MINNELIEDEREN.

Zoo schaarsch als de geestelijke liederen zoo talrijk zijn de

minneliederen van dezen tijd. In een handschrift van het laatst der 14de

eeuw, dat misschien was aangelegd voor een edelman uit het Brugsch

geslacht Van Gruythuyse, zijn ons bijna anderhalfhonderd liederen

bewaard die ons een beeld geven van het minnelied dezer tijden. Voor een

deel zijn die liederen misschien gedicht door zekeren jonker JAN VAN

HULST, doch het komt mij voor dat ook andere handen in deze liederen

vallen te onderscheiden[29]. Misschien hebben Duitsche dichters tot het

ontstaan van dit handschrift medegewerkt; in allen gevalle worden wij al

dadelijk getroffen door de Duitsch-getinte taal of het mengsel van

Duitsch en Nederlandsch waarin ettelijke dezer liederen zijn geschreven.

Het Beiersche gravenhuis had het Duitsch hier te lande in zwang

gebracht, Duitsche dichters en zangers kwamen in het gevolg der graven

en edelen in deze landen; het is begrijpelijk dat velen hunner getracht

hebben aan hunne taal een Nederlandsche kleur te geven zooals de

Fransche trouvères der 13de en 14de eeuw, in het Noorden van Italië

rondtrekkend, de Fransche ridderpoëzie in veritaliaanscht Fransch

voordroegen.

Misschien zijn er ook Nederlandsche dichters geweest, die getracht

hebben aan hunne taal een Duitsche tint te geven; het is niet

gemakkelijk uit te maken welke der beide mogelijkheden men in bepaalde

gevallen vóór zich heeft[30].

Herinneren vele dezer liederen ons door hun vorm aan Duitschland, hun

inhoud toont in menig opzicht verwantschap met de hoofsche Duitsche

minnepoëzie dier dagen. De opvatting van de liefde als een dienst, die

wij reeds vroeger in dit verhaal hebben leeren kennen, treffen wij ook

hier aan; ook hier zijn de rollen omgekeerd: het sterke geslacht zucht,

treurt, klaagt en weent of vleit--het zwakke is mannelijk en fier; zij

is de "princesse", de "keyserinne"--hij de "dienaer" of de "lijfeigene".

De liefde is hier eerbiedig, bescheiden, het zinnelijke wordt

onderdrukt; heimelijk smachten naar haar bijzijn, dat staat hoog; wordt

de "stedicheit" van den minnaar ook niet beantwoord, toch blijft hij

trouw. Hoofsch is deze opvatting der liefde in hooge mate; een dorper

kan zich dan ook niet daartoe verheffen: "een kerel ghert der vreughden

gheyn." Het is niet vreemd dat wij in dezen zelfden bundel een fraai

lied aantreffen, dat van diepe minachting voor de "kerels" vervuld is.

Een tegenstelling met deze liederen, gedicht onder den invloed eener

internationale opvatting der liefde, vormt een veertigtal andere die in

taal, gevoel en voorstelling zuiver nationaal mogen worden genoemd.

Hier geen hoofschheid, neen waarlijk niet! Hier krachtig realisme en

onbedwongen zinnelijkheid; maar ook welk een dartele levenslust en

onbezorgde vroolijkheid, welk een helder opklinkende lach!

Niet zóó scherp noch zóó volstrekt echter moet men zich deze

tegenstelling denken, alsof alle Duitsch-getinte liederen tegenover de

zuiver-Vlaamsche konden worden geplaatst als idealisme tegenover

realisme. Want eenerzijds komen er onder die Duitsch-getinte liederen

een paar voor die in dubbelzinnig schertsende beeldspraak over het

minnespel denzelfden trant houden als sommige zuiver-Vlaamsche

liederen[31]. Anderzijds zijn sommige zuiver-Vlaamsche stukken gedicht

in den geest der hoofsche minnepoëzie; doch opmerkelijk is, hoe het

nationaal realisme dan op sommige plaatsen door het idealistisch vernis

heen komt kijken[32]. Overigens vindt men hier verscheidene genre's

vertegenwoordigd: liederen over de droefheid van het scheiden, waarvan

er een doet denken aan de later uitvoeriger te behandelen

"wachterliederen"; nieuwjaarsliederen die waarschijnlijk bestemd waren

om aan de liefste gezonden te worden, evenals andere die ter begeleiding

van een bloeienden meitak zullen hebben gediend; weer andere hebben een

meer verstandelijk karakter en handelen over de "stede" (trouw), over

vriendschap, afgunst en nijd. Een enkel behelst klachten over de

"niders"[33].

Aan de verscheidenheid van inhoud beantwoordt een rijke verscheidenheid

van vorm; sommige liederen bestaan uit slechts een enkel couplet, de

meeste uit meer coupletten; de gewone vierregelige strophe komt maar een

enkelen keer voor en dan nog met een kunstiger rijmstelsel dan de gewone

overslaande rijmen (no. 136); de omvang der coupletten zwelt soms,

misschien onder den invloed eener bestaande melodie, aan tot het

buitensporige. Maar ook, hoe menig fraai lied is hier te vinden! Daar is

dit lied op het scheiden:

Sceiden, onverwinlic leit,

Onvreuchdelyc es dijn beghin,

Dat nemic waerlic up myn heit [Zijnoot: eed.]:

Ten brinct gheen dinc meer lidens in.

Sceiden, du dwinx herte ende zin,

So langher tyt, so meer verdriet,

Sceiden, du ne ghenouchs [Zijnoot: behaagt.] mi niet.

Het aardige lied op den leeuwrik, dat aanvangt:

Aloëtte, voghel clein!

Dyn nature es zoete ende rein,

So es dyn edel zanc;

Daer dienstu met den here allein

Te love om sinen danc.

Het lied tegen de kwellende gepeinzen, die den minnaar rust noch duur

laten, en het klaaglied over het lot van den ongelukkigen minnaar, met

dit aardig couplet:

Trueren, waken,

Magher caken,

Selden sonder toren [Zijnoot: verdriet.],

Breken, maken,

Niet gheraken,

Achter meer dan voren--

Dit moeter al toe horen

Ende al den tijt verloren[34].

Wij vinden hier ook meer dan een mooien beurtzang, hetzij tusschen

ridder en jonkvrouw, minnaar en meisje, hetzij tusschen twee gezellen of

twee speelnootjes. Als proeve kunnen hier slechts een paar coupletten

worden medegedeeld van den beurtzang tusschen een paar gezellinnen,

waarvan de eene aan de andere een droeve bekentenis doet:

Ghespele, in caent gheswighen niet,

Nu wilt mijn overzwaer verdriet

In trauwen helpen helen.

Doe ic lesten van u sciet

[Zijnoot: laatst afscheid van u nam.],

Doe addi mi allein bespiet

Ende ic ginc mettem spelen.

Ghespele, wilt beraden mi,

So dat mijn ere behouden zi

Bi wizen rade;

Ic wane in comme hem nemmer bi.

Wat sal ic doen! o wach, o wi!

Het es te spade!

Die ander sprac: op minen heit [Zijnoot: eed.],

Dat es mi waerlic alzo leit,

Ghespele, ic wil u claghen.

Waer es dijn zuver ommecleit

[Zijnoot: de reinheid waarin gij gekleed waart.]?

Nu moestu dinen aerbeit [Zijnoot: zwangerschap.]

Lange alleine draghen.

Waer es dijns hertzen toeverlaet?

In can di, leider! genen raet

Ghegheven--

Wint up dijn haer [Zijnoot: maagden lieten het haar los hangen.], dijn

guldin draet,

Waer es dijn vruechdenrijc ghelaet

Ghebleven!

De realistische minneliedjes en beeldjes uit het volksleven zijn niet

minder fraai. Het manke liefje met één oor en zwarte handen, dat knort

als een varken, bereidt ons reeds voor op de groteske figuren van

Breughel, en hoe gaarne zou men weten hoe het afloopt met den kapelaan

van Hoedelem, dien wij 's morgens met den koster achter hem ter mis zien

gaan. Maar slechts de aanvang van dat lied is ons overgebleven. Dan is

er TUTEBIER, de marskramer, met zijn vroolijken straatroep:

Naelden, spellen, trompen, bellen,

Ic wil mijn merse hier nederstellen,

Laet zien of ic vercopen can!

die aangeroepen wordt door een lachend mooi meisje, dat zoo'n moeite

heeft om een speld van het juiste formaat te vinden:

"Merseman," seidesi, "lieve geselle,

"Ic hebbe een cleine cokerkijn,

"In vinde hier in no naelde no spelle [Zijnoot: speld.],

"Die wel voughen soude daer in.

"Hier sijn grote ende daer so cleine,

"Maer ic ne vinde niet dat ic meine."

--"Joncfrauwe, wat spellen wildi dan?

"Naelden, spellen, trompen, bellen,

"Ic wil mijn merse" enz.

"Joncfrauwe, ic hebbe een spellekijn,

"Dan es niet aldus cleine."

--"Cnape, wel moeti comen sijn,

"Ghi weit wel wattic meine.

"Wildi de spelle vercopen niet,

"So leen se mi of ghijt ghebiet [Zijnoot: indien gij wilt.],

"Ic salt u lonen, bi sinte Jan--

"Naelden, spellen, trompen, bellen,

"Ic wil mijn merse hier neder stellen,

"Laet zien of ic vercopen can!"

Daar is verder de "maecht in vrueghden rijck" die zoo gaarne op de

"bonghe" [Zijnoot: trom?]" wil leeren spelen; Heer WOUTER, oud en

koud, die LYSKEN te na komt en op zijne kaken geslagen wordt; het

avondfeestje in de schuur tusschen zuster LUTE en broeder LOLLAERT,

waaraan zulk een onverwacht eind komt--altemaal uitingen eener krachtige

zinnelijkheid die wel eens uit den band springt en grof wordt, doch die

in zijn dartelen moedwil ook zulk een volheid van leven toont, zulk een

natuurlijke bevalligheid en lossen zwier[35].

De hierboven genoemde "bonghe" was een der vele muziekinstrumenten die

na onze kennismaking met het Zuiden en het Oosten ook hier werden

ingevoerd en gebruikt.

Naar het schijnt, werd de "bonghe" ook wel "bom" genoemd en bediende men

er zich van ter begeleiding van een zanger of zangeres[36]. Het

_rondeel_, een der lyrische dichtvormen die in de 14de eeuw in zwang

kwamen, werd toen ook wel gezongen met muzikale begeleiding. Een rondeel

van amoureuzen inhoud vinden wij in een gedicht "_van den wilden man_"

dat uit deze eeuw dagteekent; begrijpelijker wijze wordt het rondeel,

als voor den zang bestemd, hier "liedekijn" genoemd:

Nu hoert hier dliedekijn, dat hi sanc

met luder stemmen eer iet lanc:

"Ic was wilt, ic ben ghevaen

"ende bracht in mintliken bande;

"dat heeft ene maghet ghedaen.

"Ic was wilt, ic ben ghevaen;

"Al mochtic, in woude haer niet ontgaen,

"des settic mine trouwe te pande.

"Ic was wilt, ic ben ghevaen

"ende bracht in mintliken bande"[36].

Ook elders bleven ons nog minneliederen bewaard in eene

Brabantsch-Limburgsch gekleurde taal, doch in zóó gebrekkigen toestand,

dat men er zich geen juist oordeel over kan vormen. Zooveel is echter

wel zeker, dat zij tot de hoofsche poëzie moeten worden gebracht. Op

meer dan een plaats immers wordt gesproken over _dienst_ en _vrouwe_,

b.v. in eene uiting als deze:

Lijfs ende sins is hi versaeght,

Die dlijf [Zijnoot: het lief(je).] mint die sijn dienst meshaeght.

Elders herkennen wij in "dier verreder ghevensde tale" de klachten over

de "niders" waarvan de hoofsche minnepoëzie vol is. Hier en daar hooren

wij een couplet of een paar verzen die ons een goeden dunk van het

geheel geven. Zoo b.v.:

En mach verberghen in gheen hol

Hem lief vor lief, die liefs es vol.

of:

Liefs troest eest beter niet ghenieten,

Dan na liefs troest liefs troest mesnieten [Zijnoot: ontgelden, boeten.],

of dit deel van een couplet:

dat hem verdrote

's Levens sere,

Die uyt sire vrouwen

Herte dor trouwen

Ghesloten were[37].

Doch wij zouden er meer van over moeten hebben en vooral in een beter

overgeleverden tekst, vóórdat wij ons een algemeen oordeel zouden kunnen

vormen.

Onder de minneliederen uit het handschrift der Gruythuysens vindt men

ook--de nabuurschap dagteekent reeds van Anakreon--een aardig drinklied

dat aanvangt:

Scinc her den wijn,

Gheselle mijn,

Wi willen vroilic leven;

Het mach sulc [Zijnoot: deze of gene.] zijn

Noch up den Rijn,

Die ons gheluc mach geven,

Al moeten wi nu sneven.

Andere, met dit lied verwante, liederen brengen ons in gezelschap van

berooide minnaars die hunne versmade liefde zoeken te vergeten en als

een voorspel vormen van de latere liederen der "gildekens" [Zijnoot:

doorbrengers.] [38].

Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I · 第 80 / 113 题