1. POËZIE.

1. Der Ystoriën Bloeme. Leven van S. Lutgart. Leven van S. Kerstine.

Leven van S. Amand. Leven van S. Kunera van Rhenen.

2. Vaghevier van S. Patricius. Boec van den Houte. Legende van het H.

Kruis. Theophilus. Beatrijs. Jonitas en Rosafiere.

Evenals de ridderpoëzie is de geestelijke poëzie van dezen tijd ten

deele eene voortzetting der vroegere. Dat geldt in de eerste plaats van

een aantal heiligenlevens, waarvan enkele misschien uit het laatst der

13de eeuw zijn, andere waarschijnlijk tot de 14de eeuw behooren; een er

van, _het Leven van Sint Amand_ is van 1366.

In _Der Ystoriën Bloeme_ hebben wij aanzienlijke fragmenten over van een

groot werk, dat volgens den proloog de levens der apostelen, der

martelaren en confessoren en die van heilige vrouwen en maagden zou

bevatten. Slechts de levens der apostelen zijn tot ons gekomen. Om den

afgebroken zinbouw, de vrij talrijke assoneerende rijmen en een zeker

waas van oudheid dat over dit werk ligt, zou het mij niet verwonderen,

indien latere vondsten ons toonden dat het nog in de 13de eeuw is

ontstaan; doeh zekerheid daaromtrent is voorloopig niet te verkrijgen.

Ook niet omtrent de vraag of een kleine 500 verzen van een dergelijk

werk over apostelen en martelaren, als "Sinte Pouwels jonghers", "Sinte

Tecla", "Sinte Nasarius en Celsus" deel van _Der Ystoriën Bloeme_ heeft

uitgemaakt. Men zou geneigd zijn, de vraag ontkennend te beantwoorden,

omdat de assoneerende rijmen, daar vrij talrijk, hier ontbreken. Het

eerste werk is zeker uit het Latijn vertaald, het tweede waarschijnlijk

ook, daar het verwijst naar een martyrologium[1]. Uit het Latijn

vertaald zijn ook het _Leven van Sinte Lutgart_ door zekeren "broeder

GERAERT" en dat _van Sinte Kerstine_. Voorts het _Leven van Sinte Amand_

dat vervaardigd is door zekeren GILLIS DE WEVEL, vertaald uit het

Latijn, onder gebruikmaking van geschriften als UTENBROEKE'S _Spieghel

Historiael_; en ten slotte mag misschien een gedicht _van Sinte Kunera

van Rhenen_, "hare gheboerte, hare passie en die verheffinge", ook nog

tot de 14de eeuw gebracht worden[2]. De vijf eerstgenoemde werken zullen

wel alle uit Zuidnederland afkomstig zijn; het laatste schijnt, naar het

dialect te oordeelen, in Gelderland te zijn ontstaan; is dat zoo, dan

ligt het vermoeden voor de hand, dat het in Rhenen zelf of de omstreken

van dat stadje zal zijn vervaardigd.

Voor de geschiedenis der Roomsche kerk mogen deze heiligenlevens van

niet geringe beteekenis zijn--in die der Nederlandsche literatuur kunnen

zij slechts een bescheiden plaatsje innemen. In geen dezer werken vindt

men iets dat op poëzie ook maar gelijkt en weinig of niets

karakteristieks. _Der Ystoriën Bloeme_ bevat slechts gebrekkig berijmd

proza, de levens _van S. Christina_ en _S. Lutgart_ zijn beide

letterlijk vertaald uit het Latijn van THOMAS VAN CANTIMPRÉ en toonen

weinig of niets eigens; de verzen in deze beide werken, ten minste in

_S. Lutgart's Leven_ zijn beter dan die in de twee eerstgenoemde[3]. Ook

de beide andere heiligenlevens, vooral dat _van Sinte Kunera_ hebben

voor de geschiedenis der literaire kunst weinig te beteekenen. Van eene

reactie tegen de ridderpoëzie, zooals in de geestelijke poëzie van een

vroeger tijdvak, is hier weinig te bespeuren. Het eenige van dien aard

waarop men zou kunnen wijzen is deze in het _Leven van Sinte Christina_

gevoegde opwekking:

En neemt meer bispel aen de papen

Dan aen riddre ocht aen knapen[4].

Ook zou men hiertoe kunnen rekenen eene vergeestelijking van het

koningspel die men vindt in het _Leven van Sint Amand_. De samensteller

van dat laatste rijmwerk richt zich niet zelden tot zijne hoorders om

hen te vermanen, te waarschuwen of te berispen[5]. In die, trouwens

weinig beteekenende, deelen van zijn werk vinden wij dus iets eigens.

Zoo geeft ook de vertaler der _Vita_ van de H. CHRISTINA op een enkele

plaats een bewijs zijner kieschheid[6]. Daarmede hebben wij alles

genoemd, wat hier vermelding verdient; eene schrale oogst, zooals men

ziet.

Naast deze vertaalde heiligenlevens staan, evenals in de ridderpoëzie

van dezen tijd, eenige andere werken, die van meer zelfstandigheid

getuigen of inderdaad oorspronkelijk mogen heeten. Een overgang tusschen

beide soorten vormt het, waarschijnlijk uit het Latijn vertaalde,

gedicht _Van den Vaghevier dat sente Patricius vertoghet was_[7]. Wij

vinden hier eene beschrijving van een tocht naar het Vagevier, die

volbracht werd door zekeren ridder, en van al de geheimenissen, door hem

in de grot van den H. PATRICIUS op het eiland Ulton gezien. Het verhaal

had diepen indruk gemaakt op den bewerker, die ons mededeelt:

... noit en quam mi dicht soe na

doch hij is er niet in geslaagd zijne indrukken te verwerken tot een

letterkundig voortbrengsel van eenige beteekenis. Wij mogen de oorzaak

der zwakheid van het werk niet zoeken in de opvatting van den dichter,

voor wien het Vagevier iets stoffelijks was ("materelic"), evenals de

pijnen, die de zielen er te doorstaan hadden. Dat was immers de

algemeene opvatting dier dagen, die men terugvindt o.a. in een

13de-eeuwsch gedicht _Le Purgatoire Seint Patriz_ van MARIE DE FRANCE,

en zelfs bij DANTE. Maar de bewerker of vertaler was blijkbaar iemand

van geringe poëtische vermogens. Niet veel hooger stond de bewerker van

_dboec vanden houte_, een der talrijke middeleeuwsche verhalen over de

voorgeschiedenis van JEZUS' kruis. Volgens dit verhaal ontving ADAM'S

zoon SETH van den hemelschen wachter bij het Paradijs drie pitten van de

vrucht, aan den boom der kennis gegroeid. SETH legde deze pitten in den

mond van zijn stervenden vader en begroef ze met het lijk. Uit de drie

pitten schoten drie loten op: ceder, cypres en pijnboom, zinnebeelden

van Vader, Zoon en H. Geest. DAVID plantte ze over naar Jeruzalem, waar

zij opwiessen en samengroeiden tot één boom. SALOMO liet den boom

ombouwen om hem bij zijn tempelbouw te gebruiken. Na allerlei

lotgevallen wordt deze stam later gebezigd om er een kruis voor CHRISTUS

uit te maken.

Naar het schijnt, heeft de bewerker der Nederlandsche legende zijne stof

aan het Latijn ontleend en haar vrij zelfstandig bewerkt[8].

Een zwak dichter was ook de man, die eene legende _van het Heilige

Kruis_, verbonden met een verhaal van Denen in Brabant, heeft

berijmd[9]. Blijkbaar kende de auteur dezer legende de vroegere

speelmanspoëzie: een koning (hier DAVID BRUCE, koning van Schotland) die

wenscht te huwen, die boden zendt tot een anderen koning (MAGNUS van

Denemarken) "over mere" om de hand zijner dochter, het uitrusten van een

schip--dat zijn, gelijk wij vroeger hebben gezien gewone motieven uit de

speelmanspoëzie[10]. De prinses, die met dat schip overgevoerd zal

worden, sterft onderweg; de Denen durven zonder haar niet in Schotland

komen, maar besluiten te landen aan de Brabantsche (Zeeuwsche?) kust en

zich daar te vestigen. Op een verkenningstocht komen zij in de buurt van

Breda, waar zij eene burcht bouwen, die den naam van Brunensteen krijgt

en weldra een roofnest wordt. De roovers maken het ten laatste zoo bont,

dat zij op bevel van den hertog van Brabant door den Heer VAN WESEMAELE

worden verslagen; hun burcht wordt geslecht.

Deze Denen zijn door den bewerker voorgesteld als Christenen, wat

kwalijk past bij hun gansche bedrijf, maar noodig was om verband te

kunnen brengen tusschen hunne geschiedenis en die van het Heilig Kruis.

In hunne kapel hadden de Denen namelijk een kruis gemaakt, dat na de

slechting van den burcht in de kerk van Breda geplaatst werd en daar

menig wonder deed.

Misschien is in dit verhaal een nagalm van de rooftochten der Noormannen

blijven hangen; zeker is, dat noch in de wijze waarop de beide deelen

zijn verbonden, noch in de bewerking van het geheel eenige

kunstvaardigheid of iets literair karakteristieks valt op te merken.

Meer van dien aard is er in twee van de drie Maria-legenden, welke uit

deze eeuw dagteekenen: de geschiedenis _van Theophilus_, _van Beatrijs_

en _van Jonitas en Rosafiere_[11]. Dit vers uit _Beatrijs_:

Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I · 第 66 / 113 题