2. PROZA.

Heiligenlevens en Wonderverhalen. Leven van Alexander den Groote.

Reisverhaal van Joannes Witte de Hese.

Stemmen uit den Voortijd. Kerkvaders. Betrekkingen tusschen

Nederlandsche en Duitsche mystiek: Eckhart en Suso. Limburgsche

Sermoenen. Geschriften van den onbekenden leek en Jan van Leeuwen.

Ruusbroeck.

Eerste bijbelvertaling.

In de dertiende eeuw kon men zich de kunst van het woord tenauwernood

denken zonder maat en rijm; begrippen als _poëzie_ en _literatuur_

omvatten bijna uitsluitend verzen of wat daarop geleek. HADEWYCH'S proza

alleen kwam dat wanbegrip bestrijden; doch het mag betwijfeld worden of

het door velen is opgemerkt en in allen gevalle staat dat proza in dien

tijd alleen.

De veertiende eeuw geeft ons eene andere verhouding tusschen epische

geestelijke poëzie en geestelijk proza te zien. In omvang reeds

overtreft nu het proza de poëzie. Doch ook in beteekenis; want hoog moge

de poëzie stijgen in het liefelijk verhaal _van Beatrijs_--die bevallige

kleine kapel kan toch niet worden gelijk gesteld met de statige

kathedraal van RUUSBROECK'S mystiek.

Van menig hierboven behandeld geestelijk gedicht vinden wij hier de

weergade in proza. Zoo hebben wij een prozaverhaal _van Sinte Kunera_,

van _dBoec vanden Houte_ en _van Theophilus_, alle drie zonder literaire

beteekenis[18]. Van het verhaal _van Sinte Patricius' Vagevier_ bezitten

wij een tegenbeeld in proza: het _Visioen van Tondalus_.

Opmerkelijk is hier, dat de vertaler zelf ons verzekert dat het

oorspronkelijk Latijn door hem "van woorde te woorde" verdietscht is.

Opmerkelijk is ook wat hij er bijvoegt om zijn standpunt in dezen aan te

geven: "Maer men sal weten dat ic desen bouc niet en begheere te rimene,

omdat icker no af no toedoen ne wille van den ghenen dat ic vand in

lattine; ende ooc so en es men gheen helighe scriftuere sculdich te

rimene, want in den rijm en es gheen ander voordeel dan dat den hooren

gheeft soeten luut, ende metten rimene so wert alle helighe scriftuere

gheconfondeert"[19].

Misschien hebben wij hier de verklaring van het feit, dat wij, naast

sommige rijmwerken over geestelijke stoffen, prozabewerkingen dierzelfde

stoffen aantreffen. Waarschijnlijk echter zal men hier rekening moeten

houden ook met den aanwassenden lust tot literaire werkzaamheid onder

menschen die toch niet allen de kunst van verzenmaken meester zullen

zijn geweest. Tot de wonderverhalen van dezen tijd behooren

waarschijnlijk ook een paar geschiedenissen van mirakelen, door SINT JAN

BAPTIST verricht[20]. Van den bekenden bundel _Vitae patrum_ waren de

beide eerste boeken waarschijnlijk reeds in de 14de eeuw in het

Nederlandsch vertaald[21].

Van heiligenlevens en wonderverhalen op het _Leven van Alexander den

Groote_ schijnt naar de hedendaagsche opvatting een groote sprong. Voor

de middeleeuwsche denkwijze bestond die sprong niet. Immers men vindt de

historie van ALEXANDER gewoonlijk ingevoegd tusschen de boeken van het

Oude Testament, geheel in overeenstemming met de toenmalige opvatting,

volgens welke de geschiedenis van het Joodsche volk de kern der

wereldgeschiedenis vormde. Wij kennen twee proza-bewerkingen der

Alexander-sage, die beide waarschijnlijk omstreeks het midden of in de

eerste helft der 14de eeuw zijn ontstaan. De eerste, die eenigszins vrij

en grillig maar beknopt is, berust vooral op Latijnsche bewerkingen: het

zoogenaamd _Epitome_ uit den tijd van KAREL DEN GROOTE en de _Historia

de praeliis_ uit de 10de eeuw. De tweede, die ordelijker en geregelder

is, bevat eene verdienstelijke paraphrase van Boek IV van MAERLANT'S

_Spieghel Historiael_, aangevuld met eenige hoofdstukken uit de

_Historia Scholastica_ en MAERLANT'S _Alexander_. De literaire waarde

van beide bewerkingen is gering[22].

Verwantschap met legenden en mirakelverhalen heeft de Alexander-sage

bovendien door de wonderen waarvan wij reeds bij eene vroegere

gelegenheid melding maakten. Men verbaasde zich over die wonderen van

het verleden trouwens weinig in een tijd, toen geloofwaardige priesters

thuis kwamen met verhalen van de wonderen die zij in het Oosten hadden

gezien of voor zeker hooren vertellen. De paleizen en kasteelen der

Keltische romans waren niet zooveel wonderbaarlijker dan "paep JOHANS

woninghe ende palaes" in Edessa, waarvan de Utrechtsche priester JOANNES

WITTE DE HESE ons vertelt in een Latijnsch reisverhaal dat misschien in

1398 in het Nederlandsch is vertaald[23].

Bijzondere literaire verdiensten heeft het verhaal noch de vertaling,

maar beide zijn van belang voor wie den geest des tijds er uit wil

leeren kennen. Hoe is Palestina voor de menschen van toen met recht "het

_heilige_ land"; hoe leeft het bijbelsch verleden daar voor hen op! In

Hermopolis ziet DE HESE "een hof daer hadde onse lieve vrouwe in

ghewoent" en eene fontein waar zij "haer dinghen in plach te wasschen";

den steen waaruit MOZES water deed springen, den bitteren stroom dien

MOZES door een roedeslag zoet maakte, eene fontein waaraan S. PAULUS en

S. ANTONIUS gezeten hadden. DE HESE moge vrij wat ontleend hebben aan

andere reisverhalen, zijne mededeelingen vonden daarom niet minder

gretig geloof. Vooral het paleis van "PAEP JAN" (naar het schijnt, een

tot het Nestorianisme bekeerde Mongoolsche Khan) zal toentertijd indruk

gemaakt hebben. Dat paleis rust op negenhonderd pilaren; alle nachten

wordt het door duizend gewapende mannen bewaakt; men gaat vijfhonderd

treden eener trap op, voordat men aan de eerste verdieping komt; op elke

trede staan levende leeuwen die elken ongeloovige of heiden die er op

komt verscheuren; op de eerste verdieping wonen de profeten, op de

tweede de patriarchen, op de derde de heilige jonkvrouwen enz. In de

eetzaal van "paep JOHAN" is eene tafel van zoodanigen aard, dat indien

er vergiftige spijs op wordt gezet, die spijs niemand zou hinderen. Er

is een klok die, wanneer zij geluid wordt, alle booze geesten doet

vluchten, zoodat bezetenen indien zij haar hooren, hun verstand

herkrijgen; er zijn vaten waarin de spijs altijd zuiver blijft en haren

smaak behoudt. Het gansche paleis kan omgedraaid worden als een rad en

het is rond gewelfd gelijk de hemel. In de zoldering van het gewelf

staan kostbare steenen die het paleis des nachts verlichten "recht of

die sonne daer in scheen des middaghes". In paep JOHANS slaapkamer

eindelijk is o.a. een reus die zwaargewapend is "ende men seghet, ginghe

enich quaet mensche of viant daer in na der sonnen onderghanc, soe soude

hem die roese ter stont doet sclaen". Die reus is gegoten van metaal en

versierd met edel gesteente.

Daar kon zelfs het paleis van koning WONDER niet tegen op!

De tot dusver behandelde proza-werken worden in belangrijkheid en

schoonheid overtroffen door het proza, dat, meer dan het overige, diende

tot uitstorting van eigen en opbouw van anderer gemoedsleven. Evenals in

de overige landen der Westersche Christenheid, ontwikkelde het

godsdienstig gemoedsleven zich te onzent onder den invloed van de

geschriften der kerkvaders. Hoe zou het ook anders? In de werken van

AUGUSTINUS, zijne tijdgenooten en hunne opvolgers was zooveel diepe

gedachte en fijn gevoel, zooveel vernuftige allegorie en verheven

symboliek, zooveel schoonheid ook van vorm, dat de Nederlandsche

geestelijken dier dagen wel kortzichtig zouden zijn geweest, indien zij

met dat alles niet hun voordeel hadden gedaan. Bewondering leidde ook

hier tot overneming en navolging. Vele preeken en andere stichtelijke

geschriften der 14de eeuw bestaan, naar het schijnt, hoofdzakelijk uit

aaneengeregen gezegden der kerkvaders, oudere en jongere, onder wie

vooral S. BERNARDUS op den voorgrond komt[24].

Maar naast den invloed der kerkvaders moet die der Duitsche mystiek

worden genoemd, waar sprake is van de ontwikkeling van het Dietsche

proza als uiting van het godsdienstig gemoedsleven. Echter is hier niet

alleen sprake van geven, doch ook van nemen. Het is vooral Meester

ECKHART op wien wij hier het oog moeten richten, want de twee andere

groote mystieken der 14de eeuw, SUSO en TAULER, waren beiden zijne

leerlingen, al gingen zij ook eigen wegen.

Meester ECKHART, "wien God niets verborg," zooals een schrijver van

lateren tijd het uitdrukt, was in menig opzicht de grootste en zeker de

diepzinnigste der Duitsche mystieken. Zijne opvatting, beschouwing en

uiteenzetting van het wezen Gods en het wezen der ziel, die twee assen,

waarom zijn stelsel draait, zijn even stout als verheven en goeddeels

oorspronkelijk, al dankt ook hij veel aan de geschriften der kerkvaders.

Waar ECKHART spreekt van het _wezen_ bedoelt hij datgene, dat alle

dingen nog ongedeeld in zich omsloten houdt, waarin alle dingen nog eene

stille kracht zijn; de duisternis, waaruit het licht nog niet geboren

is; den baaierd, rijke bron van alle kracht en macht, onbewegelijk,

niets voortbrengend. God heeft zich geopenbaard in den Zoon, als

uitstraling van Zijn Wezen, die voortdurend zich hernieuwt en eeuwig zal

blijven bestaan. Het eerst, wat de engelen zagen, nadat zij geschapen

waren, was het Wezen des Vaders en hoe de Zoon uit het hart des Vaders

te voorschijn brak als een groene loot uit een boom. In den Heiligen

Geest erkennen beiden hun wezen; "Vader en Zoon hebben éénen wil, dat is

de Heilige Geest". De mensch, door God geschapen, is bestemd ééns boven

de engelen te stijgen, daar de menschelijke ziel met God één zal worden.

Daarom moet de ziel streven naar eene volslagen ledigheid en

lijdelijkheid; immers eerst wanneer zij die bereikt heeft kan zij van

God vervuld worden. Om dat hooge doel te treffen moet de mensch alle

vleeschelijke lusten en begeerten in zich dooden; dan eerst wordt de

mensch waarlijk mensch. In overeenstemming met die beschouwing is, dat

wij in ECKHART'S werk overal het innerlijke tegenover en boven het

uiterlijke geplaatst zien, dat hij met instemming het woord van

DIONYSIUS AREOPAGITA aanhaalt "de hel dat is: gescheiden zijn van God,

en het hemelrijk: Gods aangezicht"; voor ECKHART is er eene opstanding

slechts der ziel en het Laatste Oordeel zal slechts hierin bestaan, dat

het eigenlijk wezen van ieder mensch wordt onthuld.

Maar hoe ook geneigd tot afdalen in de diepten zijner rijke ziel om van

daar het edel erts zijner mystiek opwaarts te brengen, toch stelt hij

het werkende leven boven het schouwende leven. "Want al ware de mensch

ook in eene geestesverrukking als die van PAULUS en wist hij ergens een

zieke wien hij met een soepje kon helpen, dan zou hij veel beter doen

door uit liefde te scheiden uit zijne verrukking en den behoeftige te

dienen uit meerder liefde"[25].

Toen ECKHART deze en dergelijke dingen begon te schrijven, was RUUSBROEC

nog maar een knaap; met zijne geschriften konden onze voorouders hun

godsdienstig gemoedsleven nog niet opbouwen. HADEWYCH'S werk was

blijkbaar niet geheel onbekend en werd ook in de 14de eeuw nog wel

gelezen, maar was toch niet toereikend om de behoefte aan mystieke

lectuur te bevredigen[26]. Het is dus begrijpelijk, dat ECKHART'S werken

hier opgang maakten. In handschriften, deels uit de eerste deels uit de

tweede helft der 14de eeuw, vinden wij verscheidene zijner tractaten,

sermoenen en exempelen vertaald; zijne eigenaardige terminologie treffen

wij voor een deel ook in Middelnederlandsche werken van dien tijd aan.

Al ontbreekt het in die vertaalde werken niet aan bespiegelingen zooals

b.v. in het tractaat _Diu zeichen eines warhaften grundes_, zoo schijnen

toch vooral de exempelen en verhalen met practische strekking hier in

den smaak te zijn gevallen. Ik heb het oog op verhalen als dat van S.

BERNARD en "een bruer in sinte bernardus clooster die altoos gheerne in

syn celle alleen was" en die op S. BERNARD'S vraag naar zijne bezigheden

antwoordt: "In den eersten heb ic een wilde beeste te temmen... die

wilde beeste zijn myn vyf wilde sinnen, die costen my groote arbeydt te

temmen." Op het stichtelijk exempel "van eenen devooten vraukin" dat

vertelt van haar werk op Dinsdag: "als ic mijne voghelen antiere"

[Zijnoot: zich bezig houden met.]. Die vogels zijn namelijk hare vijf

zinnen en zij bepeinst dan: "dat ic se meer ter werelt ghekeert hebbe

dan tot Gode ende dat ic myne ooghen so qualic bewaert [Zijnoot: gepast

heb op.] hebbe."

Ook bespiegelingen over de "godlike mynne" zullen wel in den smaak zijn

gevallen der geestverwanten van WILLEM VAN AFFLIGHEM en HADEWYCH.

Het is er echter verre van, dat ECKHART'S geschriften hier te lande

louter instemming zouden hebben gevonden. Immers ook in Duitschland

waren vooral onder de geestelijkheid velen, wien zijne leer aanstoot gaf

omdat zij haar in strijd achtten met de leer der Kerk. Meer dan eens

heeft hij dan ook terecht moeten staan voor de Inquisiteurs en al heeft

hij zich kunnen vrijpleiten, zoo blijkt toch wel dat zijne leer naar den

mutsaard rook. Het karakter der mystiek in het algemeen en dat van

ECKHART'S mystiek in het bijzonder die den mensch ten slotte tot God

liet worden, maakt die beschuldiging van ketterij licht verklaarbaar.

Doch bovendien werd ook door deze mystiek het middelaarschap der

priesters tusschen God en den mensch in den wortel aangetast en heeft

menig geschrift, van hem of aan hem toegeschreven, de strekking om te

doen zien, hoeveel hooger geestelijke volkomenheid kon bereikt worden

door leeken dan door geestelijken. Van dien aard is b.v. een verhaal van

eene ontmoeting tusschen een doctor in de godgeleerdheid en een arm man,

die, gekwetst, "sonder cousen ende baervoets" vóór de kerk zit. De

doctor staat verbaasd over de diepe gedachten, godsvrucht en vroomheid

van den armen man en vraagt hem ten slotte: Wat creature sijdij ende van

wat gheslachte? De man seyde: Ic ben een conync.--Conync, seyde die

meester, hoe muecht ghij een conync ghesijn, anghesien u aermoede ende

waer es u conyncrijcke? De man seide: Mijn siele, dats mijn rijcke, als

ic die dueren sluute van mijnen vyf sinnen ende soucke mijnen alder

liefsten Jhesum Christum duer 't ghelove, alle eertsche saken achter

latende. Oec vyndic Gode int diepe van mijnre sielen duer sijn gracie,

ende also, mijn vrient, ic segghe hu inder waerheit, dit conincrycke

passeert ende gaet te boven alle de rijcken die up eerderijc sijn; want

tes een conyncrijcke dat nemmermeer hende nemen en sal.

Zoo is het dan niet vreemd dat in zeker tractaat de leeken gewaarschuwd

worden tegen "eggardus sermone"; noch dat ECKHART bij sommigen doorging

voor den vader van de kettersche secte der Vrije Geesten; noch dat JAN

VAN LEEUWEN, de kok van RUUSBROEC'S klooster Groenendaal, vóór 1355 "een

boecxken van meester ECKAERT'S leere" schreef om den meester van dwaling

te overtuigen. Indien men weet dat dit "boecxken" aanvangt met: "Het was

een duvelijc mensche, hiet meester ECKAERT", dan verwondert men zich

niet over uitdrukkingen als: "meester ECKAERT hadde alsoe vele

ghewaregher oeffeninghen alse die padde steert heeft ende ooc alsoo vele

als die duvel in caritaten ende in minnen leeft." Wel heeft de kok zijne

beschuldigingen in een later geschrift herroepen, doch zijne eerste

indrukken blijven er even merkwaardig om[27].

Leerling van ECKHART, toonde HEINRICH SUSO, een tijdgenoot van

RUYSBROECK, zich vooral in zijn eene hoofdwerk: _het Boek der Waarheid_,

waarin de speculatieve mystiek tot de erkentenis van Gods wezen tracht

door te dringen. Het is opmerkelijk, dat, naar het schijnt, niet dit

werk van SUSO, maar slechts zijn andere voorname geschrift: _Horologium

aeternae sapientiae_ (c. 1337), op het eind der 14de eeuw in het

Nederlandsch is overgebracht. Dit werk namelijk is een voortbrengsel der

practische mystiek. Geboren uit een oneindig verlangen naar een hoogste

goed, dat de ledigheid der ziel zal vervullen met duurzamen vrede,

behandelt het vooral het lijden van CHRISTUS. De idealen der eeuwige

waarheid, goedheid en schoonheid zijn door SUSO samengevat in het begrip

der eeuwige wijsheid. In den vorm van een gesprek tusschen CHRISTUS, die

de eeuwige wijsheid is, en een dienaar, ontvangen wij hier schilderingen

van de heerlijkheid dier wijsheid, van de goddelijke minne, de

hemelweelden, het lijden van CHRISTUS en MARIA. De weg tot een leven met

en in CHRISTUS wordt dan aangewezen en het geschrift besloten met eene

verheerlijking van God.

Vooral in dit werk toont deze "Minnesinger in Prosa" eene innigheid en

diepte van gevoel en eene hooge opvatting der geestelijke minne, die wel

indruk moesten maken op een Nederlandsch publiek, dat de lyriek van

HADEWYCH en MAERLANT en een werk als dat van WILLEM VAN AFFLIGHEM geheel

of ten deele kende. Het kan kwalijk anders of ook onze landgenooten

moeten onder den indruk zijn gekomen van het verhaal van SUSO'S

bekeering, van eene wonderfraaie passage daaruit als deze: "Doen gheviel

op enen dach dat ic ongheduerich was van moede, ende sach al omme ende

sochte een stat om mi te rustene in die scaduwe, want ic scuwen woude

die middach hitte; daer sach ic op enen hogen berch alse ene scone edele

veltbloeme, die lusteleken was aen te siene ende scoen sceen sonder

ghelike allen den bloemen die ic ghesien hadde. Doen ic mi haeste dese

bloeme te siene, doen wert si verwandelt [Zijnoot: veranderd.] ende en

sceen niet meer bloeme, maer si scheen ene godinne alre scoenheit voir

mi staende. Si roedde [Zijnoot: bloosde.] alse ene roede rose; si blicte

[Zijnoot: schitterde.] alse snee ende si scheen claerre dan die sonne

ende hair sprake was vol scoenheden. Dese godinne hadde in hare alle dat

men begheren mochte, ende van hair soe ghinc zoeten roke verre ende

wide, daer si mede toech [Zijnoot: trok.] tot hare minnen alle die ghene

die den roke ghevoelden."

Deze godin blijkt de "moeder der scoenre minnen" te zijn; zij bemoedigt

hem en hij spreekt haar toe.

Anderzijds verwondert het ons niet, bij een kenner der mystiek de

onderstelling te vinden, dat SUSO de geschriften van THOMAS VAN

CANTIMPRÉ en JACOB VAN VITRY heeft gekend. De levensgeschiedenissen der

ecstatische vrouwen, ons door JACOB VAN VITRY verhaald, komen ons weer

in de gedachte, als wij hooren van SUSO'S bijna bovenmenschelijke

zelfpijnigingen tusschen zijn 18de en 40ste jaar: het haren onderkleed

met ijzeren nagels, die in zijn vleesch drongen; zijne handen geboeid,

opdat het ongedierte vrij spel zou hebben op zijn lichaam; het kruis met

spijkers, waar hij op lag; de deur, waarop hij sliep; honger, koude,

dorst, geeselingen ten bloede--totdat zijn lichaam gezwollen, vol zweren

en litteekens, en zijne sidderende handen hem waarschuwen, dat zijn

leven gevaar loopt.

Misschien ook heeft SUSO persoonlijke betrekkingen aangeknoopt met

Nederlandsche geestverwanten, toen hij, evenals ECKHART, van ketterij

beschuldigd, in 1335 voor het Provinciaal Kapittel van 's-Hertogenbosch

moest terechtstaan[28].

Meer zekerheid dan omtrent SUSO'S betrekking tot de Nederlandsche

mystiek geeft ons een bericht aangaande den derden der groote Duitsche

mystieken: JOHANNES TAULER, evenals SUSO een tijdgenoot van RUYSBROEC,

doch met dezen bekend en zelfs een zijner bewonderaars. In een geschrift

van dezen tijd lezen wij: "Dese Tauweler hadde den prior Jan van

Ruysbroeck in groter ende sonderlingher reverenciën. Daer om dat hi en

oec dick te visiteren plach... navolghende, als een oetmoedich discipel

des prioers, syns meesters voetstappen, welcke leere hi oec te menighen

steden heeft doen vloyen als een rivier, comende ut Ruysbroecs

boecken[29]."

Het mag alweer eene bijdrage heeten tot kenschetsing der Nederlandsche

mystiek, dat wij haar in nauwe betrekking zien juist tot dien Duitschen

mysticus, bij wien het zedelijk godsdienstige en de praktijk van het

zedelijk leven op den voorgrond stonden. RUYSBROECK'S invloed bepaalt

zich niet tot TAULER. Wij weten, dat zijn werk hooggeschat werd ook

onder de zoogenaamde "Gottesfreunde" van Straatsburg en dat hun hoofd,

RULMAN MERSWIN, nog in zijne laatste levensdagen RUYSBROECK'S _Chierheit

der geestelijker Brulocht_ voor de broeders vertaalde.

In RUYSBROECK'S verhouding tot de Duitsche mystiek kunnen wij hier niet

dieper treden; wij moeten dat uitstellen, totdat wij hem zelven en zijn

werk gaan beschouwen. Eerst hebben wij nog te spreken over andere

mystieke geschriften. Ik heb hier het oog vooral op de zoogenaamde

_Limburgsche Sermoenen_ waarin zich de invloed der Duitsche mystiek op

de Nederlandsche vertoont. Deze bundel bevat 48 preeken, waarvan twee

derde stellig en de overige vermoedelijk vertaald zijn uit het

Hoogduitsch. De vertaler was waarschijnlijk afkomstig uit de buurt van

Maastricht of Tongeren; zijn werk schijnt te dagteekenen uit de jaren

tusschen 1320 en 1350. Verscheidene dezer preeken zouden, ook al waren

zij oorspronkelijk, van geringe beteekenis voor de

literatuurgeschiedenis zijn, omdat zij, evenals andere vroeger

aangeduide, bestaan hoofdzakelijk uit aaneengeregen citaten. Doch andere

zijn van meer beteekenis[30]. Dat deze preeken uit de kringen der

mystiek afkomstig zijn, mag men aannemen op grond van den inhoud, die in

menig opzicht verwant is met dien van andere mystieke preeken der 14de

eeuw[31]. Zoo b.v. de opvatting der "minne" in de preek van

"negenrehande minne", die zich onder den invloed van SINT BERNARD

schijnt te hebben gevormd[32]. In "dboec vanden boegarde" vinden wij de

allegorie en het niet zelden spitsvondig vernuft waarvan de mystieke

predikers van dezen tijd zich gaarne bedienen[33]. Op menige plaats in

dezen bundel worden wij getroffen door eene innigheid van gevoel en eene

hoogte van vlucht, zooals wij ze slechts bij de mystieken vinden.

Ik wijs op de plaats waar van een God minnende ziele gezegd wordt:

"Susdans [Zijnoot: zoodanig.] menschen wort ende werc ende al sin leven

es onder anderen liden [Zijnoot: lieden.] een bloyende paradis van

dogeden ende van lichten levene"[33]. In de preek "van seven maniren van

minnen" lezen wij: "Sulke stont [Zijnoot: soms.] geschiet dat die minne

sutliken in der sielen verweckert [Zijnoot: aangewakkerd.] wert ende

blidelike op versteet ende har selver berurt int herte sonder enech

tuduen [Zijnoot: toedoen.] van menscheliken werken. Ende wert dan therte

so morweliken gerenen [Zijnoot: inniglijk beroerd.] in minnen ende so

begerliken getrect, so hertelic bevaen in minnen, so liflic behelst in

minnen, dasse altemalen verwonnen wert metter minnen. Hirin gevulse

eenre groter naheit te Gode ende ene gestelike clarheit ende wonderlike

verwentheit [Zijnoot: weelde.] ende ene edele vriheit ende een groet

bedwanc van starker minnen ende ene overvludege volheit van groter

genugden; ende dan gevultse dat al har sinne sin [Zijnoot: zijn.] in der

minnen ende al har wille es worden minne, ende dasse so dipe es

versonken ende verswolgen in minnen ende selver al es worden minne. Die

schonheit des minnen hefse geschoent, die cragt der minnen hefse

vertert, die sutheid der minnen hefse versonken, die geregtheid der

minnen hefse verswolgen, die edelheit der minnen hefse behelst, die

purheit der minnen hefse geschirt [Zijnoot: gezuiverd.], die hogheit

der minnen hefse boven getrect, ende in hare geënget [Zijnoot:

vereenigd.], soe dasse altemale mut sin der minnen ende anders nit en

mach plegen."

Een eind verder in diezelfde preek is sprake van de ziel voor wie het

leven op aarde "groote ellende en zware gevangenis en hevige kwelling"

is, die verlangt naar het "zoete gezelschap van de geesten daarboven,

die overvloeien van minne"; de prediker vervolgt dan aldus: "Har wille

es dar boven onder die geste [Zijnoot: geesten.] ende har begerlike

wandelinge, ende meest onder die bernende seraphine; ende in die grote

Gotheit ende in die hoge Drivuldecheit es har liflicste rastinge

[Zijnoot: rust.] ende har genuglicste woninge. Si suctene in sinre

majesteit, si volgt hem dar ende siten ane [Zijnoot: ziet hem aan.] met

herten ende met geste. Si kenten, si minten, si begerten, soe dasse en

can gagten [Zijnoot: achten.] heilgen noch engle, menschen noch

creaturen dan met gemeinre [Zijnoot: gemeenschappelijk.] minnen in heme,

darse al mede mint; ende heme allene hefse verkoren in minnen boven al

ende onder al ende binnen al."

Hier en daar toont dit proza in het werken met tegenstelling en

parallellisme, ook in het bouwen van lange zinnen, eene kunstvaardigheid

zooals die tot dusver in ons proza niet gezien was. Door de samenspraak

weten de schrijvers dezer preeken soms eene hooge mate van levendigheid

te bereiken. Zoo b.v. in _Dbuec van Heren Selfarts [Zijnoot: egöist.]

regelen_ in passages als deze: "Wie [Zijnoot: hoe.] sal ic mi selver

bekennen?--Ic segt di. Met vif dengen. Dirste es daste arm best; dander

daste cranc best; terde daste quaet best; tfirde daste vel sculdech

best; tfifde daste onscoen best.--Du hefs mi seer gescouden [Zijnoot:

berispt.]; es dit waer, so bennic sere bedrogen an mi selver. Want ic

waende ric ende scoen wesen, starc ende dogentlic. Nu berigt mi: war

ombe ben ic arm?--Die nit guts en heft, es di arm?--Ja er [Zijnoot:

hij.].--So beste arm. Dun hefs [Zijnoot: gij hebt niet.] cleder noch

spise, penninch noch penwert [Zijnoot: ter waarde van een penning.] van

di selver. Pruve [Zijnoot: overweeg.]: wat brechste here [Zijnoot:

bracht gij hier.], ende wat sauste hen vuren? Alt gut daste hefs, dat

hefste van Gode: sin est [Zijnoot: het is van Hem.], hi gevet, hi

nemet. Nu seg ochte [Zijnoot: of gij.] arm sis.--Dat weet God, ja ic! ic

ben arm. Nu sege mi: war ombe ben ic cranc?" enz.

Wij weten niet of dit proza in ruimen kring verbreid is geweest; maar

ook binnen een beperkten kring van hoorders en lezers kan het allicht

eenigen invloed ten goede hebben geoefend op de ontwikkeling van het

Dietsche proza.

De betrekking tusschen de Duitsche en de Nederlandsche mystiek wordt

gekenschetst niet alleen door wederzijdsch geven en nemen maar ook door

het voorkomen van gelijke of gelijksoortige uitingen en vormen. In de

Opperduitsche Dominicaner-nonnenkloosters van de eerste helft der 14de

eeuw wordt het mystieke leven, zooals wij dat vroeger onder de

Cisterciënser-nonnen leerden kennen, voortgezet. Tal van adellijke

vrouwen en meisjes laten zich in die kloosters opnemen om daar de wereld

en zich zelve te leeren verloochenen. Al deze nonnen, onder wie

ELISABETH STAGEL, SUSO'S vriendin, en CHRISTINA EBNER tot de meest

bekende behooren, streven onder ontbering en zelfkastijding naar éénheid

met JEZUS. Extatische toestanden en visioenen zijn dagelijksch brood

voor haar; de meesten zijn ontwikkeld, eenige hebben mededeelingen uit

haar eigen en anderer leven te boek gesteld.

Naar het schijnt, hebben wij een, met die geschriften verwant,

Nederlandsch werk in het boek _van machteldis visioenen_. Voorzoover ik

heb kunnen nagaan, bevat dit geschrift geene vertaling der werken van de

begijn MECHTHILD VAN MAAGDEBURG, die wij vroeger leerden kennen[34].

Zeker hebben wij met zelfstandige Nederlandsche uitingen te doen in het

merkwaardig geschrift van een onbekenden leek dat omstreeks 1333 schijnt

te zijn ontstaan en in de werken van "den goeden coc van Groenendaal"

JAN VAN LEEUWEN, over wien wij reeds spraken[35].

Het geschrift van den onbekenden leek, die misschien in Noord-Nederland

leefde, heeft den gewonen vorm van een samenspraak tusschen den auteur

(die ook wel een vrouw kan zijn geweest) en Meester EGGAERT, die in den

aanvang "een uutgenomen licht van hemelscher wijsheit" wordt genoemd.

Wat ons in deze samenspraak al dadelijk treft, is het gevoel van

zelfstandigheid tegenover de priesters. Niet tegenover de priesterschap

op zich zelve; hij zou wel eerbied voor hen hebben, indien zij waren wat

zij moesten zijn: "lichtdraghers der heiligher kerken." Maar dezulken

schijnt hij niet te kennen. Over het algemeen heeft hij van priesters en

kloosterlingen geen hoogen dunk. Hun geestelijk "habijt" boezemt hem

weinig eerbied in, omdat hij er door heen zooveel wereldschgezindheid

ziet, zooveel hoogmoed, eerzucht, zinnelijkheid en laagheid. Een goed

mensch is meer monnik voor de oogen Gods dan die het "habijt" draagt en

ongeestelijk leeft. Wee allen, die zijn "apostelen in die tonge ende

rabaude in die oefeninghe [Zijnoot: schurken in de practijk.]" roept

hij uit. Hij oefent critiek op beweringen van priesters, "meesters in de

vrië consten," die hij gehoord heeft; hij stelt hunne laatdunkendheid

tegenover de leeken aan de kaak.

Zijn gevoel van zelfstandigheid openbaart zich niet minder in zijne

opvatting van geloof en kerkleer. Welk eene stoutheid van denken vinden

wij in dezen middeleeuwer, die durft schrijven: "Die salighe minnende

siele is godliker op haer bedde dan in die kerc!" Soms vervoert die

stoutheid van denken hem tot vragen, waarvoor hij zelf terugschrikt. Een

oogenblik twijfelt hij aan de Drie-eenheid. Hij schroomt niet, Meester

EGGAERT de vraag voor te leggen: "Plach God te lieghen, dat Hij Moyses

niet en liet dat lant, dat Hij hem belooft hadde?" Doch als hij vraagt:

"Meester Eggaert, hemel en aarde hadden een begin, en God is eeuwig.

Waar was God dan vóór de schepping?" dan is het antwoord: "Al daer en

betaemt geen leec na te vraghen, noch om te peysen."

Ook tegenover ECKHART weet hij zijne zelfstandigheid te bewaren, want

visioenen stelt hij lager dan deze; hij gelooft, dat ze meerendeels het

werk zijn van booze geesten. Met de overdreven MARIA-vereering kan hij

zich niet vereenigen, evenmin met die van apostelen en heiligen; allen

zijn zij Gods schepselen, "God es die fonteyne van alre doecht." Dat

sterke besef van God als de bron van alle goed brengt hem tot de

schijnbaar ongerijmde, maar juist daardoor zoo sterk sprekende uiting:

"Ik zou liever met God in den afgrond van de hel zijn, dan met Maria en

alle heiligen en alle engelen in den hemel zonder God." Ook voor

mirakelen en het aanbidden van beelden gevoelt hij weinig. De goede

"verlichte" menschen zoeken geen mirakelen. Slechts onverlichte

menschen, zwak van geloof, aanbidden heiligenbeelden. Hij gaat zelfs

zoover van te zeggen: "Eer ik één goed mensch van honger liet sterven,

zou ik een vuur maken van alle beelden te Aken, te Aardenberg en te

Katwijk en er voor hem eten op koken."

Hier hoort men ander vuur knappen dan dat van den mutsaard, waarop de

ketters verbrand werden! Hier gloeit reeds een sprank van het vuur dat

later zal uitslaan in de Hervorming. Een anderen sprank van dat vuur

zien wij in zijne ergernis over de vervolging, waaraan beggaarden en

begijnen toentertijd blootstonden vanwege de geestelijke inquisiteurs.

Levendig is reeds in hem het besef: God moet men gehoorzamen boven alle

menschen en boven alle prelaten. Ook de paus, al is hij een aardsch god,

heeft geen recht iets te bevelen, dat in botsing komt met wat God

geboden en verboden heeft.

Hier is reeds de godsvrucht die geen menschenvrees kent en zich

afhankelijk gevoelt van God alleen; nu nog maar aanwezig in een enkele,

doch die gaandeweg zal aanwassen en zich uitbreiden over duizenden bij

duizenden.

Het verrast ons niet, bij een man, zoo onafhankelijk van geest als deze

leek, de opvatting van _adel_ en _dorper_ terug te vinden, die wij

vroeger door MAERLANT hoorden verkondigen. Zijn oog blijft dan ook niet

gesloten voor zoovele maatschappelijke misstanden, voor het onrecht in

de verhouding tusschen rijken en armen; en zoo hij aan boeren en

ambachtslieden onderwerping predikt, het is in bitterheid des harten.

Toch is het niet vooral op deze wereld, dat hij den blik gericht houdt;

als elk waarachtig christen, heeft hij een heimwee naar hooger, reiner

leven: "Siet, wij sijn al pelgrims... ende wij gherne waren tot ons

vaders lande, daer wij toe ghemaect sijn."

Datzelfde heimwee vinden wij in de geschriften van den goeden kok van

Groenendaal, waar hij verzucht: "Rechts [Zijnoot: volkomenlijk.] es hier

mijn leven ende mijn daghelijcsche ghevoelen, als een armen ghevanghenen

te moede es, die droeve ende serich leghet, ya al vol rouwes in eenen

aleyndeghen [Zijnoot: ellendig.] kerkere des lichamen bevaen [Zijnoot:

omvangen.] ende besloten."

En dit is--begrijpelijkerwijze--niet het eenig punt van overeenkomst

tusschen deze twee tijdgenooten. Ook JAN VAN LEEUWEN ergerde zich aan

het schreeuwend verschil tusschen leer en leven van zoovele

geestelijken, aan de hebzucht, gulzigheid en wellust van vele prelaten;

"die duvel regneert nu onder dat gheestelijke volc"--aldus vat hij

ergens zijne indrukken van hun handel en wandel samen. Ook bij hem

vinden wij die neiging tot terugkeer naar den apostolischen eenvoud en

het christelijk communisme. Ook bij hem een ruimer en hooger opvatting

van vroomheid dan in die dagen het deel der meesten was. Hier en daar

weet hij die opvatting weer te geven met treffende levendigheid en

gezonde luim. Zoo b.v. waar hij spreekt over de trouwe kerkgangers die

telkens weer in zonden vallen, maar genoeg wanen te doen door eens in

het jaar ter biecht te gaan. "Soe seggen si: "Here, ic hebbe gheloghen

ende ghesworen. Ic en weet niemeer. Vraecht mij voert.... Ende dan seit

die pape [Zijnoot: priester.] ter selver stont--ende es also droncken

als een hont--"Absolvo te!" dats in dietsche: "Ic ontbinde oft ic

absolvere di." Ende dan seit die pape: "Joffrouwe, gaet thuuswert; sijt

onverveert. Vallen ende opstaen es menschelijc." JAN VAN LEEUWEN heeft

ook dien waarheidszin die hem doet schrijven: "Want ic bin der waerheyt

meer sculdech dan alre menschen of oec enechs menschen hulde [Zijnoot:

genegenheid.] te houdene, daer ic de waerheyt yet verswighen soude. Omme

sterven of oec omme leven en sal men der waerheyt niet afgaen, maer wy

selen rechte doerliden [Zijnoot: doorgaan.] voor de oghen Gods, sonder

yemene [Zijnoot: iemand.] te spaerne om gheniets [Zijnoot: voordeel.]

wille, noch arme noch rike, noch vriende noch maghe."

Echter blijft hij zich wel bewust van de grenzen die hij hier moet in

acht nemen: "van den alder quaetsten willic swighen". Hij heeft niet de

onafhankelijkheid van geest, waarmede de onbekende leek zich tegenover

kerk en priesters durft plaatsen; hij wil of durft zich niet zoo

uitlaten als deze over Mariadienst, mirakelen, heiligenbeelden,

vervolging om den geloove. Visioenen zullen wel in eere zijn geweest bij

hem, die zich bevoorrecht gevoelde door de "gracie Gods" die hem het

"scouwende leven" deelachtig had gemaakt.

In dat alles was "de goede kok" een man van zijn tijd, een middeleeuwsch

Katholiek; den onbekenden leek mag men "een middeleeuwsch Protestant"

noemen.

Dat JAN VAN LEEUWEN was zooals hij was, moet zeker goeddeels worden

toegeschreven aan den invloed van zijn prior, van den man dien hij

vereerde meer dan een heilige, die voor hem was "een seraphin in

hemelrike, den hoechsten enghelen ghelike", die zijne "edele gloriose

leringhe al eertrike dore ghesaeit ende ghespraeit" had--van JOHANNES

RUYSBROECK, wiens werk hier reeds meer dan eens even zichtbaar is

geworden, zooals een kerktoren bij eene nieuwe kromming van den weg.

Zijn leven maar vooral zijn werk gaan wij nu beschouwen.

Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I · 第 68 / 113 题