AANTEEKENINGEN.

[1] _Der Ystoriën Bloeme_ in de uitgave van A.C. OUDEMANS SR. Het tweede

werk is als _Fragment van een oud berymd passionael_ uitgegeven door

WILLEMS in _Belg. Museum_, IX, 418 vlgg.

Vgl. _Der Ystoriën Bloeme_, vs. 2229-'30, 3554; _Belg. Mus._, IX, 424,

vs. 184.

[2] _Van Sinte Lutgart_ uitgeg. door BORMANS in _Dietsche Warande_,

III--IV. _Van Sinte Christina_ eveneens door BORMANS. Vgl. over de hss.

ook: _Tijdschr. v. N. T. en L._, IX, 161 vlgg. _Leven van Sint Amand_

uitgeg. door BLOMMAERT. Over de bronnen van dat werk TE WINKEL a. w. bl.

279. Over het hs. nog _Tijdschr. v. N. T. en L._, X, 158. Het _Leven van

S. Kunera_ in _Middeln. Ged._ (ed. DE PAUW), I, 247 vlgg.; het hs.

schijnt uit de 15e eeuw, de taal en de rijmen wijzen naar de 14e eeuw.

[3] Over broeder GERAERT'S werk vgl. _Willem van Afflighem's Leven van

Sinte Lutgart_ (ed. VAN VEERDEGHEM), Inl., XVII, XXXVIII-XXXIX.

[4] Vs. 1341 2.

[5] I, 5135 vlgg. Wereldlijke koningspelen (waarin vooral "questiën van

minne" behandeld werden) vindt men o.a. in den _Limborch_, XI, 67 vlgg.

en _Cassamus_, vs. 1368 vlgg. (Aant., bl. 80). Vgl. voorts II, 1331

vlgg.; 1709; 1903 vlgg.; 4809.

[6] In vs. 630 wordt gesproken van S. KERSTINE'S "lenden ende ander haer

lede", waar het Latijn _nates_ heeft.

[7] Vgl. over de vermoedelijke bron van dit werk TE WINKEL a. w. bl.

283.

[8] _Dboec van den Houte_ is uitgeg. door J. TIDEMAN. (Leiden. 1844).

Hs. H. door TIDEMAN tot grondslag gelegd voor zijne uitgave, staat

volgens een later onderzoeker W. MEIJER niet zoo dicht bij het

vermoedelijk origineel als Hs. S. (Vgl. Inl., XX--XXI; en: _Abh. der

Kön. Bayer. Akad. der Wiss._, I, Cl. XVI B. II Abth. (1881). Een

uitvoerig stuk over de Kruis-sage van J. KOOPMANS in _Taal en Letteren_,

VII, 321 vlgg. Een fragment uit de 14e eeuw met eenigszins afwijkende

lezingen uitgegeven in _Germania_, XV, 360 flgg.

[9] Uitgeg. door Dr. L. WIRTH in: _Bibl. van Mnl. Lett._ (Groningen.

WOLTERS). Afl. 49. Vgl. de critiek dezer uitgave door Dr. STOETT in

_Museum_, 1893, 104.

[10] Vgl. daarover Inl., bl. 14 vlgg.

[11] _Theophilus_ uitgeg. door BLOMMAERT, (Gent, 1858) en later door

VERDAM; _Beatrijs_ door JONCKBLOET (met _Carel en Elegast_); Over het,

eerst eenige jaren geleden ontdekte, verhaal _van Jonitas en Rosafiere_

zie: _Tijdschr. v. N.T. en L._, IX, 170 vlgg.; het geheele werk later

uitgeg. door N. DE PAUW in zijne _Mnl. Ged._, afl. 3, bl. 487 vlgg.

VERDAM heeft in zijne Theophilus-uitgave ongeveer 260 verzen van den

door BLOMMAERT gepubliceerden tekst geschrapt als geïnterpoleerd. Ik kan

mij met deze handelwijze niet vereenigen.

1o. Omdat het onbeholpene of gebrekkige van vele verzen voor mij niet

bewijst dat zij geïnterpoleerd moeten zijn.

2o. Allerlei uitweidingen, die door V. beschouwd worden als

interpolaties, vindt men ook in de door hem als echt erkende deelen.

3o. Eigenaardigheden van den bewerker, als het herhalen der slotwoorden

van een vers in den aanvang van een volgend vers, vindt men zoowel in de

verworpene als in de voor echt erkende deelen.

4o. Legt men den door V. gebruikten maatstaf aan andere deelen van het

gedicht, door hem voor echt gehouden, dan moet er nog veel meer

geschrapt worden.

[12] Ed. VERDAM, vs. 74-6, 95-116, 319-340.

[13] Uitgave van H. SUCHIER, (Paderborn 1899), 6, 24 vlgg.

[14] Ook ROSAFIERE blijft gedurende haar zondig leven tot MARIA bidden.

[15] Vgl. CREIZENACH, _Gesch. des neuern Dramas_, I, 147. Ook in de

geschiedenis der "verduldige Helena van Constantinopel".

[16] Vgl. PETIT DE JULEVILLE a.w. I, 260 en LEGRAND D'AUSSY, IV, 121.

[17] In Boek VI eene geschiedenis van eene koningin die naar SINT JACOB

wordt gebracht en vlucht naar Venetië.

[18] De twee laatste gedrukt achter de uitgaven der gelijknamige

dichtwerken door TIDEMAN en VERDAM. Het proza-verhaal van S. KUNERA in

KIST'S _Kerkhist. Archief_, II, 1-48; door STALLAERT vergeleken met het

rijmwerk in _D. Warande_, 1891, 28-36.

[19] Uitgeg. in BLOMMAERT'S _Oudvlaemsche Ged._, II, 31 vlgg. Zie ook:

_de Handschriften van Jan van Ruusbroec's Werken_ door W. DE VREESE, I,

145. Voorts: _Visio Tnugdali...._ A. WAGNER, Erlangen, 1882. MUSSAFIA

zegt van de Nederl. bewerking o.a.: "con una certa inclinazione a

dilavare alquanto il dettato" (_Sitzungsber. der Wiener Akad.

phil.-hist._, Cl. Bd. 67, 157-206). Met het oog op de verklaring van den

Nederl. bewerker komt mij dat niet waarschijnlijk voor.

Eene uitvoerige en goede karakteristiek van _Tondalus Visioen_, uit een

algemeen oogpunt beschouwd, gaf J. KOOPMANS in het _Tweem. Tijdschrift_

van 1901.

[20] _Rumbeeksche Avondstonden_, p. 16 vlgg. Het eene mirakel is

gedagteekend: 28 Sept. 1399.

[21] DE VOOYS, _Mnl. Legenden_, p. 15.

[22] Vgl. _Proza-bewerkingen van het Leven van Alexander den Groote...._

door S.S. HOOGSTRA. ('s-Grav. M. NIJHOFF. 1898). Een enkel aardig trekje

in de eene bewerking vermeld op p. LVII.

[23] Uitgeg. door Dr. M. DE VRIES in _Versl. en Meded. der Vereen. voor

oude Ned. Lett._, II, 5-32. Vgl. voorts TE WINKEL a.w., bl. 569-572.

Over het Latijnsche origineel PENON'S aanwijzing in _Feestbundel aan M.

de Vries opgedragen_, p. 103. Over "PAEP JAN" vgl. _Zeitschr. f.d.

Alt._, N.F. XXI.

[24] Vgl. _Stemmen uit den Voortijd...._ door F.H.G. VAN ITERSON, p. 140

vlgg., 162, 164-5 (ik ontleende deze voorbeelden aan de hss. door VAN

ITERSON als 14e eeuwsche genoemd).

[25] Vgl. over ECKHART'S leer: PREGER'S _Gesch. der deutschen Mystik_,

I, 309 vlgg. Het kwam mij ondoenlijk voor, met de hier geboden

beknoptheid, een overzicht van ECKHART'S gansche stelsel te geven;

daarom heb ik slechts eenige voorname trekken daarvan aangeduid.

[26] ECKHART leefde van 1260-1327; zijn eerste werk volgens PFEIFFER van

c. 1307. PREGER schijnt het nog iets vroeger te stellen.

Een paar uittreksels uit de _Epistolae Haywigis_ in een hs. van

1360-'70; vgl. _Handschr. v. J. v. Ruusbroec's Werken_, I, 425.

[27] Dit overzicht van ECKHART'S verhouding tot de Nederlandsche mystiek

berust vooral op de artikelen van Dr. DE VOOYS in _Ned. Archief voor

Kerkgesch._, N.S., 3e deel en in _De XXe Eeuw_, IX Jaarg. Vgl. voorts:

_De Handschr. v. J. v. Ruusbroec_, II, 642.

Er valt hier nog vrij wat te onderzoeken (misschien meer voor theologen

dan voor literatoren), ook omdat men voorzichtig moet zijn met de

teksten van ECKHART zooals ons die vroeger zijn medegedeeld. Vgl.

daarover de Inleiding op: _Meister Eckhart und seine jünger...._

herausgeg. von FRANZ IOSTES. Freiburg. 1895.

[28] Vgl. over dit alles: PREGER a.w. II, 309 vlgg. JOSTES a.w. _Einl._,

XIV. DE VOOYS, _Mnl. Leg._ p. 325.

[29] _Ned. Archief voor Kerkgesch._, N. Serie, III, 54. Over TAULER vgl.

PREGER a.w. III, 90 vlgg.

[30] _De Limburgsche Sermoenen_ (uitgeg. door Dr. H. KERN). Weinig of

geen citaten vindt men in: VI, VIII, XVI, XVII, XXII, XXV-XXVII, XXIX,

XXX, XXXIX, XLI-XLIV; ook in de 1e helft van XI. Over het verschil

tusschen de preeken onderling vgl. FRANCK in _Taal en Letteren_,

Jaargang VIII.

[31] Vgl. PREGER a.w. II, 3-246. Het in de _Limb. Sermoenen_ voorkomend

_buec vanden Palmboeme_ is blijkbaar hetzelfde als het door PREGER, p.

52-53 vermelde _der Palmbaum; Dboec vanden boegarde_ doet denken aan

_den Baumgarten_ waarover vgl. PREGER, p. 48 vlgg.

[32] Vgl. vooral p. 569, 9 vlgg.

[33] Vgl. p. 440 vlgg.; ook p. 538 vlgg.

[34] Ter Prov. Bibl. van Friesland berust een hs., naar het schijnt, der

14e eeuw, dat aanvangt: "Hier beghint die prologus van desen boke als

der geesteliker gracien. Ende dit is machteldus (sic) eerste boec van

haren visioenen."

In den aanvang der 15e eeuw waren "Machteldis revelacien" te onzent nog

in trek. De zusters van St. Barbara te Delft bezaten ze in een dubbel

exemplaar en een hs. van den aanvang der 15e eeuw bevattend een groot

aantal "stichtige woorde genomen uut den boeck der revelacien der

heiligher maghet Mechteldis" behoorde voormaals aan "die susteren van

der derde oerde" van FRANCISCUS te Heusden in N.-Brabant. MOLL,

_Boekerij v.h. St. Barbara-Klooster_, p. 32-33.

In diezelfde boekerij vond men een boek _van Maria van Ogines_ (t.a.p.

bl. 53), blijkbaar MARIA VAN OIGNIES. Het zal wel haar

levensbeschrijving van de hand van THOMAS VAN CANTIMPRÉ zijn geweest.

Ook hieruit blijkt weer hoe lang de mystieke literatuur in trek bleef.

Het hs. ter Prov. Bibl. te Friesland verdiende wel een afzonderlijk

onderzoek.

[35] Ik ontleen mijne kennis hier aan de belangrijke artikelen van Dr.

DE VOOYS (in: _De XXe Eeuw_, 9e Jaargang) die o.a. over den "goeden kok

van Groenendaal" nieuw licht hebben doen opgaan.

[36] Uitgave zijner werken door Prof. DAVID (Reeks: Vlaemsche

Bibliophilen) 1856-'69. Voornaamste werk over hem van Dr. A.A. V.

OTTERLOO, (Amsterdam, BRINKMAN, 1874). Eene tweede uitgave daarvan is

bezorgd door Dr. J.C. VAN SLEE in 1896. Vermelding verdienen voorts: de

_Bijdragen tot de kennis van het leven en de werken van Jan van

Ruusbroec...._ door Dr. W.L. DE VREESE, (Gent, A. SIFFER, 1896); _Jan

van Ruusbroec's Taal en Stijl_ door Dr. H. CLAEYS, pr. (Gent, A. SIFFER,

1894); wat over R. gezegd wordt in BÖHRINGER'S _Deutsche Mystiker_, II,

3; over RUYSBROEK'S verhouding tot de Nederduitsche mystiek o.a.:

PRIEBSCH, _Deutsche Hands._, I, 66; _Jahrbuch des Vereins f. niederd.

Spr._ 1884.

Eene vertaling van _De Chierheit der geesteleker Brulocht_ gaf MAURICE

MAETERLINCK (_L'Ornement des noces spirituelles_); eene bloemlezing van

in 't Fransch vertaalde stukken gaf ERNEST HELLO: _Rusbrock

l'Admirable_, (Paris, 1902).

[37] Ten deele naar VAN OTTERLOO, ten deele naar de mededeelingen van

"broeder GHERAERT" bij DE VREESE a.w. bl. 7 vlgg.

[38] Afbeelding en beschrijving dezer miniatuur in _Oud-Holland_, XIIe

Jaargang (1894) door Dr. S.G. DE VRIES.

[39] VAN OTTERLOO, (1e uitgaaf), bl. 168-9; DE VREESE'S _Bijdragen_, bl.

8, 13.

[40] Dezelfde als de bovengenoemde? Dat is bezwaarlijk uit te maken;

evenzoo de vraag of eene dezer Clarissen de voorname vrouw was, "die

RUYSBROECK dikwijls twee mijlen ver op bloote voeten kwam bezoeken" en

te Keulen in de orde van S. Clara trad. (VAN OTTERLOO, bl. 136). Vgl.

overigens: DE VREESE a.w. bl. 13, 16; VAN OTTERLOO, bl. 156 en 166 en

Editie DAVID, III, 235.

[41] Ik nam hier VAN OTTERLOO'S overzicht, eenigszins gewijzigd, over.

Ook dat der volgende boeken en het overzicht van RUYSBROECK'S stelsel is

hoofdzakelijk aan zijn werk ontleend.

[42] Eene andere voorstelling van het _Innige Leven_ bij RUYSBROECK

wordt door VAN OTTERLOO uiteengezet op bl. 265-269.

[43] VAN OTTERLOO, bl. 128.

[44] ECKHART spreekt van _istigkeit, entgeisten, weiselos_; RUYSBROECK

van: _istegheit, ontgeesten, wiseloos_. Beiden gebruiken de uitdrukking

_Funken der Seele, vonke der sielen_, zij het misschien niet in geheel

dezelfde beteekenis. Uitdrukkingen van RUYSBROECK (waar van God sprake

is) ais: _die donkere stille, de wilde woestine, de grondelooze zee_

doen aan dergelijke van ECKHART denken.

[45] Uitgave DAVID, VI, 173.

[46] Reeds opgemerkt door VAN OTTERLOO a.w. bl. 148, noot 2. VAN

OTTERLOO gaat m.i. echter wat ver, indien hij beweert dat RUYSBROECK'S

werk desniettemin geheel oorspronkelijk is. 1o. heeft RUYSBROECK voor de

beschrijving des tabernakels het een en ander ontleend aan RICHARD'S

_Expositio tabernaculi foederis_ (MIGNE, _Patrol._, T. 196, p. 211

seqq.); 2o. heeft hij vrij wat ontleend aan HUGO'S _de Archa Morali_

(MIGNE, Tom. 177, p. 115 vlgg.). Vgl. vooral de hoofdstukken: de

ciconiae natura; de ibe; de caladrio (p. 48) en de charadrio (p. 77); de

upupae natura. Doch een afzonderlijk onderzoek zou hier noodig zijn.

[47] Vgl. o.a. Editie DAVID, I, 2, p. 119, 121-2, 178-9; IV, 83-4, 108

vlgg.

[48] A.w. I, 2, p. 146; III, 198.

[49] Vgl. Ed. DAVID, VI, 37; IV, 68; IV, 273; IV, 35; V, 167-8.

[50] A.w. IV, 189; III, 23; I, 51; III, 212; VI, 74 en 256-7

(geestelijke dronkenschap); III, 133; VI, 81.

[51] A.w. V, 21; IV, 97 (vgl. ook III, 208-9; IV, 104); VI, 230.

[52] Vgl. o.a. I, 61; I, 71; III, 8 (10 zinnen met "ende" verbonden);

IV, 241 (40 zinnen). Opsomming o.a. III, 57-8; 250.

[53] Vgl. I, 133; I, 103; III, 44, 184.

[54] VI, 166; I, (2), 181; III, 169; ook nog: I, (2), 10; III, 26, 48,

116.

[55] I, 248-9. Vgl. ook III, 59-60: "En daer an en leghet niet allene"

enz.

[56] Deze plaats is te vinden V, 20. Een voorbeeld van alliteratie III,

121. Voorbeelden van eindrijm zijn talrijk; vgl. o.a.: VI, 246; I, 49,

50, 60, 96; 133, 143, 151; II, (2), 222, 240-1. Vgl. andere voorbeelden

in _Jan van Ruusbroec's Taal en Stijl_ door Dr. H. CLAEYS, pr. (Gent, A.

SIFFER, 1894) en in _Ned. Museum_, 1891, (H. MEERT). Rijmende verzen

o.a.: III, 201; IV, 4.

[57] Daarover is uitvoerig gehandeld door E. NORDEN in zijn werk: _Die

antike Kunstprosa_ (van de 6e eeuw vóór Chr.--Renaissance), vgl.

_Museum_, 1899, no. 9.

[58] I, 67.

[59] Vgl. CLAEYS a.w. bl. 38-9; _Werken_, I, 136; IV, 190; VI, 71; vgl.

ook nog V, 71 (fontein).

[60] _Werken_, IV, 74; I, 134; V, 174; CLAEYS a.w. bl. 14; _Werken_, VI,

61; III, 61; 104.

[61] Vgl. V, 58; V, 13; VI, 149; II, 47, 92; III, 156-7.

[62] V, 57-9.

[63] CLAEYS a.w. bl. 33.

[64] Vgl. IV, 15.

Het is opmerkelijk dat VOLTAIRE, die wel niet veel in RUYSBROECK zal

hebben gelezen, zegt: "L'amour-propre est un ballon gonflé de vent, dont

il sort des tempêtes quand on lui a fait une piqûre".

[65] IV, 111.

[66] III, 151.

[67] VI, 82.

[68] Vgl. over deze vertaling het degelijk bewerkt proefschrift van Dr.

C.H. EBBINGE WUBBEN: _Over Middelnederlandsche Vertalingen van het Oude

Testament_. ('s-Grav. NIJHOFF. 1903).

[69] A.w. bl. 73.

[70] Vgl. over dat alles de prologen en de hoofdstukken in de Eerste

Afdeeling II, 1 en 3, bl. 127.

[71] Zie bl. 87-88.

[72] Bl. 70; ook bl. 75: "Nu bidde ic elken die hierin lezen sel ende

tijtcortinghe doen"; bl. 85: "meniger zaliger zielen, diere in lesen

moeten".

[73] Bl. 127.

Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I · 第 70 / 113 题