2. VERHALENDE EN LYRISCHE POËZIE.

_a_. Boerden en sproken, _b_. Liederen. Muziek en zang. Geestelijke

liederen. Minneliederen en drinkliederen. Historische Liederen, _c_.

Geestelijke, stichtelijke en didactische lyriek, _d_. Minnepoëzie.

Vonden wij in de 13de eeuw nog maar weinige berijmde novellen, hoorden

wij het lied slechts hier en daar als schuchter kweelen der vogels bij

den komenden morgen--nu zien wij ons geplaatst voor eene menigte van

verhalende en lyrische gedichten, zoo rijk in verscheidenheid, dat het

moeilijk valt in die warreling het gelijke of verwante te onderkennen en

te groepeeren. Die moeilijkheid ontslaat ons echter niet van de taak om

te pogen, ook deze stof te beheerschen door haar te verdeelen.

Wij zijn gewoon verhalende gedichten van komischen aard _boerden_ en van

ernstigen aard _sproken_ te noemen; doch wij mogen niet voorbijzien, dat

het hedendaagsch en het vroeger spraakgebruik elkander hier niet

volkomen dekken. Een komisch gedicht wordt ook wel "ene boerde" genoemd,

al bevat het niet juist wat wij een verhaal noemen en een verdicht

verhaal wordt wel met "boerde" betiteld, al heeft het niets komisch[1].

Het woord _sproke_ heeft een zeer ruime beteekenis; zoo wordt een

"bedinghe" _van onser Vrouwen_ aan het slot genoemd: "desen _sproke_",

en dat is niet het eenige voorbeeld van dien aard; elders treffen wij

eene "sproke up den wijn" aan[2]. Daarentegen heet menig verhalend

gedicht, met min of meer stichtelijke of didactische strekking, niet

_sproke_, maar _exempel_ of _bispel_[2].

Doch anderzijds blijft het waar, dat de meeste korte verhalende

gedichten _boerde_ worden genoemd, indien zij van komischen, _sproke_

indien zij van ernstigen inhoud zijn. Wij mogen ons dus gerechtigd

achten deze gedichten tot eene afzonderlijke groep te vereenigen. Een

tweede groep valt te onderscheiden in de muzikale lyriek: de liederen,

in tegenstelling met de boerden en sproken, bestemd te worden gezongen

niet gezegd; doch evenals deze ontstaan uit zuiverder lust tot

dichterlijke uiting des harten en beelding der stof, dan wij over het

algemeen in een derde groep waarnemen. Die derde groep omvat uitingen

van het godsdienstig gemoedsleven, zoowel als stichtelijke en

didactische stukken, bestemd tot vermaning, waarschuwing, opwekking en

leering; het karakter van vele dezer stukken blijkt reeds ten deele uit

vooral hier voorkomende benamingen als _bedinghe_, _disputacie_,

_questie_, _notabel_. Het spreekt vanzelf, dat ook tegen deze

groepeering bezwaren bestaan; ook hier ontsnapt het leven op meer dan

een plaats aan de banden eener altijd min of meer schoolsche indeeling.

Doch mogen de groepen hier en daar ineenvloeien, wat nood, indien

daardoor het besef harer onderlinge eenheid wordt versterkt?

_a_. BOERDEN EN SPROKEN.

De honderden korte verhalen, welke wij vroeger leerden kennen, waren nog

springlevend. Zij zwierven nog van mond tot mond en van het eene

handschrift in het ander. Hen volgen op al hunne gangen is ons

onmogelijk; wel kunnen wij zien: dat verscheidene hunner op hunne

omzwervingen trekken van elkander overnemen, dat zij zich wijzigen naar

het volk waaronder zij vertoeven, en dat de verhalen uit het

menschenleven den voorrang krijgen op de dierfabels.

Ook bij de Nederlanders der 14de eeuw vonden zij een gunstig onthaal.

Tal van stoffen, die ook in andere middeleeuwsche literaturen verwerkt

zijn, werden hier geboetseerd tot berijmde verhalen van komischen of

ernstigen aard, die gewoonlijk van twee- tot driehonderd verzen tellen,

doch ook wel eens grooter of kleiner omvang hebben. De komische stoffen,

hier tot _boerden_ verwerkt, vindt men bijna alle terug in de Fransche

literatuur; doch, hoewel de wijze van bewerking niet zelden gelijk is,

zijn er weinig of geen sporen van navolging aan te wijzen. Onze boerden

maken in hoofdzaak den indruk, dat zij oorspronkelijke bewerkingen zijn

van mondeling overgeleverde stoffen. Sommige zullen uit Frankrijk

hierheen, andere uit Brabant of Vlaanderen naar Frankrijk gekomen zijn.

Om te zwijgen van onze literaire betrekkingen in dit opzicht tot

Duitschland, Engeland en andere landen.

De sproken zijn zeker voor een deel, voor het grootste deel misschien,

afkomstig uit middeleeuwsche bronnen als _Vitae Patrum_, _Gesta

Romanorum_, _Dialogus Miraculorum_, _Liber Apum_, _Legenda aurea_; voor

een ander deel zeker ook door mondelinge overlevering verbreid. Met den

invloed der Fransche literatuur zal men ook hier rekening moeten

houden[3].

Hier en daar vinden wij in deze boerden en sproken aanwijzingen omtrent

den weg, waarlangs het verhaal den verteller had bereikt; uitdrukkingen

als b.v.: "Ic quam eens daer men mi sede" of: "Ic vant ghescreven ende

las"; doch zulke aanwijzingen zijn schaarsch en niet alle duidelijk[4].

Duidelijk is daarentegen het streven van sommige dichters de verhalen te

localiseeren; de stukken heeten te spelen, zijn misschien soms ook

werkelijk zóó of ten naastebij zóó gebeurd, "in 't lant van Loon," "te

Hasselt in die goede stede," "te Dordrecht in de poort," "Tantwerpen in

die coperstrate"[5]. Zooals men kon verwachten, worden wij hier vaker

naar het Zuiden dan naar het Noorden dezer landen verplaatst.

Waarvan vertellen ons de boerden? In welke wereld verplaatsen zij ons?

Op een paar uitzonderingen na behandelen zij gevallen van minne, van

zinnelijken lust, van overspel; zij vertellen ons van overspelige mannen

of vrouwen, die gefopt of gestraft worden, van minzieke vrouwen of

meisjes, clerken of nonnen, een enkelen keer ook van mannen die in de

kroeg zitten of boeven die een vroegeren kameraad bestelen. Maar de

lusten des vleesches vormen toch het hoofdmotief, dat voor de

middeleeuwsche dichters en niet voor de Dietsche alleen, blijkbaar een

komisch karakter had[6].

Wij worden verplaatst naar de kroeg, onder de "goede gezellen die lange

in 't drinchuus duren" en vrouwen die hare mans uit de kroeg halen; wij

komen in gezelschap van een waard, die bedrogen wordt door de waardin en

haar minnaar; van reizende "clercken", die het hun verleend nachtlogies

aan de vrouw en de dochter des huizes vergoeden in liefde, aan den

huisheer in kostelooze vuistslagen bij nacht; van een kostelijk

gekleeden, langharigen Don Juan te Dordrecht; van een koopman, die zijne

al te dartele vrouw voor den gek houdt.

Slechts een paar malen verkeeren wij, zooals in de laatstgenoemde

gevallen, in de huizen van rijke burgers. Gewoonlijk zijn wij onder de

kleine burgerij, waar men slaapt in één vertrek, meelpap eet en

"stoppelen sonder hout" brandt of groen elzen hout; waar het 's nachts

donker is of een vetpotje ("lichtvat met smoute") een flauw schijnsel

geeft. De koe staat dicht achter de woonkamer, ook in een burgerhuis; in

de boerde "van de gestolen zijde spek" zijn wij op het land ten huize

van een voormaligen boef, die zich bekeerd heeft en eene boerendochter

getrouwd. Elders komen wij op het erf van een visscher, aan de oevers

der Seine. Ook de koopman, die ons wordt voorgesteld als een rijk

man--hij heeft mooie kleeren en juweelen en speelt schaak met zijne

vrouw--, toont in zijne manieren een buitengewone grofheid; zijne vrouw,

die een handelsman uit de Oostzee-provinciën te gast heeft en waant door

dezen bedrogen te zijn, wreekt zich op dien gast door hem spijs op zijne

kleeren te storten, tegen hem te vloeken en hem heimelijk tegen de

schenen te schoppen.

Dat zijn de maatschappelijke kringen, dat de levensomstandigheden, welke

de stoffen leverden tot de dichterlijke verhalen die onder en naast het

verhalend ridderdicht opgekomen en bestemd waren die ridderpoëzie te

verdringen. De rijke koopman uit een dezer boerden, die "gheleerst,

ghespoort, ghegort wel vaste" zijn huis binnenkomt, toont ons dat het

zwaartepunt in de maatschappij dier dagen zich had verplaatst.

In de boerde, getiteld _Wisen raet van vrouwen_, worden wij in een "huys

met hoghe mure" gebracht; blijkbaar een dier huizingen zooals de rijke

burgers ze in navolging van den adel bouwden. De eigenaar van het huis

houdt daar achter slot en grendel zijne dochter die hij hoopt uit te

huwelijken aan een ridder of jonkheer, maar wat kan hij tegen de Min?

Al sluiten

Hem buiten

Met grendel en boom

Benagelde poorten

...

hij raakt er binnen in de gedaante van een jonkman, blijkbaar een

burger, tot wien zij haar goedgeloovigen biechtvader als liefdebode weet

te zenden.

Komt deze burger die blijkbaar hoogerop wil, er bekaaid af, op meer dan

een plaats wordt in deze boerden op spottenden toon gesproken over het

ridderwezen. De vrouw van een drinkebroer die thuis grimmend en grommend

haar man zit af te wachten, zegt:

Ic woude ic met hem op een pleyn

Mijn leven mochte setten in waechscalen[7].

Zooals de brave ELEGAST vroeger tegen den schelmschen EGGHERIC VAN

EGGHERMONDE!

Van heer GOBERT die 's nachts aan het vechten raakt met een der

"clercken" wien hij nachtlogies heeft verstrekt, heet het:

Men sach noit so wel tornieren

Sonder wapene ende sonder corieren [Zijnoot: maliënkolders.] [8].

De dichter die ons met blijkbaar welgevallen de onbeschaamd-dartele

boerde _Van den tanden_ verhaalt, stelt ons zich zelven voor, op zijn

paard Morele buiten Brussel rijdend. Dien naam _Morele_ droeg eertijds

het ros van ridder AMELANT in den roman _van Lancelot_; dien naam ook

het ros van den dapperen TOREC, dat meer waard was dan eene stad[9].

In gansch andere kringen der maatschappij leiden ons de sproken binnen.

Hier verkeeren wij onder "verweende" [Zijnoot: hoovaardig.] keizers en

koningen, heeren "van groten bloede", prinsen, graven, ridders, edele

vrouwen en jonkvrouwen. Het is waar, dat het ridderlijk tweegevecht ook

hier wordt afgekeurd en zelfs min of meer belachelijk gemaakt. Zeker

keizer die den vrede lief had en wijs en rechtvaardig zijn land

regeerde, maakte korte metten met de veete tusschen een paar zijner

voornaamste edelen. Hij ontbood de beide "helden" en trachtte ze te

verzoenen. Te vergeefs! Toen deed hij ze beiden ontkleeden "totter

brouc", bracht ze in een vertrek, gaf elk een dolk en zeide: gaat nu

maar dapper aan 't werk; gij krijgt geen eten of drinken, vóórdat een

van beiden gedood is. Onmiddellijk waren zij het eens. Zóó moesten meer

vorsten doen, zegt de dichter, dan zou er heel wat minder onschuldig

bloed vergoten worden [10]. De ernstige toon en het beroep op den

Almachtigen Rechter aan het slot toonen wel dat, indien sproke en boerde

hier al één lijn trekken, hun punt van uitgang toch verschillend is. In

een ander verhaal wordt een rijk en gierig ridder op onzachte wijs voor

den gek gehouden door zijn medeminnaar, een dapper maar arm edelman. De

wijze waarop de gierigaard 's nachts door zijn medeminnaar bewerkt wordt

met een hazelaarstwijg, is weinig hoofsch, en ook de verdere inkleeding

doet hier en daar denken aan de boerden; doch dit verhaal is dan ook het

eenige waar men twijfelt of men het tot de sproken dan wel tot de

boerden zal rekenen [11].

Overigens echter wordt in de sproken het ridderwezen met eerbied

bejegend en er is nog gevoel voor de ridderlijke idealen. Zoo zien wij

in een sproke een hooggeboren rijke maagd aan een dapper arm oud ridder

de voorkeur geven boven een jongen "mooyaert" [Zijnoot: fat.], die den

ouden krijger bespot wiens gelaat met zwaarden geteekend is [12]. Het

fraaie verhaal: _de mantel van eren_, wil toonen, hoe verkeerd het is,

goud hooger te stellen dan riddereer [13].

Zijn wij niet aan hoven of in ridderlijke huizingen, dan brengen de

sproken ons in klooster of kluis, in gezelschap van monniken en

kluizenaars, nonnen en bagijnen. Van dien aard is o.a. het verhaal van

het _Baghijnken van Parijs_, een aanzienlijk meisje dat in een bagijnhof

wenscht te worden opgenomen; dat van de non die met haren meester haar

klooster ontvlucht; van het jonge monnikje dat telkens een deel van zijn

eten aan het beeld van MARIA brengt; van de edelvrouw die terwijl zij

haar minnaar afwacht, door de geesten der afgestorvenen voor wie zij

placht te bidden, wordt bekeerd en in een klooster gaat.

Verwant met deze sproken van geestelijken inhoud zijn andere, die ons

verhalen van eene jodin die bekeerd wordt tot het Christendom, een

jodenmeisje dat Christin wil worden en door haar vader vermoord wordt;

weer andere behelzen algemeen bekende korte verhalen die men overal

terugvindt, zooals dat van Hansken met de ganzen; het ouderpaar, dat

door hun kind teruggebracht wordt van de slechte behandeling van hun

ouden vader; de rechtgeaarde zoon, die niet op het lijk van zijn vader

wil schieten. In eene enkele sproke treedt de koopmansstand op: het

verhaal van een paar trouwe vrienden, een koopman uit Brugge en een uit

Baldac (Bagdad), die zich voor elkander willen opofferen. Het verhaal

van Pyramus en Thisbe, "twee kinderen die droeghen eene sterke minne,"

leende zich natuurlijk beter tot een sproke dan tot een boerde; de

oudheid zette aan deze stof eene achtbaarheid bij, die het verhaal wel

doet passen bij de ridderverhalen en die uit het leven der geestelijken,

beide toch nog altijd op hooger plan gelegen dan het leven van burgers

en plattelanders[14].

Dat de sproken alle een zedelijk karakter vertoonen, kan ons niet

verwonderen. Een dezer sprookdichters blijkt zelfs zoo nauw van geweten,

dat hij het noodig acht zijne toehoorders gerust te stellen omtrent

zeker gemis aan waarheid dezer verdichte verhalen. De sproke _van eenen

verwaenden coninc_ vangt aan met deze regels:

Exempel vertrect [Zijnoot: vertelt.] men hier ende daer,

Niet om dat si alle zijn waer,

Maer om dat mer bi verstaet

Ondersceet tusschen goet ende quaet[15].

In een enkel geval is de moralisatie bijna even groot als het verhaal

zelf. Elders is in een sprookdichter de lust tot het mededeelen van

zedekundige waarheden of bespiegelingen zóó sterk, dat hij ook de

personages, die in zijn verhaal optreden, met dien lust bezielt. Een

paar ridders "van quaden levene" komen tot hun meester om hem te zeggen,

dat zij berouw gevoelen over hunne misdaden en hun leven willen

veranderen. Op eene vraag van hun meester, op welke wijs zij dat denken

te doen, antwoorden zij:

.... Wi merkent bi Alexanderen

Die grote coninc, dat hem en mochte

Die daet ghehulpen die hi wrochte,

....

Hine moeste der doot doen een ghemoet[16].

In overeenstemming met dezen lust tot moraliseeren is dan ook, dat wij

zelden eene sproke aantreffen zonder een nuttige les of stichtelijke

opwekking: trouw gaat boven al; hovaardij is zonde boven al; hooren,

zwijgen en ziende blind // dat's dat nu de wereld mint, enz. Elders

worden de hoorders opgewekt, onzer Vrouwe getijde en vigiliën voor de

dooden te lezen; hoovaardij, hebzucht en afgunst te schuwen[17].

Opmerkelijker dan dit stichtelijk karakter der sproken is, dat ook in de

meeste boerden een zedelijke of didactische strekking niet te miskennen

valt. De boerde van de dartele koopmansvrouw met den "Oosterlinc" vangt

aan met een paar spreukmatige regels, die in het daaropvolgend verhaal

worden toegelicht:

Tgoede wijf maect den goeden man

Ende de goede man maect tgoede wijf.

Aan het slot dezer boerde lezen wij dan ook: "Elc vrouwe neme hier

exempel an." In den aanvang der boerde van de twee "clercken" en heer

GOBERT wordt ons gezegd, dat men uit sommige gedichten "vroedschap en

dwaasheid" te weten komt[18].

Ook in andere boerden vinden wij dergelijke uitdrukkingen. In eene

boerde, zóó plat-realistisch als die _van den visscher van Parijs_,

wordt, wat de middeleeuwsche dichters huichelarij achtten in minzieke

vrouwen, op onbarmhartige wijze bespot en de moraal der boerde _van

Heile van Berseele_ is samengevat in eene waarschuwing tegen den omgang

met lichte vrouwen. Waar geen eigenlijke zedeles of wat daarop gelijkt,

in het verhaal voorkomt, voelen de boerdendichters zich toch verplicht

iets in dien geest te geven door een zegenwensch als: "God gheve ons ter

zielen bate" of: "God bringhe ons ten eweghen paradise"[19].

Het is waar dat de vrouwen en meisjes, vooral de getrouwde vrouwen, in

deze boerden voorgesteld worden als in hooge mate weelderig en onkuisch.

Doch men moet niet vergeten dat deze voorstelling rust op theologischen

grondslag en dat de middeleeuwsche dichters, voorzoover zij geen

aanhangers van den vrouwendienst waren, er steeds op uit zijn de vrouwen

als EVA'S dochters te doen zien. EVA'S val immers was de bron van zoo

groote rampen voor het menschelijk geslacht geworden niet alleen hier op

aarde maar ook nog in een later leven[20]. Ook dragen de boerdendichters

er zorg voor dat men hen goed begrijpe: niet op "hoofsche vrouwen"

hebben wij het gemunt, zeggen zij; en, bij een andere gelegenheid: geen

goede vrouw behoeft dezen schoen aan te trekken[21].

Die goede en hoofsche vrouwen vinden wij in de sproken: een jong rijk

meisje dat bagijn wordt; eene edelvrouw die zich bekeert en in een

klooster gaat; een jonge non die zich neus en lippen laat afsnijden om

hare kuischheid te redden; eene adellijke dame die zich nieuwe kleeren

en sieraden ontzegt om haar man te kunnen bijstaan in zijn strijd tegen

de ongeloovigen; THISBE die den dood van haren minnaar niet overleven

wil.

Een dezer sprookdichters is zijn tijdgenooten zelfs zóóver vooruit, dat

hij in de bres durft springen voor vrouwen die een misstap begaan

hebben. Een adellijk meisje heeft eene liefdesbetrekking aangeknoopt met

een jonkman van geringen stand. Hare magen zijn vergramd, want, al was

de jonkman haar knecht niet, zulk een misstap was erger dan overspel.

Haar broeder, een groot heer, heeft medelijden met haar en verdedigt

haar in een gesprek met eene hooge bloedverwante die hem zijne

zachtmoedigheid in dezen verwijt.--Ik zelf heb vijf onechte kinderen,

antwoordt de edelman; zal ik een ander dan dingen verwijten die ik zelf

heb begaan?--De hooge vrouwe herneemt: zoudt gij mannen en vrouwen in

zoo iets willen gelijkstellen? Men zal u voor onwijs houden.--Hij weer:

de schande der mannen zal in Gods oogen duizendmaal grooter zijn, want

zij zijn de aanleggers, het is alles hun schuld.

Deze opvatting, zooveel rechtvaardiger en menschelijker dan de gewone

middeleeuwsche, zullen wij eerst in veel later eeuwen en in onzen tijd

opnieuw aantreffen[22].

Tot dusver hebben wij, boerden en sproken karakterizeerend in hun

onderling verschil, gelet vooral op inhoud en geest dezer beide genres.

Wij kunnen er nu bijvoegen dat dit verschil zich slechts ten deele in

den uiterlijken vorm openbaart. De sproken zijn, op _het Baghijnken van

Parijs_ na, gedicht in doorloopende verzen, paarsgewijze rijmend of met

overslaande rijmen; de boerden, luchtiger van karakter en stemming,

hebben in een paar gevallen den luchtiger gang van het verhalend in

coupletten afgedeeld lied. Verscheidene dezer ernstige of komische

verhalen zijn in allen eenvoud goed verteld,

onderscheiden zich door zuiver zacht gevoel en naïeve kunst, door

vluggen lossen gang en eene soms onweerstaanbare komische kracht. Zoo

hoog als sommige Oudfransche fabliaux staan onze boerden niet, maar op

zich zelf beschouwd staan zij hoog. Een gevoelig en mooi stuk is de

sproke _van het Baghijnken van Parijs_ dat ons in zijn dialogisch

karakter en zijne wendingen telkens aan de oudere epische volkspoëzie

herinnert. Zoo b.v.:

Sy ghinck voor haer moeder staen

Ende badt haer door (haer) houde

[Zijnoot: om der wille harer genegenheid.],

Dat syse door haer edelheyt

Baghyne maken woude.

Sy seyde: lieve dochter mijn,

Soo ghinck aen [Zijnoot: begon.] mijnen rouwe;

Ghy zijt van haven [Zijnoot: bezittingen.] alsoo rijck,

Ghy meucht wel sijn een vrouwe.

De moeder tracht hare dochter te behouden voor de wereld, doch te

vergeefs:

Die dochter keerde haer omme

Ende ghinck al te hant

Totten Baghijnkens hove,

Daer sij de meestersse vant.

Sy viel neder op haer kniën,

Ootmoedelyck dat syse booch

Ende werp den rooden mantel

Ter aerden dat hy vlooch.

Dat afvliegen van den rooden mantel is in zijn suggestieve kracht

voortreffelijk.

Naïeve volkskunst vinden wij ook in de sproke _van Pyramus en Thisbe_.

Te vergeefs zou men hier zoeken naar de fijnheid en berekende juistheid

van uitdrukking, den tact, de smaakvolle zelfbeperking, ook de beeldende

kracht van het Ovidiaansch verhaal, welks omvang nog geen vierde der

Dietsche bewerking bedraagt. Maar deze wint het in natuurlijkheid en

eenvoud; hare waarheid van gevoel onderscheidt zich gunstig van het hier

en daar opgeschroefde der Latijnsche bewerking. Zij weet hare

gemoedelijke breedheid aardig af te wisselen door levendigheid van

alleenspraak en tweespraak, te nationalizeeren o.a. door het beeld van

den vermoeiden pelgrim

Die lange moede heeft ghesijn,

Ende dan een luttel rasten [Zijnoot: rust.] heeft,

Ende [Zijnoot: wanneer.] hi weder gaens dan pleecht,

Es hi moeder dan hi was eer.

door de vermelding dat THISBE sliep met andere jonkvrouwen

Die se van scake souden hoeden

Also als noch doen die vroeden.

Hoe aardig is b.v. ook dat trekje, waarin ons geteekend wordt hoe de

aandoening PYRAMUS overmeestert:

Daer hi Tysbee roepen soude,

Tusschen "Tys" ende tusschen "bee"

Versuchti vijfwerf ofte mee [Zijnoot: meer.].

Zoo zou er meer zijn te noemen, o.a. uit de sproke _van den ouden ridder

ende den jonghen_, waar wij een staaltje vinden van de in onze

middeleeuwsche literatuur schaarsche ironie, hier omschreven met de

uitdrukking "ghevensde [Zijnoot: geveinsd.] tale". Doch wij kunnen noch

willen alles noemen, en ook in de boerden is zooveel dat verdient even

naar voren gebracht te worden.

Hoe vlot en aardig wordt het verhaal van heer GOBERT en de beide

"clercken" verteld en hoe herinnert GOBERT'S vrouw, in hare bezorgheid

over haar naakt-vechtenden man, aan vrouw JULOCKE uit _Reinaert I_. Hier

als elders openbaart eene krachtige zinnelijkheid zich gaarne in

schertsende beeldspraak, in half-omsluierde uitdrukkingen, ontleend aan

het dorschen, het bespelen van een snaren-instrument, het ambacht van

den kuiper. De monnik en de non, die, midden in de vreugd, op één bed

door den duivel in het koor worden gebracht, waar alle nonnen vergaderd

zijn, herinneren ons HEPHAISTOS' wraak, zooals zij ons in de Odyssee

door dien meester-verteller voor oogen is gebracht. In het verhaal van

de gestolen zijde spek worden wij op meer dan een plaats herinnerd aan

de grappen en dubbelzinnigheden uit _Uilenspiegel_ en dergelijke

volksboeken; ik heb het oog o.a. op den boef, die, opkijkend naar een

bij de schouw hangende zijde spek, langs zijne wang wrijft en tot zijn

gezel zegt: vóór morgen moet hij er af; ook de wijze, waarop zij

elkander telkens het stuk spek ontstelen, doet hier en daar aan de

kluchtboeken denken.

Voortreffelijk is het tooneeltje, waar de domme oude LACARIJS, wien

zijne vrouw en een verliefde priester hebben wijsgemaakt dat hij dood

is, onder een lijkkleed toegedekt, den amoureuzen paap in zijn bedrijf

waarneemt. "Loop liever naar het bordeel!" roept hij toornig; "als ik

maar leefde, zooals gisteren, dan zoudt gij het duur

betalen."--"Lacarijs!" zegt de paap, "houd je oogen maar stijf dicht,

lig stil als een molensteen; zóó doet men als men op de baar ligt; je

zou ons nog bang maken."

En niet minder voortreffelijk is een tooneel uit de boerde _van Heile

van Berseele_. HEILE, een lichte vrouw, heeft afspraak gemaakt met een

drietal minnaars, die achtereenvolgens bij haar zullen komen; maar de

afspraak loopt in de war, en zoo is een hunner, WILLEM HOOFT, nog bij

haar, als zijn medeminnaar, ook weer een priester, komt aankloppen.

WILLEM wordt inderhaast in een ruimen bak gestopt, daarin opgeheschen

tot aan de zoldering en het touw vastgemaakt. Uit zijn kraaiennest is

hij nu getuige van het onderhoud tusschen HEILE en den pape. HEILE heeft

den priester stilletjes beduid, wie daarboven te luisteren zit. Deze

begint nu een verhaal van den Zondvloed; zóó plastisch weet hij het

stijgen van het water voor te stellen, dat WILLEM het al benauwder

krijgt; nog steeds hoort hij van het stijgende water... de angst wordt

hem te machtig, hij snijdt het touw door en roept:

Nu wouds God ende goed gheval [Zijnoot: Nu zij het aan God en het

geluk bevolen.]

Of Willem Hooft iet [Zijnoot: ook (soms).] zeilen zal.

Zóó gaat deze Noach in zijn ark onder zeil.

_b_. LIEDEREN.

De kruistochten hadden ook het Dietsch sprekend volk in het Zuiden van

Europa en in Oostersche landen gebracht. Een der gevolgen van die reizen

was een krachtige ontwikkeling der muziek. De Grafelijkheids- en

Cameraars-rekeningen der 14de eeuw weergalmen "van sanghe ende van

vedelspele." Ook naar de lage landen bij de zee komt Orfeus om er de

onbeteugelde krachten en lusten te bedwingen en te temmen.

Wij vinden hier allerlei zangers en zangeressen, die liederen zingen

soms alleen, soms in koor, onder of zonder muzikale begeleiding.

Tot de reizende volksdichters en volkszangers, hetzelfde volkje dat ook

met gedresseerde beren, geiten en apen rondtrok, behooren blijkbaar

zangers en zangeressen, als de man die den teekenachtigen naam van "die

wilde vos" droeg, "die sanc ende dichte voir minen here" (nl. den graaf

van Holland); "te Berghen in Henegouwen eenen man die vedelde, sinen

wive diere op sanc ende eene gokelaer," "'t Scoenhoven eenen menestreel

die op een harpe speelde, daer een wyf op sanc," "te Nyerborch enen

wive, die op de liere speelde ende sanc," "Heerkin die mitten

cornemusekin speelde ende daerop sanc."

Andere zangers behooren blijkbaar tot de menestrelen die in vasten

dienst waren bij een of ander edelman; tot deze zou ik rekenen: het

"sangherkin dat bi hertoghe Aelbrecht was", "Hansel tshertogen sanger

van Gelre", "Hannekin die zangher van Apcoude", "Herman den sangher die

miins heren (van Blois) paedse plach te wesen", misschien ook "Jacop

vander Lucht, den zangher" en "Willem den zanger" die van den Graaf van

Blois "twee ellen groens en twee ellen roods" krijgt, blijkbaar ter

voorziening in zijne kleedij.

Wij zagen uit de bovenstaande rekening-posten dat een menestreel soms

alleen zingt, soms met een vrouw. Wij vinden ook wel zangers en

zangeressen die met of zonder begeleiding, éénstemmig of met hooge en

lage stem, zingen. Uit de schrale aanwijzingen is natuurlijk niet altijd

met zekerheid op te maken of wij hier al dan niet reizende

beroepszangers vóór ons hebben. Genoemd worden ons o.a.: "een wijf die

op die ghisterne speelde ende twee ghesellen diere op songhen", "twee

zanghers die een dicht zonghen van mevrouwen doot van Hollant"; "vier

wiven die voir minen here speelden op een psalterie ende op ene

quinterne ende daerop songhen", "drie sanghers die voer minen here

gesongen hadden alst kermiss in den Haghe was". Soms zou men meenen een

hedendaagsch a-capella koor aan te treffen, als men gewag gemaakt vindt

van zangers of zangers en zangeressen die onder een met name genoemden

leider zich laten hooren: "Wigant ende sine ghesellen die (te Mechelen)

songhen voor minen jonchere Jan", "Meeu sijn ghesellen ende haer

ghesellinnen die mit hem pleghen te singhen". In dit laatste geval

hooren wij, evenals hiervoor een enkelen keer, _wat_ er gezongen werd;

want op dien post aangaande MEEU volgt deze andere: "Item den selven

noch ghegheven opten Jaersdach, want si dat nuwe jaer songhen in der

sale voir den deken, proefst ende kanoniken die doe staet helden." Tot

de concurrenten van WIGANT en MEEU behoorde ook "HEYN VAN CALES de

sangher mit sinen ghesellen."

Dit zingen in koor toont dat de wereldlijke muziek zich naast de

kerkelijke moet hebben ontwikkeld. Voor een deel was die ontwikkeling

zeker te danken aan de meistreel-scholen waarvan wij in het Noorden en

het Zuiden dezer landen melding zien gemaakt. Zoo treffen wij in eene

Cameraars-rekening van 1364 de "meysteryels van der vedelen" aan, "die

do haer schole to Deventer ghehoelden hadden". Dat zij er welkom waren

blijkt wel uit het feit, dat Raad en Schepenen hen op een gastmaal

onthaald en nog een geschenk in geld gegeven hadden. In een rekening van

1388 wordt een som gelds geboekt, die gegeven is aan den "coninc van de

pipers van Oestervant, om mede te riden tot Berghen daer hi scoel soude

houden van pipen."

Waarschijnlijk zullen ook in de 14de eeuw, zij het eerst in de tweede

helft, de menestrelen van eene stad zich wel tot een gilde vereenigd

hebben. Daar elk gilde een patroon of patrones had en gewoon was den dag

van dien patroon feestelijk te vieren, zullen ook zulke muziekgilden wel

tenminste eenmaal 's jaars een feestelijke samenkomst hebben gehouden.

Op zulk eene samenkomst brengen ons, naar ik vermoed, een paar liederen

van dezen tijd: eenige leden van een gezelschap, dat, naar 't schijnt,

_het Maria-roosken_ heet, zijn bijeen; een hunner zingt eene opwekking

tot feestvreugd, den lof der muziek en dien van MARIA; de overigen "die

van muziken geerne horen", zingen blijkbaar in koor een refrein[23].

Naast of tegenover zulke wereldlijke muziek-vereenigingen zou men de

scholieren kunnen plaatsen, die op Allerkinderen-dag een bisschop uit

hun midden plachten te kiezen en met dezen aan het hoofd naar het koor

kwamen om daar te figureeren en mede te zingen[24].

Een wijder strekkend en dieper doordringend onderzoek van muziek en zang

te onzent in de middeleeuwen blijve de taak der beoefenaars onzer

middeleeuwsche muziekgeschiedenis. Hier moge dit weinige volstaan als

inleiding tot hetgeen onze taak is: een overzicht en eene voorstelling

van de liederen, die in de 14de eeuw in deze landen werden gezongen.

Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I · 第 78 / 113 题