[1] Vgl. _Sp. der. Z._, vs. 16958 en _Bed. der M._ aan het slot; en
VERWIJS, _Van Vrouwen ende van Minne_, XIV.
[2] _Lekensp._, I, c. 24, 57; c. 37, 127; II, c. 7, 102. _Dietsche
Doctrinael_, III, 831; 1763; II, 2278. _Boec van der Wraken_, I, 262,
294, 1142 enz.
[3] _Dietsche Lucidarius_, vs. 38-40; ook vs. 335-6: "Van hem (God) en
dorren wi niet bedieden || Te verre voor die leke lieden.
[4] _Der Mannen ende der Vrouwen Heimelijcheit_ (in: _Mnl. Ged._ ed. DE
PAUW), I, 121.
[5] _Boec van der Wraken_ (ed. SNELLAERT), I, 1102-3; zijn betuiging van
eerbied voor de priesters in het algemeen (II, 1222 vlgg.) is daarmede
niet in strijd.
[6] Bl. 288.
[7] I, c. 25, vs. 79 vlgg.
[8] Vgl. de inleiding van VERDAM, XLIII.
[9] Over de uitgaaf van _Die cracht der Mane_ zie TE WINKEL en PETIT.
Daarbij komen nu een paar andere uitgaven in DE PAUW'S _Mnl. Ged._, I,
203 vlgg. en 219 vlgg. naar hss. der 14e eeuw. De uitgaven van no. 2 en
no. 3 bij TE WINKEL en PETIT; de klacht over "die onghetrouwe merkaren"
in no. 2 (vs. 360) wijst ook op de 14e eeuw. no. 4 is uitgegeven door W.
DE VREESE in _Tijdschr. v. N.T. en L._, XI, 63 vlgg.
[10] Over de uitgaven van beide werken vgl. TE WINKEL i.v. Voorts en
vooral: _Studiën über das deutsche Volksbuch Lucidarius...._ van KARL
SCHORBACH. Strassburg. TRÜBNER. 1894. Aankondiging van dat werk door TE
WINKEL in _Museum_, 1895, bl. 17.
[11] Uitgeg. door SNELLAERT in: _Nederlandsche Gedichten uit de
veertiende eeuw_. De hier aangehaalde verzen I, 648 vlgg.
[12] Over de uitgave vgl. TE WINKEL i.v.
[13] Over de twee eerste vgl. TE WINKEL i.v. Van den _Nieuwen_
_Doctrinael_ gaf J. KOOPMANS een boeiend overzicht en goede
karakteristiek in _Tweem. Tijdschr._ van Jan. 1901.
Voor den _Spiegel der Zonden_ verwijs ik naar de uitgave van VERDAM,
(BRILL, Leiden, 1900) die voorzien is van eene voortreffelijke
Inleiding.
[14] VERDAM a.w. II, XLV.
[15] Een degelijk overzicht daarvan danken wij aan VERDAM; vgl. a.w. II,
LI vlgg.
[16] Vgl. vs. 5645 vlgg.; 11563 vlgg., 11683, 11964; 12159 en voorts de
plaatsen door VERDAM aangewezen in zijne Inleiding, bl. XLIX.
[17] Vs. 1614 vlgg. en 1996 vlgg.
[18] Vgl. de uitvoerige mededeelingen daaromtrent bij TE WINKEL, bl. 387
vlgg.
[19] Ed. DE VRIES. Bij de opgave der hss. van TE WINKEL, bl. 392 moeten
gevoegd de _Baseler Fragmente_ waarover zie: _Germania_, XXXVII, 410.
Karakteristiek van den inhoud door J. KOOPMANS in: _Tweem. Tijdschr._,
1899.
Over den, in den _Lekenspiegel_ opgenomen, _Sidrac_ vgl. TE WINKEL a.w.
bl. 396. Bij de daar vermelde literatuur-opgave is te voegen eene
mededeeling van W. DE VREESE in _Tijdschr. voor N.T. en L._, X, 33 vlgg.
[20] Vgl. I, c. 40, vs. 50 vlgg.; I, c. 44; I, c. 16; III, c. 10.
[21] Vgl. I, c. 16, c. 15, c. 2, c. 5; II, c. 39, 251 vlgg. te verg. met
RUYSBROECK I, 41: "Dese heilege Kerke, dat sijn alle goede minschen met
Gode verenecht, ende te gadere geroepen iegewelc met al den anderen."
[22] Met DE VRIES en TE WINKEL geloof ik, dat de _Teesteye_ nà den
_Lekenspiegel_ is bewerkt. Zie de plaatsen pro en contra vermeld bij TE
WINKEL, bl. 397. De _Teesteye_ werd uitgegeven door SNELLAERT in zijne:
_Ned. Ged. uit de 14e eeuw_.
[23] Vgl. _Teesteye_, 393, 812; _Lekensp._ B. II, c. 35, 17-18; vooral
ook de Inleiding op MAERLANT'S _Strophische Gedichten_ (edd. FRANCK en
VERDAM), bl. LXXXVII.
[24] _Lekensp._, II, c. 38, vs. 103 vlgg.
[25] _Lekensp._, B. III, c. 20-22.
[26] _Lekensp._, B. II, c. 35, vs. 109 vlgg.
[27] B. I, c. 21, vs. 93-100.
[28] Wat SNELLAERT in de Inleiding zijner _Ned. Ged. uit de 14de eeuw_,
bl. XXV heeft medegedeeld over de gelijkenis tusschen _Teesteye_, _Boec
van der Wraken_ en _Melibeus_, is zeker niet voldoende om ons te
overtuigen dat deze drie werken van één maker moeten zijn; doch geeft
voldoende reden om een afzonderlijk onderzoek in te stellen. Daarbij zou
ook het overige werk van BOENDALE moeten geraadpleegd worden. Immers bij
de door S. medegedeelde plaatsen kan men alvast een paar verzen uit den
_Lekenspiegel_ voegen (III, c. 3, vs. 237-8) die teruggevonden worden in
_Meliboeus_, vs. 2266-7.
Een nauwkeurig onderzoek van de taal zou de vraag heel wat verder kunnen
brengen.
Opmerkelijk is voorts, dat ook CHAUCER eene proza-bewerking gaf van _The
tale of Melibeus_. Staat deze bewerking in verband tot het Mnl. gedicht?
[29] Uitgeg. in KAUSLER'S _Altniederl. Gedichte_, II, 14 vlgg. Vgl. o.a.
vs. 210 vlgg.; 482 vlgg.; 522 vlgg.
[30] Nieuwe uitgaaf van Dr. W.H.D. SURINGAR. Leiden. Gebr. V.D. HOEK.
1895.
[31] Uitgeg. in KAUSLER'S _Altn. Ged._, III, 177-181. Het is vertaald
uit het Fransche "_Doctrinal d'un rimeur nommé Sauvage_"; vgl. PETIT DE
JULEVILLE'S _Hist. de la Litt. Franç._, II, 185, waar het "banal et
confus" wordt genoemd. no. 2 en no. 3 eveneens uitgeg. door Dr. SURINGAR
(Leiden, V.D. HOEK, 1891 en 1892); no. 2 ontleend aan drie Latijnsche
werkjes waarvan één door den bewerker op den voet is gevolgd (vgl. bl.
XXII vlgg.). no. 3 eene vertaling van den Latijnschen _Facetus_, echter
geen woordelijke vertaling. Vgl. ook _Ned. Spect._, 1891, no. 41; 1893,
no. 1. Over andere derg. geschriften vgl. TE WINKEL, bl. 405.
[32] Vgl. no. 28, no. 2. _Die Bouc van Zeden_ behelst dergelijke
gegevens als _Van Zeden_.
[33] Uitgave van J.H. BORMANS (_Speghel der Wijsheit of Leeringhe der
Zalichede_). Brussel. 1872.
[34] Vs. 2065-6.
[35] B. III, c. 15, vs. 190-3.
[36] Ook _Reinaert II_ is voortreffelijk uitgegeven door MARTIN. In M's
_Einleitung_, XLIX-LI vinden wij eene parallel als boven bedoeld wordt,
in hoofdzaken aangegeven. Eene uitvoerige vergelijking van beide
bewerkingen gaf Dr. J.W. MULLER in _De oude en de jongere bewerking van
den Reinaert_. (Amsterdam. 1884).
[37] Vs. 7068-'71. Vindt men in vs. 3181: "Ic heb minen dume uut sinen
monde" misschien eene herinnering aan een tooneel uit den roman der
Heemskinderen? (Vgl. _Volksboek_ ed. MATTHES, bl. 141).
[38] Vgl. I, 505 en II, 530-1; I, 990 en II, 1013; I, 1582-'98 met II,
1611; I, 1947-'60 en II, 1977 vlgg.
[39] Vgl. II, 1022-'3; 2314-'5; 3486-'7 (ook in het Fransch; vgl.
MARTIN, _Einl._, XLI); 3499; 3745 vlgg.; 4827-'9. Van dat alles is in
_Reinaert I_ niets te vinden.
[40] II, 3622 en II, 2417 verg. met I, 2393-'5. (Het mogelijk verkeerd
lezen van _moude_ (stof) voor _monde_ doet hier niets af).
[41] _Reinaert II_, vs. 1899.
[42] Vgl. vs. 40-44, 7769 vlgg. Over het vertoon van geleerdheid vgl.
MARTIN, _Einl._, XLIX-L.
[43] Vgl. _Reinaert II_, vs. 7654 vlgg.; 2959 vlgg.; 4534 vlgg.; 4595;
1413-'29; 3821 vlgg.; over de vrouwen vgl. MULLER'S dissertatie, bl.
122, 187, doch ook hier vs. 5541-'5; de mystiek vs. 4130 vlgg.
[44] II, 2335, 3613, 4098, 4422, 4770, 4848, 7393, 7408 en de op deze
volgende verzen.
[45] Zie deze en andere plaatsen in _Reinaert II_, vs. 488, 604-'8. 961
vlgg., 2228-'9, 2916, 3030, 3210, 3842-'3, 4450-'9, 5896-5901, 6581 (in
vergelijking met de overeenkomstige plaatsen van _Reinaert I_).
[46] Vgl. MULLER a.w. bl. 191-2.
[47] Vgl. deze en andere plaatsen I, 520 vlgg. met II, 544 vlgg.; I, 842
en II, 881; I, 960 en II, 985; II, 1047; I, 1550 en II, 1587-'8; II,
1595 (ingevoegd); II, 2027-'30; I, 2064 en II, 2076; II, 2307-'13; I,
2829 en II, 2820.
[48] I, 73 en II, 83 (in verband met vs. 105); I, 1929 en II, 1961.
[49] Vgl. I, 1235 met II, 1259.
[50] Vgl. I, 331-2 met II, 359-360. Vgl. voorts het echt epische in I,
643 vervangen door het didactische in II, 692-3; het ironische in I,
1663 door het rechtstreeksche in II, 1677; de mindere levendigheid in
II, 616 vlgg. vergeleken bij I, 562 vlgg.
[51] MULLER a.w. bl. 161-163, 166.
[52] Vgl. vs. 2053, 3182 en 2053.