Goet berou mach als ghewouden [Zijnoot: alles goedmaken.]

en deze andere waar sprake is van MARIA:

Wie aen u soect ghenade,

Hi vint se, al comt hi spade.

behelzen de kern der beide eerstgenoemde werken. THEOPHILUS komt ten val

door eerzucht, BEATRIJS door onkuischheid; beiden krijgen om hun oprecht

berouw genade door tusschenkomst van de Heilige Maagd.

THEOPHILUS, een weldadig en aanzienlijk man, om zijne vroomheid geliefd

door den bisschop zijner woonplaats, wordt door dezen tot zijn opvolger

gekozen. Uit bescheidenheid weigert hij; een ander krijgt de hem

toegedachte plaats. Kwaadstokers zetten den nieuwen bisschop tegen

THEOPHILUS op; hij wordt van het bisschoppelijk hof verbannen; niemand

ziet meer naar hem om. Nu begint zijn strijd; hij vergelijkt zijn

vroeger aanzien bij zijne tegenwoordige versmaadheid. Een driftig

verlangen naar herstel in zijn vroegeren staat maakt zich van hem

meester; elk middel daartoe is hem goed genoeg. De Booze sluipt zijn

ziel binnen. Heimelijk onderzoekt THEOPHILUS of er ook iemand in de stad

is, die zich bezig houdt met tooverij of gemeenschap houdt met den

duivel. Ten laatste verneemt hij, dat er een Jood is die zijne ziel

heeft overgegeven aan den Booze en die menig ander daartoe heeft

gebracht op hoop van gewin. Te middernacht staat hij stilletjes op en

spoedt zich naar het huis van den Jood. Op zijn herhaald aandringen

opent deze de deur en verneemt de reden van zijn komst. Indien gij uwen

God en uw geloof wilt afzweren, zegt de Jood, dan zal ik u helpen. Den

volgenden nacht neemt hij THEOPHILUS met zich naar een "dwerse strate";

daar zien zij zwarte gedaanten die, kandelaars dragend, loopen te

zingen. Een hunner aanbidden zij: dat is hun heer LUCIFER. Vóór hem

gebracht, kust THEOPHILUS Satans voeten en verloochent God. De Booze

belooft hem zijn vroeger aanzien te zullen wedergeven. Dat geschiedt.

Maar na eenigen tijd ontwaakt het berouw. Hij zoekt troost en vergeving

bij MARIA.

In de tweede helft van het verhaal vinden wij zijne weeklachten tot de

Heilige Maagd, eene verheerlijking van hare goedheid, hare samenkomsten

met den berouwvollen zondaar en de vergiffenis, die zij voor hem weet te

verwerven. Ten slotte biecht THEOPHILUS wat er met hem gebeurd is aan

den bisschop en sterft kort daarna.

Deze geschiedenis bemoedigde BEATRIJS, toen zij, op hare beurt in zonde

gevallen, berouwvol haar hart voor de Heilige Maagd uitstortte. Zij was

eene hoofsche schoone non, die in een klooster den dienst van kosteres

getrouwelijk waarnam. Maar de duivel, die ons dag en nacht belaagt, doet

het vuur van den wellust in haar hart ontgloeien, zóó dat zij meent te

zullen bezwijken. Met vasten en bidden gaat zij den Booze te keer;

vergeefsch is haar strijd. Zij weet, dat zij moet vallen. Een brief van

hare hand aan een minnaar, een vriend harer jeugd, brengt dezen in het

klooster. Nog acht dagen, dan zal hij wederkomen met mooie kleeren voor

haar en geld voor hen beiden. 's Nachts vindt zij haar vriend in den

kloostertuin. Zij verkleedt zich onder eene wilde roos, hij tilt haar

vóór zich in den zadel; nu begint het te dagen in den oosten; onder het

zingen der vogels rijden zij het bosch in.

Zeven jaren lang leven zij in een vreemd land en krijgen twee kinderen.

Dan blijkt het geld verteerd, zij vervallen tot armoede, de armoede

verjaagt de liefde--bij den man. Heimelijk verlaat hij haar en hunne

kinderen. BEATRIJS kent geen ambacht; hoe zal zij voor hare kinderen

zorgen? Zich zelve geeft zij prijs. Zeven andere jaren worstelt zij zóó

door, in schande en kommer. Dan doet het berouw zijne stem luider en

luider hooren. Zij walgt van hare kostwinning. Bedelend trekt zij met

hare kinderen terug naar haar land en haar klooster en wordt uit

barmhartigheid opgenomen door eene weduwe, die bij het klooster woont.

Op hare vraag naar de kosteres BEATRIJS verneemt zij, dat deze nog

altijd in het klooster haren dienst getrouwelijk verricht. Een wonder is

geschied: MARIA zelve heeft den dienst waargenomen voor de zondige non,

die altoos, ook in de dagen van zonde en schande, haar _Ave Maria_ is

blijven bidden. Diep ontroert dat bericht de zondares. In tranen en

gebeden brengt zij nu hare nachten door. Is er vergeving voor haar?

"Maria, vrouwe, in een vurigen oven zou ik kruipen, mocht ik daardoor

vergiffenis verwerven." Eene stem in den nacht verkondigt haar, dat

MARIA zich haars ontfermt; zij moet zich heimelijk naar het klooster

begeven; de deur, waardoor zij eens is ontvlucht, zal open staan. Zij

treedt de kerk binnen; daar ligt haar kloostergewaad op het altaar en

hangen de sleutels der sacristie waar zij die had opgehangen dien

laatsten keer vóór hare vlucht. Het uurwerk slaat middernacht; als

vanzelf grijpt zij het klokketouw en begint te luiden voor de metten;

daar komen de nonnen afgedaald van den dormter en alles gaat als

vroeger. De abdis heeft zich, op verzoek der weduwe, die waant dat de

moeder heimelijk gevlucht is, met het onderhoud der kinderen belast.

Maar altijd blijft BEATRIJS bezwaard met het geheim van haar zondig

leven. Een visioen in den slaap brengt haar eindelijk tot volledige

biecht aan een abt bij zijn jaarlijksch bezoek aan het klooster. Evenals

de bisschop in het verhaal van THEOPHILUS, maakt ook de abt de

geschiedenis openbaar; doch anders dan de bisschop, verzwijgt hij den

naam van haar, wie deze dingen gebeurd zijn.

Zooals reeds uit het overzicht dezer twee verhalen kan zijn gebleken,

wint de _Beatrijs_ het van den _Theophilus_ in belangwekkendheid en

volheid van leven. THEOPHILUS is een der velen van wie in de

middeleeuwen het verhaal ging, dat zij zich aan den duivel verkocht

hadden; in de middeleeuwsche literatuur is dat niets bijzonders; met het

oog op dat punt van overeenkomst de figuur van THEOPHILUS naast die van

FAUST te plaatsen, heeft weinig zin. Alles hangt ook hier af van de

wijze, waarop een dichter eene dergelijke stof behandelt. Wat heeft

deze, ons onbekende, dichter van zijne stof gemaakt? Naar het schijnt

heeft hij andere bewerkingen der Theophilus-sage, die in de _Acta

Sanctorum_, de Latijnsche metrische bewerking van MARBODUS, bisschop van

Rennes, en eene Fransche van GAUTHIER DE COINSY, gekend en gebruikt.

Daardoor wordt de oorspronkelijkheid van zijn werk binnen vrij enge

grenzen beperkt. Echter heeft hij binnen die grenzen toch werk geleverd,

dat, hoe ongelijk ook, hier en daar verdienstelijk mag heeten. Niet

zelden schrijft hij passages waar gang en warmte in zijn, zoo b.v.

THEOPHILUS' bede om verschoond te mogen blijven van het bisschopsambt en

zijne berouwvolle weeklachten; levendig is het eerste onderhoud met den

Jood en belangwekkend naar den inhoud dat nachtelijk "manscap doen" aan

den Booze. Maar daartegenover staan te veel andere deelen van het

verhaal, waar onze belangstelling niet gaande wordt gehouden, de

wijdloopigheid ons verveelt, de dichter beneden zijn onderwerp blijft.

Voor een deel moet de zwakheid van zulke deelen natuurlijk worden

toegeschreven aan het middelmatig talent van den dichter; voor een ander

deel waarschijnlijk ook hieraan, dat hij niet zóózeer in zijne stof

verdiept was als een kunstenaar zijn moet om iets goeds voort te

brengen. Meer dan eens laat hij zijn verhaal in den steek om zich te

richten tot zijne tijdgenooten, om hen te berispen of te vermanen; zoo

o.a. waar hij klaagt over het gebrek aan nederigheid, waar hij zich

keert tegen de huichelaars, waar hij uitweidt over het onheil, door

booze tongen aangericht[12].

Anders dan de auteur van _Theophilus_, was de, eveneens onbekende,

dichter van _Beatrijs_ geheel _in_ zijn verhaal. Hij moge in den aanvang

terloops een blik slaan op de hedendaagsche nonnen, en

elders--begrijpelijk in eene Maria-legende--met een paar woorden

opwekken tot het bidden van een "Ave" wanneer men MARIA'S beeld

voorbijgaat--doorgaans toont hij zich geheel vervuld van zijn verhaal en

weet ons daarvan vervuld te houden.

Blijkbaar was de stof den dichter bekend geworden door mondelinge

overlevering, geen voorbeeld bond of belemmerde hem en die vrijheid van

beweging is aan zijn werk ten goede gekomen.

Welk een gevoelige ingetogen kunst valt hier te bewonderen in de wijze

waarop de schoone non is uitgebeeld in haar strijd met den

vleeschelijken hartstocht, met "Venus die duivelinne" zooals het lied

_van Heer Daniëlken_ het uitdrukt. Zij heeft gevast en gebeden, zich

gekastijd--alles tevergeefs; zij meent te zullen sterven in dien strijd.

Voor MARIA'S beeld stort zij nacht en dag hare klachten uit; wat baat

het? Zij vreest krankzinnig te zullen worden.

Echter hield des dichters vroomheid zijne verbeelding hier gestadig in

toom. De schoonheid der non beschrijven, acht hij niet oorbaar; haar

leven als "ghemene wijf" gaat hij voorbij. Op één plaats vlamt de

hartstocht op: wanneer de gelieven onder vogelgezang in het heldere

licht door de groene velden en de bosschen rijden en de jonkman BEATRIJS

verlokken wil om af te stijgen en zich minnelijk naast hem neer te

vlijen in het gras, vaart zij, beleedigd in hare kieschheid, tegen hem

uit: een dorper alleen zou zoo iets voorstellen! Maar, toorn van

gelieven is hernieuwing van liefde; bedwongen hartstocht doet haar

zeggen:

Waric in hemelrike gheseten,

Ende ghi hier in ertrike,

Ic quame tot u sekerlike.

Zelf schrikt zij van die opvlamming en bidt God om vergiffenis; zij

haast zich erbij te voegen dat de minste vreugde van den hemel verre

staat boven alle aardsche genot. Wijs zijn zij, die daarnaar streven;

"maar desniettemin moet ik in zonde vervallen om der wille van u,

schoone lieve vriend." Duidelijker nog zal deze strijd tusschen

vroomheid en hartstocht worden voor wie in de allerbevalligste Fransche

novelle _Aucassin et Nicolette_ eene dergelijke uiting, hier van een

minnaar, vergelijkt met die van BEATRIJS en ziet hoe teugelloos de

hartstocht daar voortschiet[13]. Met naïef-teedere intuïtie heeft de

dichter ons het gevoel van beklemdheid getoond, dat BEATRIJS bevangt

onder het rijden, als de dag gaat doorbreken en hare gedachten

terugvliegen naar het klooster, waar zij anders "priemtijt" zou hebben

geluid. Welke bevallige miniaturen zien wij in dat tooneeltje der beide

gelieven aan weerszijden van het getraliede venster en later in den

boomgaard! Hoe goed zijn ook de bouw en de evenredigheden dezer novelle,

die door hare zachte bevalligheid de forscher schoonheid van den _Karel

en Elegast_ naar de kroon steekt.

Geen wonder dat zulk een verhaal indruk maakte, dat men den invloed er

van gewaar wordt in het derde bovengenoemde Maria-verhaal: van _Jonitas

en Rosafiere_. JONITAS, een jong en vroom ridder, tevens vurig vereerder

van MARIA, is verloofd met de schoone ROSAFIERE. Op last van MARIA zegt

hij haar echter vaarwel; ROSAFIERE, onder een ongunstig gesternte

geboren, moet haren vader een kind baren en zeven jaren lang een zondig

leven leiden. JONITAS trouwt nu "t'Oriënten" ROSAFIERE'S zuster

EGLENTINE. In den bruidsnacht neemt ROSAFIERE, met toestemming harer

zuster, EGLENTINE'S plaats in. Zij weet hare kuischheid te bewaren en

JONITAS het geheim van hare toekomst te ontlokken. Op haar verzoek

brengt hij haar in een klooster van Grauwe Nonnen, waar zij portierster

wordt. Haar vader keert terug uit den oorlog tegen de Sarracenen,

verneemt waar zij is, verkoopt zijne ziel aan den duivel, dringt met

Satan's hulp het klooster binnen en maakt de voorspelling tot waarheid.

JONITAS brengt ROSAFIERE naar een ander land, waar zij zeven jaren lang

een zondig leven leidt. Nadat die zeven jaren verloopen zijn, brengt hij

haar terug in haar klooster en verneemt, dat MARIA al dien tijd

ROSAFIERE'S dienst heeft waargenomen. ROSAFIERE zal abdis worden,

JONITAS met zijne echtgenoote spoedig in het hemelrijk worden opgenomen.

Reeds uit dit overzicht zal gebleken zijn, dat dit verhaal op een paar

punten overeenkomst vertoont met dat van _Beatrijs_[14]. Andere deelen

er van vindt men in andere middeleeuwsche dichtwerken terug. Zoo is het

b.v. opmerkelijk, dat wij het motief der dochter, die haren vader

ontvlucht om bloedschande te ontgaan, aantreffen juist in een paar

Fransche Maria-mirakelen van dezen tijd[15]. Een ander motief: het

verwisselen eener bruid in den bruidsnacht, treffen wij aan o.a. in de

geschiedenis _van Tristan_, in die _van Baerte metten breden voeten_ en

een Fransch "conte dévot"[16]. Ook de roman _van Limborch_ schijnt den

vervaardiger van dit Nederlandsch werk niet onbekend te zijn

geweest[17].

De wijze, waarop deze en andere bestanddeelen van dit verhaal zijn

verbonden, getuigt evenmin van eenig letterkundig talent als de

bewerking van het geheel.

Zoolang wij omtrent dit rijmwerk niet meer gegevens hebben dan nu, is

niet met voldoende zekerheid te zeggen of het inderdaad nog tot de 14de

eeuw behoort, evenals de twee overige Maria-verhalen; inhoud, taal en

dichttrant maken het m.i. wel waarschijnlijk, doch het zou ook wel uit

den aanvang der 15de eeuw kunnen dagteekenen. Al ware dit bewezen, dan

nog zoude het hier niet misplaatst zijn als een half-geestelijke,

half-ridderlijke, onaanzienlijke nabloeier der vroegere poëzie.

Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I · 第 67 / 113 题