1. HET LEERDICHT.

In hun streven om de godsdienstige en zedelijke ontwikkeling des volks

te bevorderen, trekken de leerdichters ééne lijn met de geestelijkheid.

Onder de makers van leerdichten zien wij burgers, ons bij name bekend:

den chirurgijn JAN DE WEERT, den schepenklerk JAN BOENDALE, naast

ongenoemden uit den geestelijken stand: den "simpelen clerc", die den

_Spiegel der Zonden_ samenstelde; den "armen pape", die de _Bediedenis

der Misse_ berijmde.

Evenals vroeger geestelijke dichters met bewustheid hunne poëzie stelden

tegenover de door hen gelaakte ridderpoëzie, zoo zien wij nu den

samensteller van het didactisch werk _Sidrac_, dat in 1329 werd

voltooid, in zijn proloog te velde trekken tegen de verhalen daar weinig

nut in steekt en die slechts van "vechten en vrouwen minnen, van het

veroveren van landen en steden" weten te spreken[1].

Men mag wel aannemen dat de leerdichters bij de samenstelling van hun

werk het oog hadden vooral op de niet-geleerden, wier grootste deel uit

gemeentenaren bestond. Echter vindt men slechts bij een enkele hunner

het bewijs, dat hij zich daarvan bewust was. In den proloog van zijn

_Lekenspiegel_ zegt BOENDALE:

... want dat leke is die sake [Zijnoot: oorzaak.]

Daer omme ic dit boecskijn make.

In overeenstemming met het onderwijzend karakter dier werken is de vorm

van een gesprek tusschen "Meester" en "Clerc", zooals wij dat in den

_Lucidarius_, tusschen vader en zoon, zooals wij het in _Seneka leren_

aantreffen; ook het dialogisch karakter van werken als de _disputacie

van Rogier ende Janne_ en de _Melibeüs_. Dat deze dichters hunne lezers

of hoorders van tijd tot tijd aanspreken met "lieve kindre" of "lieve

liede" was dan ook in hun mond alleszins gepast[2].

Op vrijwillige medewerkers aan de volksontwikkeling als deze

leerdichters schijnen de priesters weinig gesteld te zijn geweest, even

weinig als op den Bijbelvertaler van 1360. Blijkbaar beschouwden zij

zulke geschriften als pijlen, waarmede onder hunne duiven geschoten

werd, en de schrijvers als stroopers in een veld, waar de Kerk "eigen

jacht" had. Een dezer leerdichters eerbiedigt de grenzen, waarbuiten men

voor leeken niet gaan mag: omtrent God zal de meester zijn leerling

onderrichten

Also verre voirt als den leeken lieden

Gheoorloft is te bedieden[3].

Een ander is dat met hem eens, doch voegt er bij:

Ende oec ontsie ic der papen treken

Dat sijs mi mochten spreken lachter [Zijnoot: schande.] [4].

Een derde zegt: Zou ik de gansche waarheid bekennen, de priesterschap

zou mij vervloeken[5]. Dat BOENDALE het met zulke uitingen eens was,

spreekt vanzelf voor wie zich zijne beschouwing van leeken en

geestelijken uit een vroeger hoofdstuk herinnert[6]. In zijn

_Lekenspiegel_ stelt hij zich nog eens tegenover de priesters, waar hij

den ongehuwden staat en het huwelijk vergelijkt. Ongehuwden staat en

maagdelijkheid acht hij hoog--wanneer zij gepaard gaan met een rein hart

"van ghepeinse ongeknaecht"; doch dat komt maar al te zelden voor. Als

hij daarna den lof van een goed huwelijk heeft verkondigd, voegt hij er

aan toe: Ik weet wel, dat "liede van gheesteliken abite" zich aan dezen

lof zullen ergeren en mijne woorden berispen... maar hoe zouden zij aan

kost en kleeren komen, indien de gehuwde lieden niet voor hen

zorgden[7]?

Tegenover dit drietal kiest slechts een dezer leerdichters de partij der

geestelijken. Het is begrijpelijk dat hij zelf tot hen behoorde. De

"simpele clerc", die den _Spieghel der Zonden_ samenstelde, tracht de

schuld van de simonie van de geestelijken op de leeken te schuiven: "Si

sijn soekers eerst daervan." Dat er priesters zijn die een slecht leven

leiden, geeft hij toe; maar nochtans moeten wij ze eeren, omdat God

Almachtig hen gezonden heeft[8].

Vergelijken wij het leerdicht van dit tijdvak bij dat van het

voorafgaande, dan treft ons dat het godsdienstig en vooral het zedelijk

element veld hebben gewonnen op het zuiver wetenschappelijke. Met groote

werken als die van MAERLANT en VELTHEM kon men vooreerst zijn begeerte

naar kennis der geschiedenis bevredigen; BOENDALE moge in zijne

_Brabantsche Yeesten_ deels MAERLANT'S werk overnemen, deels de

geschiedenis van zijn eigen tijd verhalen--meer en meer kiest de

historiographie den vorm der proza-kroniek. Algemeene natuurkennis vond

men voldoende in _der Naturen Bloeme_; doch voor sommige onderdeelen

viel wel iets te doen, vooral voor een betere kennis van den mensch.

Dat verklaart het ontstaan van rijmwerkjes als: _Die Cracht der Mane_

van zekeren HEINREC VAN HOLLANT, _Der Vrouwen Heimelicheit_, _Der Mannen

ende der Vrouwen Heimelicheit_ en eenige fragmenten van een leerdicht

dat, voorzoover men kan zien, over de physiologie en de psychologie van

den mensch handelt. Van literaire kunst is in deze

populair-wetenschappelijke werkjes nog minder sprake dan in de meeste

overige leerdichten. Opmerkelijk is slechts, hoe zich in het tweede en

het vierde werk op zonderlinge wijze de invloed der hoofsche poëzie

vertoont. Zoo goed als de menestrelen van vroeger, heeft ook de bewerker

van het laatste physio-psychologische werkje eene "jonkvrouw, die (z)ijn

herte heeft ghewont." Het tweede werk, eene handleiding voor

vroedvrouwen, was door den bewerker vertaald uit het Latijn van ALBERTUS

MAGNUS ter wille zijner "lieve joncfrouwe", waarschijnlijk eene

vroedvrouw wier hart hij door deze obstetrische hulde hoopte te winnen.

Doch zijne hoofsche verzuchtingen passen bij zijne practische wetenschap

als riddersporen aan de hielen van een dorpsbarbier[9].

Voor het godsdienst-onderwijs werd op de in aantal toenemende scholen

langzamerhand beter gezorgd. Toch voelden eenige leerdichters zich

geroepen om dat onderwijs aan te vullen en uit te breiden. Zoo

ontstonden werken als _die Bediedenisse der Missen_ en de berijmde

zoowel als de proza-bewerking van den _Dietschen Lucidarius_. De inhoud

van het eerste werk wordt voldoende door den titel aangewezen. De

berijmde _Lucidarius_ was een vrije bewerking, hier bekort daar

uitgebreid, van het _Elucidarium_, door HONORIUS AUGUSTODUNENSIS in het

begin der 12de eeuw samengesteld als een dogmatisch handboek ten dienste

van theologen. De _Lucidarius_ in proza, voorzien van een berijmde

voorrede, was een getrouwe vertaling van een Duitschen catechismus van

het geloof en de wetenschap dier dagen, bestemd tot onderricht der

leeken. Het Duitsche origineel dagteekent uit het eind der 12de eeuw; de

Dietsche bewerking, naar het schijnt, uit den aanvang der 14de. Het

Nederlandsch rijmwerk schijnt vóór 1353 reeds verbreid te zijn

geweest[10].

Dicht bij deze catechetische werkjes staat het _Boec van der Wraken_,

omstreeks het midden der 14de eeuw gedicht; dit geschrift bevat een

aantal voorbeelden van Gods wrekende gerechtigheid, zichtbaar in

allerlei gebeurtenissen uit vroeger en later tijd. Opmerkelijk is hier

vooral de voorstelling dat Gods hardheid en haastigheid zijn afgenomen,

sinds Hij mensch geworden was:

Aldus haestich ende dus hart

Was God eer hi mensche wart;

Maer sint dat hi die menscheyt kinde,

Ende God die menscheyt minde,

En heeft hi so haestelike

Niet ghewroken op aertrike[11].

Ook het sterk Duitsch getinte rijmwerk van _Die X Plaghen ende die X.

Ghebode_, dat een allegorischen uitleg der Tien Plagen van Egypte geeft.

Egypte is b.v. de duisternis der zonde, die der ziel schade doet en de

zinnen des menschen verblindt. Overigens vindt men hier een groot aantal

aaneengeregen uitspraken, aan den Bijbel, de apocriefe boeken en de

kerkvaders ontleend[12].

Tegenover dit achttal geschriften van wetenschappelijken of van

theologischen aard plaatsen wij een dozijn andere, die een

opvoedkundig-zedelijk karakter dragen. In aantal, maar meer nog in

omvang en beteekenis, overtreffen de laatstgenoemde die der eerste

soort.

Het algemeen karakter van deze werken der tweede soort leeren wij al

dadelijk kennen uit dit drietal: _Dietsche Doctrinael_, in 1345 door een

onbekend dichter te Antwerpen voltooid; _Nieuwe Doctrinael_,

samengesteld, misschien in 1351, door JAN DE WEERT, chirurgijn te

Yperen; _Spiegel der Zonden_, het werk van een Westvlaamsch dichter der

14de eeuw[13]. Alle drie zijn leerboeken van practische zedekunde; zij

geven eene uiteenzetting der onderscheidene deugden en ondeugden, van de

middelen waardoor men de deugden kan aankweeken en de ondeugden

tegengaan; de twee laatste lichten dat alles gaarne toe met voorbeelden,

zij wijden zich zoowel aan den opbouw van het persoonlijk zedelijk leven

als aan dien van het huiselijk en burgerlijk leven. Dit karakter spreekt

zich uit ook in de titels dezer werken: een _doctrinael_ is een

leerboek, inzonderheid van practische moraal; _Spiegel der Zonden_

spreekt voor zich zelf. JAN DE WEERT noemde zijn werk in den tekst:

"_Spieghel der Zonden of Doctrinael_", en de middeleeuwsche titel vóór

den aanvang luidt: "Hier beghint een goet boec van den VII. doetsonden

ende van den X gheboden."

Van denzelfden aard als dit drietal moet het verloren werk zijn geweest

van den dichter der _Dietsche Doctrinale_, dat getiteld was _Exemplaer_

en handelde over de "IIII. doeghden cardinale."

Wat deze werken gemeen hebben is, dat zij, evenals verreweg de meeste

dezer leerdichten, uit het Latijn vertaald of althans naar het Latijn

bewerkt zijn; voor een deel bestaan zij "uit los aaneengeregen

aanhalingen uit gewijde schrijvers, apocriefe zoowel als canonieke, uit

kerkvaders en voor een klein deel ongewijde schrijvers" [14]. Echter

moet men hier eene uitzondering maken voor al die plaatsen, waar de

auteurs over hun eigen tijd spreken en waar zij, zooals vooral JAN DE

WEERT doet, hunne uiteenzetting of hun betoog toelichten met

voorbeelden, door hen aan de werkelijkheid ontleend.

De _Dietsche Doctrinale_ beperkt zich in hoofdzaak tot eene

uiteenzetting van deugden en ondeugden; de _Nieuwe Doctrinael_ verbindt

met zijne beschouwing van doodzonden en geboden eene scherpe

zedenhekeling van alle standen; de _Spiegel der Zonden_ staat dichter

bij den _Nieuwen_ dan bij den _Dietschen Doctrinael_, doordat hij

waarschijnlijk berust op eene Latijnsche verhandeling over de zeven

doodzonden en met die stof zedenhekeling verbindt; anders echter dan JAN

DE WEERT heeft de "simpele clerc" zijne waarschuwingen en raadgevingen

toegelicht door tal van "exempelen", "ware of verdichte verhalen,

waaruit iets te leeren viel," die in de geschiedenis der

wereldliteratuur zulk eene belangrijke rol hebben gespeeld [15]. Echter

richt ook de bewerker van den _Spiegel der Sonden_ zijn blik niet zelden

op zijne omgeving en op misbruiken, die hij zelf moet hebben

waargenomen. Zoo b.v. waar hij te velde trekt tegen de weelde, tegen den

adel die de boeren verdrukt, tegen de drankzucht en de kwartjesvinders

dier dagen:

die schanienisse

Vanden speelre [Zijnoot: spelers.] ende die verradenisse,

Als si noden om drinken of eten

Den ghenen dien si bi ghelde weten,

Ende vake maken si onder hem drien

Of vieren verbond te rovene dien[16].

Voor een betere kennis van het maatschappelijk leven dier dagen zijn

deze leerdichten van veel belang. Echter zal men bij een werk als _de

Spiegel der Zonden_ nimmer uit het oog mogen verliezen dat het de

bedoeling van den samensteller was: _slechts_ de zonden te doen zien en

dat JAN DE WEERT vooral een hekeldichter is. Wij mogen hem geen geloof

weigeren, waar hij ons vertelt van den vraat die zijn vinger in de keel

placht te steken om daardoor zijn volle maag te ontledigen en opnieuw

aan het schrokken te kunnen slaan. Belangrijk voor de kennis van het

bijgeloof zijn ook zijne mededeelingen over het "werken met

toverringhen" om daarmede vrouwen of iets anders machtig te worden, over

het betooveren van koeien en andere beesten. Doch men moet zich wachten

voor het vormen van een algemeen oordeel, louter op grond van zulke

plaatsen.

Zoo zal ook JAN DE WEERT'S oordeel over de dartelheid der toenmalige

meisjes: "waren zij niet bang voor de gevolgen, men zou er tenauwernood

ééne maagd onder vinden", zeker wel waarheid maar niet de waarheid

bevatten.

Niet alleen het zedelijk en maatschappelijk leven, ook het godsdienstig

gemoedsleven van de Nederlanders der 14de eeuw, kan men door deze

leerdichten beter leeren kennen. Zoo vindt men in den _Nieuwen

Doctrinael_ dezelfde verlichte opvatting omtrent de beteekenis van

beelden die wij reeds vroeger hebben aangewezen en eene uitvoerige

beschouwing van de verhouding tusschen den berouwvollen, boetaardigen

zondaar en God[17].

In den _Dietschen Doctrinael_ en den _Spiegel der Zonden_ wordt

gehandeld over de "caritate" en de verdere verhouding tusschen God en

den mensch. Toch houden deze leerdichters den blik niet bij voorkeur op

het godsdienstig gemoedsleven gericht. Hoofdzaak is voor hen, wat

RUYSBROECK samenvatte onder den naam van het _Werkende Leven_. Waar een

hunner een enkele maal over het _Schouwende Leven_ spreekt, daar is hij

er blijkbaar mee verlegen, hoe hij het zal plaatsen tegenover het

Werkende Leven. Er is veel over getwist, schrijft de samensteller van

den _Dietschen Doctrinael_, welk dier twee het best zou zijn. Zelf is

hij blijkbaar geneigd het Werkend Leven hooger te stellen; immers dat is

"vele meerre arbeit"; de schouwer doet niets anders dan dat hij "zijnen

Schepper liefheeft". Wat hem echter weerhoudt aan het Werkend Leven den

voorrang te geven is, dat degelijke geleerden het Schouwende Leven

hooger gesteld hebben; bovendien, CHRISTUS zeide immers van MARIA, dat

zij het beste deel gekozen had; zoo komt de auteur van den _Doctrinael_

niet tot eene slotsom. In overeenstemming met de geringe plaats, door

het Schouwende Leven ingenomen, is ook, dat deze leerdichters slechts

zelden over Gods wezen en het wezen der ziel spreken. In den _Dietschen

Doctrinael_ vinden wij een hoofdstuk "Van der Godheit" en "noch

subtijlre van Gode", in _der Leken Spieghel_ een paar hoofdstukken "van

Gods wesene" en "van den wesene der zielen", doch wat beteekent dat

viertal tegenover de honderde hoofdstukken van anderen aard?

De rijkdom aan gegevens, dien deze leerdichten bieden aan den

onderzoeker van de zedelijke ontwikkeling onzer voorouders, mag ons oog

niet verblinden voor hunne doorgaans geringe waarde als literaire

kunstwerken. JAN DE WEERT moge wel eens zekere levendigheid en gloed

vertoonen, de samensteller van den _Spiegel der Zonden_ aardige woorden

maken of althans gebruiken als "slaeplief" (concubine), "die

beeste-mensche" of "die mensche-beeste" (la bête humaine), over het

algemeen kan hier van schoonheid zelden sprake zijn. Noch in den bouw

der werken, noch in het verband der deelen, noch in de uitwerking der

onderdeelen valt doorgaans--want er zijn uitzonderingen--eenige kunst te

bespeuren. Het mag de vraag heeten of deze dichters in staat waren tot

het voortbrengen van belangrijke literaire kunst, maar zeker hebben zij

er niet naar gestreefd.

Het leerdicht der 14de eeuw vindt zijn meest typischen vertegenwoordiger

in den Antwerpschen "scepenclerc" JAN BOENDALE, die waarschijnlijk in

het laatste kwart der 13de eeuw geboren is. Onder den invloed van

MAERLANT begint hij met een paar geschiedkundige werken: de _Brabantsche

Yeesten_ en _Van den derden Edewaert_, dat den krijgstocht van den

Engelschen koning EDUARD III tegen Frankrijk behandelt is[18]. Maar

verreweg zijn gewichtigste werk levert hij daarna in _der Leken

Spieghel_, een leerdicht dat tusschen 1325 en 1330 is samengesteld[19].

In dit volksboek vond de leek ongeveer alles bijeen wat hij noodig had

om zich als christen, mensch en burger te ontwikkelen. Het werk sprak

eerst over God, den hemel, de goede en kwade engelen, het heelal, de

planeten, de aarde, de hel. Daarna kwam het op den mensch, op zijne

geschiedenis en op die van het Joodsche volk, Gods uitverkorenen; als

aanhangsel der Joodsche geschiedenis werd ook iets van de geschiedenis

der Romeinen medegedeeld. Na zoo, evenals de mystiek, van God tot den

mensch te zijn afgedaald, maakt de dichter zich gereed weer tot God op

te klimmen; maar lang is de weg. De mensch kan slechts tot hooger

ontwikkeling komen doordat God op aarde is afgedaald. Gods menschwording

wordt dus medegedeeld, het leven van JOZEF en MARIA, JEZUS' kindsheid en

geschiedenis; een overzicht van de geschiedenis der door Hem gestichte

kerk sluit zich daarbij aan. Nu plaatst de schrijver den mensch in zijne

verhouding tegenover God, leert hem hoe hij zijn persoonlijk zedelijk

leven kan ontwikkelen, hoe hij zich te gedragen heeft in het huwelijk en

bij de opvoeding zijner kinderen; wat de plichten zijn van een goed

landsheer, van een rechter; wat men te denken hebbe over de waarde en

het wezen van kunst en wetenschap, over minne, vriendschap, mildheid,

maagschap, voeding en dergelijke belangen. Hij besluit zijn werk met een

groot toekomstbeeld: de Antikrist zal op aarde komen en het volk

verleiden; de Heer zal zijne twee getrouwe knechten HENOCH en ELIA tegen

hem uitzenden, de Antikrist zal hen dooden, doch de "gadoot" [Zijnoot:

plotselinge dood.] zal hem zelven van Gods hand treffen. Dan zullen er

teekenen geschieden: de zee zal zich verheffen, zeegedrochten zich

vertoonen en angstwekkend huilen, dan aardbeving, opstanding der dooden;

hemel en aarde zullen in brand staan--zóó zal de Dag des Oordeels worden

aangekondigd. Op de wolken zal dan de rechter komen, die in het dal van

Josaphat de menschen zal oordeelen, de goeden met zich voeren, doch de

boozen ter helle verwijzen.

Dat is de kern der omvangrijke stof die in bijna 22000 verzen, nochtans

beknopt en zaakrijk, behandeld is. Zeker was daarin veel waarmede de

leeken hun voordeel konden doen. Zij vonden er nuttige kennis en dingen

die hunne algemeene ontwikkeling konden bevorderen naast lessen voor de

practijk des levens; zoo wekt BOENDALE de landsheeren op tot zorg voor

het algemeen welzijn; de poorters tot onderlinge eendracht, te waken

tegen zelfverheffing, hunne kinderen op hun zevende jaar naar school te

zenden om lezen en schrijven te leeren[20]. Doch sterker invloed nog zal

hij geoefend hebben door zijne verheffing van het geestelijke boven het

stoffelijke. Hoe forsch pakt hij de overmoedige zinnelijkheid dier

opkomende burgerij aan, waar hij haar voor oogen houdt dat de "arme

menschelichede" het zwakste en onreinste zou zijn dat bestaat--ten ware

dat de ziel haar door hare gratie bestierde en sierde. Onder een

geslacht dat afzonderlijke woorden bezigde voor te veel eten en drinken

("overate" en "overdranc") is BOENDALE een matigheids-apostel geweest

die hun voorhield, dat éénmaal eten: geestelijk is, twéémaal:

menschelijk, driemaal: beestelijk. Hij komt op tegen de voorstelling van

God als een mensch: "God is altemale gheest; tegen afbeeldingen van

engelen met menschenlichaam en vleugels; tegen de voorstelling van de

kerk als een huis, zooals RUYSBROECK dat evenzeer had gedaan[21].

De vraagstukken van maatschappelijken aard die hier behandeld zijn,

vindt men, met eenige andere vermeerderd, terug in een tweede, veel

kleiner, leerdicht van BOENDALE, dat getiteld is _Jan's Teesteye_

[Zijnoot: overtuiging.] [22]. Nieuw is hier o.a. BOENDALE'S overtuiging:

dat de menschen, vergeleken bij de vroegere, eer vooruit dan achteruit

zijn gegaan, al heeft de adel onder den invloed der boozen geleden; dat

de boeren en kooplieden zulke nuttige leden der maatschappij zijn; dat

de vrouwen zoo vele en zoo groote gebreken hebben. Ook over dichters

vinden wij hier eenige uitlatingen die niet zonder belang zijn, doch die

wij liever elders zullen behandelen.

Vooral in de _Teesteye_ zien wij, welk een sterken invloed MAERLANT op

BOENDALE heeft geoefend. Zijne beschouwing van de "edelhede" is geheel

die van MAERLANT, soms vinden wij zelfs woordelijke overeenkomst.

MAERLANT'S _Martijn's_, zijn _Spieghel_, zijn _Rijmbijbel_, zijn roman

_van Troyen_ zijn door BOENDALE blijkbaar gelezen; gelezen en bewonderd,

want meer dan eens verkondigt hij den lof van "JACOB, die dichter

hoghe"; in zijn _Lekenspiegel_ noemt hij hem zelfs "'t hooft van alle

Dietsche poëten"[23]. MAERLANT heeft in BOENDALE die liefde tot de

waarheid gewekt of versterkt, die hem den moed gaf zich zoo onbeschroomd

tegenover de priesters te uiten, die hem ook aan een dichter den eisch

deed stellen, "dat hi uter waerheit niet en kere"; doet hij dat, dan is

hij den naam van dichter onwaardig[24].

Toch is er tusschen den meester en zijn bewonderenden leerling een

aanmerkelijk verschil.

MAERLANT was een idealist. In zijn jonge jaren hadden de idealen van het

ridderwezen zijn hart wel niet onverdeeld bezeten, maar er toch

weerklank gevonden; de vereering der vrouwen had het in gloed gezet, die

gloed was langzamerhand gezuiverd van rook en walm, de moedermaagd had

al die romanheldinnen verdreven, den stralenden afglans van het vuur

zijner jeugd zien wij in zijn _Land van Overzee_ en zijn _Kerken

Claghe_; daar heeft de lezer en vertaler van ridderromans zich

ontwikkeld tot een "miles Christianus".

BOENDALE heeft ook wel eens van dien eerbied voor de vrouwen gehoord. De

"edelhede", zegt hij in zijn _Teesteye_, gebiedt dat men over vrouwen en

jonkvrouwen slechts hoofsche dingen spreke. Maar zich zelven acht hij

blijkbaar aan dat gebod niet gebonden. Een paar hoofdstukken verder in

datzelfde gedicht geeft hij eene karakteristiek van de vrouwen die aan

duidelijkheid niets, aan hoofschheid alles te wenschen overlaat; hij zal

er maar "een luttel" van zeggen: vrouwen zijn van nature loos, vrekkig,

begeerig, twistziek, ongestadig, wraakzuchtig, zonder genade voor wien

zij haten, hoovaardig, kinderachtig, onwetend, lichtgeloovig... men zou

zeggen dat het zóó wel kon, doch het hoofdstuk geeft nog meer van dezen

aard, er volgt een ander dergelijk dat getiteld is "noch van den wiven"

en daarop nog een "exempel". Een geluk is er echter: "dat de vrouwe des

mans dienstwijf is", wat men hieruit kan zien dat de vrouw het kind,

door den man gewonnen, moet dragen en groot brengen; een taak waarvan de

man terecht is vrijgesteld, omdat hij "heer en voogd van het aardrijk"

is.

Men zou BOENDALE onrecht doen, indien men verzweeg dat hij zelf zijn

best heeft gedaan om niet misverstaan te worden; op deze hoofdstukken

heeft hij een ander laten volgen dat handelt "van den goeden wiven";

daarin maakt hij onderscheid tusschen "vrouwen" en "wiven": al het kwade

geldt slechts van de "wiven", zegt hij; van de "vrouwen" weet hij

allerlei liefelijke en goede dingen te vertellen: een goede vrouw is

haar mans schat, zij draagt zorg voor haar mans eer, voor zijn leven,

zijn goed; zij is hem trouw tot in den dood; zij is dikwijls wijs, geeft

goeden raad, houdt vrede met haar man, zij troost hem als hij verdriet

heeft; een goede vrouw gaat zilver en goud te boven en purperen

staatsiekleederen en saffieren... aldus stelt BOENDALE het goede

tegenover het kwade.

Het feit dat drie hoofdstukken aan de "wiven" gewijd zijn en slechts één

aan de "vrouwen" behoeft hier niet zwaar te wegen. Doch ook al ware hij

even uitvoerig geweest over de goede als over de kwade vrouwen, dan nog

zou men terecht mogen beweren, dat een dichter die de fouten en zonden

der vrouwen zóó breed kon uitmeten, weinig sympathie kan hebben gevoeld

voor het hoog en zuiver idealisme, dat, vermengd met elementen van

minder waarde, in den middeleeuwschen vrouwendienst gevonden werd. Ja,

ook MAERLANT heeft in zijn roman _van Troyen_ wel eenige verzen vertaald

waarin gebreken der vrouwen worden opgesomd, doch wie het _vóór_ en het

_tegen_ de vrouwen in MAERLANT'S werken onderling vergelijkt, zal toch

moeten instemmen met de slotsom van MAERLANT'S vriend MARTIJN:

Jakob, du best den vrouwen hout [Zijnoot: genegen.],

Du gheves den mannen al de scout [Zijnoot: schuld.].

Ook elders toont BOENDALE zekere nuchterheid en bezadigdheid, die hem

afkeerig maakt van wat buiten de middelmaat valt; "middelheit houden

over al", dat moet iemand doen die zich zelven mint. Een ander minnen is

goed, maar ieder minne een ander zóó, "dat hi sijns selfs scade niet en

doe", want doet hij dat niet, dan heeft hij een ander liever dan zich

zelven--en, wie zóó liefheeft, leeft "onwijslijc". Zoo moet men arme

brave bloedverwanten wel helpen, doch zóó dat men er zelf de minste

schade bij lijdt [25].

MAERLANT'S idealisme maakte hem pessimist, gelijk zoovele idealisten

vóór en nà hem. De werkelijkheid ontstemt, bedroeft, ergert hem; om zijn

geloof aan de menschheid te kunnen behouden, vlucht hij ermee naar een

droomland in een ver verleden waar alles rein en goed was; bij de

toestanden uit die gouden eeuw vergeleken, is al wat hem op deze aarde

omringt, gebrekkig, leelijk, zondig.

BOENDALE is het hier geenszins met zijn voorganger eens. In zijn

_Lekenspiegel_ sprak hij de overtuiging uit, dat de menschen

tegenwoordig even goed zijn als vroeger. In zijn _Teesteye_ neemt hij

die stelling in het eerste hoofdstuk reeds weer op, gaat na hoe het komt

dat wij het voorgeslacht zoo prijzen, betoogt de waarheid zijner

stelling met voorbeelden uit het Oude en het Nieuwe Testament, en hangt

daarna een zóó verlokkend tafereel op van de braafheid en vroomheid

zijner tijdgenooten dat men een oogenblik aan ironie denkt; doch uit het

gansche werk blijkt dat men den dichter ook hier moet houden aan zijn

woord. Deze verheerlijking van zijn tijd komt in een eigenaardig licht

te staan, indien men haar naast den proloog van het werk plaatst.

BOENDALE heeft zijn _Teesteye_ opgedragen aan een machtig en invloedrijk

edelman, ROGIER VAN LEEFDALE, kanselier van Brabant en burggraaf van

Brussel. Heer ROGIER was blijkbaar een MAECENAS voor BOENDALE. De

dichter verzekert dat hij zijne dichtkunst wil stellen ten dienste en

ter eere van zijn hoogen beschermer en diens gemalin AGNES VAN CLEVE.

Hoog verheft hij beider lof, zelfs hunne namen deelen daarin: wie kan

mooier namen bedenken dan: ROGIER EN ANGENEESE? Één ding hoopt hij nu

slechts: dat Heer ROGIER in dit werk niets vinden moge dat hem mishaagt.

Vroeger is hij vaak in vreeze geweest, wanneer hij zijn beschermer eenig

dichtwerk zond, of het hem wel bevallen zou; daarom is hij nu voortaan

op zijn hoede, want Heer ROGIER ziet scherp en heeft hem wel eens

berispt over zijne poëzie.

Blijkbaar had BOENDALE in een vorig gedicht (welk?) te stout en te

scherp gesproken, waarschijnlijk over maatschappelijke misstanden en

moest de aanvang der _Teesteye_ Heer ROGIER weer in een goed humeur

brengen. Maar een idealist, een echte, doet zulke dingen toch niet.

MAERLANT sprak een stout woord voor dien tijd, toen hij, het eerst in de

volkstaal, neerschreef dat de ware adel in de deugd gelegen is. BOENDALE

volgt hem daarin slechts na. MAERLANT zwijgt over de democratische

beweging zijner dagen, die opkwam toen hij reeds bejaard was; doch hij

heeft er zich toch niet vierkant tegenover geplaatst zooals BOENDALE.

MAERLANT bewerkte den _Rijmbijbel_; BOENDALE voegde bij het werk van

zijn voorganger slechts het een en ander uit de apocriefe

evangeliën[26].

MAERLANT was geen hervormer maar toch een vernieuwer en een voorganger;

BOENDALE een verdienstelijk volger en behouder.

MAERLANT eindelijk was een dichter die, ja, ter wille van zijn volk veel

berijmd proza heeft geschreven, maar in wiens werk toch op menige plaats

echte poëzie te zien valt als groene loten tusschen het dorre hout.

BOENDALE'S poëtisch vermogen was blijkbaar gering. In zijne voorstelling

van den naderenden

Oordeelsdag zijn hier en daar elementen van grootsche verhevenheid die

doen denken aan het Oudhoogduitsche _Muspilli_; doch waarschijnlijk

heeft hij ook deze aan een of andere Latijnsche bron ontleend; indien

hij al iets van deze verhevenheid hebbe beseft, dan is hij er toch niet

in geslaagd het ons te doen zien.

In zijn beste werk, _der Leken Spieghel_, kan men slechts op een paar

plaatsen wijzen die zich boven het gelijkvloersche verheffen. De eene is

die waar hij spreekt over de roeping van den dichter; de andere, eene

uiting van verlangen naar de paradijsweelde van JEZUS' liefde, bevat

misschien de beste verzen die hij geschreven heeft:

O edele minne, wanneer seldi

Volkomenlike comen in mi?

Of dat ic uwes ghesmake iet!

Had ic u, mine ghebrake niet [Zijnoot: mij zou niets ontbreken]",

Al mijn vernoy [Zijnoot: verdriet]" ware verdreven.

Ay heere! wilt mi gheven

U vaderlike minne daer toe:

So blivic eeuwelike vroe [Zijnoot: blijde]"[27].

_Jans Teesteye_, het werk van BOENDALE, waarin MAERLANT'S invloed zich

het duidelijkst vertoont, is geschreven in den vorm eener samenspraak

tusschen een paar vrienden, WOUTER en JAN; echter niet in regelmatige

afwisseling van vraag en antwoord verdeeld over afzonderlijke

coupletten, maar zóó dat verreweg de meeste hoofdstukken aanvangen met

een vraag van WOUTER die door JAN wordt beantwoord. Misschien moeten wij

dit dialogisch karakter toeschrijven aan den invloed van MAERLANT'S

_Martijns_, doch, zooals wij reeds in den aanvang van dit hoofdstuk

zagen, het leerdicht koos gaarne dezen vorm.

Wij vinden den dialoogvorm nog in een drietal leerdichten die wij nu

zullen behandelen.

_Meliboeus_ een "boec van troeste ende van rade" is eene vertaling uit

het Latijn van ALBERTANUS VAN BRESCIA en werd in 1342 door een te

Antwerpen wonend dichter voltooid. Het zou worden opgedragen aan den

hertog van Brabant en de hier aangeboden troost en raad waren dan ook

voornamelijk gericht tot landsheeren, zooals ons in den proloog wordt

medegedeeld. In een onregelmatig dialogischen vorm geeft het gedicht

allerlei opmerkingen ten beste over de wijze waarop een man zich heeft

te gedragen in den strijd o.a. met het vleesch, de wereld en den duivel;

verreweg de meeste plaats wordt echter ingenomen door een breedvoerige

behandeling van vragen als: of en wanneer een man rekening moet houden

met den raad zijner vrouw, wat men schuwen moet in het raadplegen, hoe

men zal onderzoeken of een raad nuttig is, dat men aan jongere menschen

geen raad moet vragen enz.

Mogelijk is ook dit werk van BOENDALE'S hand, al zal eerst voortgezet

onderzoek deze mogelijkheid tot zekerheid of hooge waarschijnlijkheid

kunnen brengen[28].

Den invloed van MAERLANT'S _Martijns_ dien wij in BOENDALE'S _Teesteye_

opmerkten, zien wij eveneens in _Eene disputacie van Rogiere ende van

Janne_, door den Yperschen chirurgijn JAN DE WEERT gedicht, nadat hij

den _Spiegel van Zonden_ had voltooid. Evenals in den _Meliboeus_ wordt

ook hier de strijd van den mensch met zijne drie vijanden: het vleesch,

de wereld en den Booze behandeld. Wij hebben deze voorstelling reeds

leeren kennen uit RUYSBROECK'S _Werkende Leven_; ook andere deelen

daarvan vinden wij in deze _Disputacie_ terug, zoo b.v. de rol die Gods

gratie vervult in dezen strijd van den mensch met zijne vijanden; de

vergelijking van den mensch bij eene stad waarin de vrije wil koning

is[29].

Toen JAN DE WEERT dit werk schreef, stond MAERLANT'S beeld hem voor

oogen; MAERLANT'S naam wordt door hem dan ook meer dan eens genoemd, de

_Martijns_ vermeld en de trant dier werken nagevolgd. Maar het talent

van den navolger schoot te kort; de dwang van MAERLANT'S kunstig

gebouwde strophe belemmert hem voortdurend in het voorwaartsgaan en hij

was zich daarvan wel bewust, toen hij schreef:

Mijn conste en es niet also groot

Als Jacops hier te voren.

Toch is hier nog in het kiezen van dien vorm een streven naar kunst.

Dat streven valt tenauwernood te ontdekken en is bijna schuil gegaan

achter het nuttigheidsbeginsel in de samenspraak tusschen vader en zoon,

die onder den titel _Seneka leren_ eene vertaling bevat van een aan

SENECA terecht of te onrechte toegeschreven werkje _De Remediis

Fortuitorum_[30]. De Dietsche vertaling bevatte een menigte welgemeende

terechtwijzigingen, verstandige voorschriften en lessen van

levenswijsheid, in zuivere taal uitgedrukt. Door dat karakter sluit dit

werkje zich aan eenerzijds bij den _Dietschen Catoen_ uit vroegeren tijd

en bij eenige andere gelijktijdige: het _Doctrinael savage_, _die Bouc

van Zeden_ en _Van Zeden_[31].

Evenals de meeste overige leerdichten, zijn ook deze werkjes wel niet

zonder belang voor de geschiedenis der literatuur--immers, zooals men de

literatuur toen beschouwde--maar toch belangrijker voor de

zedengeschiedenis. De twee laatste werkjes vooral zijn gewijd aan de

verfijning van manieren en gedrag in het dagelijksch leven. Men ziet

eruit dat ook de burgerij prijs gaat stellen op uiterlijke beschaving en

tevens dat die beschaving nog geen hoogen trap had bereikt. Dat laatste

blijkt wel, wanneer men in het oog houdt wat de Dietsche vertaler van

het laatstgenoemde geschrift zijnen lezers en hoorders al zoo voorhoudt:

eet en drink niet tegelijk; soppen in een nap gaat aan, in den mond

niet; bijt niet in een stuk dat gij (daarna) in den schotel wilt leggen;

gebruik het tafellaken niet om er uwe tanden, tranende oogen of uw neus

mede te vegen; vat den beker niet bij den rand aan; wijs niet met den

vinger naar iemand over wien gij spreekt; komt gij voor iemands deur,

val dan niet met de deur in huis, maar geef een of ander teeken door

kloppen, hoesten of spreken. Andere voorschriften echter waren berekend

niet zoozeer op het te keer gaan der oorspronkelijke ruwheid als wel op

het verhoogen der reeds aanwezige beschaving. Zoo b.v.: lach niet te

veel; lach ook niet in u zelven, want dat is een teeken van boosheid en

geveinsdheid; spreek niet minachtend over vrouwen; zit gij in gezelschap

van uwen meerdere, sla dan het eene been niet over het ander; moet gij

slapen in één bed met uw gelijke of uw meerdere, vraag hem dan aan

welken kant hij wil liggen.

Door raadgevingen als die over de drie vijanden van den mensch houdt het

bundeltje _Van Zeden_ verband met _Meliboeus_ en JAN DE WEERT'S

_Disputacie_, anderzijds beseft de bewerker wel dat hij iets geeft dat

in den _Dietschen Catoen_ niet gevonden werd[32].

De hier behandelde tweespraken en dialogische gedichten, de korte

coupletten, waaruit het bundeltje _Van Zeden_ bestaat, kunnen dienen als

voorbereiding op de didactische lyriek, die wij in een volgend hoofdstuk

zullen leeren kennen. Zij zijn als schakels, die de leerdichten in

epischen vorm verbinden met de didactische lyriek. Geen der in deze

laatste bladzijden behandelde werken is daartoe zóó geschikt als het tot

nu niet genoemde werk van zekeren JAN PRAET, dat men op grond van eene

aanwijzing in den tekst _Leeringhe der Zalichede_ heeft genoemd[33].

Gedicht nu eens in verzen met overslaand rijm, dan weer in paarsgewijze

rijmende verzen, die onderbroken worden door vier- en zesregelige

coupletten, afgewisseld op hunne beurt door twaalfregelige "motetten",

geeft dit rijmwerk ons een vermoeiend bonte afwisseling van dichtvormen

te zien. Harmonie heerscht hier in zóóver, dat ook de inhoud een bonte

verscheidenheid toont; doch die harmonie beperkt zich tot de

oppervlakte, want de wisselingen van vorm beantwoorden niet aan

wisselingen van inhoud of stemming, maar schijnen slechts voort te komen

uit zekere onrust, misschien ook uit de zucht van den auteur om met

zijne kunstvaardigheid te pronken.

Daar de aanvang en het slot van het werk ontbreken, kunnen wij ons uit

de ongeveer 5000 overgebleven verzen geene volkomen voorstelling vormen

van het plan des dichters. De aanvang van het fragment verplaatst ons in

een lofzang op de H. Maagd. Hare deugden worden opgenoemd in verband met

de letters van haar naam. Telkens begeeft de auteur zich in eene

uitweiding, zoo b.v. over de wanhoop en de geschiedenis van THEOPHILUS.

De voorstelling van het leven als een gevaarlijke zeereis wordt breed

uitgewerkt: het lichaam is het schip, het hart de schipper, het gepeins

het anker; het kompas, bestaande uit naald, zeilsteen en water, geeft

een voorstelling van Verstand, Zin en Geheugen. Hoogmoed wordt gelaakt;

zelfkennis aangeprezen; de verachtelijkheid van het lichaam met nadruk

betoogd. Daarna wordt het beeld van het schip weer op den voorgrond

gebracht. De auteur, die zich hier wel in de plaats zal stellen van den

gewonen mensch, belijdt dat hij schuldig staat aan de zeven hoofdzonden;

deze worden dan op de bekende middeleeuwsche wijze voorgesteld als een

boom (hoovaardij) met zes takken (_arbor vitiorum_). Staaltjes van de

wijze, waarop de hoofdzonden zich in het leven openbaren, worden

medegedeeld; vooral de priesters moeten het hier ontgelden in hun

wellust, luiheid en hebzucht. Een lang dispuut tusschen Hoovaardij en

Ootmoed volgt; daarna een beschrijving van een strijd tusschen de

deugden en de ondeugden (bekend uit PRUDENTIUS' _Psychomachia_); ten

slotte wordt Hoovaardij berispt door Vrouwe Sapientia en JEZUS' leven

uitvoerig verhaald.

Hoewel nergens blijkt dat een bepaald werk of een auteur door JAN PRAET

gevolgd is, knoopt hij toch telkens nieuwe beschouwingen vast aan

Latijnsche teksten of korte Latijnsche verzen, die niet zelden door hem

worden uitgebreid. In die uitbreidingen, vooral in de lyrische gedeelten

daarvan, toont deze auteur zich op zijn best. Zijn smaak was niet

fijn--getuige zijne vergelijking van God, die zich van sommige priesters

afkeert, bij een haas die de honden ontvlucht[34]--hij weet zich niet te

beheerschen noch te beperken, toont zich niet zelden een

gelijkvloerschen rijmelaar; doch, waar hij op zijn best is, weet hij ook

aardige, gemakkelijk voortloopende coupletten te dichten, die zekere

natuurlijke bevalligheid vertoonen. Zoo b.v. het "motet" dat aanvangt:

Bi rimes zucht [Zijnoot: nadeelige invloed van de rijp.]

Verlieset vrucht

Saen hare baten

of:

Hooren, peinsen,

Zwighen, veinsen

Ende wel voorsien,

Dat zijn seden

Van wijsheden

Dies willen plien [Zijnoot: plegen.].

Ook de aanvang der lange passage, waar Vrouwe Hoovaardij aan het woord

is, mag hier genoemd worden:

Ic doe tornieren,

Ridders verfieren [Zijnoot: stouter worden.]

Van haren zinne,

Vrouwen pareren,

Zinghen, baleren [Zijnoot: dansen.]

Om ridders minne;

Knapen [Zijnoot: schildknapen.] josteren [Zijnoot: strijden te paard in

tweegevecht.]

Ende breken speren

Om roeme saken;

Joncfrouwen vermoyen,

Wempelen ployen

Ende horne [Zijnoot: de horens van het middeleeuwsch kapsel.] maken.

Zulke stukken herinneren ons, dat er in de 14de eeuw eene bloeiende

lyriek wordt aangetroffen. Met die lyriek zullen wij ons spoedig hebben

bezig te houden. Eerst echter wacht ons een andere taak: na te gaan, wat

er van den _Reinaert_ geworden is onder den invloed van de sterke

didactische neigingen der burgerijen.

Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I · 第 75 / 113 题