Een eeuw en het vierde eener volgende eeuw waren voorbijgegaan, sinds
een Vlaamsch dichter de geschiedenis _van den vos Reinaerde_ aan zijn
volk had verhaald.
Welken indruk dit dichtwerk op het publiek heeft gemaakt, kunnen wij wel
vermoeden doch niet in bijzonderheden aantoonen. Moesten wij afgaan
alleen op het ontbreken van handschriften uit de 13de en 14de eeuw,
waarin het gedicht is bewaard, dan zou men moeten aannemen dat het
weinig of niet bekend is geworden. Maar de afkeurende critiek van
ernstige mannen als WILLEM VAN AFFLIGHEM en MAERLANT bewijst wel, dat de
roodbaard in ruimer kring sympathie vond dan hun lief was. Duidelijk
openbaarde zich die sympathie bij zekeren BALDWINUS, die omstreeks of
eenigen tijd vóór 1280 aan ons gedicht de zeldzame eer eener vertaling
in het Latijn bewees. Maar indien de _Reinaert_ daardoor al in de
schatting ook der ernstige mannen gerezen is, dan toch waarschijnlijk
alleen omdat hij ook nuttige lessen bevatte. Dat standpunt zien wij ten
minste JAN BOENDALE innemen ongeveer een halve eeuw nadat de Latijnsche
vertaling vervaardigd is. In zijn _Lekenspiegel_ zegt hij, sprekend "van
Reynaerde ende Ysegrime, Brunen den bere ende den das":
Dat dese dinc vonden was,
Was al om lere ende wijsheit[35].
Die opvatting bleef gelden ook bij anderen die na hem kwamen. Indien
BOENDALE--wat niet waarschijnlijk is--nog heeft geleefd omstreeks 1375,
dan heeft hij zijn hart kunnen ophalen aan een verhaal _van den vos
Reinaerde_, dat waarschijnlijk wel genade zal hebben gevonden in de
oogen der ernstige mannen van dien tijd. In dat jaar toch heeft een
onbekend, geletterd dichter het oude verhaal opnieuw bewerkt in den
geest der didactische dichters. WILLEM'S gedicht is door hem tot
grondslag genomen eener nieuwe bewerking, bestaande uit: 1o het oude
gedicht, doch met allerlei wijzigingen, invoegsels, toevoegsels en
weglatingen; 2o eene voortzetting van het oude gedicht in den geest
zijner bewerking van WILLEM'S gedicht. In zijn werk heeft hij tal van
nieuwe dierfabels gelascht: wolf en merrie, man en slang, paard en hert,
ezel en hond, wolf en kraanvogel, zieke leeuw en Reinaert als arts; deze
zijn ontleend deels aan den _Esopet_ deels waarschijnlijk aan de
Latijnsche fabelverzameling _Romulus_. Aan de voortzetting van het oude
gedicht ligt waarschijnlijk eene Fransche bewerking van een deel der
Reinaert-sage ten grondslag, doch de Nederlandsche bewerker heeft op
dien grondslag zelf voortgebouwd.
De dichter van 1375 heeft uit den ouden _Reinaert_ vrij wat weggelaten
doch er ook vrij wat aan toegevoegd; zijne bewerking van WILLEM'S
gedicht heeft denzelfden omvang als dat gedicht zelf. Door de
voortzetting die meer dan 4000 verzen bedraagt, verkreeg _Reinaert II_,
zooals men het 14de-eeuwsch gedicht gewoonlijk noemt, echter meer dan
den dubbelen omvang van _Reinaert I_.
Willen wij trachten _Reinaert II_ te leeren kennen en te kenschetsen,
dan zullen wij dat werk voortdurend naast _Reinaert I_ moeten houden om
de overeenkomst en het verschil tusschen beide te beter te zien[36].
Evenals in de 13de eeuw zien wij ook nu na de ridderpoëzie eene
bewerking der Reinaert-sage verschijnen, doch verschillend in wezen van
die der 13de eeuw en onder andere omstandigheden.
Het oude gedicht _Van den vos Reinaerde_ was, evenals het Fransche
gedicht _Le Plaid_, ontstaan ten deele uit lust tot parodieering van
ridderwezen en ridderpoëzie; de Vlaamsche dichter heeft die parodie op
zelfstandige wijze met onmiskenbaar talent uitgewerkt en voortgezet. De
parodie die in _Reinaert I_ reeds aanwezig was, is door den lateren
dichter grootendeels behouden, doch, behalve de beschrijving van een
tweekamp tusschen vos en wolf, heeft hij daaraan niets toegevoegd
waaruit lust tot zulke parodie ook in hem blijkt. Wel zien wij op een
enkele plaats dat hij het ridderwezen niet hoog stelt; hij zegt immers
dat hij den strijd tusschen Reinaert en Isegrim liever zou zien dan dien
"van twee riddren in een perc"[37]. Overigens moeten wij niet vergeten
dat er voor zulk eene parodie omstreeks 1375 weinig reden meer bestond;
het ridderwezen was niet meer wat het nog in de eerste helft der 13de
eeuw was en de ridderpoëzie van de eerste helft der 14de eeuw was
grootendeels namaak van de vroegere.
Voor een ander gedeelte was het oude gedicht geboren uit natuurliefde,
welbehagen, in het wezen en leven der dieren, lust om het leven der
dieren in de natuur met het menschenleven in- en buitenshuis te
vereenigen en te verwerken tot een groot tafereel. Wat is daarvan in de
bewerking der 14de eeuw overgebleven? Het natuurleven en dierenleven is
er natuurlijk nog; doch als een tafereel, hier verbleekt daar
overschilderd, dat menigen fijnen trek heeft verloren en nieuwe trekken
vertoont die kwalijk passen bij den geest van het geheel. Wij zien in de
latere bewerking niet de menigvuldige kromme paden in Reinaert's
jachtveld; wij hooren den beer niet meer luid steunen en zuchten,
wanneer hij, van zijn rampspoedigen tocht naar Malpertuis teruggekomen,
vóór koning Nobel staat. Verdwenen zijn uit _Reinaert II_ de kinderen
die den wolf een blinddoek voorbinden, verdwenen ook het aardige tooneel
van Reinaert's vijanden bij de galg waaraan zij hem aanstonds hopen te
hangen[38].
Het onvermijdelijk anthropomorphisme, door den ouden dichter, met
natuurlijken takt binnen de grenzen gehouden, vertoont zich hier op
hinderlijke wijze: koning Leeuw zegt: nimmer zal ik meer een zwaard
aangorden of een kroon dragen; Reinaert vertelt den koning, dat vrouwe
Hermeline heeft moeten zweren in den naam der drie koningen; de dieren
dansen hofdansen op trompen en schalmeien, zelfs dragen zij "sproken
ende stampiën" [Zijnoot: danslied.] voor; bij het beleg van Malpertuis
bedienen zij zich van "donrebussen en bombaerden" [Zijnoot: kanonnen.]
[39].
Zoo weinig schijnt de omwerker de dieren in hun wezen en gedrag te
kennen, misschien ook geeft hij zoo weinig acht op zijne eigen
voorstelling van het dierenleven, dat hij den leeuw laat "brieschen als
een stier" en den vos zijne voetstappen dekken(?) met den mond [40].
Dat de omwerker op deze wijze door schrappen en toevoegen het
oorspronkelijk werk in waarde deed dalen, behoeft ons niet te
bevreemden. Zijn voorganger stond _in_, hij _buiten_ de dierenwereld.
Duidelijk zien wij dat, waar hij, sprekend van eene woordenwisseling
tusschen Reinaert en zijne vijanden, zegt: "nooit hoorde men feller
aanklacht en beter verdediging dan daar, _ten minste van zulke wilde
dieren_"[41]. Een dergelijke uitdrukking zou WILLEM nooit gebruikt
hebben; die voelde zich daarvoor te zeer één met de dieren die hij voor
ons doet optreden. De veertiend'eeuwer kent niet meer of gunt zich niet
meer dat genot van zorgeloos gaan door een droomwereld, met de dieren te
zwerven door bosschen en over heiden, ze na te gaan in hunne gangen, te
beluisteren en te bespieden in hun omgang. Hij is een ontwikkeld man,
een "clerc" die zijne geleerdheid gaarne lucht, die de wereld slecht
vindt, haar wil waarschuwen, verbeteren, stichten. Het verhaal van
Reinaert moet hem dienen als middel om dat doel te treffen. Reeds in den
aanvang van zijn werk vestigt hij de aandacht op de "wijsheit" die hier
besloten ligt; en als hij aan het eind gekomen is, klinkt het op nieuw:
so wie dit wel verstaet in 't lesen,
al ist som boert, hi vinter in
vroede leer ende goeden sin [42].
Om die "vroede leer" en "goeden zin" was het den auteur te doen; dat was
de pit, de boert slechts de bolster. Telkens blijkt het dan ook, hoe
weinig de auteur leeft in die fantastische dierenwereld; hoe zeer hij
vervuld is van het heden. Over dat heden is hij slecht te spreken. Er
loopen maar al te veel Reinaerts rond, al
dragen zij geen rooden baard; trouw en waarheid zijn verdreven;
hebzucht, loosheid en afgunst met koningin Hoovaardij zitten nu op het
kussen. De geestelijkheid moet menige veer laten: Losevont de prior,
bisschop Prendeloor, Rapiamus de deken, de kardinaal Valoot met zijne
concubine.
Op die wijs had vroeger ook JAN DE WEERT het mes gezet in de booze
zweren van zijn tijd. Verwantschap met de leerdichters toont de omwerker
van den _Reinaert_ ook, waar hij veel gewicht hecht aan "raet",
"subtilen raet" en den invloed daarvan aan een hof; waar hij nu eens de
vrouwen in een ongunstig licht stelt dan weer een zweempje van
vrouwendienst laat blijken. Doch ook maar een zweempje; de lof der
vrouwen wordt verkondigd door vrouw Venus "die duvelinne". Voor den
rechten vrouwendienst zal deze auteur te kalm en nuchter-verstandelijk
zijn geweest. Juist door die eigenschappen kon het hem gelukken, den
mysticus te parodiëeren waar hij uit Reinaert's mond sprak van "een
bloot niet", van "bescouwender contemplaciën" en "sonderlinghe
graciën."[43].
Geen bedwelmenden nectar van mystiek maar het voedzame brood van
practische levenswijsheid--dat was wat volgens hem de burgerij noodig
had! Wijze lessen, kernspreuken deelt onze omwerker dan ook gaarne uit:
zonder dwang gaat het niet goed met eene gemeente; de geleerdsten zijn
dikwijls niet de wijsten; een trouw vriend is een sterke hulp; misdoen
en zich beteren is menschelijk, zonder dat is het duivelswerk; soms
komen de spreuken in een vlaag achtereen: het zwaarste moet het zwaarst
wegen; in voor- en tegenspoed moet men maat houden; karaktervastheid
voegt den heer, het lot is wisselvallig; prijs den dag niet eer het
avond is; goede raad kan dikwijls baten[44].
Onze voorstelling zou eenzijdig, onze beschouwing onbillijk worden,
indien wij slechts op deze karaktertrekken van Reinaert den Tweeden de
aandacht vestigden; indien wij het deden voorkomen alsof het dezen
auteur geheel ontbrak aan medegevoel voor het dierenleven. Dat gevoel
was er wel, doch hij onderdrukte het ter wille van andere gevoelens; het
bloed kroop, waar het niet gaan kon.
Op verscheidene plaatsen vinden wij toevoegsels van zijne hand, die wel
in den geest van _Reinaert I_ zijn; zoo b.v. waar hij van de vermoorde
kip Coppe zegt: "de beste, die ie [Zijnoot: ooit.] eier leide op
neste."--"Kon de koning geen minderen bode vinden dan u?" laat hij
Reinaert tot den dom-trotschen afgezant Bruin zeggen; en later, als
deze, bebloed en bek-af na de mishandeling op LAMFROIT'S erf, op den
oever eener rivier ligt te hijgen: "hebt gij iets vergeten daarginds? ik
zal gaarne een boodschap voor u meenemen; smaakte de honing? ik weet er
nog meer voor u tegen denzelfden prijs." Hoe goed ook zijn de kapriolen
beschreven van de kleine vossen, die zoo'n pleizier hebben in de
weerkaatsing van hun beeld in een spiegel, waar zij:
in plaghen te spieghelen ende voor te springhen,
ende saghen hoe haer steertjens hinghen,
ende hoe hem haer muulken stont[45].
Op meer dan eene plaats blijkt, dat de omwerker, waar hij voortzetter is
van het oude gedicht, een levendigen stijl heeft, dat hij wel kan
vertellen en beschrijven[46]. Vooral blijkt dat in het verhaal van
Reinaert's bezoek bij de meerkat. "Tante," zegt Reinaert, "wat heb je
mooie jongen! deus, hoe wel behaghen si mi!" En zij: "Reinaert, lieve
neve, weest wellecome!" Zoo'n vriendelijke ontvangst, vertelt de vos
later, verdiende ik al dadelijk door dat "tante". Toch verlaat hij het
hol der apin zoo snel mogelijk, "omdattet na die wieghe daer rooc".
Zoo is er dus wel geestverwantschap tusschen den ouden dichter en den
lateren; doch anderzijds dit groote verschil dat voor den oudere de
schepping van zijn werk haar doel vond in zich zelve, terwijl voor den
jongere het dichtwerk vooral een middel was tot verbetering zijner
tijdgenooten. Was WILLEM een beeldend kunstenaar, die schiep uit
scheppingslust en drang, zijn opvolger was een verstandelijk dichter,
die de behandeling der behagelijke stof gewettigd achtte slechts door de
nuttige leering die zij bevatte.
Dat verstandelijk element heeft er hem toe gebracht, het oude gedicht op
menige plaats te wijzigen, met de bedoeling natuurlijk het te verbeteren
en voor het logisch denkend verstand juister of aannemelijker te maken.
_Reinaert I_ vertelt ons, dat Bruin, bij Reinaert's kasteel Malpertuis
gekomen, de poort waarneemt waar Reinaert gewoonlijk uitgaat en dan vóór
de "barbecane" [Zijnoot: ronden verdedigingstoren bij een kasteel.] op
zijn staart gaat zitten. Let wel, zegt de omwerker, de poort was
gesloten.--Alsof dat bij een middeleeuwsch kasteel niet vanzelf
sprak!--Bruin, mishandeld door de dorpelingen, is in de rivier
gesprongen, laat zich met den stroom afdrijven en kruipt eindelijk
vermoeid op den oever.--Op den _anderen_ oever, zegt de omwerker. Hij
heeft misschien gelijk, misschien niet; maar wat kan het ons schelen?
"Ik liep uit een schuur," vertelt Reinaert ergens. "Door het gat waar ik
wilde zijn"--wordt ons verduidelijkt. Koning Nobel en zijne gemalin gaan
de terechtstelling van Reinaert bijwonen, vertelt WILLEM ons.--Het hof
ging ook meê, haast zijn opvolger zich er bij te voegen.
Op die wijze voortgaand, heeft hij de bekoorlijk-vrije poëzie van het
oude gedicht onder de plak van den schoolmeester gebracht[47].
Ordelijker heeft hij haar gemaakt, hier en daar ook ordentelijker. Van
"verhoerd" maakt hij "verdoord" [Zijnoot: het hoofd op hol gebracht.],
al past dat niet in het verband; "achterste" wordt "lijf", al gaat
daardoor eene aardige tegenstelling verloren[48]. Op sommige plaatsen
heeft de omwerker door zijne zucht om duidelijk, vooral duidelijk te
zijn, het oude gedicht ernstiger beschadigd dan door bovengenoemde
toevoegsels of wijzigingen.
De vos is ingebroken bij den pastoor en heeft een haan meegepakt;
Martinet, pastoors zoon, heeft een strik voor het gat gespannen in de
hoop den kippendief bij een volgend bezoek te vangen. De rampzalige
Tibeert, gekomen om Reinaert met zich ten hove te voeren, wordt door
Reinaert in den strik gelokt en staat droefelijk te miauwen. Martinet
wordt wakker, vliegt op, steekt een stroowisch aan en schreeuwt tot de
huisgenooten: "Er op af, hij is gevangen!" Dat "_hij_" zonder meer zal
door zijn waarheid ieder treffen die weet wat men onder zulke
omstandigheden pleegt te roepen. Den omwerker heeft het ook getroffen,
echter niet door zijne waarheid; blijkbaar acht hij zijn voorganger ook
ditmaal niet duidelijk genoeg en dus laat hij Martinet roepen: "Staat
op, de dief is gevangen!" Doch welk een aardig trekje ging hier
verloren[49].
Elders hooren wij den braven haan Cantecleer roemen op zijne vijftien
kinderen die zijne echtgenoot, de wijze Rode, hem had geschonken "in één
broedsel"; de omwerker maakt daarvan: die mijne echtgenoot, de wijze
Rode, "zeer verstandig opvoedde". Ook al neemt men aan dat dit ironisch
bedoeld is, wat is dan toch het warme leven van het oude gedicht door
deze wijziging verkild[50].
Zit de omwerker eens op zijn praatstoel dan raakt hij er niet
gemakkelijk af; zijne personages redeneeren en redeneeren... dat men
soms niet meer weet wie aan het woord is. Vrouw Rukenau, de apin, houdt
een pleidooi door 400 regels heen; een ingevoegd verhaal over eenige
kostbaarheden heeft een omvang van niet minder dan 900 verzen.
Dat zulke uitweidingen de belangstelling verdeelen en verzwakken,
behoeft evenmin betoog, als dat de eenheid van het geheel er door wordt
verbroken[51].
Reinaert de Eerste heeft bij al zijne brutaliteit iets onbevangens; boef
die hij is, heeft hij toch iets naïefs. Reinaert de Tweede toont zekere
zelfverheffing in uitingen als: "ic weet so menighen loosen vont"[52].
Kortom, het is WILLEM'S dichtwerk onder de handen van den omwerker
gegaan, zooals Reinaert onder die van tante Rukenau, de apin.
Reinaert moet in het krijt komen tegen zijn ouden vijand, den sterken
Isegrim. Zonder list zal hij dezen niet kunnen overwinnen. Moei Rukenau
weet raad. Zij scheert neef Reinaert glad tusschen hoofd en staart en
smeert daarna zijn romp met olie in. Zóó zal de vijand geen vat op hem
kunnen krijgen, want "hij was vet en wel gevoed." Bovendien moet hij
dien avond veel drinken, doch den natuurlijken aandrang die daarvan het
gevolg zal zijn, bedwingen. Komt hij onder het gevecht in nood, dan zich
niet langer bedwongen; met zijn ruigen druipenden staart kan hij dan
zijn vijands oogen verblinden. Met behulp van deze en andere listen
gelukt het hem inderdaad de zege te behalen.
Maar hoe ziet hij er dan ook uit!
Ja, het is de vos nog; nog fonkelen de wilde oogen in den fijnen kop,
nog heeft hij klauwen en tanden. Maar zijn sieraad, de ruige dichte
pels, waarvan de vlokken zoo afstoven toen de honden hem te lijf gingen,
is verdwenen. Ja, hij is welgevoed; zijn lijf staat bol van nuttige
leering en zedelijke verbetering--maar hoe is de natuurlijke schoonheid
van den prachtigen struikroover verdwenen. Nog bezit hij den zwaren
fraai gevormden staart, doch die hangt neer, druipend... er is een
luchtje aan.
Zoo uitgerust, was hij ongetwijfeld sterker in den strijd met den wolf
der menschelijke ondeugd, doch wie ziet niet hoe hier de moraal de kunst
heeft geschaad. Uit liefde, ongetwijfeld; maar, apenliefde.