Leken Spieghel_.
Het heeft BOENDALE getroffen, dat in zijn tijd zooveel leeken naast de
"clercken" optreden als dichters; daarom acht hij wenschelijk uiteen te
zetten, wat noodig is om een recht dichter te zijn. Wenschelijk, want:
"dichten en is geen spel." Drie dingen zijn noodig: een dichter moet de
taalkunde en de kunst van schrijven verstaan; waarheidlievend moet hij
zijn en eerzaam van leven. Hij moet zich toeleggen op schoone taal en de
woorden te voegen "elc na sinen scoonsten accoorde", hij moet juist
schrijven en spellen, begrip hebben hoe men een stuk moet opzetten,
voltooien, en stevigen door kracht van voorbeelden. Leeken, die van dit
alles, de kunst der "gramarie", geen verstand hebben, deugen niet voor
dichter; zij missen den onontbeerlijken grondslag.
Een poëet moet de waarheid liefhebben. Want hij wenscht toch, dat men
zijne geschriften leze en blijve lezen. Wordt hij nu op onwaarheid
betrapt, dan zal men hem niet meer gelooven en zijn dichternaam is
verloren. Er zijn bovenal twee dingen, waarin hij niet mag liegen:
historische feiten en de Bijbel. "Eere wien eere toekomt", dat zij de
leus van den rechten geschiedschrijver; onwetendheid, gunst en afgunst
doen de waarheid vaak verzwijgen--maar men bedenke, dat leugen de ziele
doodt en dat wij rekenschap moeten geven van elk ijdel woord. Terecht is
JACOB VAN MAERLANT, "die vader is der Dietsche dichtren algader", zoo
uitgevaren tegen de leugendichters, die met vernuft en in mooie taal
allerlei onwaarheid verteld hebben van historische personages als KAREL
DE GROOTE en OCTAVIANUS. Zoo vertelt men van KAREL dat hij indertijd uit
stelen gegaan is, dat hij door zijn vader op een kar bij een dienstmaagd
verwekt is; van OCTAVIANUS dat hij bij Leuven geboren is "ten Zeven
Tommen" [Zijnoot: bij de zeven graven.]. Alles leugens! Zulken
leugenaars moest men het dichten verbieden! 't Is waar, zij willen de
menschen iets nieuws opdisschen om er geld of eer mede te winnen. Ja,
men vertelt wel eens verzonnen dingen, zoo b.v. van Reynaert en Izegrim
en Bruin den beer; maar daar is het te doen om leering en wijsheid. God
zelf sprak immers ook in parabelen!
Het tweede, waarin men geen onwaarheid spreken mag, dat zijn heilige
boeken, levens der heiligen en alles wat tot de heilige Kerk behoort;
want die heeft haar grondslag in JEZUS CHRISTUS, die alleen de waarheid
is.
Wil hij in zijn werk de menschen op het rechte pad brengen, priesters en
ridders deugd en wijsheid leeren, vaak hen berispen, dan moet hij zelf
een deugdzaam man zijn. Leeringen wekken, voorbeelden trekken. Let eens
op de dichters die er vroeger waren: MOZES, (FLAVIUS) JOSEPHUS,
ARISTOTELES, CATO, SENECA, PLATO, HORATIUS, OVIDIUS, HIERONYMUS die den
Bijbel vertaald heeft--allen dichters in eere en deugd. Niemand heeft
ooit JACOB VAN MAERLANT op een leugen betrapt, want zijn leven was
eerzaam, zooals een dichter past.
Dichter moet men zijn van nature; zijt gij door de natuur niet tot
dichter gemaakt, dan zal niemand u kunnen leeren hoe gij het worden
zult. Rechte dichters moet men op hoogen prijs stellen. Zij zijn
onmisbaar; want de Bijbel, alle recht en wet, ons geloof, onze
handvesten en onze geschiedenis--alles zou verloren zijn gegaan, hadden
de dichters het niet in hunne geschriften bewaard.
Ten slotte wil ik u zeggen, wie dichters geboren zijn.
De een dicht om een liefje, de ander om roem te winnen, weer een ander
om geld--maar dat is de rechte poëzie niet; zulke menschen dichten uit
winstbejag, zonder natuurlijke aandrift
Een rechte dichtere, God weet,
Al waer hi in enen woude,
Dat hi nemmermeer en soude
Van dichtene hebben danc,
Nochtan soude hi herde onlanc [Zijnoot: zeer korten tijd.]
Sonder dichten daer gheduren,
Want het hoort te sire naturen:
Hi en mochts niet laten, al woude hi.
Dichten moet uut herten vri
Comen ende uut claren zinne,
Daer God behoude inne
Elken dichter die waerheit mint.
Aldus eindigt de eerste Nederlandsche poëtiek. Misschien mogen wij
zeggen: de eerste Europeesche poëtiek die in eene moderne volkstaal
geschreven is; mij althans is in geen der moderne literaturen een
vroeger of gelijktijdig geschrift bekend dat met dit hoofdstuk van JAN
BOENDALE vergeleken kan worden. Reeds om die reden acht ik deze
verhandeling van groote beteekenis; doch ook om andere redenen.
Het had BOENDALE getroffen dat de poëzie langzamerhand uit de handen der
meistreelen en "clercken" overging in die der burgerij; en daar de
dichters voor hem blijkbaar de dragers van het ideaal zijn, tracht hij
de komende dichters in het rechte spoor te brengen. Vandaar zijne
omschrijving der eischen waaraan een dichter behoort te voldoen. Zij
moeten ontwikkelde mannen zijn, wier leven in overeenstemming is met
hunne poëzie. De waarheid moeten zij voorstaan, al wordt het begrip
_waarheid_ hier nog in zeer beperkten zin opgevat. Het gewicht van het
nieuwe in de literatuur heeft BOENDALE reeds gevoeld; hij heeft ook
beseft dat ware poëzie geboren kan worden slechts uit belangelooze
aandoening en aandrift, en niets gemeen kan hebben met eenige zelfzucht.
Waar hij er op wijst, hoeveel de menschheid aan de poëten te danken
heeft, herinnert hij even aan niemand minder dan SHELLEY die in zijne
_Defence of Poetry_ deze gedachte heeft uiteengezet met een rijkdom van
gevoel en wetenschap en bekleed met een heerlijkheid van taal, waarvan
de Antwerpsche schepenklerk zich geene voorstelling heeft kunnen vormen.
Doch hoe onvolkomen en gebrekkig in menig opzicht de berijmde
verhandeling van dezen ook moge zijn, zij blijft een merkwaardig
literair-historisch stuk. Al ware zij ook onvolkomener dan zij is, dan
nog zouden wij BOENDALE dankbaar moeten blijven voor dezen eersten stap
op een onbetreden weg; niet het minst voor die fraaie slotregels, waarin
voor de eerste maal in deze lage landen bij de zee verkondigd is, dat
men dichter geboren moet zijn en dat een recht dichter zingt, "al zong
hij zichzelve' alleen"[30].
BOENDALE'S uiteenzetting van den invloed der literatuur op de
ontwikkeling der maatschappij kan worden aangevuld met een paar
staaltjes van dien invloed, ontleend aan zijn eigen tijd.
MAERLANT, vervolgd door de geestelijkheid wegens zijn Rijmbijbel, heeft
ons reeds vroeger getoond dat men de macht der literatuur in de
volkstaal ging beseffen. MELIS STOKE maakt zich ongerust over de
wraakzucht van het publiek; bij de beschrijving van een gevecht acht hij
het veiliger dappere strijders en lafaards niet bij name te noemen; hij
kent zijne tijdgenooten als hardhandig en geen vrienden van halve
maatregelen[31]. In het verhaal _van den borchgrave van Couchi_ wordt
een page die een verboden lied zingt, opgehangen aan een boom[32].
Begon de literatuur zoo eenerzijds invloed te oefenen, anderzijds bracht
zij soms roem aan de schrijvers. De dichters van _Sinte Amands Leven_ en
van _Theophilus_ vreezen dat hun naam zal bekend worden en dat men dan
hun werk zal toeschrijven aan roemzucht; Broeder GHERAERT, de
Karthuizer, verbaast er zich over dat RUUSBROECK zoo volslagen vrij is
van "ydelre gloriën"[33].
Die afwezigheid van roemzucht in den prior van Groenendale verhoogde
zijn roem, versterkte en verbreidde zijn invloed ook op de auteurs die
na hem kwamen. Zoo werden ook MAERLANT'S aanzien en invloed op latere
schrijvers verhoogd door de vervolging waaraan hij bloot stond.
In VELDEKE'S invloed op de Hoogduitsche literatuur, in den invloed door
MAERLANT en RUUSBROECK geoefend op de schrijvers die na hen kwamen,
hebben wij in onze literatuur de eerste voorbeelden van de literaire
vorming welke een volgend geslacht van het voorgaande ontvangt.