Niet talrijk zijn de liederen van dezen aard, welke met voldoende
zekerheid tot de 14de eeuw gebracht kunnen worden.
Het half Latijnsche half Dietsche lied: "In dulci jubilo singhet ende
weset vro" uit dezen tijd is vooral van belang, omdat wij er door
herinnerd worden aan den samenhang der geestelijke Dietsche lyriek met
de Latijnsche hymnen en kerkliederen[25]. Opmerkelijker om zijn inhoud
is "eyn devoet lietgen van den heilighen kerste", een kerstliedje,
kinderliedje, dat aanvangt:
Sy namen dat kindekyn metten teenen [Zijnoot: bij de toonen.]
Sussoe nynnoe
Der heylighe kerst wil onser ghedencken
Sussoe nynnoe
Als wy suelen van ertrijc sceiden
Sussoe nynnoe.
Op dezelfde wijze worden dan de "verssen" [Zijnoot: hielen.] daarna de
"enckelen" in het lied gebracht en zoo beurtelings alle ledematen van
het Christus-kind als met vroom-eerbiedige hand aangeraakt.
Het zou mij niet verwonderen indien wij hier een geestelijke omwerking
van een wereldlijk lied vóór ons hadden; immers dergelijke kinderliedjes
in den trant van ons "kinne-, kinnewipje", aanbrengers van vroegste
zelfkennis voor het kind, zooals zij nog te onzent en in andere landen
van West-Europa in den volksmond leven, zullen wel overoud zijn[26].
Twee andere liederen hebben naar alle waarschijnlijkheid betrekking op
een bedevaart. Het eene verplaatst ons bij zonsopgang naar bergen en
bosschen, smeekt de bescherming van het heilig kruis af op dezen tocht,
roept de hulp der heiligen in tot het vinden van een goede herberg en
beveiliging tegen roovers en moordenaars te land en te water[27].
Het andere is een geestelijke romance ter eere van SANTE GHEERTRUUT, de
patronesse der reizigers. Een volksdichter heeft waarschijnlijk op dien
tocht voor het overig "gezelschap" dat "tot onsen here god voer" het
verhaal gezongen van den ridder die, ter wille van de schoone heilige al
zijn goed had verteerd, die zijn ziel aan den duivel verkocht om weer
rijk te worden en op het beslissend oogenblik door SANTE GHEERTRUUT
wordt verlost uit de klauwen van den Booze. Er is poëzie in dit lied,
hoe weinig geoefend ook de hand was die haar verwerkte: de eenvoudige
droefheid bij het afscheid van den ridder en zijne geliefde; de naïeve
verzuchting: had ik het maar geweten van te voren! het dwalen op een
duisteren avond langs de wilde heide, de plotselinge verschijning van
den Vijand, het "roode bloed" waarmee het contract wordt geschreven, de
plastiek bij het drinken van den beker van SINT-GEERTEMINNE:
Hi nam den nap op sijnre hant,
Hi sette hem voor sinen mont,
Hi en hadde den wijn ooc niet gespaert,
Hi dranc hem uut al tot den gront[28].
Deze en dergelijke trekken maken het wel begrijpelijk, dat een
sprookspreker als Meester WILLEM VAN HILLEGAERTSBERG geen weerstand
heeft geboden aan den lust om de stof dezer geestelijke romance op zijne
wijze te bewerken.