RUYSBROECK[36].

Het verhaal van zijn uiterlijk leven is ras gedaan. Hij werd in 1294

geboren in het dorp Ruysbroeck, dat ten zuiden van Brussel aan de Senne

ligt. Zijn vrome moeder wilde hem gaarne bij zich houden, maar zucht

naar kennis en ontwikkeling dreef den knaap op zijn elfde jaar uit haar

huis. Heimelijk gaat hij naar Brussel en wordt opgenomen bij een

bloedverwant die kanunnik was aan de kerk van Sinte Goedele. Hij wijdt

zich nu met grooten ijver aan de studie, vooral aan de theologie; de

begeerte om tot een schouwend leven te komen wast steeds in hem. Zelfs

het genot van zijne moeder te zien en te spreken ontzegt hij zich. Op

zijn 24ste jaar wordt hij priester, daarna kapelaan aan de kerk van St.

Goedele. Meer en meer trekt hij zich terug in eigen zieleleven.

Met het klimmen zijner jaren moet het verlangen naar bevrijding van

ambtsbezigheden en stadsleven sterker in hem zijn geworden. Op zijn

60ste jaar legt hij zijn ambt neer en gaat met Heer FRANK VAN

COUDENBERGHE, kapelaan van St. Goedele als hij, in het Soniën-bosch

wonen. Daar stichten zij in een dal dat Groenendaal genoemd werd, voor

hen beiden "eene matelycke habitacie", op de plek waar vroeger de kluis

van een kluizenaar gestaan had.

RUYSBROECK ware wel gaarne met Heer FRANK alleen gebleven; maar deze

"begheerde die minne Gods te vermeeren in vele personen." Zoo voegden

zich dan eenige leeken en religieusen bij hen. Allen namen daarna den

regel en het "habijt" der regulieren van SINT AUGUSTINUS aan. Onder Heer

FRANK als proost werd RUYSBROECK prior. In dit klooster heeft hij, zijn

ambt waarnemend en overigens ook het geringste werk niet versmadend,

zich eerst recht aan de oefening in het werkend en schouwend leven

kunnen wijden. De roep van heiligheid, uitgaand van zijn leven en zijne

werken, bracht talrijke bezoekers uit Dietsche en Duitsche landen, ook

wel eens uit Parijs, naar Groenendaal. TAULER en GEERT DE GROOTE

behooren tot de beroemdsten onder hen. Zijnerzijds gaat RUYSBROECK soms

te voet, al viel het hem moeilijk, naar bevriende kloosters, waar men

aanstoot had genomen aan eenig geschrift van zijne hand en voorlichting

van hem begeerde. De Karthuizer-broeder GERAERT, die hem bij zulk eene

gelegenheid heeft gezien en gesproken, weet ons te vertellen "van sinen

ripen ende bliden aensiene, van sinen goedertieren ende oetmoedighen

spreken." Zoo vloeit zijn leven rustig voort. Dan gaan zijne gezellen

hem begeven o.a.: zijn leerling, de kanunnik WILLEM JORDAENS, en de

goede kok JAN VAN LEEUWEN.

RUYSBROECK'S oogen beginnen te verduisteren; als hij de mis opdraagt,

kan hij de hostie niet goed meer onderscheiden. Steeds heeft hij den

psalm op de lippen: "mijn ziele dorst naar God, de levende bron; wanneer

zal ik komen en verschijnen voor het aangezicht van mijn God."

Heugenissen der kindsheid komen op in zijn geest; het beeld zijner

moeder verschijnt hem, zij onderricht hem van zijn sterfdag. Die dag

kwam in December 1381. Met den blos des levens op het gelaat, scheidt

hij uit dit leven[37].

Op een miniatuur, kort na RUYSBROECK'S overlijden vervaardigd, zien wij

hem in het Soniën-bosch bezig met het opstellen van een geschrift. De

grijze prior zit onder een boom op den grond; op zijn knie rust een met

groen was bestreken schrijftafeltje, zijne rechterhand grift letters in

het was; boven zijn hoofd zweeft een duif, symbool van den Heiligen

Geest, onder wiens inspiratie hij werkt. Tegenover hem zit een jonge

kloosterbroeder, met bruin haar en blozende wangen, aan een

schrijflessenaartje; links van hem ligt een beschreven was-tafeltje,

vóór hem een vel perkament; den wijsvinger der linkerhand houdt hij bij

het in was gegrifte woord, dat hij juist bezig is op perkament over te

brengen. Dat is de jonge priester, die Heer JAN als "notarius" diende,

gelijk Broeder GHERAERT ons heeft verhaald[38].

Naar alle waarschijnlijkheid hebben wij hier eene betrouwbare

voorstelling van de wijze, waarop menig werk van RUYSBROECK is ontstaan.

De mystieken hadden behoefte aan afzondering, om zich ongestoord in

eigen zieleleven te kunnen verdiepen. Waar konden zij die behoefte beter

bevredigen dan op een eenzame plaats buiten? Gedurig buiten vertoevend

in bosschen en velden of aan het werk in den kloostertuin, leerden zij

de natuur kennen en liefhebben als openbaring Gods. Welk een innige

verhouding tot de natuur zien wij in Sint FRANCISCUS, die alle

schepselen Gods als zijne broeders en zusters beschouwt en in zijn

_Cantico del Sole_ blijk geeft van een innig samenleven met de gansche

natuur, zooals wij dat eeuwen daarna bij dichters als GOETHE en SHELLEY,

maar ontkerstend, zullen terugvinden. Ook in HADEWYCH'S poëzie merkten

wij een levendig natuurgevoel op. Zoo is dus de voorstelling van

RUYSBROECK, zijne werken dichtend in het Soniën-bosch, geheel

overeenkomstig de algemeene verhouding tusschen mystiek en natuurleven.

Waarschijnlijk is een groot deel zijner werken ontstaan in en bij het

klooster Groenendael. Maar niet alle werken. Immers broeder GHERAERT

vertelt ons, dat RUYSBROECK te Brussel begon eenige zijner boeken te

maken, en zijn voornaamste werk, de _Chierheit der geesteleker

Brulocht_, was reeds in 1350 voltooid, vier jaar voordat hij de

"habitacie" ten Groenendale betrok. Van de chronologie zijner werken is

ons overigens tot dusver weinig bekend; slechts weten wij, dat zijn

_Spieghel der ewigher Salicheit_ in 1359 geschreven is en dat het

tractaat _vanden Rike der Ghelieven_ zijn eerste werk was[39].

De oude "verluchter", die op zoo naïeve wijze RUYSBROECK'S werk

voorstelde als ontstaan door "ingheestinghe", toonde daardoor wel de

juistheid van zijn inzicht. Toch mag men niet voorbijzien, dat de in den

vromen prior schuilende scheppingskracht meer dan eens te werk is

gesteld door een oorzaak buiten hem. Zoo werd de _Spieghel der ewigher

Salicheit_ geschreven op verzoek eener non van St. Clara, "die hem

langhe daerom ghebeden hadde". _Dat Boec vander hoechster Waerheit_ werd

geschreven ter verklaring van zijn eerste werk en op verzoek van broeder

GHERAERT en de zijnen. Een derde geschrift: _Vingherlinc [Zijnoot:

vingerring.] of het blickende steentje_, vloeide voort uit een gesprek

met een kluizenaar "van gheesteliker materien" en werd op verzoek van

dezen te boek gesteld. Ook het _Tractaet van Seven sloten_ is

waarschijnlijk geschreven op verzoek eener Clarisse[40].

Behalve de reeds genoemde werken schreef RUYSBROECK nog: _Van den

gheestelijken Tabernacule_, het omvangrijkste van alle; _Van den Twaelf

Dogheden [Zijnoot: deugden.] _, dat, zoo al niet door hem, dan toch

zeker geheel in zijn geest is geschreven; _Van seven Trappen_; _Van den

Kerstenen Ghelove_; _Van den vier Becoringhen_; _Van den twaelf

beghinen_.

Zijn deze titels alle van RUYSBROECK zelf afkomstig? Van een viertal,

reeds door broeder GHERAERT genoemde, (_Rike_ _der Ghelieven, Van der

hoechster Waerheit, Brulocht_ en _Tabernakel_) acht ik dat wel

waarschijnlijk; de overige zouden ook van afschrijvers kunnen zijn. Al

deze titels houden natuurlijk in meerdere of mindere mate verband met

den inhoud der werken, doch in bijna al deze werken vinden wij, behalve

hetgeen door den titel wordt aangewezen, ook deelen van RUYSBROECK'S

mystieke levensbeschouwing, telkens in ander verband en met meerdere of

mindere volledigheid, terug. Daarom moet men bij eene beschouwing van

RUYSBROECK'S werk niet zoozeer letten op de, door verschillende titels

onderscheiden, deelen ervan, als wel op het geheel dat zij samen vormen.

Een kort overzicht van de _Chierheit der gheesteleker Brulocht_ kan ons

eenigermate een denkbeeld geven van den bouwtrant van RUYSBROECK'S werk.

De _Brulocht_ bestaat uit drie deelen, overeenkomend met de drie

trappen, welke de mysticus in zijn streven naar volmaaktheid heeft te

bestijgen: het werkende, het innige en het schouwende leven. Aan het

geheel is ten grondslag gelegd deze tekst: "Ziet, de bruidegom komt,

gaat uit, hem te gemoet." De vier deelen van dezen tekst worden nu

achtereenvolgens op elk der trappen toepepast, telkens in dieper zin.

_Ziet_, d.i.: de mensch moet zich telkens weer richten op God; _de

bruidegom komt_: God komt den op Hem ziende tegemoet; _gaat uit_: de

mensch handelend in zijne betrekking tot God; _Hem tegemoet_: de

ontmoeting van God en mensch[41].

Weinig werken van RUYSBROECK vertoonen in hun bouw eene zoo strenge

symmetrie als dit; toch kunnen wij in de meeste wel iets daarvan

terugvinden. Het _Boek van den Tabernakel_ geeft eene voorstelling van

het mystieke leven of van "den loop der minnen", gesymbolizeerd in den

Tabernakel en zijne talrijke onderdeelen. _Van den twaelf Dogheden_, eer

eene zedekundig dan een mystiek geschrift, geeft eene beschouwing der

Christelijke deugd, welker grondslag de ootmoed wordt genoemd. In

_Spieghel der ewigher Salicheit_ ontvangen wij beschouwingen over het

kloosterleven, het Avondmaal en de soorten van avondmaalgangers. In het

_Tractaet van seven Sloten_ worden de kloosterplichten uiteengezet;

doch, evenals in de bovengenoemde en nog te noemen geschriften, telkens

weer in verband met het gansche mystieke leven en hier inzonderheid met

het schouwende leven. De _Vier Becoringhen_ [Zijnoot: verzoekingen.],

bedoeld in het geschrift van dien naam, zijn: onbedwongen natuur waaruit

zinnelijkheid en wellust voortkomen; schijnheiligheid; begeerte om met

het natuurlijk verstand alle dingen te willen verstaan, hetwelk tot

geestelijken hoogmoed leidt; bij de vierde "becoringhe" had RUYSBROECK

het oog op de kettersche secte der Broeders en Zusters van den vrijen

geest, die, innerlijke en uiterlijke goede werken versmadend, hunne ziel

ontledigd van alle andere dingen en slechts met God vervuld achtend,

waanden geene zonde te kunnen doen, omdat God immers alles in hen

werkte. Het _boek van den twaelf beghinen_ is gewijd vooral aan de

Beschouwing. Aanvangend met eene samenspraak tusschen twaalf begijnen

over de liefde tot JEZUS, handelt het voorts over het Avondmaal, de

vereischten voor de beschouwing, de dwalingen der ketters, de schepping

der wereld, de bedorven natuur van den mensch enz. De stof moge hier

rijk zijn, de samenhang der deelen laat veel te wenschen over. In

_Vingherlinc_ wordt, aanknoopend bij een bijbeltekst uit _de Openbaring_

waar gesproken wordt van een "blickend [Zijnoot: schitterend.]

steenken", met kunstige symboliek aangetoond dat met dit in een ring

gevat steentje CHRISTUS bedoeld is.

Bestaat er dus wel verband tusschen de titels en den inhoud van

RUYSBROECK'S werken, anderzijds zal gebleken zijn hoe telkens naast en

boven dit bijzondere het algemeene zich vertoont. Dat algemeene zullen

wij trachten beknopt samen te vatten.

Uitgaande van het Wezen Gods, daalt ook RUYSBROECK'S mystiek af tot den

mensch en klimt weer op tot God.

God is het absolute praedicaatlooze Zijn, het "overwesen", de

"onghebeelde blootheit" [Zijnoot: ledigheid zonder beelden (vormen).].

_Wat_ God is, gaat boven het begrip aller schepselen; doch _dat_ Hij is,

getuigt Natuur en Schriftuur en alle Creatuur. Uit Gods eenheid vloeit

Zijne drieheid voort; de geboorte van den Zoon heeft voortdurend plaats,

Gods wijsheid weerspiegelt zich in den _Zoon_; uit beider ontmoeting

ontspringt hunne minne: de Heilige Geest. Ook deze wordt voortdurend

herboren: steeds is er een nieuw "uutgheesten", een nieuwe vloed van

eeuwige minne. Al kunnen wij God niet volnoemen noch volspreken, toch

kunnen wij als zijne voorname eigenschappen onderscheiden: almacht,

wijsheid en liefde, overeenkomend met Vader, Zoon en H. Geest. Tegenover

de eeuwige schepping: het ideëel vóórbestaan der dingen in God, staat de

schepping in den tijd, die eene vrijwillige daad van Gods liefde is. In

zijne voorstelling dier tijdelijke schepping neemt RUYSBROECK

PTOLEMAEUS' wereldstelsel over, volgens hetwelk de aarde middelpunt des

heelals is. Tegenover de stoffelijke schepping staat de geestelijke:

engelen en menschen. De mensch, kroon der schepping, geschapen niet uit

Gods wezen doch uit niets, is bestemd de plaats in te nemen die de

engelen verloren hebben, terug te vloeien tot zijn oorsprong: God. Doch

eerst langzamerhand zal het hoogere in hem het lagere kunnen overwinnen,

onderwerpen, beheerschen. De krachten der menschelijke ziel zijn te

verdeelen in vier lagere "vee-gelijke", en drie hoogere; de lagere zijn:

toorn, begeerte ("beestelicke" krachten), redelijkheid die mensch van

dier scheidt, en vrijheid van wil. De drie hoogere: memorie, verstand en

wil; met deze drie krachten komen overeen deze eigenschappen:

"onghebeelde blootheit", "overste redene" en "vonke der ziele", d.i. de

aangeboren neiging der ziel tot haren oorsprong. Door deze eigenschappen

staat de ziel in betrekking tot God en kan zij tot Hem opklimmen. De

mogelijkheid tot vereeniging met God is van eeuwigheid af in onze ziel

gelegd, doch de werkelijke vereeniging met God komt tot stand eerst in

het mystieke leven. In zijn streven naar die verwerkelijking wordt de

mensch belemmerd door de zonde. Zonde is niet: geneigdheid tot het

kwade, doch afwezigheid van strijd tegen het kwade. In zijne leer

aangaande den zondeval, de zegepraal over dood en duivel en onze

loskooping staat RUYSBROECK op het standpunt der Roomsch-Katholieke

kerk. Echter beslaat CHRISTUS' verlossende werkzaamheid weinig plaats in

zijn stelsel. CHRISTUS, de mensch, is hem vooral, toonbeeld van het

mystieke leven.

Zoo wordt uit het Goddelijk Wezen alles afgeleid, met dien verstande dat

het Goddelijk beeld overal bewaard blijft. Tegenover en naast het, uit

opeenvolgende momenten bestaande, menschenleven wordt het transcendente

begrip van tijdeloosheid, het "ewigh nu" in God en Gods werken

gehandhaafd. Worden en bestaan, komen en vergaan zijn slechts vluchtige

vormen van het eenige, eeuwige Zijn; de altijd wisselende eb en vloed

van de diepe en eeuwig ruischende zee der Godheid. De eeuwige

bestaansvorm der Godheid vertoont zich overal in dit grootsche stelsel

als de spitsboog in een kathedraal.

Op dezen grondslag van speculatieve mystiek heeft RUYSBROECK het gebouw

zijner practische mystiek opgetrokken. In die vereeniging van theorie en

practijk ligt voor een deel het eigenaardige en de verdienste zijner

mystiek.

RUYSBROECK neemt drie trappen ("staten" of "ordenen") aan als

evenzooveel stadiën op den heilsweg. Wie tot een hoogeren trap opklimt,

moet toch altijd de plichten van den vorigen trap blijven beoefenen. In

het _Boec van seven Trappen_ noemt hij b.v. als de zeven treden

waarlangs de vrome opklimt tot de zaligheid der beschouwing: 1o.

eendrachtich ende eenwillich sijn met den wil ons Heren; 2o. willich

armoede; 3o. reynicheit der sielen ende suverheit van lichame; 4o.

ghewarighe [Zijnoot: waarachtige.] oetmoedicheit; 5o. edelheit alre

doechde ende alre goeder werke d.i.: begeeren de eere Gods bovenal; 6o.

een claer insien puer van gheeste ende van ghedachten; 7o. een

grondeloos niet weten van God, "een versterven ende overliden [Zijnoot:

overgaan.] in ene ewighe onghenoemtheid daer wi ons verliesen". De

verdeeling in drieën, die in het middeleeuwsch leven zoo veelvuldig

voorkomt, schemert ook hier weer door. Want de drie eerste graden

behooren tot het _Werkende_, de twee volgende tot het _Innige_, de beide

laatste tot het _Schouwende_ leven.

Tot het Werkend Leven moet de mensch voorbereid worden door tweeërlei

gratie: 1o. de "voirlopende" die den mensch beweegt, van buiten: door

ziekte, leed, goede voorbeelden; van binnen: door overdenking van Gods

lijden, de vergankelijkheid van het aardsche; 2o. de gratie die is "een

heymelic inwerken Gods" in de ziel. Door Gods inwerking ontstaat dan de

"caritate", d.i. een minneband tusschen God en de minnende ziele. Wie

deze "caritate" bezit, heeft volkomen rouw van zonden, en wie deze

heeft, zal trachten zich van zonde te reinigen om te komen tot een

onbesmette conscientie.

Nog is de mensch niet waardig een _zoon_ Gods te heeten; in afwachting

daarvan moet hij trachten zooveel mogelijk een getrouwe _knecht_ te

zijn. Abstinentie, penitentie, eerzame zeden en heilige werken van

buiten--dat is ongeveer wat door het werkende leven wordt omvat. Op

"caritate", rechtvaardigheid en ootmoed, berust het "gestichte alre

doghede ende alre edelheit". In al die onderscheiden deugden: ootmoed,

gehoorzaamheid, zelfverloochening, lijdzaamheid, zachtmoedigheid,

medelijden, zachtheid, reinheid van ziel en lichaam, moet de mensch zich

aldoor oefenen. Drie machtige vijanden heeft hij daarbij te weerstaan:

de Booze, de wereld, zijn eigen vleesch. Bijgestaan door de genade Gods

moet de mensch in dien strijd zich staande houden en zijne ziel ordenen

als een koninkrijk, waarin de vrije wil koning is. Deze geheele

deugdsbetrachting wordt aangewezen als navolging van CHRISTUS.

Het Innige Leven staat hoog boven het Werkende, als "overlant" [Zijnoot:

Hoogland.] boven "nederlant" [Zijnoot: Laagland.]. Wie in het Innige

Leven wil komen, moet op de bergen wonen waar de Zonne der Gerechtigheid

schijnt. In tegenstelling met het Werkende Leven, waar voornamelijk de

mensch werkt, werken hier God en mensch gelijkelijk en komen elkander

tegemoet.

In het Innige Leven vallen drie stadia te onderscheiden: 1o het

kenvermogen des menschen wordt doorschenen met bovennatuurlijke

klaarheid; 2o daardoor voorgelicht, moet de mensch uitgaan in inwendige

oefeningen naar gerechtigheid; 3o hij moet opklimmen tot het genieten

van de eenheid met God. In het eerste stadium, waarin RUYSBROECK den

invloed der bovennatuurlijke klaarheid vergelijkt bij den loop der zon,

worden weer tal van deugden beschouwd in de wijze, waarop telkens eene

nieuwe zich uit eene voorgaande ontwikkelt. Het hart wordt door het

inwendig vuur van den H. Geest steeds op en neer gedreven, opbruisend en

neervallend als water waaronder vuur wordt gestookt. Het hart, gewond

door minne, wil telkens zich sluiten, doch telkens schijnt de zon,

CHRISTUS, er in en wordt de wonde vernieuwd. Vandaar dat een hevige

ijver des menschen hart verteert. Uit dezen ijver wordt hij van tijd tot

tijd opwaarts getrokken in den geest. Dan ontstaan visioenen en

revelatiën, die hij soms wel, soms niet onder woorden kan brengen.

Evenals de hitte afneemt, wanneer de zon het eind van haar loop nadert,

zoo gaat nu ook CHRISTUS zich voor den mensch verbergen. Droefheid,

gevoel van verlatenheid, van twijfel aan zich zelven maken zich nu van

den mensch meester; doch uit zijn lijden moet hij vreugde scheppen.

Vooral moet hij waken tegen al te groote vreugde over hetgeen hij tot

dusver bereikt heeft; daardoor toch zou hij minder toegankelijk worden

voor het invloeien der genade Gods.

De genade-instorting van het tweede stadium wordt vergeleken bij eene

levende fontein, die uitvloeit in drie rivieren: 1o enkelvoudigheid, die

alle zielekrachten doordringt; hierdoor richt de mensch zich op

_blootheit_, d.i. de waarheid, ontdaan van alle beeld en kleed, vorm en

gelijkenis; 2o geestelijke klaarheid, die geene visioenen en revelatiën

noodig heeft. Nu moet de mensch den blik richten op de Godheid; die

aanblik wekt in hem inwendige vreugd, waaruit de derde rivier

ontspringt, nl. "inghegeeste hitte", die in den wil vloeit, dezen doet

gloeien en branden en hem vervult met minne. Nu moet de mensch uitgaan

met overvloedige liefde tot God en alle heiligen, tot de zondaren en

verkeerde menschen, tot hen die in het Vagevuur zijn, tot zich zelven en

alle goede menschen.

In het derde stadium is de genade-instorting gelijk aan de levende ader

in de fontein. De mensch ondervindt het "gherinen" d.i. het beroeren

Gods. De door de genade verlichte rede tracht nu dat beroeren Gods in

het innigste zijns geestes te beschouwen, doch bespeurt alras dat zij te

kort schiet; zij "faelgiert in 't voirtgaen". Echter wil de minnende

kracht niet rusten. Van nu af begint een eeuwig verlangen: de ziel

ontbrandt in steeds gloeiender begeerte, maar is nog niet rijp voor de

zaligheid; "het geschapen vat en can geen onghescapen goet ghevaten"

[Zijnoot: bevatten.] [42].

In het Innige Leven zijn de _knechten_ van het Werkende Leven tot

_zonen_ Gods geworden, doch den eindpaal hebben ook zij niet bereikt.

In den staat van "blootheit" kan Gods geest onmiddellijk op hen werken.

Nu eerst kan de mensch geheel opgaan in God, zooals de rivier die zonder

ophouden en wederkeeren altijd uitstroomt in de zee. In het Schouwende

Leven wordt de mensch geheel lijdelijk; hij rust en gevoelt slechts wat

hem door God wordt aangedaan. Het leven wordt een leven Gods in den

mensch. Op den duur gevoelt de mensch echter dat hij niet louter

lijdelijk kan blijven. Hij wil werken; "minne en mach niet ledich sijn".

Ook het leven der Godheid is tweeledig: naar binnen eeuwig rustend, naar

buiten eeuwig werkend. Zoo keert dan de mensch weer terug tot de

practijk des levens. Vol van de zaligheid der Beschouwing, moet hij

tevens de deugden van het Innige en het Werkende Leven betrachten. Door

aldus, in God rustend, onder de menschen te werken, wordt het leven van

den vrome een goddelijk leven dat toch menschelijk blijft. Zoolang de

mensch op deze aarde vertoeft, zal zijn leven steeds een "crighen in

ontbliven" (streven zonder volledig verkrijgen) zijn. Zal de schouwer

door zijn terugkeer in de wereld niet veel van zijne innigheid moeten

verliezen? Daarvoor behoeft geen vrees te bestaan. De ziel kan wel

alleen zijn, ook al vertoeft zij in de buitenwereld. Het komt er slechts

op aan, God steeds voor oogen te houden. Door voortdurende oefening moet

de inkeer van den schouwenden mensch een onbewuste daad worden, evenals

b.v. het vormen van letters voor iemand die schrijft.

RUYSBROECK zelf had het in die kunst ver gebracht. Zijn

levensbeschrijver deelt ons mede, dat het hem, volgens zijn eigen

getuigenis, minder moeite kostte, door contemplatie zijn ziel tot God

omhoog te heffen, dan zijn hand aan zijn hoofd te brengen[43].

De schouwer moet dus blijven werken; ja, zelfs de zaligheid der extaze

moet hij opgeven, indien hij een medemensen kan helpen: "want ware die

mensche in also groter jubilaciën of contemplaciën als Sinte Peter of

Sinte Pauwels ye ghewaren, ende wiste hi enen sieken mensche die

noetorftich [Zijnoot: behoeftig.] ware eens supens [Zijnoot: soep.] oft

anders yet, het waer veel beter dat hi liete sine oefeninghe van

jubilaciën ende van contemplaciën, ende diende dien noetorftighen

mensche in meerre [Zijnoot: vermeerdering.] van minnen."

Wij konden hier slechts beproeven een beeld van RUYSBROECK'S mystiek te

geven in eenige groote lijnen en binnen die omtrekken eenige voorname

punten aanwijzen. Veel van het minder gewichtige moesten wij achterwege

laten. Zoo b.v. de vraag naar de consequentie van RUYSBROECK'S stelsel.

Naar het schijnt, is het niet moeilijk den auteur van zoovele en

omvangrijke geschriften op meer dan eene plaats in tegenspraak te

brengen met zich zelf. Wij willen het wel gelooven, doch achten het bij

de beschouwing van een mystiek auteur van gering belang.

Van meer gewicht is de vraag, in hoever RUYSBROECK'S werk oorspronkelijk

mag heeten. Het slot onzer uiteenzetting van zijn stelsel zal sommige

lezers reeds getroffen hebben als volkomen overeenstemmend met eene

vroeger medegedeelde uiting van ECKHART. En dat is niet het eenige punt

van overeenkomst tusschen deze twee meesters. In de grondbeginselen

zijner speculatieve mystiek toont RUYSBROECK nauwe verwantschap met

ECKHART, met name in de onderlinge verhouding van God, den Zoon en den

H. Geest. Beiden stellen visioenen niet hoog. De terminologie van

ECKHART vindt men voor een deel bij RUYSBROECK terug[44].

Het is zeer wel mogelijk dat de jonge kanunnik van Sinte Goedele de

lessen van den Duitschen meester te Keulen heeft gevolgd; en in allen

gevalle wel waarschijnlijk, dat diens geschriften invloed hebben gehad

op zijne theologische vorming.

Anderzijds heeft, gelijk wij reeds zagen, RUYSBROECK'S persoonlijkheid

invloed geoefend op die van TAULER.

In een zijner oudere preeken zegt TAULER van de broeders en zusters van

den vrijen geest, die volslagen werkeloos willen blijven om God

ongestoord te laten inwerken op hunne zielen, dat zij niets doen "recht

wie ein Werkzeug ledig ist und auf seinen Meister wartet wenn er

arbeiten will." In een van RUYSBROECK'S werken wordt van zulke menschen

gezegd: "rechte alse dat ghetouwe, dat selve ledich es ende sijns

meesters beidet, wanneer hi werken wilt"[45]. De overeenkomst is te

treffend om aan toeval te mogen worden toegeschreven; met het oog op

eene vroeger medegedeelde uiting van een tijdgenoot, zou men geneigd

zijn aan te nemen dat TAULER hier RUYSBROECK heeft nagevolgd; doch ook

het omgekeerde is mogelijk.

Men moet bij dergelijke vraagstukken bovendien steeds rekening houden

met de mogelijkheid eener gemeenschappelijke bron. Ook hier blijkt de

noodzakelijkheid daarvan. Het beeld van Gods natuur dat der menschelijke

ziel ingedrukt is, noemt ECKHART den _Funken der Seele_ en RUYSBROECK

gebruikt, zij het ook in eenigszins andere beteekenis, de uitdrukking

_vonke der siele_. Doch ook BONAVENTURA bedient zich in dien zin gaarne

van het woord _scintilla_. De indeeling der zielekrachten bij RUYSBROECK

gelijkt op die bij ECKHART; doch beiden kunnen die hebben ontleend aan

AUGUSTINUS. De indeeling der zielekrachten in hoogere en lagere komt bij

TAULER zoowel als bij RUYSBROECK voor; TAULER legt den nadruk vooral op

de _begeerte_ en den _toorn_, die eveneens bij RUYSBROECK genoemd

worden. Maar ook THOMAS AQUINAS geeft deze indeeling.

Zeker heeft RUYSBROECK de geschriften der kerkvaders wel gekend en er

zijn voordeel mede gedaan. De werken van S. BERNARD worden meer dan eens

door hem aangehaald en hun invloed vertoont zich o.a. waar RUYSBROECK

het Werkende Leven uiteenzet. Naar de verschillende trappen van

godsdienstige ontwikkeling had S. BERNARD de menschen verdeeld in

_mercenarii_, _servi_ en _filii Dei_; RUYSBROECK spreekt evenzoo van

_huurlingen_, _getrouwe knechten_ en _zonen Gods_; echter heeft hij

tusschen de tweede en de derde soort die der _vrienden Gods_ gevoegd.

Voor zijn geschrift _Van den Tabernacule_ heeft RUYSBROECK gebruik

gemaakt van de werken der Fransche mystieken HUGO en RICHARD van St.

Victor[46].

Heeft RUYSBROECK, onder den invloed van andere mystieken doch vooral van

ECKHART, nooit de geloofsgrenzen overschreden, welke de Roomsche Kerk

geëerbiedigd wilde zien? De beteekenis van dien mogelijken invloed is

moeilijk te bepalen; doch het schijnt wel dat de vrome prior, in

oogenblikken van contemplatie, soms meer heeft gezegd dan hij voor de

Inquisitie zou kunnen verantwoorden. De vurige drang van zijn gemoed

doet hem meer dan eens den afstand tusschen God en den mensch vergeten;

maar telkens doet de rede hem dan later die kloof duidelijk zien en

brengt zij hem tot de besliste verklaring, dat de creatuur niet God kan

worden en dat men de eenheid tusschen God en den mensch, waarvan hij

spreekt, verstaan moet slechts "in minnen", niet "in naturen".

Na al hetgeen wij vroeger hebben opgemerkt over de kiem van ketterij

welke alle mystiek in zich omdraagt, is er overigens niets

verwonderlijks in, dat wij die kiem ook in RUYSBROECK'S werk aantreffen.

Reeds na zijn eerste werk immers, hadden broeder GHERAERT en zijne

mede-kloosterlingen aanstoot genomen aan sommige uitingen daarin; om

dien aanstoot verder te voorkomen, schreef RUYSBROECK toen _dat Boec der

hoechster Waerheit_. Misschien is dat niet overbodig geweest, want in

menig later werk heeft hij de slechte priesters en monniken, en zelfs de

"princen der heilegher Kerken" niet gespaard[47]. Persoonlijke wrok had

zich licht kunnen verbinden met geloofsijver om den geestverwant van

ECKHART voor de rechtbank der Inquisiteurs te brengen. Zeker zal het ook

in zijn voordeel zijn geweest, dat hij in zijne werken de Broeders van

den vrijen geest zoo fel bestrijdt en "hare quade secte ende beestelike

costume"[48]. Tot die secte behoorde waarschijnlijk HEYLWIG, de dochter

van den Brusselschen patriciër BLOEMAERTS, wier verdorven geloof door

RUYSBROECK openlijk bestreden is.

De vraag naar RUYSBROECK'S orthodoxie moge belangrijk zijn geweest voor

zijne tijdgenooten, voor de meesten onzer is zij van ondergeschikt

belang. Gewichtiger is voor ons de vraag: hoe heeft hij zijn stelsel van

mystiek uitgewerkt? Het is vooral in de uiteenzetting zijner practische

mystiek, dat hij zich vertoont als den grootsten prozaschrijver dien wij

in de middeleeuwen bezeten hebben. Zijne eigen indeeling van Werkend,

Innig en Schouwend Leven zooveel mogelijk in het oog houdend, zullen wij

trachten eenig denkbeeld te geven van de wijze waarop hij zijne taak

heeft volbracht.

In zijne beschouwing van het Werkend Leven treft ons de hoogheid van

gevoel waarmede hij spreekt over de "veelike" krachten en lusten in den

mensch; de geringschatting van zulke dingen als spijs en drank, welke de

mensch wel moet nuttigen--maar zooals de zieke een geneesmiddel. De

onafhankelijkheid van geest waarmede hij spreekt over de waarde van de

wetenschap in vergelijking met het leven; het moet ons, zegt RUYSBROECK,

meer te doen zijn "om leven dan om weten, want die vele weet ende niet

en leeft, hi verliest den tijt." Zijne menschenkennis, zijn talent van

karakterizeeren en uitbeelding van het gemoedsleven. Hoe scherp is de

blik van dezen man, die zich toch zoo gaarne aan de wereld en het gewone

menschenleven onttrok, voor de geveinsdheid dergenen die afkeerig zijn

van onthouding en nu zeggen, dat zij "cranc ende teder ende edel van

complexiën sijn, ende daerom behoeven si vele gheriefs ende vele

ghemacs." Hoe goed heeft hij de menschen geschetst die lijden aan

zelfverheffing, eigenzinnigheid, die dadelijk kregel worden indien men

hun iets in den weg legt: "Si en sijn niemene ghevolchsam van gronde,

maer si begheren dat alle menschen haren goetdunkene ghevolchsam sijn;

want si sijn krighelijc ende eenwillich; altoes dunct hem dat si recht

hebben jeghen yeghewelken die hem contrarie es. Si werden lichte

gherenen [Zijnoot: lichtgeraakt.], ghestoert, toernich, haestich,

scalc, slaghelijc ende onweerdich in woerden, in werken, in ghelate"

[Zijnoot: gedrag, houding.].

Gevoelig en fraai is dit schetsje der gemengde aandoeningen die PETRUS

vervulden, nadat hij zijn Meester had verloochend: "In sinen elendighen

doghene keerde hi hem omme ende sach Petren ane met groter ghenadicheit

ende Peter hem weder met groter bitterheit van herten. Ende inden

onderlinghen siene vernuwede die liefde tusschen hem beiden mere dan si

te voren was, want gracie ende liefde, inwendich rouwe, groet betruwen

[Zijnoot: vertrouwen.], scande ende sceemte [Zijnoot: schaamte.] dese

dingen vervulden sine herte ende alle sine binnenste; ende sine siele

smalt als die snee voir die sonne ende als was voir een berrende vier.

Ende met sijnre sielen vloyden tranen bitter ende suete, bitter omme

sine sonden, soete ende vol bliscapen omme die trouwe die hi in Christo

ghevoelde: ende aldus was hi vol droefheden ende vol bliscapen. Hoe dat

sijn mach, dat en weet niemen dan dies ghevoelt heeft."[49].

Het uitgaan met overvloedige liefde ook tot de zondaren en verkeerde

menschen, waarvan in het Innig Leven sprake is geweest, zien wij in

RUYSBROECK'S hartelijk medelijden met de menschen die hun eigen geluk

niet zien: "Daer af comt in den mensche een geestelike compassie, dat hi

proeft ende merct die scade der menschen dat si soe elendich sijn ende

soe grote rijcheit ende ere ende weldicheit besitten mochten ofte si

wouden ende sire hem toe voechden ende Gode soe eerlic ende soe minlic

dienen mochten ende dit al gader verloren blijft. Dit maect alsoe groten

wee, dat nieman vremders [Zijnoot: geen vreemde.] bekennen en mach."

Maar zelf genoot hij volop van de weelde God te mogen dienen. Wel is hij

zich bewust zijn Schepper nimmer genoeg te kunnen eeren, doch dat

onvermogen, een bewijs van Gods grootheid, is hem eene reden tot nieuw

genot: "dat is herde lustelic, dat onse Here ende onse God soe groot is,

dat wi hem nemmermeer ghenoech reverenciën ende waerdicheden en sellen

moghen doen." Hooger rijst zijn vlucht, waar hij den geestelijken

liefdebrand, den hartstocht der minnende ziel onder woorden tracht te

brengen; zoo b.v. in eene passage als deze: "dit verberren es ene

volmaectheit in alre dogede, want et es een gebreken [Zijnoot: te kort

schieten.] des geestes in minnen, daer hi hem lidende houdet, ende wert

verberret ende verteert in den onbegripeleken ommevange der eenheit

Gods, die met ewegen hongere ende met ghelosteger niedecheit [Zijnoot:

gretigheid.] al dat mint begaept ende verslint ende verteert in haers

selves eenheit." Welk een kracht van gevoel en wat een durf in dat

"begapen en verslinden", terwijl van God sprake is.

RUYSBROECK zal, wanneer "al der sielen crachte in storme ende in woede"

verkeerden, wel zelden of nooit zijn vervallen tot het loopen, springen

en handgeklap, waarin andere mystieken hunne verrukking lucht gaven; eer

zal hij hebben behoord tot hen die "zwighen ende smelten van weelden in

allen sinnen." Maar ook voor hem zal op zulke verrukkingen dikwijls de

neerslachtigheid en het gevoel van geestelijke ellende zijn gevolgd, dat

hij zoo goed moet hebben gekend om er anderen op zoo teedere wijze in te

kunnen troosten: "Voirtmeere, eest dat gi traecheit, zwaerheit ende

droefheit ghevoelt inder naturen, ende dat ghi sijt sonder smake ende

lost, ende sonder drift te gheesteliken dinghen, arm, ellendich,

begheven [Zijnoot: eenzaam.] ende ghelaten in allen troeste van Gode, in

verdriete, sonder smake ende lust tot enigher oefeninghen van buten ofte

van binnen, ende alsoe zwaer ofte ghi doer die erde sinken sout: en

ontsiet u niet, maer gheeft u over in die handen Gods ende begheert dat

sijn wille ende sijn eere ghescie. Die donkere bedroefde wolkene die sal

sciere overliden, ende dat licht der claer sonnen ons Heren Jhesu

Christi sal u bescinen in meere troest ende gracien dan ghi noyt te

voren ghevoelet [Zijnoot: ghevoeldet.]."

Hij heeft wel geweten hoe zulk een van God verlaten mensch verlangt,

ontbonden te worden van den kerker zijns lichaams, hoe de balling het

"vaderland daarboven zoekt" (VONDEL): Soe slaet hi sijn inwendighe oghen

op ende scouwet die hemelsche sale vol glorien ende vrouden ende sijn

lief ghecroent daer binnen, uytvloyende in sine heilighen in riker

weelden ende [Zijnoot: en dat.] hi des derven moet. Hier comen bi wilen

in selke menscen uutwendighe tranen ende groet verlanghen. Soe siet hi

neder ende merket dit ellende daer hi in ghekerkert es ende dies hi niet

ontgaen en mach: soe vloyen tranen van droefheden ende van jammere"[50].

Toen RUYSBROECK zelf door kracht van geestelijke oefening en

bespiegeling erin geslaagd was, zijne ziel te ontledigen van het lagere,

haar te maken tot "een levende spieghel" waar het goddelijk licht in

scheen, toen kon hij, van het Schouwende Leven getuigend, schrijven:

"Ende hier omme heeft ons God ghegheven een leven boven ons ende dat is

een godlic leven. Dat en is anders niet dan scouwen ende staren ende in

bloter minnen cleven ane Gode, smaken ende ghebruken [Zijnoot:

genieten.] ende versmelten in minnen ende altoes vernuwen in dat selve.

Want daer wi verhaven sijn boven redene ende boven al onse werke, in

bloet ghesichte, daer werden wi ghewracht vanden gheeste ons Heren; ende

daer ghedoghen wi dat inwerken Gods ende werden verclaert in godliker

claerheit, ghelikerwijs dat die locht verclaert wert met den lichte der

sonnen ende alse dat yser doergaen wert met crachte ende met hitten des

viers, alsoe werden wi ghetransformeert ende doerdraghen [Zijnoot:

doortrokken.] van clairheiden in claerheiden, in dat selve beelde der

heyligher Drivoldicheit."

Maar altijd bleef het een "crighen in ontbliven"; want de hoogste

klaarheid die de mensch hier op aarde bereiken kon, hoe ver bleef zij

toch steeds van de klaarheid der heiligen! "Want die scaduwe Gods

verlicht onse inwendighe woestine; mer op die hoghe berghe inden lande

der gheloeften daer en is gheen scaduwe: nochtan eest al één sonne ende

éne clairheit die onse woestine verlicht ende oec die hoghe berghe; mer

die staet der heilighen is doerschinich ende glorioes ende hierom

ontfaen si die claerheit onghemiddelt; mer onse staet is noch sterfelic

ende grof ende dit is dat middel daer die scaduwe ave comt die onse

verstandicheit alsoe bescaduwet, dat wi Gode noch hemelsche dinghen niet

bekennen en moghen also clairlic als die heylighen doen"[51].

In meer dan een der hier aangehaalde stukken zal de lezer reeds zelf de

zachte welluidendheid of de kracht, de hooge vlucht en den breeden zwaai

van RUYSBROECK'S proza bewonderend hebben opgemerkt. Toch schijnt het

mij wenschelijk een blik te slaan ook op eenige deelen en op het

samenstel van zijn werk om daardoor den kunstenaar in zijne wijze van

werken iets beter te leeren kennen.

Een gewone karaktertrek van het middeleeuwsch proza, het veelvuldig

zinsverband met "ende", zooals men het nog kan opmerken bij elk kind dat

iets vertelt, vertoont zich ook in dit proza. Niet zelden ook bedient

RUYSBROECK zich van de, hiermede verwante, eenvoudige opsomming; zoo

b.v. in: "Want willen wi verduldich sijn ghewaerlic, soe en sal ons

gheen dinc moghen ontsaten [Zijnoot: onrustig maken.], noch verlies van

den ertschen goede, noch van vrienden, noch van maghen, noch van siecte,

noch scande, noch doot, noch leven, noch vaghevier, noch duvel, noch

helle[52]." Soms geeft hij regelmaat aan zijn proza door een deductieven

schrijftrant, als in: "aldaer verliesen wi ons selven in die woeste

idelheit [Zijnoot: leegte.], ende al verliesende ons selven vinden wi

die salecheit, ende al vindende verkiesen wi, ende al verkiesende werden

wi vercoren" enz.[53]. Elders zien wij hem parallellisme en

tegenstelling aanwenden om meer kracht en scherpte te bereiken: "Hi

arbeit sere in minnen, want hi siet sine raste. Hi is pelgrim ende hi

siet sijn lanscap. Hi stridet in minnen om victorie, want hi siet sine

crone." Sprekend van het afkoopen der zonden voor geld zegt RUYSBROECK:

"Ende aldus heeft ieghewelc dat hi begheert: de duvel de siele, de

bisscop dat ghelt, de dore [Zijnoot: dwaze]" mensche sine corte

ghenoechte." Tegenstelling vinden wij b.v. in: "Hi heeft hem ghenedert

ende ons ghehoecht, hem ghearmt ende ons gherijct, hi heeft hem versmaet

ende ons gheëert. Maer al heeft hi hem ghenedert, hi en heeft hem niet

ontedelt[54]."

Zoo leerde RUYSBROECK, waar sterke aandoening hem dreef tot schrijven,

die aandoening beheerschen en haar verklanken tot breedgolvende zinnen

als deze over JEZUS' dood: "doen verdonkerde die locht, want die

roedekene worden te broken [Zijnoot: verbroken.], die edele speciboem

wart ontwe [Zijnoot: doormidden.] ghescoert, die overste crachten sijnre

zielen worden ghesceden van den nedersten, sine sinne verghinghen, sine

ziele sciet van den live, die doet bevinc dat leven, dat leven verwan

die doet, die Apostelen hadden hare licht verloren, die oude wet

[Zijnoot: geloof (der Joden).] verloes oec hare licht, die sonne liet

hare scinen ende die locht was vol nevels der onbekinnessen [Zijnoot:

onverstand.]--maer onse dach ginc op daer wi eweleke inne ghesien[55]."

Welk een indruk maakt hier, na die opsomming der verschijnselen van

duisternis en vernietiging, dat juichende slot.

Onder de eigenaardigheden van RUYSBROECK'S stijl moet ook het rijmend

proza genoemd worden.

Het beginrijm of de alliteratie schijnt in zijn werk niet vaker voor te

komen dan de aard onzer taal met zich brengt; doch het eindrijm is zoo

veelvuldig, dat wij hier wel aan opzet moeten denken. Het eindrijm

vertoont zich zoowel aan het slot van opeenvolgende zinnen als van

opeenvolgende woorden, zoowel in: "ende soe hi hem selven naerre

_bekint_, so hi hem in der waerheit meer te versmadene _vint_," als in:

"kinneloos ende minneloos," "verstout ende verout". Op menige plaats

(vooral in _Spieghel der Salicheit_ en _Rike der Ghelieven_) vinden wij

rijmende verzen tusschen het proza in, doch hunne aanwezigheid kan

bezwaarlijk verklaard worden uit eene verheffing van stemming, uit meer

innigheid of gloed. Soms zelfs wordt de neiging tot rijmen RUYSBROECK

tot last; aan het slot van een berijmd gedeelte van zijn werk immers

zegt hij:

Nu moet ic rimen laten bliven

Sal ic scouwen clare bescriven[56].

In dit aanwenden van parallellisme, tegenstelling en rijmklanken zal

RUYSBROECK waarschijnlijk ten deele het voorbeeld hebben gevolgd, hem

gegeven door de kerkvaders, wier werken hij kende. Immers in het proza

b.v. van S. BERNARD, van BONAVENTURA, van de beide VICTORS vinden wij

die eigenaardigheden evenzeer; waarschijnlijk ook wel in dat der oudere

kerkvaders, die hun stijl hadden gevormd onder den invloed der klassieke

schrijvers[57].

Zijn RUYSBROECK'S verzen ook meerendeels zwak, in zijn proza toont hij

zich een waarachtig dichter. Zijn levendig en fijn gevoel, zijn vlugge

en sterke verbeelding, zijn gave van waarneming en voorstelling, de

schoonheid zijner taal geven hem alleszins recht op dien eerenaam. Het

is niet vreemd, dat hij, die in het lagere slechts een verschijningsvorm

van het hoogere ziet, gedurig van het lagere tot het hoogere opklimt, of

dat lagere verheft door eene gelijkenis.

Een enkele maal doet hij daartoe een greep in den R.-K. eeredienst,

liefst ontleent hij zijne voorbeelden aan de natuur of aan het

dagelijksch leven. De tabernakel, die in middeleeuwsche kerken op het

altaar placht te staan en diende ter bewaring van de hostie, gaf

RUYSBROECK aanleiding tot eene breed uitgewerkte symbolische

voorstelling. Met een onuitputtelijk geduld en een liefdevolle

uitvoerigheid, die aan de miniatuurschilders herinneren, met eene hooge

mate ook van subtiel vernuft, heeft hij alle deelen en onderdeelen, alle

onderdeeltjes en deelen van onderdeeltjes van het sacramentshuis

geestelijk verklaard: de tabernakel moet staan "in een kerckhof", "dat

es een sedelec leven van buten met al dien dat daer toe behoort"; om dat

kerkhof moeten staan zestig kolommen: "bi den colummen verstaet men

starke begerte tot allen den gheboden Gods ende tot allen den seden ende

der oefeninghen diere [Zijnoot: welke.] men pleghet in der heileger

kercken". Deze kolommen moeten bedekt worden met zilveren platen, "dat

es met goeden levene ende met eersamer wandelingen" enz. enz. Het

behoeft geen betoog, dat deze voortgezette symboliek op den duur voor

een hedendaagsch lezer vermoeiend eentonig en daardoor vervelend wordt;

doch voor RUYSBROECK'S tijdgenooten zal de beschrijving en verklaring

van een zoo kostelijk sacramentshuis zeker onderhoudend en aantrekkelijk

zijn geweest.

Kostelijke tabernakels zooals de hier beschrevene gaf de werkelijkheid

tenauwernood, gaf het eenvoudig klooster te Groenendale zeker niet te

zien; doch een stap buiten de muren bracht den prior in den kloosterhof,

waar hij zoo menigmaal aan het wieden was, al trok hij in verstrooidheid

de heilzame kruiden wel eens mede uit, en rondom het klooster lag Gods

vrije natuur in rijke verscheidenheid en stille pracht. In den boogaard

en op de mossige glooiingen, onder de wuivende kruinen van het

Soniën-bosch, zal wel menigmaal een bloem, een plant of een dier

RUYSBROECK'S verbeelding gaande hebben gemaakt. Zoo heeft hem de

zonnebloem getroffen in haar volgen van de zon: "Alse die sonne opgeet

in oriënten, soe ontpluct hare [Zijnoot: ontsluit zich.] de goutbloeme

jegen die raeien [Zijnoot: stralen.] der sonnen, ende keret hare altoes

omme al neighende jegen de hitte der sonnen, tote in occidenten. Ende in

der nacht luuct si hare toe, ende verberget hare varuwe ende ontbeidet

weder der sonnen opganc. Alsoe gelikerwijs sele wi, overmids

ghehoersamheit, onse herte ontpluken jegen dat inscinen der gracien

Goeds, ende oetmoedichlike al nigende sele wi der gracien Goeds volgen,

alsoe lange als wi die hitte der minnen ghevoelen. Ende alse dat

inscinen der gracien sijn nuwe beroeren ophoudet ende wi hitte van

minnen lettel ochte niet gevoelen: dat es die nacht, dat wi onse herte

selen toe luken jegen al dat ons becoeren [Zijnoot: in verzoeking

leiden.] mach; ende alsoe sele wi die goutvarwe der minnen in ons

beluken ende ontbeiden enen nuwen opganc der sonnen, met nuwen lichte in

nuwen beroerne[58]."

Elders vergelijkt hij CHRISTUS' deugden bij de leliën van dale; de

natuur die den geest volgt, is vrij, gelijk de vogel in het woud en

dartelt in de minne als de visch in het water. God is "uutstortende ende

vloeyende ghelijc der wilder see, met onbegripeliker weelden in alle die

ghene die sijns ontfanclijc sijn ende weder ebbende is ende intreckende

in die wilde see sijner enicheit." Als een heete bron "alsoe

ghelikerwijs werct dat inwendighe vier des heylichs Gheests. Het drivet,

ende stoket ende jaghet dat herte ende alle die crachte der sielen tot

den walle [Zijnoot: koken.] dat is Gode te dankene ende te lovene." Een

mensch die zich "wel regeeren" wil, moet doen als de wijze bij: "si

woent in der enicheit, met vergaderinghen haerre gheselscap, en vaert

ute, niet in storme, mer in stillen ghesaten wedere, in schinen der

sonnen, op alle die bloemen daer men soeticheit in vinden mach. Si en

rust niet op ghene blome noch op ghene scoenheit ofte soeticheit; mer si

trect daer ute honich en was, dat is soeticheit en materie der

claerheit, en voeret in die vergaderde enicheit, op dat sy vruchtbaer

werde tot groter nutticheit." Zoo moet ook de wijze mensch doen en "niet

rusten op ghene bloemen der gaven, maer al gheladen met danke en met

love weder vlieghen in die enicheit, daer si met Gode rusten en wonen

wilt"[59].

Menigmaal ook vindt RUYSBROECK stof voor zijne gelijkenissen in eigen

omgeving en het dagelijksch leven.

De oefening in deugd vergelijkt hij bij een penning van fijn goud; doch

ieder moge onderzoeken of zijn goud van goed allooi is en het volle

gewicht heeft en aan weerszijden wel gemunt. In ons deugdzaam leven

moeten wij allerhande sier van deugden weven, zooals vogelen en bloemen

en gulden sterren geweven staan in de gordijnen van den tabernakel. De

reinheid des harten "ghelijct men der lampten bernender oliën, die hare

vlamme gheeft opwert te hemele: alsoe doet die suvere herte die beneden

besloten is yeghen die werelt ende boven open die gracie Gods

t'ontfane."

CHRISTUS' beeld moeten wij drukken in ons hart en onze zinnen, in ons

lichaam en onze ziel, zooals men een zegel drukt en vormt in het was. De

gratie Gods in de ziele is gelijk eene kaars in een lantaarn of glazen

vat, want zij verlicht en verklaart en doorschijnt het vat, nl. den

goeden mensch. Als God zich van ons afwendt, dan doet hij met ons:

"recht alsof een mure stonde ghemaect tusschen hem ende ons."

Welk eene kracht ontwikkelt RUYSBROECK'S beeldende zinnelijkheid, waar

hij zijn hoorders voor oogen wil brengen, hoe groot Gods genadevolle

vergevensgezindheid is: "al waer alle die werelt een gloet van viere

ende dat midden in dat vier een vese [Zijnoot: vezel.] van een linen

cleet laghe, soe en ware die vese niet alsoe bereet te aensteken, als

God bereet is den sondaer sijn sonden te vergheven, als hem sijn sonden

ghewaerachtich leet sijn[60]."

Het valt bezwaarlijk te ontkennen, dat deze prozadichter, waar hij zijne

gelijkenissen aan het dagelijksch leven ontleent, voor ons gevoel soms

de grenzen der kieschheid te buiten gaat, doch men moet daarbij in het

oog houden dat tusschen het hoogere en het lagere, vooral tusschen het

hemelsche en het aardsche, in de middeleeuwen niet zulk een afstand lag

als thans. RUYSBROECK vergelijkt iemand die waant één te zijn met

CHRISTUS bij een slapenden hond "dien droomt dat hi heeft een stucke

vleeschs in sinen mont" en "alse hy ontwaket, soe en heeft hi niet." Die

vergelijking zou men desnoods ook met ons gevoel van kieschheid in

overeenstemming kunnen brengen door te wijzen op het minderwaardige van

hem die slechts _waant_ met CHRISTUS één te zijn. Doch tenauwernood zal

nog één hedendaagsch lezer behagen scheppen in die talrijke andere

beelden en gelijkenissen die ons naar de keuken en den refter (eetzaal)

verplaatsen. De tekst: "dit is mijn vleesch en mijn bloed" en de hostie

als symbool van CHRISTUS gaven, trouwens niet aan RUYSBROECK alleen,

gereede aanleiding tot het vormen van beelden en gelijkenissen. Zoo zegt

JEZUS tot den mensen:

Myn vleysch is wel gebraden

Aent cruce om uwe ghenaden.

"De edele tarwebloem, d.i. JEZUS, is ons gegeven door MARIA; God heeft

de olie zijner barmhartigheid in MARIA uitgestort; de Heilige Geest

heeft dat tarwemeel en die olie samengekneed en voor ons gemaakt en

gebakken het zoetste brood dat ooit bestond, spijze der engelen en der

menschen. Dit brood is gebakken in den oven, dat is in het lichaam der

zuivere maagd MARIA, die wel doorheet was met het vuur der caritate." De

zachtmoedige lijdzaamheid van CHRISTUS vergelijkt RUYSBROECK bij "den

cleinen oesteren die in sculpen ligghen also cleine als eens menschen

naghel". CHRISTUS wil ons geheel in zich opnemen, zijn honger is onmatig

groot, "want hi is een ghierich slockaert [Zijnoot: begeerige

schrokker.] ende heeft den mengherael" [Zijnoot: geeuwhonger.]

Konden wij slechts zien, welk een gretige begeerte CHRISTUS heeft naar

onze zaligheid, "wi en mochten ons niet onthouden [Zijnoot: weerhouden.],

wi en souden hem in die kele vlieghen." Hier schijnt de auteur zelf

beseft te hebben dat hij de grens der kieschheid ook voor dien tijd had

overschreden, want hij verontschuldigt zich eenigszins door te zeggen:

"al luden mine worde wonderlike, die mynnende die verstaen my wel"[61].

Gelijkenissen als deze zijn in verhouding tot alle overige niet talrijk;

zoo is ook de toon van RUYSBROECK over het algemeen zacht en waardig,

doch een enkele maal klinken er forscher klanken: "arme rasende

mensche", "verscoven [Zijnoot: verstooten.] ende verblinde mensce",

"onwaerdich boeve", "onverstandich esel"[62].

Wij zouden noch het een noch het ander willen missen, want wij krijgen

daardoor RUYSBROECK'S beeld vollediger te zien. En ook, doordat hij zich

van tijd tot tijd laat gaan, toont deze Nederlander die zich zoo gaarne

uit de wereld in het innerlijk zieleleven terugtrok, toch niet misdeeld

te zijn van dien volkshumor dien wij in den _Reinaert_ en andere

Dietsche werken genieten.

Hoe aardig drijft hij den spot met de hoovaardij der rijke vrouwen: "si

maken ane hare hoefde bulte van hare, dat sijn des duvels neste daer si

in sculen. Maer dunct hen dat si edel sijn van gheboerte, so moeten se

hebben ane hare anschine cromme hoerne alse gheiten, daer si den duvel

mede gheliken. Ende dan gaense hen spieghelen ochte si scoen ghenoech

sijn den duvel ende der werelt te behaghene"[63]. De geveinsden en

hoovaardigen vergelijkt hij bij de blaas "die vol is van losen winde;

als men se duwet ende perst, so gheeft si enen luud die ongracelic is te

hoirne"[64]. Nonnen die zich opsieren met zilveren gordels en allerlei

rinkeltuig doen hem denken aan "ene hinne [Zijnoot: hen.] met

bellen"[65].

Uit denzelfden volksgeest die dezen lichten spot voortbracht, werd

echter ook eene vergelijking geboren als deze: "wanneer een groot coninc

oft een wijs lantshere varen wilt in pelgrimagien, in verren lande, soe

roept hi sine ghenoten [Zijnoot: pairs.] te gader, ende beveelt hem sine

lant, sijn volc, sijn kynder ende sine familie, dat si al dat regeren

ende bewaren in payse ende in vreden tote dier tijt dat hi weder comt in

sijn lant. Alsoe ghelikerwijs Christus, die ewighe wysheit Gods, coninc

der coninghen ende heer alre heren, doen hi sine pelgrimagie gedaen

hadde in dese ellendighe werelt, doen woude hi varen in sijns Vaders

lant ende ten lesten daghe weder comen ten ordele. Ende hier omme, voir

dien dach dat hi sterven woude, doe stichte hi ene grote feeste dat was

een avonteten. Ende daer toe node hi die meeste princen der werelt, dat

waren sine Apostelen...."[66].

Dat is dezelfde geest waaruit vijf eeuwen vroeger het Oud-saksisch

heldendicht _Hêliand_ was voortgekomen.

Wat ons dan ten slotte in RUYSBROECK het sterkst treft, dat is het ruime

van zijne persoonlijkheid en zijn werk. In beide is "nederlant" en

"overlant", al woont hij liefst op de tergen, waar de zonne der

gerechtigheid schijnt. Hij ziet de huurlingen en knechten, maar ook de

vrienden en zonen Gods. Zijn blik omvat de zonnebloem, den slapenden

hond die van vleesch droomt, de bij die beladen van bloem tot bloem

vliegt, maar ook een groot koning en de wilde zee en de zon in haar loop

door de ongemeten ruimten. Hij schuwt de menschen, doch blijft ze

liefhebben; zijne menschenkennis heeft zijne menschenliefde niet

uitgedoofd, al openbaart die liefde zich op eigenaardig-middeleeuwsche

wijze. Hij kent het gevoel van geestelijke ellende, maar ook het

zwijgend wegsmelten van innerlijke weelde.

RUYSBROECK is de eerste Nederlander, die in de volkstaal een ideaal

levensgeheel heeft ontworpen, dat slechts paste voor kloosterlingen,

doch dat ook voor hen, die in de wereld bleven, veel goeds, edels en

schoons bevatte. Tegenover den toenemenden drang naar verlichting des

verstands heeft hij de ontwikkeling van het zedelijk en godsdienstig

gemoedsleven gesteld; tegenover het "kennen" het "minnen", zooals reeds

kort na zijn dood door een zijner vereerders werd getuigd; tegenover het

"mate is goet t' allen spele"--het "wiselose", het bovenmatige, den

hartstocht, zij het ook slechts in het streven der ziel naar éénheid met

God. Hij heeft zijn levens-ideaal niet opgetrokken tot één grootsch

gebouw, doch het verwerkt tot een aantal grootere en kleinere

taalmonumenten, die ons niet zelden treffen door schoonheid van lijn en

fijnheid van uitvoering. Ook in dat taalwerk is "nederlant" en

"overlant": het vlakke, dat wel eens plat wordt; de liefelijk opwaarts

glooiende landen; de hooge toppen, waar de auteur zich in de nevelen

verliest: de "hoge materiën", waarvan hij beseft dat een schrijver ze

slechts kan "voirt bringhen met woorden also verre als ment woorden

mach"[67].

Dozijnen bij dozijnen handschriften zijner werken bewijzen welk een

invloed zijne mystiek moet hebben geoefend. Die invloed beperkte zich

niet tot de grenzen van het Dietsche taalgebied, noch tot des schrijvers

taalgenooten, maar strekte zich uit tot Neder- en Opper-Duitschland en

was krachtig nog in de 16de eeuw, toen zijne werken veelvuldig in de

kloosters werden gelezen en in eene Latijnsche vertaling toegankelijk

gemaakt ook voor hen, die geen Dietsch verstonden.

In RUYSBROECK heeft de Dietsche mystiek haar voornaamsten

vertegenwoordiger gevonden. Ja, HADEWYCH is hem vóór geweest. Maar, is

HADEWYCH de leeuwrik, de "hemellawerke" opwaarts wiekend op de vleugelen

van haar lied en vaak zich verliezend in het blauwe--RUYSBROECK is de

nachtegaal, immers ook een zanger van "minne", zijn smeltend lied, zijn

storm van geluid orgelend in de stilte van het Soniën-bosch.

Het werk van RUYSBROECK is een der hooge toppen in het land onzer

literatuur en dus zou het begrijpelijk zijn, indien wij daarmede dit

deel van ons werk besloten. Wij hebben echter goede reden het niet te

doen, want: meer dan RUYSBROECK is hier.

Omstreeks 1360 werd een groot deel van het Oude Testament in de

volkstaal te boek gesteld[68].

De vertaler was blijkbaar een niet-geordend geestelijke, misschien een

Vlaming, zeker een vroom man; ook een ontwikkeld man, wien de brieven

van PAULUS, eenige kerkvaders, MAERLANT'S _Spieghel_ en _Rijmbijbel_

bekend waren, en die zijne vertaling kon toelichten met behulp der

_Scolastica_ en van andere werken. Vroeger had hij reeds eene Dietsche

overzetting geleverd van het _Passionael_ (de "Legenda aurea").

Van het karakter zijner vertaling valt weinig te zeggen, zoolang wij

niet weten, welke redactie der _Biblia Vulgata_ door hem gebruikt werd.

Echter deelt de vertaler zelf in den proloog ons mede dat hij voornemens

is, het Latijn "ghetrouwelic te dietschen... die lettere houdende van

woorde te woorde ofte van zinne te zinne of van beyden onderminghet, so

dattet die liede verstaen moghen na den sede van onsen lande"[69].

Bovendien vallen er in of naar aanleiding van zijn werk andere dingen op

te merken die vermeldenswaard schijnen.

De vertaler was een man van orthodoxe vroomheid die meer dan eens

verklaart, dat hij niet van zins is iets te doen "dat jeghen Gode ofte

jeghen die heilighe kerke zi." Maar juist daarom vervulde hem het

onbetamelijk en onzedelijk gedrag van vele priesters en leeken met des

te meer droefheid. Hij ergert zich aan de leeken die, op feestdagen nog

wel, in de taveernen spelen, dansen en reien; aan de priesters die in

plaats van het volk te leeren, ook door hun voorbeeld, het volk door hun

kwaad voorbeeld verderven, die "amiën" houden en argelooze vrouwen ten

val brengen. Daarom was het hem "langhe in 't herte geweest", het

"fundament van der scrifture" te verdietschen, in de hoop dat menig

ongeleerde er zijn voordeel mede zou doen. En ook, hij acht zich niet

gerechtigd het talent dat God hem geschonken heeft ongebruikt te laten.

Zoo heeft hij dan het werk ondernomen met vreezen en beven, in het diepe

besef van de zwaarheid der taak; en hij zou haar misschien niet

voleindigd hebben, indien zijn vriend JAN TAY er niet op had

aangedrongen[70].

Onder de mystieken van dien tijd zal men dezen vertaler wel niet moeten

zoeken. Ware het zoo, dan zou dat toch uit zijn spraakgebruik moeten

blijken, en dat is niet het geval. Toch moet er wel eenige

geestverwantschap tusschen hen en hem hebben bestaan. Het Hooglied en de

Openbaring, twee Bijbelboeken, bij de mystieken in eere, worden ook door

hem hoog gesteld[71]. Tegenover de priesters toont hij dezelfde

onbeschroomde vrijmoedigheid als JAN VAN LEEUWEN en RUYSBROECK. Zijn

wantrouwen in de geestelijke leiding der priesters brengt hem tot het

verdietschen van het Oude Testament, dat hij den leeken in handen wil

geven, opdat zij daar mogen vinden wat de priesters hun onthouden[72].

Een streven naar ontwikkeling van een zelfstandig godsdienstig

gemoedsleven ziet men immers ook bij de mystieken, al mag het de vraag

heeten of RUYSBROECK den Bijbel in de handen der leeken zou hebben

gewenscht.

Wat ons in dezen vertaler ten slotte treft, is het rustig

zelfvertrouwen, waarmede hij spreekt over de ontvangst, die hem en zijn

werk wacht van de zijde der geestelijkheid. Hij beseft zeer wel, dat het

sommige "clercken" zal ergeren "dat men die heymelicheit der scrifturen

den ghemenen volc ontbynden soude"; dat zijn werk zal worden "benijd en

beknaagd door dolle honden"--maar God kent de bedoelingen, waarmede dit

werk ondernomen is, en daarom zal hij met DAVID hopen op God en niet

ontzien wat de menschen hem aandoen[73]. Hier spreekt een dergelijk

vertrouwen op God en het eigen geweten, als wij vroeger opmerkten bij

den onbekenden leek en als later in de dagen der Kerkhervorming zoo

menigmaal zal gehoord worden.

Het is wel opmerkelijk, dat van deze Bijbelvertaling, naar het schijnt,

geen enkel afschrift der 14de eeuw is overgebleven, terwijl er dozijnen

afschriften der 15de eeuw bestaan. Mag men aannemen, dat de

geestelijkheid het werk onderdrukt heeft? Zoolang daarvoor geen enkel

bewijs bestaat, natuurlijk niet. Doch in allen gevalle blijkt uit de

afschriften, dat deze Bijbelvertaling ter kennisse van anderen is

gekomen, zij het waarschijnlijk van slechts weinigen. Daarmede was een

edele kiem in de ziel van ons volk gelegd, die er zich zou ontwikkelen

met de langzaamheid die groote zaken past.

Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I · 第 69 / 113 题