HISTORISCHE LIEDEREN.

Gebeurtenissen of toestanden en verhoudingen die in ruimen kring indruk

maakten, ontroering verwekten onder een aanzienlijk deel van het

Dietsch-sprekende volk, waren, zooals wij zagen, ook in een vorige eeuw

waarschijnlijk wel tot uiting gekomen in het lied. Voorbeelden van zulke

uitingen zijn echter niet tot ons gekomen. Gelukkiger zijn wij wat de

14de eeuw betreft. De wassende beteekenis en invloed der burgerijen

schijnt zich te openbaren ook in het feit, dat ten minste eenige

historische liederen uit dezen tijd tot ons zijn gekomen.

Indien wij ons herinneren welk een diepen indruk de moord op graaf

FLORIS DEN VIJFDE in Holland maakte, dan verwondert het ons niet dat

deze gebeurtenis tot een lied is verwerkt, noch dat dit lied eeuwen lang

in den volksmond is blijven leven. Hoogst opmerkelijk is de wijze waarop

de uit de geschiedenis bekende feiten hier door een ons onbekenden

volksdichter verwerkt zijn. Spreekt de historie van een strijd tusschen

den op zijne voorrechten naijverigen adel en den graaf dien zij

smadelijk "der keerlen god" noemden, het lied vindt den sleutel tot de

verklaring der gebeurtenissen in persoonlijke motieven.

Graaf FLORIS, zóó wordt ons hier verteld, is zijne bijzit moede en wil

haar als echtgenoote aan GERARD VAN VELZEN opdringen. Deze weigert; "uw

versleten schoenen en wil ic niet", zegt hij in hoonende beeldspraak.

FLORIS zint op wraak; het huwelijk van VELZEN met MACHTELD VAN WOERDEN

biedt hem daartoe gelegenheid. Hij ontbiedt GERARD aan zijn hof; terwijl

deze onderweg is, gaat FLORIS tot de jonge vrouwe van VELZEN en onteert

haar. Die schennis wreekt GERARD op den schender. Verhaalt de historie

ons dat de moordenaars van den graaf ontsnappen--de volksdichter laat

GERAERT VAN VELSEN gevangen nemen; drie dagen lang wordt hij om en om

gerold in een vat waarin spijkers geslagen zijn. Die marteling vermag

hem te breken noch te buigen. Op de vraag "hoe hem nu te moede is?"

antwoordt hij:

Ic ben noch al de selve man,

Die graef Floris sijn jonc leven nam.

Wij mogen wel als zeker aannemen, dat deze voorstelling van zaken niet

door den volksdichter is verzonnen, doch dat hij haar ontleend heeft aan

een Nederduitsche sage.

Van den Gotenkoning ERMANARIK en een zijner voorname heeren wordt ons

bijna volkomen dezelfde geschiedenis verhaald; ook in Deensche liederen

treden koning ERIK GLIPPING en zijn maarschalk, ridder STIG, in dezelfde

verhouding op.

Met dat al blijft het opmerkelijk, dat een volksdichter te onzent eene

dergelijke voorstelling van den moord op graaf FLORIS heeft gegeven,

waarin "der keerlen god" nu juist niet de mooiste rol heeft; zelfs kan

men zeggen dat de sympathie des volksdichters eerder aan de zijde van

den onbuigzamen edelman is, den wreker der bevlekte huwelijkseer en aan

die der schoone jonge vrouw die den smaad zoo diep gevoelt. Heeft graaf

FLORIS door een liefdesbetrekking tot eene jonkvrouw of edelvrouw

inderdaad eenige aanleiding gegeven tot het in verbinding brengen zijner

geschiedenis met de Nederduitsche sage? Immers, ook LODEWIJC VAN VELTHEM

die zich overigens in dezen welingelicht toont, schrijft over de redenen

tot den moord:

Ander secgen: dat om een Vrouwe quam,

Dat men hem sijn leven nam,

Daer hi met soude hebben te doene,

Die wyf was een van sinen baroene,

Ende datten diegene daerom lagen

Leiden vander stont alle dagen[39].

Vóór 1316 was derhalve dit gerucht aangaande de schennis eener adellijke

dame, niet juist MACHTELD VAN VELZEN, als reden tot den moord reeds

verbreid. Heeft VELTHEM dit gerucht leeren kennen uit het Dietsche lied

of langs anderen weg? Tot het geven van een afdoend antwoord op die

vragen zijn wij niet in staat. Doch hetzij den volksdichter de ware

toedracht der zaak bekend is geweest of niet, in beide gevallen is het

begrijpelijk dat gekrenkte huwelijkseer voor hem een aantrekkelijker

motief was dan gekrenkte adeltrots; dat algemeen menschelijk gevoel hem

sterker aandeed dan het belang van een bijzonderen stand, waartoe hij

blijkbaar niet behoorde. Die aandoening zou zich ongetwijfeld

duidelijker openbaren, indien wij het oude lied in zijn oorspronkelijken

vorm bezaten; het moet heel wat geleden hebben in het drietal eeuwen,

waarin het van mond tot mond ging, vóórdat wij het in 1591 achter de

_Rijm-Kroniek van Melis Stoke_ aantreffen. Doch ook in dezen verminkten

vorm treffen ons nog de levendigheid van het verhaal in zijn vluggen

gang, de teekenachtige beeldspraak van VELZEN tot zijn heer, de

aanschouwelijkheid der voorstelling, de dramatische kracht; ook de

vinding om den moordenaar, volgens een uit de sprookjes bekend motief,

in een met spijkers doorboorde ton te rollen[40].

Een landsheer in strijd met een zijner voorname edelen vinden wij ook in

een ander lied van dezen tijd. Dat ook dit lied ons gebrekkig is

overgeleverd, blijkt reeds uit den titel: _Van cort Rozijn_; immers de

naam van den edelman die hier de hoofdrol speelt, ZEGER VAN KORTRIJK,

"Segher de _Curtroysijn_" (d.i. van Courtroy), is hier verbasterd door

een Vlaming, die blijkbaar geen Fransch kende.

Wij zijn in Vlaanderen tijdens den oorlog tusschen Frankrijk en

Engeland. De graaf van Vlaanderen, LODEWIJK VAN NEVERS, heeft de partij

van Frankrijk gekozen; een deel van zijn volk, en daaronder twee

invloedrijke Gentenaars, houden de zijde van Engeland. Die twee zijn

JACOB VAN ARTEVELDE en ZEGHER VAN KORTRIJK. Vertoornd over hunne

tegenkanting laat de Graaf ZEGHER gevangen nemen en onthoofden (1337).

Opmerkelijk is ook hier de wijze, waarop deze historische kern door de

volkspoëzie is verwerkt.

In het lied biedt de Graaf zijn "lieven neve" den Cortrosijn het

ruwaardschap over Vlaanderen aan; doch deze, weinig minder hooghartig

dan VELZEN tegenover den Graaf van Holland, weigert in smadelijke

bewoordingen: "ick leve so noode bi quaden ase" [Zijnoot: voedsel.].

Die "spitighe woorden" zullen u berouwen, herneemt de ander; met uw

hoofd zult gij ervoor boeten. Onvervaard door dat vooruitzicht beweert

de Cortrosijn, dat hij nog een nacht bij des Graven dochter zal slapen.

Toornig wendt Vlaanderens heer zich van hem af, en niet lang daarna

wordt de weerspannige gevangen genomen. Genade bidt hij te vergeefs;

voor het huis te Rupelmonde valt zijn hoofd onder de bijl. Maar op

Sint-Laurensdag komt de koning van Engeland zijn aanhanger wreken; toen

de dag ten avond kwam, lag Brugge in het roode bloed.

Evenals in het lied _van Gerard van Velzen_ is ook hier het bijzondere:

de strijd der partijen, tenauwernood zichtbaar; het algemeen

menschelijke: gekrenkt eergevoel en liefde, staat op den voorgrond[41].

Heeft de volksdichter zijne voorstelling geheel verzonnen? Wie zal dat

uitmaken? Dat de historische stukken van dezen tijd niets van zoodanige

verhouding weten, is wel van gewicht, maar levert geen afdoend bewijs.

Doch ook al hebben wij hier louter verdichting, dan blijkt daaruit nog

eens te meer het eigenaardig wezen der volkspoëzie, die het algemeen

menschelijke gaarne op den voorgrond brengt, ook daar, waar het niet

door de gebeurtenissen ten tooneele wordt gebracht.

Het lied _van den Cortrosijn_ herinnerde ons den grooten patriot JACOB

VAN ARTEVELDE. Indien de historische overlevering te werk ging volgens

onze verwachtingen, wat zouden wij dan eer verwacht hebben, dan dat niet

één, maar verscheidene liederen de heugenis aan ARTEVELDE'S krachtige

persoonlijkheid en zijn tragischen dood zouden hebben bewaard? Toch

bezitten wij niets over hem, dan een onbeteekenend fragment van een naar

allen schijn onbeteekenend lied, dat bovendien nog van twijfelachtige

herkomst is. Maar zijne partij, de nationale partij der "Clauwaerts",

die de klauwen van den Vlaamschen leeuw op hunne mouwen geborduurd

droegen, bleef leven in een kort spotliedje, uitgegaan van de

Franschgezinde "Leliaerts", op wier mouwen de "fleur de lis" prijkte:

Clauwaert, Clauwaert,

Hoet u wel van den Lelyaert

enz.[42].

Dat liedje was niet de eenige uiting van de minachting en den haat der

voorname "Leliaerts" jegens de nationale partij. In een vierregelig

gedichtje wordt gewezen op den overmoed van de rijk wordende "kerels".

Uitvoeriger worden de "kerels" ons geteekend in een veel grooter gedicht

van dezen tijd, dat van niet geringe technische vaardigheid getuigt en

waarschijnlijk is vervaardigd door een edelman of aanhanger van den adel

die door de "kerels" was gevangen genomen en in den "stoc" [Zijnoot:

gevangenisblok.] gezet. Met onverholen minachting, met verdienstelijke

plastiek en scherpen spot is de "kerel" hier afgebeeld in zijne ruwheid

en grofheid: hij vreet look met koolstronken, met zijne handen klopt hij

eieren door zijn heete melkpap en slaat ze naar binnen tot hij er

scharlaken van ziet; achter het vleesch en spek zit hij heen, dat hem

het vet langs de vingers druipt. Hoort hem kallen tegen zijn soort: mijn

landheer vroeg mij onlangs ten eten, ik schrokte en vrat mij

boordevol!--"Hei", roept een andere kornuit, "hoort nou ereis een

vreemde klucht: ik heb mijn bles-merrie verruild, nu zal zij voor de

schuit van Pieter Gerrits loopen! Heb ik hem zijn neus niet

gesnoten?--Hadden de "kerels" de macht in handen, het zou spoedig

klinken: slaat de heeren dood! De "kerels" van Gent kunnen het getuigen.

Boven op een paard speelt hij ook wel voor ridder; de dorschvlegel is

zijn speer, de wan zijn schild; "ja, zeker!" zeggen dan de overige

rekels, "Roelof weet van steekspel houden!"

Denzelfden vijandigen geest, dezelfde minachting ademt een lied "van de

kerels" waarvan wij, sprekend over de minneliederen, reeds gewag

maakten. In kleiner bestek doch met niet minder talent en met vaster

hand is hier een beeld van den "kerel" omgetrokken, dat bovendien niet

zóó door den tijd geleden heeft als het voorgaande. Hier zien wij hem:

"vijand van de ruiters, langgebaard, in gescheurde kleeren, met gelapte

kousen en schoenen, de kaproen scheef op het hoofd, altijd vol wrongel

en wei, brood en kaas. Met een homp roggebrood in de hand gaat hij naar

de ploeg; dan komt zijn vuil wijf er bij, de flarden hangen haar bij de

muilen neer. Gaat hij ter kermis, dan beeldt hij zich in dat hij een

graaf is; alles wil hij neerslaan met zijn knuppel"... in dien trant

gaat het lied voort, om te eindigen met het grimmig dreigende:

Wi willen de kerels doen greinsen,

Al dravende over 't velt,

Hets al quaet dat zi peinsen;

Ic weet ze wel bestelt [Zijnoot: ik weet goed raad voor hen.]:

Men sal ze slepen [Zijnoot: nl. op eene horde (naar de galg).]

ende hanghen,

Haer baert es al te lanc;

Sine connens niet ontganghen,

Sine dochten [Zijnoot: zouden niet deugen.] niet sonder bedwanc.

Wrongle ende wey, broot ende caes,

Dat heit [Zijnoot: eet.] hi al den dach;

Daer omme es de kerel so daes [Zijnoot: dwaas.],

Hi etes meer dan hi mach.

Ook al voegt men bij deze weinige historische liederen eenige politieke

gedichten van dezen tijd, zooals de _Jammerliche Clage_ over den dood

van graaf WILLEM IV in Friesland, een onbeteekenend gedicht op JAN III,

hertog van Brabant, een stuk van WILLEM VAN HILLEGAERTSBERCH over het

ontstaan der Hoeksche en Kabeljauwsche twisten en een paar andere--welk

een onvolledigen en zwakken indruk krijgen wij dan nog van die

gewichtige 14de eeuw!

Doch men mag hier niet vergeten dat, vooral in de middeleeuwen, de

poëzie zich slechts ten deele openbaart door de kunst van het woord; dat

zij voor een aanzienlijk deel latent bleef in het leven. Hoeveel poëzie

schuilt er in de werkelijkheid dier dagen, ook al richt men het oog in

het bijzonder op de geschiedenis van land en volk. Een goed voorbeeld

daarvan levert ons de Latijnsche kroniek, door WILLEM, kapelaan te

Brederode, opgesteld in het eerste vierdedeel der 14de eeuw. De auteur

verhaalt ons daar, hoe WILLEM I, graaf van Holland, op een reis naar

Duitschland door Gelderland trekt. Uit vrees voor hinderlagen van zijn

vijand OTTO, graaf van Gelre, heeft hij zich in geringe kleeren

gestoken; met slechts een enkelen dienaar wandelt hij blootsvoets door

Gelderland. Zijn weg leidt hem langs het kasteel van zijn vijand. De

gravin staat voor het raam en ziet hem; aan zijne beenen en overige

ledematen herkent zij den man van edel bloed en begrijpt dat het graaf

WILLEM moet zijn. Een bode noodt hem binnen te komen. WILLEM aarzelt

maar geeft aan de noodiging gehoor. De gravin laat hem in een kamer

brengen en betere kleeren uit haar mans garderobe geven; zij begroet hem

als graaf van Holland en laat niet af, al loochent hij het; op slimme

wijs weet zij hem tot erkenning der waarheid te brengen. Bij het vallen

van den avond komt graaf OTTO thuis. Zijn gemalin gaat hem tegemoet;

hand in hand komen zij de zaal binnen. De verstandige vrouw vraagt of

hij haar een belofte wil doen; de graaf stemt toe en doet er een eed op

dat hij zijne belofte zal houden. Daarop zegt zij: huw dan onze dochter

ALEID uit aan WILLEM, graaf van Holland.--"Droomt gij?" zegt de graaf;

"maar mijn eed zal ik houden." Nu gaat de gravin de kamer binnen waar

WILLEM zich bevindt, begroet hem als schoonzoon en brengt hem voor haar

gemaal. Allen zijn verwonderd; doch sommigen zeggen: geen wijsheid, geen

raad kan bestaan tegenover God. Lag hier niet de stof voor eene romance

te wachten op de beeldende hand van een dichter? Die barrevoeter-graaf

in slechte kleeren vermomd door Gelderland trekkend, die gravin voor het

venster--typische houding eener middeleeuwsche edelvrouw--die bode, dat

verwisselen van kleeding, die belofte van den graaf en die

ontknooping--het is alles ongeboren poëzie. Had deze kapelaan Dietsch

durven schrijven, wie weet? Doch zijn eerbied voor HORATIUS, OVIDIUS en

SENECA verbood hem dat en deed hem in zijn Latijn vertellen wat een mooi

lied in de volkstaal had kunnen worden[43].

_c_. GEESTELIJKE, STICHTELIJKE EN DIDACTISCHE LYRIEK.

Al waren alle gherse [Zijnoot: grasjes.] tonghen,

Die te meye oit ontspronghen,

Ende si alle van u songhen,

Si en gaven u niet te vollen prijs.

Deze verzen uit een gedicht _van onser Vrouwen_ wijzen aan, waar het

zwaartepunt ligt in de geestelijke lyriek van dien tijd: MARIA neemt de

voornaamste plaats in. Het is haar "opvaert", hare "vijf pinen", hare

"claghe"; wij vinden "bedinghen" tot haar, een "lof van Maria", "Ave

Maria," "Salve Regina" en hoe die stukken verder heeten mogen. Vele

daarvan toonen meer vroomheid dan eigenaardig karakter of talent van den

dichter. Sommige andere verdienen op den voorgrond gebracht te worden.

Zoo vinden wij drie meesters: ALBRECHT VAN KEULEN, HEYNRIC FROMATOR en

JACOB VAN MERLANT, "een edel clerc ende wide becant" in een soort van

wedstrijd bezig met den lof der Moedermaagd te zingen; MAERLANT'S

lofspraak wordt de schoonste geoordeeld. Een enkelen keer treffen ons

onder de gebeden tot MARIA fraaie stukken; zoo b.v. dit couplet:

O maghet, o moeder, o godlijc wijf,

O zoete, o reyne, o leytsverdrijf,

O lieve, o werde, o zalighe vrouwe,

O advocate der zonden kijf [Zijnoot: op wie de zonden kwaadaardig zijn.],

O onser, ellendigher, biblijf [Zijnoot: toeverlaat.];

O roze, vul van 's hemels dauwe,

O troost in node, o heils beclijf,

O wech der dolender, even stijf [Zijnoot: zeer betrouwbaar.],

O bloeyende minne, o vloeyende trouwe,

O moederlic herte, o maechdelic lijf,

O licht voor thelsche ongherijf,

Com, los mijn herte uut allen rauwe[44].

Opmerkelijk is een stuk getiteld _Onser Vrouwen Claghe_ om den geest der

vroegere volkspoëzie, dien het ademt. Zoo vinden wij hier meer dan eens

dat spreken der personen zonder aankondiging:

Tote Adame dat hi quam:

"Adam, du ne wet min no mee

...

Ook de epische herhaling van vraag en antwoord en de deelneming van den

dichter, die zich lucht moet geven midden in zijn verhaal met een: "Ay,

hoe node dat hi (Adam) 't dede!"[45].

Naast deze gedichten op MARIA vinden wij andere _Op het lyden Christi_,

_ons liefs Heren passie_, _de seven ghetide van onsen here_. Hindert ons

hier soms dezelfde platheid, die wij vroeger in de ridderpoëzie

aantroffen, waar een dichter zich niet ontziet te schrijven

Dat Jhezus naect hinc als een rent [Zijnoot: rund.]

An den cruce moedernaect[46].

Anderzijds treffen wij hier een fraai staaltje van geestelijke

volkspoëzie aan in een stuk, dat den naam draagt _Van Jhesus Mynnen, een

scoen ryme_. Men oordeele zelf:

O edele ziele mijn, en was die trouwe niet groot,

Dat Jhesus Christus, Marien Sone, om u vercoes di doot?

O edele ziele mijn, nu sijt hem onderdaen,

Want hi wilt noch anders met u spelen gaen.

O edele ziele mijn, staet op, maect u ghereet,

Doet uwen mantel ane, der hogher minnen cleet.

O edele ziele mijn, doet ane u scone juweel,

U brugom wilt gaen meyen met u in sijn prieel.

O edele ziele mijn, hets daer zuete meyen gaen:

Den wijn der melodiën wort u daer opgedaen[47].

enz.

Voorts vinden wij nog lofdichten op S. JAN BAPTIST, eene paraphrase van

het _Miserere_, van het _Pater Noster_. Het oude geloof, dat voor het

Christendom had moeten wijken, openbaart zich in een tooverformulier,

dat wel gekerstend is, doch waar het oude geloof nog uit opduikt als een

duiveltje uit een verlucht getijdenboek. Want dit is wel het

oud-nationaal geloof:

...

... dat my gheen dinghen en moghen vellen

Noch gheen tonghe en moge quellen,

Noch yser noch stael my sniden noch slaen.

Maar onmiddellijk daaraan vooraf gaat een bede tot "den heyligen kerst"

en op den laatsten hier medegedeelden regel volgt:

Dat seder ghesmeedt waert

Dat Christus gheboren waert.

Opmerkelijk is ook, hoe de onharmonische vermenging van oud-nationaal en

Christelijk geloof zich hier openbaart in het gemis aan samenhang en

harmonie van het gansche stuk[48].

Vonden wij hier den mensch vooral tegenover MARIA en JEZUS, een enkelen

keer tegenover God, in andere gedichten staat niet het godsdienstige,

maar het zedelijke op den voorgrond. Die gedichten zijn veel en veel

talrijker dan de weinige eigenlijk gezegde geestelijke gedichten. Meer

en meer zien wij ook in de poëzie, dat de burgerij zelf de ontwikkeling

van haar zedelijk leven ter hand neemt, al blijft zij de priesters nog

erkennen als middelaars tusschen haar en God.

De burgerlijke dichters, die zich hier als woordvoerders der gemeente

tot de gemeente richten, kiezen daartoe gaarne den weg van het

verstandelijk betoog, de redeneering, de uiteenzetting, de waarschuwing.

Het verwondert ons niet, bij deze neiging tot didactiek ook hier een

paar maal het vaderlijk "lieve kindre" aan te treffen, dat wij vroeger

in de leerdichten aanwezen, noch dat het _debat_ en daarmede verwante

vormen hier vaak voorkomen. Juist die dichtvorm immers gaf gelegenheid,

eene zaak door onderscheidene sprekers van verschillenden kant te doen

beschouwen, vragen te stellen tot de hoorders om hen langs dien weg te

brengen tot het vinden van de waarheid of ten minste van eene

overtuiging. Vandaar dat men aan het slot van sommige dezer stukken

uitdrukkingen leest als: "Nu mach elc vroet man merken" of "Nu gheraet

hier naer"[49].

Met het verstandelijk karakter dezer poëzie strookt ook wel de lust tot

allegorie, die hier zich zoo krachtig openbaart. De roman _van de Roos_

moge invloed geoefend hebben op de ontwikkeling der allegorie ook te

onzent, eene dergelijke neiging van den menschelijken geest kan toch

niet alleen uit een boek worden afgeleid. Allerlei menschelijke

eigenschappen en hoedanigheden, gevoelens, neigingen, toestanden, worden

door de dichters belichaamd, treden voor ons op om, redeneerend en

disputeerend, te leeren, te vermanen of te stichten. Het zijn Vrouw Ere,

Vrouw Minne, Trouw, Milde; meester Baraet [Zijnoot: bedrog.] van Lozane

en zijn vennoot Visevase; de edele vrouwe Gerechtigheid, op jacht met

hare honden Hope en Troost, komt den jager Onrecht tegen met zijne

honden Wankelmoed, Loosheid en Logenaar. In een gedicht van Heer

ERENTRYCK treden o.a. Heer Hoeffscaert en Heer Mildriaen op[50].

Ootmoedigheid disputeert tegen Wereldsche Eer, Rijkdom tegen Armoede,

Solaes tegen Penitentie.

Een der oudste stukken van dezen aard, dat nog uit het laatst der 13de

eeuw dagteekent, is "een abel dinc ende een edel leere: _van der Zielen

ende van den Lichame_. Het is eene bewerking van den Bijbeltekst: _de

geest strijdt tegen het vleesch en het vleesch strijdt tegen den geest_,

die in zijne aangrijpende kernachtigheid het zedelijk leven der meeste

menschen samenvat[51]. Verwant met dit stuk zijn andere als "een edel

exempel", waarin een gestorven mensch, in zijn graf liggend,

waarschuwend en vermanend, spreekt tot hen, die over zijn graf gaan: ik

was jong, schoon, bloeiend--nu ben ik zwart, verrot, de wormen eten mij;

wat ik ben, zult gij worden; let dan op het eeuwige, geef aalmoezen enz.

Ook "een figure" van een zondaar, die in de hel zijne zonden beweent en

zijne medemenschen waarschuwt, en een drietal tweespraken tusschen een

levenden en een dooden koning[52].

Verder vinden wij een A.B.C. gedicht ter gelegenheid van het nieuwe

jaar, vol allerlei zedelijke opwekking; een uitleg van het woord _liden_

volgens de onderscheidene letters, die elk weer een afzonderlijke

beteekenis hebben; eenige droomen en visioenen. De allegorie ontbreekt

ook hier niet; zoo wordt ons b.v. verhaald van het paard dat "de

menschelijke nature" voorstelt; dat paard wordt geregeerd met den

breidel van "redelic verstaen"; in dien trant is de allegorie verder

uitgewerkt[53].

Wat al deze stukken gemeen hebben, is eene stichtelijke of zedelijke

strekking; doch de dichters bedienen zich tot den opbouw van het

zedelijk gemoedsleven hunner tijdgenooten van allerlei materiaal. De

tweespraak is geliefd; behalve de bovengenoemde, vinden wij er een

tusschen den Zomer en den Winter over elks meerdere voortreffelijkheid;

een andere over de vraag, wat beter en machtiger is: geluk of geld? weer

een ander maakt er eene "questie" van: of iemand zijn lam zal hoeden

tegen een wolf dan wel zijne vrouw tegen een belager. Andere stukken

geven rechtstreeksche opwekkingen tot zelfkennis, het bewaren zijner

eer, bescheidenheid jegens zijne meerderen; zij waarschuwen tegen

"baraet en reinaerdie", hoovaardij, afgunst, boosheid. Zij houden ons

het beeld voor "van den IX besten", de beste vorsten die geleefd hebben:

HECTOR, ALEXANDER, CESAR, ARTUR en anderen; zij vertellen ons van "een

geestelijken boomgaard"; van den hemel, voorgesteld als een schoone zaal

met vele woningen, waarin God de waard is; van een ridder die zijn zoon

de eigenlijke beteekenis van het woord _wapen_ leert; van de raadslieden

die een vorst tot zich moet roepen; van twaalf soorten van dienaren.

Het is begrijpelijk dat dichters die er op uit waren hunnen hoorders of

lezers praktische levenswijsheid mede te deelen, zich gaarne bedienden

van spreuken of spreukachtige verzen. Hunne gedichten zijn dan ook vol

spreukenwijsheid, die men vindt samengevat in een refrein, in een

slotregel of aan het begin van een stuk als tekst; verzen als:

Gherne soud se visschen, die catte,

Maer node steec se den poot in 't natte.

Die wel doet, darf gheenen wisch ute steken [Zijnoot: goede wijn

behoeft geen

krans.].

Vele onderwinden en was noit goet.

Swigen brinct vele rusten in.

Doch daarmede niet tevreden, brengt men spreuken in bundels samen en

alzoo onder de menigte. Sommige daarvan zijn in onbruik geraakt; ik heb

het oog op een aardige spreuk als:

Boven macht piint men dicke om haven

[Zijnoot: geeft men zich moeite om rijkdom.],

Want noot doet oude quenen [Zijnoot: vrouwen.] draven.

Andere herkennen wij ook in dezen vroegeren vorm:

Hi en dunct mi niet te sere riesen [Zijnoot: dwaas zijn.],

Die van tween quaden dminste can kiesen.

Of:

Met dommen dom, met wisen wijs,

Want het es nu der werelt prijs.

Verscheidene dier spreuken worden ook in een Hoogduitschen vorm

teruggevonden, o.a. in den bundel die bekend staat onder den naam

_Fridankes Bescheidenheit_.

Gaarne ook liet men menschenwijsheid vertolken door vogels. Soms houden

deze "voghel sproexkene" verband met het karakter dat men een of anderen

vogel toekende. De raaf, een onheilsvogel, zegt b.v.:

Here, dune machs niet genesen [Zijnoot: behouden blijven.]

Du en wilt [Zijnoot: tenzij gij wilt.] scalc und ontrou wesen.

De koekoek, een "beroemech" vogel volgens onze voorouders, omdat hij

altijd van zich zelven spreekt, zegt:

Oetmoedecheit salmen miden,

Want hoverde geet voren tallen tiden.

Doch vaker is dit verband tusschen vogelkarakter en spreukwijsheid niet

aanwezig en kan men het ontstaan dezer vogelspreuken slechts verklaren

uit hetzelfde samenleven met de natuur, dat ook vroeger het lied of den

roep van zoo menigen vogel vertolkte met menschenwoorden die er

eenigszins op leken[54].

Al dat opvoeden door middel van de poëzie ging langzamerhand vrucht

dragen: het zedelijk onderscheidingsvermogen gaat zich ontwikkelen; men

begint scherper oog te krijgen voor eigen feilen en gebreken, en

vooral--het waren ook toen immers maar menschen?--voor die van anderen.

De critiek begint zich te doen gelden en invloed te oefenen, voorshands

vooral op het zedelijk leven. De mannen die zoo gereed waren bij elk

geschil naar zwaard of mes te grijpen, beginnen in te zien dat geen

zwaard zoo scherp is als de menschelijke tong:

Ten snijt gheen zwert so grievelijc zeere

Als tonghe, die rovet des menschen eere.

Menigeen moet zich onbehagelijk gevoeld hebben onder het besef dezer

toenemende critiek. Als tolk van dezulken treedt zekere EGIDIUS op met

een naïeve klacht over het eeuwige "begrijpen" [Zijnoot: aanmerkingen

maken.] der menschen, waaraan men niet ontkomen kan: ga ik dikwijls naar

de kerk--ik ben een schijnheilige; laat ik het--ik ben erger dan een

hond; draag ik een wapen--ik ben een vechtersbaas; laat ik het thuis--ik

heet een lafaard; praat ik veel--zijn mond gaat als een Lazarusklep; zeg

ik weinig--hij speelt stommetje; loop ik veel in de taveerne--de hel is

zijn voorland, hij zal er nog alles doorbrengen; kom ik er weinig--'t is

een saaie Piet! "Jeghen quade tonghen helpt geen weeren"; EGIDIUS ziet

er niets anders op dan de tien geboden houden en de heilige kerk volgen;

zóó alleen kan men rust vinden in "dit ellendighe erdsche dal."

Anderen zijn niet zoo zachtmoedig tegenover de "begripers" gestemd. Dat

voorbeeld willen zij niet volgen, zij willen liever op zich zelven

letten:

Mijns selfs ghebrec cleeft an mi vast.

Dat anderen weecht, es mi gheen last.

Ic hebbe te draghene ghenouch an tmijn,

Twi [Zijnoot: waartoe.] soudic yemens begripere zijn?

En tot den "begriper" zeggen zij:

So wie dat spreken wille up mi,

Bezye hem selven, wie hi zi.

Es hi goet ende al de zine,

So eist mi te mindre pine[55].

Doch wie zich ook aan de critiek ergeren mocht, zij zweeg daarom niet.

Het zaad, door MAERLANT uitgestrooid, dat wij reeds zagen opkomen in de

leerdichten, droeg ook hier vrucht bij genoemden en ongenoemden.

Ongenoemde dichters hekelden in hunne verzen het bandeloos leven in

sommige kloosters en het kroegloopen; een ander geeft ons een aardig

zedentafreeltje van vrouwen en meisjes die vóór het avondeten

buitenshuis op de straat komen zitten en het zoo vermoeiend vinden op te

staan en te nijgen wanneer een kennis voorbijkomt en den kaproen licht;

weer een ander zingt ironisch den lof van de "plaesteraers" [Zijnoot:

vleiers.] en besluit telkens een couplet met het refrein: "ic moet emmer

[Zijnoot: volstrekt.] plaestren leeren"[56].

Onder de ons bij name bekenden vinden wij een paar "sprekers", die wij

spoedig als dichters van beroep nader zullen leeren kennen: BOUDEWIJN

VAN DER LOREN, waarschijnlijk een Gentenaar en AUGUSTIJNKEN VAN DORDT.

Hunne niet talrijke werken geven ons eenigszins een beeld van de in dit

hoofdstuk behandelde poëzie.

BOUDEWIJN'S _Maghet van Ghend_ (omstreeks 1381) geeft een kijkje in de

vijandige verhouding tusschen die stad en den graaf van Vlaanderen,

LODEWIJK VAN NEVERS. AUGUSTIJNKEN'S gedicht "van (den) Sceepkene" is

eene allegorische voorstelling van den droevigen toestand waarin de

Hoeksche en Kabeljauwsche twisten deze landen gebracht hadden. Allegorie

vindt men ook in zijn _Borch van Vroudenrijc_, eene voorstelling van het

lichaam en de vijf zinnen Hekelt BOUDEWIJN personen en toestanden zijner

dagen op scherpe wijze in de "edele sproke": _Dits Tijt's verlies_,

AUGUSTIJNKEN schroomt niet, zich zelfs tot de pausen te richten:

Petrus leyde oetmoedich leven, Daden die pausen diere gelike, Dat soude

schinen in Kerstenrike.

Ook het stichtelijk element der hiervoor behandelde poëzie vinden wij

terug in zijn gedichten over _de Schepping, Sinte Jans Ewangelium, van

der Rycheit ende van der Doot_[57].

Beide "sprekers", doch vooral AUGUSTIJNKEN, bezaten wel eenig talent. In

BOUDEWIJN'S _Tijt's verlies_, in het laatstgenoemde stukje van

AUGUSTIJNKEN, tevens zijn laatste werk, zijn hier en daar wel aardige

verzen. Ook is er iets aantrekkelijks in zijn "_Sceepken_": dat bootje,

drijvend in de Merwede, waar de dichter "in 't risen van der sonnen"

instapt, waarin hij zich laat drijven op goed geluk, totdat hij

eindelijk de riemen ter hand neemt--geeft ons eene aardige

verzinnelijking der verbeelding die "vaart spelen daar draaiboom sluit

noch hek."

Beter dan hun werk echter is dat van hun kunstbroeder WILLEM VAN

HILLEGAERSBERGH geschikt om ons de verhalende en lyrische poëzie, in een

kort bestek samengevat, op nieuw te doen zien. Vóórdat wij daartoe

overgaan hebben wij echter nog die minnepoëzie te beschouwen, die naar

den geest wel verwant is met het minnelied, doch in vorm van deze

verschilt en vooral eenige nieuwe trekken zal toevoegen aan de daar

gegeven voorstelling.

_d_. MINNEPOËZIE.

Duidelijk is ook in de minnelyriek, die niet tot het lied behoort, de

invloed der hoofsch-ridderlijke opvatting van de liefde te zien. De

vrouwendienst, zooals wij dien vroeger hebben leeren kennen, komt in al

deze stukken op den voorgrond, gewoonlijk in verband met allerlei

herinneringen aan het ridderwezen. Het bijna 900 verzen tellend gedicht

_Van der feesten_ bevat een uitvoerig overzicht van de leer der minne,

op scholastieke wijze verdeeld in deelen en "poenten". Wij vinden hier

antwoorden op de vragen: wat minne is? waardoor men minne kan verwerven

en weer verliezen? wie gestadiger zijn in de liefde: vrouwen of mannen?

eene uiteenzetting wordt gegeven van de wijze, waarop de vier

onderscheidene temperamenten zich in de minne openbaren. Waarschuwingen

tegen het roem dragen op vrouwengunst, aansporingen tot het "helen" van

den naam zijner liefste of "vrouwe" zijn niet zeldzaam. Telkens en

telkens wijzen de dichters op de voortreffelijkheid der vrouwen.

Duidelijk zien wij dat vooral in een stukje, dat getiteld is: _van XII

cnechten [Zijnoot: schildknapen.] die ruddren worden van heeren_

[Zijnoot: eere.]. Twaalf dappere schildknapen hebben, zonder van

elkander te weten, een edele vrouw om minne aangezocht. Aan elk hunner

geeft zij ten antwoord: eerst moet gij met de wapenen eere verwerven;

dan zult gij uw loon ontvangen. Allen trekken de wereld in en worden

ridders met eere. Teruggekeerd vragen zij om hun loon. Gij hebt het

reeds ontvangen, zegt zij, in uw met eere verworven ridderschap.

Deze voorstelling, volgens welke de vrouw de belichaming is van de

ridderlijke idealen, vindt men ook in andere dezer gedichten, schoon

nergens zoo duidelijk.

Het is wel mogelijk dat een deel dezer werken voor een ridderlijk

publiek zijn bestemd geweest; doch andere waren zeker voor de burgerij

bestemd, ook al bevatten zij ridderlijke voorstellingen. Zoo ziet men

ook in deze poëzie den invloed door den eenen stand op den anderen

geoefend.

Midden in een verzameling spreuken van didactisch-burgerlijk karakter

treft ons deze spreuk:

Spere, schilt, helm ende sweert

_Hebben_ gode ridders weert[58].

Het Recht wordt voorgesteld als eene edelvrouwe met hare honden op

jacht; uitdrukkingen, ontleend aan het ridderwezen, worden ook in de

burgerlijke poëzie al talrijker. Meer dan eens vinden wij herinneringen

aan de ridderromans; in het gedicht _Van der Feesten_ worden er

ettelijke genoemd; het Koningspel uit den roman _van Limborch_ is

verwerkt tot een afzonderlijk stuk; de "vijf heren" en "vijf vrouwen",

wier "wenschen" ons worden medegedeeld in een paar stukken, die

waarschijnlijk afkomstig zijn van een of anderen spreker, behooren thuis

in Troje; de "vier heeren", die wij voor het vuur zien zitten in een

ruime zaal en die zich met "wenschen" den tijd korten, zijn helden uit

het _Nibelungen-lied_. Opmerkelijk is, dat in BOUDEN VAN DER LORE'S

_Achte Persone Wenschen_ een ridder en een edele jonkvrouw met

geestelijken en nonnen en eene getrouwde burgervrouw zitten te drinken

om het gelag[59].

De lust tot allegorie, dien wij in de stichtelijke en didactische poëzie

opmerkten, vertoont zich ook hier. Hier openbaart zich de invloed van

den roman _van de Roos_ zelfs in eene rechtstreeksche navolging. Wij

bezitten nl. een gedicht van dezen tijd van meer dan 2000 verzen, dat

blijkbaar in navolging van dat beroemde werk is gedicht en dat bovendien

ook verwantschap toont met een deel der hier behandelde stichtelijke,

didactische en minnepoëzie. Wij vinden ook hier den droom als

inkleeding, de wandeling buiten, het zien van een kasteel, de ontmoeting

met allegorische personages als Vrouw Hope en Twifel; later komen de

vijf zintuigen: Heer Nouwe-zien, Heer Smakelijn, Rieke-lucht,

Licht-gevoel en Hoor-na. Zij komen voor den zetel van Vrouwe Zuverheit,

waar Jonkheer Lust en Jonkvrouwe Jeucht ook tegenwoordig zijn, met de

heeren Melancholie, Collorijn en de overige temperamenten[60].

Het verstandelijk element, zichtbaar in deze allegorische minnepoëzie,

openbaart zich ook in de overige lyriek van minne, die van burgerlijke

dichters afkomstig was. De liefde wordt in de poëzie aangewend als een

verstandsspel tot scherping van het vernuft. Een reeks van raadsels en

vragen aangaande de minne, onder den titel _Der Minnen Guet_, was

blijkbaar bestemd om door een spreker te worden gebruikt bij zijne

voordrachten. Ook de dialogen en "twistspraken" over de minne hadden de

strekking om in gezelschappen de wellicht eenigszins trage geesten

gaande en de tongen los te maken. De spreker vertelde b.v. van twee

gezellen, die uitgenoodigd worden mede te trekken naar het land van

Overzee en die hunne liefjes vragen wat zij moeten doen; het eene meisje

stemt toe, het andere weigert. "Nu, welc harer hadde den besten wille?"

luidt de vraag aan het slot van het gedicht. Elders zijn wij

tegenwoordig bij een "strijd van minne" tusschen een ridder en eene

jonkvrouw, tusschen "Vrouw Venus en een gheselle". Ook de bovenvermelde

"wenschdichten", al handelen zij niet uitsluitend over de minne, zijn

met deze gedichten verwant. Een volledig pleidooi vinden wij in het

_Jugement van Vrouw Venus_, al is dat gewichtiger als voorstelling der

middeleeuwsche procesvoering dan om zijne literaire waarde[61].

Daalt het minnedicht hier af tot het gezelschapsspel, het moet ook

dienst doen als huwelijksmakelaar. Het conventioneel genre van den

berijmden minnebrief, dat men in de Oudfransche en Middelhoogduitsche

literatuur aantreft, werd in de 14de eeuw ook in de Nederlanden

beoefend. Een vijftal Dietsche stukken van dezen aard zijn volgens het

gewone model vervaardigd en hebben dus weinig eigens; titels als "ene

vriendelike groete van enen lieve ten anderen" en "noch een vriendelike

saluut van minnen" wijzen eer op invloed der Oudfransche "saluts

d'amour" dan op dien van Middelhoogduitsche "liebesbriefe." In zulk een

"saluut" zong een verliefd jonkman den lof eener schoone, verklaarde

haar zijne liefde, verzocht om antwoord, hetzij een "brief" hetzij "eene

tafele" [Zijnoot: gewast schrijftafeltje.], sloot ook wel eens eene

roos in die hij dan als antwoord terugverzocht[62]

Poëzie die zulke diensten moet doen, kan kwalijk hare eer ophouden. Dat

blijkt uit deze stukken. Wat is er geworden van den trotschen GUNTHER,

den edelen RÜDEGER, den grimmigen HAGEN, die in de 13de eeuw toch nog

indruk maakten? Het is hun vooral te doen om te lachen, met mooie

vrouwen uit visschen te gaan, te eten en drinken, reien en dansen. Bij

BOUDEN VAN DER LORE zit een aanzienlijk ridder met eene maagd van hoogen

geslachte met monniken en nonnen te drinken--om het gelag! Het kan ons

niet verwonderen dat wij een kindergrap onzer dagen als die van GRIET

die men door een komma ten hemel of ter helle doet varen, reeds onder

deze minnepoëzie aantreffen:

Ic minne een wijf die scande geert

Nemmermeer si pijnt na ere;

Wijflijcheit hat hare onweert [Zijnoot: minacht haar.]

Nicht [Zijnoot: niet.] haren prijs kan si meerren.

enz.[63].

Slechts bij uitzondering vinden wij onder de minnepoëzie van den

hierboven behandelden aard iets goeds, zooals b.v. in deze verzen:

Ende of ic troest sochte an hare

Ende sijt ontseide, wat lagher an?

Ic sal haer claghen mijn mesvaren;

In sal [Zijnoot: ik zal het niet doen.]; ic sal; in sal nochtan!

Ic ware een verloren man,

Ghelijc den snee in sonnenschine,

Hope ende troest dies ben ic van [Zijnoot: mis ik.]!

Ay lacen, die scouden [Zijnoot: schul(en).] die sijn mine![64]

Waar wij verder iets aardigs aantreffen, daar is het spot met de

hoofsche sentimentaliteit. Van dien aard is eene sterk Duitsch-getinte

klacht van minnewee, die besloten wordt met deze regels:

Doe ich har clagede minen noot,

Vragede zi mi: "is Brugge groot?"[65]

Recht op hun dreef komen sommige minnedichters van dezen tijd eerst in

dartel of grof-zinnelijke stukken als de monorimes, aanvangend:

Ic quam gegaen met liste,

Daer ic mijn suete lief wiste,

Ic sprac: "lief, waer biste,?"

en wat daar meer volgt.

Zoo ook in de "goede boerde" van de bagijn en haar minnaar die op een

laken door den zolder komen vallen te midden der andere bewoonsters van

het bagijnhof; alle bagijnen slaan de handen voor de oogen, maar meer

dan eene gluurt door de vingers. Zoo eindelijk ook in dat dartele stukje

_Dmeisken metten sconen vlechtken_ dat aan zijne naïeve zinnelijkheid

zooveel verleidelijke bekoring paart dat de dichter of een later lezer

er onder schreef: "Desen sproke doet mi al te sere verlanghen"[66].

Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I · 第 81 / 113 题