Men speelder met sweerden ende met kniven

dan zien wij hoe rekbaar het begrip _speelman_ was en dat het in de

middeleeuwen ook allerlei kunstenmakers omvatte. Nergens zien wij dat

zoo duidelijk als op eene plaats in de Nederduitsche compilatie

_Karlmeinet_ die omstreeks 1300 uit Nederlandsche romans is

samengesteld. Daar wordt ons een overzicht gegeven van de kunst en de

kunsten van

Hundert mynistrere

De wir nennen speleman.

Dezen bespelen allerlei muziek-instrumenten: de vedel, den hoorn, de

harp, het salterie; genen kunnen spreken van wapenen, van avonturen en

van minne; anderen goochelen onder den hoed, vangen bekkens (blijkbaar

draaiende) met stokken op, tuimelen en springen, dansen met honden, eten

vuur, zingen als een nachtegaal, schreeuwen als een pauw[18].

Hier zien wij duidelijk de afkomst van ons reizend kermisvolk, die

paria's en nomaden der hedendaagsche samenleving. Trouwens hunne

middeleeuwsche voorgangers stamden weer rechtstreeks af van de

Romeinsche "mimi." In deze kringen, waarin ook niet zelden zwervende

klerken (goliarden, vaganten) werden opgenomen, zullen wij

waarschijnlijk de dichters hebben te zoeken die onzen _Bere Wisselau_,

misschien ook de reize _van Sente Brandaen_ hebben vervaardigd.

Van de dichters komen wij tot de wijze waarop zij hun werk aan het

publiek mededeelden en tot dat publiek zelf. Alle poëzie, en zeker het

grootste deel van het proza der middeleeuwen, was in de eerste plaats

bestemd, te worden voorgedragen en aangehoord. Tallooze plaatsen ook in

onze middeleeuwsche literatuur kunnen daarvan getuigen. Ik heb het oog

op uitdrukkingen als: "Nu hoort....", "dat u te hoorne dunket zoete",

"hoort er naer", "nu hoort vort van deser dinge" enz.[19]. Bij de

voordracht van ridderromans zal het publiek, ten minste aanvankelijk,

wel voornamelijk uit edelen of ten minste aanzienlijken hebben bestaan.

Het publiek wordt daar gewoonlijk aangesproken met: "gi heren ende gi

vrouwen"; de hoofsche WILLEM VAN AFFLIGHEM zegt ook wel: "gi vrouwen

ende heren"[20].

Soms wordt deze benaming afgewisseld met: "gi goede liede"; doch men

moet hierbij in aanmerking nemen dat deze uitdrukking eene

beleefdheidsformule was: "een goet man" is wat wij noemen: een

fatsoenlijk man, een man van eer. De dichter van _Floris ende

Blancefloer_ spreekt bepaaldelijk niet tot dorpers, maar tot lieden van

stand en ontwikkeling[21]. Het _Leven van Sinte Lutgart_ richt zich nu

eens tot "heren ende vrouwen", dan weer tot "closterliede", "grote ende

clene", "man noch wijf in desen ringe". Zijne uitdrukking: "die hier te

ringe sijt geseten" toont ons, dat het publiek ook wel in een kring om

den voordrager heen zat.

Iets gemoedelijks ligt er in het "kinder" of "lieve kinder", waarmede

MAERLANT in zijn _Merlijn_ en de bewerkers van het _Roelands-lied_ en

van het gedicht _Van den Levene ons Heren_ soms hun publiek

aanspreken[22].

Indien de dichters der twee laatste gedichten, zooals men vermoeden mag,

tot den geestelijken stand behoorden, evenals MAERLANT, dan paste die

wijze van aanspraak in hun mond wel; minder in dien van

niet-geestelijken die later hun werk voordroegen.

Die opmerking brengt ons tot de vraag naar de verhouding van dichter tot

voordrager. In menig geval zal de dichter tevens de eerste voordrager

van zijn werk zijn geweest; immers de meeste dichters zullen hunne kans

hebben waargenomen om met iets nieuws de aandacht te prikkelen. Doch

zoodra het oorspronkelijk handschrift door afschriften vermenigvuldigd

was, konden ook anderen het werk ten gehoore brengen. Uit de prologen

van sommige der hier behandelde dichtwerken blijkt, dunkt mij, dat de

dichters op latere voordragers gerekend hebben[23]. Het vermelden van

des dichters naam in den proloog moest waarschijnlijk denzelfden dienst

doen als in onzen tijd de naam van den schrijver op het titelblad. In

sommige gedichten (_Moriaen_, _Carel en Elegast_, _Levene ons Heren_,

_Seven Vroeden_) schijnen dichter en voordrager aanvankelijk dezelfde

persoon te zijn

geweest; de dichter-voordrager spreekt daar tot zijne hoorders in den

eersten persoon; die prologen zijn zoodanig, dat ook een later

voordrager dat _ic_ kon behouden. In andere werken (_Floris en

Blancefloer_, _S. Frandscus_, _Walewein_, _Troyen_, _Merlijn_) begint de

dichter wel met _ic_, doch gaat later over tot het noemen van zijn naam

en spreekt van zich zelven in den 3en persoon. Op die wijze bleek bij

eene voordracht door een ander toch, wie de dichter was. Ook het

omgekeerde komt voor: de dichter van den _Reinaert_ begint met: "WILLEM,

die... hem... hi" en spreekt later van zich zelven met _ic_; hetzelfde

geval treffen wij aan in _der Naturen Bloeme_ en den _Rinclus_. Hier

zullen wij moeten denken aan den overgang van _oratio indirecta_ tot

_directa_, dien wij vroeger in een ander verband hebben besproken.

Werden voordrachten van poëzie vooral des zomers gehouden? Indien men

MAERLANT'S uiting dienaangaande in _Heimelijcheid der Heimelijcheden_

gewicht mag toekennen, dan: ja. In den zomer, zegt hij, pleegt men zich

op allerlei wijze te vermaken:

Ende men brinct soeten sanc te voren,

Ende men moet dan geesten [Zijnoot: geschiedenissen.] horen

Die ghenouchlijc sijn int vertellen

Ende lachen dan met goeden ghesellen[24].

Doch anderzijds zal men, vooral op de kasteelen van den adel, juist

des winters en in den herfst meer behoefte hebben gehad aan zulke

voordrachten dan in de andere seizoenen.

Was het publiek nu, staand of zittend, om den voordrager geschaard,

dan verzocht hij een "ghestille" en de voordracht ving aan. Begon hij

dadelijk met spreken? Indien wij ons herinneren, dat de menestrelen

tevens muzikanten waren, dan is het niet onwaarschijnlijk dat zij

begonnen zijn met een klein voorspel. Zoo lezen wij in den roman _van

Lancelot_:

Hi tymperde die harpe eer iet lanc,

Ende begonste harpen enen sanc[25].

Of, en zoo ja, in hoever muziek ook de verdere voordracht begeleid

heeft, daaromtrent is ons niets bekend. Wij weten zelfs niet, of de

verzen in den toon van het recitatief of slechts rhythmeerend

voorgedragen werden.

Bepaalden de menestrelen hunne voordracht tot het eenvoudig zeggen der

verzen, of streefden zij er ook naar, de personen in hun verhaal ten

minste met de stem, misschien ook in houding en gebaar, te verbeelden?

Verwonderlijk zou dat niet zijn. Niet zonder reden noemden de inwoners

van Provence een speelman: _contrafazedor_, d.i.: conterfeiter,

nabootser. Het voordragen van een stuk door één persoon met

verschillende stemmen was in het middeleeuwsch Europa niet onbekend; en

waarom zou een speelman die nachtegaal en pauw nabootste, ook niet een

menschenstem nabootsen?[26]

Het is begrijpelijk dat MAERLANT die zeker wel eens zulke speellieden

pauw, nachtegaal en andere vogels heeft hooren nafluiten en nabootsen

(wie hoorde zulke kunstenaars nooit ten platten lande of in kleine

steden?) dacht aan den vogel Garrulus, de gaai, die ook bij de

hedendaagsche vogelkenners geroemd wordt om zijn nabootsingstalent.

Vooral de Vlaamsche gaai moet "een der meest begaafde en onderhoudende

inheemsche spotvogels" zijn. Sommigen kunnen hinneken als een veulen,

anderen hebben zich geoefend in het kraaien als een haan en het kakelen

als een hen. Een hedendaagsch natuuronderzoeker vertelt ons, hoe hij

eens in het bosch in een hoogen berk eerst het gezang van de lijster

hoorde, daarna het gepik van den specht, toen het gekras van de ekster,

de stem van den spreeuw... en eindelijk, opkijkend, een Vlaamsche gaai

boven zich zag[27].

Op de reeds meer dan eens vermelde plaats van _der Naturen Bloeme_ nu

lezen wij van de gaai:

Wat so bi hem lijt [Zijnoot: hem voorbijgaat.] ooc mede,

Ist man, ist voghel, ist enich dier,

Bespot dit voghelkijn al hier,

Ende conterfaet alrehande luut

...

...

Gheplumt ist van menigher ghedane

...

...

Garrulus dit dinct mi vele

Bedieden some menestrele,

Die altoes sijn onghestade,

Ende callende vroe ende spade

Vele boerden, vele lueghen,

Ende conterfeiten dien si moeghen,

Bede riddere ende papen,

Porters, vrouwen ende knapen,

Daer si scone sijn omme gheplumet.

Beschouwt men deze verzen in het licht, dat de voorafgaande

mededeelingen daarop werpen, dan zal men wel mogen aannemen, dat de

bedoelde menestrelen inderdaad door stem, houding en gebaar de personen

in hun verhaal trachtten uit te beelden. Zelfs acht ik het, met het oog

op het laatste vers, waarschijnlijk, dat de menestrelen soms

gekostumeerd zijn opgetreden.

Gewoonlijk zal de menestreel voorgedragen hebben uit een handschrift. Op

zulk eene voordracht immers doelen de talrijke plaatsen waar van _lesen_

sprake is in den zin van _voorlezen_[28]. In verband daarmede wordt, ten

minste in _Sinte Lutgarts Leven_, de voordracht zelve _lesse_

genoemd[29]. Opmerkelijk is ook de niet zeldzame uitdrukking "singen no

lesen" of "lesen ende singen", die misschien aan den kerkdienst ontleend

is, maar ons toch ook aan het Oudgermaansche _singen und sagen_

herinnert[30].

Voordragers met een sterk geheugen, die gansche gedichten uit het hoofd

opzeggen en daardoor zooveel sterker indruk kunnen maken, zijn er ook nu

nog. Zij zullen in die vroegere tijden, toen het geheugen zooveel minder

beladen en overladen werd, zeker niet minder talrijk zijn geweest. Men

zal dit te eer aannemen, indien men bedenkt, dat vele dier menestrelen

zich gedurende een groot deel van hun leven in de kunst der voordracht

oefenden en dat zij er van leven moesten. Kortere stukken zullen

doorgaans wel uit het hoofd voorgedragen zijn.

Echter schijnt het als een bewijs van vaardigheid te hebben gegolden,

indien men sprak zonder eenigen tekst ter hand te hebben. Wij lezen op

eene vroeger vermelde plaats van den _Karlmeinet_, dat er menestrelen

waren

De van mynnen ind leve [Zijnoot: liefde.]

Sprachen _sunder breve_[31].

Maer hetzij de voordrager uit het hoofd voordroeg hetzij hij las, hij

kon niet voortdurend spreken en de aandacht zijner hoorders had grenzen.

Zeker, het publiek dier dagen, niet verwend en luistergraag, zal niet

spoedig te veel hebben gekregen. Toch zijn de voordragers er wel op

bedacht, aan het dreigend "te veel" te ontkomen. Zij beseffen, dat zij

hier en daar kort moeten zijn; dat toonen ons staande uitdrukkingen als:

"Wat holpe hiertoe lange tale?" of eene wending als deze uit _Floris en

Blancefloer_:

Het soude u allen dinken te lanc,

Noemdic u die gherechten alle[32].

Telkens prikkelen zij de belangstelling, niet alleen door toespelingen

op gebeurtenissen die eerst veel later zullen voorvallen, maar ook door

bijzondere opmerkzaamheid te vragen voor hetgeen onmiddellijk zal

volgen. Het zijn wendingen als: "Hoort hier wonder groot!", "Hoort hier

ontfermelike dinc!" of:

Nu alre irst so mogedi horen

Utenemende aventuren.

Ook klinkt het wel overredend:

Maer wildi vort met lesen duren,

Ghi sult hier horen scone die jeeste[33].

Ondanks die voorzorgen zal een voordracht de hoorders wel eens verveeld

hebben. WILLEM VAN AFFLIGHEM'S mededeelingen over zijn publiek verdienen

stellig niet alle letterlijk te worden geloofd; doch de aardige verzen

waarin hij de verveling zijner hoorders teekent, zullen zeker wel voor

een deel werkelijkheid bevatten[34]. Een zoo omvangrijk gedicht als het

_Leven van Sinte Lutgart_ zal wel in verscheidene "lessen" en op

achtereenvolgende dagen ten gehoore zijn gebracht; het spreekt vanzelf

dat voordrager en toehoorders van tijd tot tijd moesten pauzeeren. Met

de groote ridderromans zal het wel niet anders zijn gegaan. Doch men

behoefde natuurlijk niet steeds een werk in zijn geheel voor te dragen;

het karakter van vele middeleeuwsche dichtwerken leende zich zeer goed

juist tot gedeeltelijke voordracht.

De vraag doet zich hier op: hoeveel verzen droeg men gewoonlijk in ééne

"lesse" voor? Zou men ook te onzent, evenals misschien in Frankrijk,

niet meer dan twee of drie duizend verzen tegelijk hebben gelezen of

gezegd[35]?

Ook deze vraag is lichter gesteld dan beantwoord. Er is in dezen nog

niets onderzocht en het onderzoek is moeilijk. Wij kunnen slechts door

een paar voorbeelden de richting aangeven, waarin met eenige kans op

vinden kan worden gezocht.

In den grooten roman der _Lorreinen_ die waarschijnlijk uit een

honderdduizendtal verzen heeft bestaan en dus onmogelijk in zijn geheel

kan zijn voorgedragen, vindt men op meer dan een plaats verzen die het

begin, andere die het eind eener "lesse" schijnen aan te wijzen; niet

zelden geeft de voordrager daar eene korte samenvatting van hetgeen te

voren verhaald was, om daarna den draad van zijn verhaal weer op te

vatten. Zulke literaire pleisterplaatsen vindt men ook in den _Walewein_

en den _Reinaert_. In de _Lorreinen_ leest men b.v. (na de gewone

opwekking tot aandacht: "Nu hort, gi heren, dat u God lone") deze

samenvatting:

Gi hebt hier voren wel gehort,

Hoe van Bordeas der port

Was gereden her Garijn

enz.

Elders in dezen roman vinden wij zelfs een overzicht van den inhoud der

drie groote deelen van het gedicht, en iets later deze samenvatting van

het voorafgaande:

Gi hebt hier voren verstaen wel,

Hoe Gelloen die ridder fel

enz.

Op weer eene andere plaats, waar men eene dergelijke recapitulatie

vindt, is deze tevens in het handschrift aangegeven door een groote

geschilderde hoofdletter[36].

Zoo ook in den _Walewein_:

Nu latic hier of die tale,

Ic salre weder toe keren wale.

Ghi hebt wel ghehort hier voren

Hoe Walewein die ridder uutvercoren

Jeghen den roden ridder vacht

Die....

Op eene andere plaats in dien roman vindt men bij een: "Ic wille corten

mine tale" misschien het eind eener voordracht[37]. Dat

men het gedicht _Van den Vos Reinaerde_, bijna 3500 verzen, in ééne

"zitting" zou hebben voorgedragen, is niet onmogelijk; doch

waarschijnlijk dunkt mij, dat menige voordrager een rustpunt gekozen zal

hebben bij de afsluitende verzen 1686-'8:

nu moet hi pleghen siere sele

Reinaert bi Grimbeerts rade,

ende ghinc te hove up ghenade.

om dan later opnieuw aan te vangen met het recapituleerende vs. 1689:

Nu es die biechte ghedaen.

Een drietal recapituleerende verzen vinden wij een eind verder na vs.

1962. Wij lezen daar:

Nu waren die drie heren gereet,

die Reinaerde waren te wreet.

dat was de wulf ende Tibeert

ende her Bruun die hadde gheleert

honich stelen te sinen scaden.

Doch zou een voordrager dan een eind hebben gemaakt aan zijne "lesse"

midden in het verhaal der voltrekking van het vonnis aan Reinaert die

tot de galg veroordeeld is? Ik antwoord: waarom zou hij de aandacht

zijner hoorders niet gespannen hebben met dezelfde kinderlijke

kunstgreep, waarvan zich in onzen tijd AIMARD en dergelijke auteurs

bedienen, wanneer zij een hoofdstuk besluiten met: "Eensklaps weergalmde

een schot!" of: "De doodstraf nam een aanvang"?

Behalve de mogelijkheid dat men den _Reinaert_ in zijn geheel of in twee

deelen zal hebben voorgedragen, bestaat ook deze andere: dat men telkens

slechts één of meer der afzonderlijke verhalen hebbe gekozen waaruit het

gedicht bestaat. Men zal b.v. eene indeeling kunnen gevolgd hebben als

deze: Inleiding (vs. 1-464); Bruin's zending naar Malpertuis (vs.

465(518)-1014); zending van Tibert (vs. 1043-1356); zending van

Grimbaert (vs. 1357-1750); Reinaert ten hove (1751-3018; misschien met

een rust vóór vs. 2551: "Doe Reinaert quite was ghelaten"); Reinaert's

wraak (3019-3476). In allen gevalle is het wel opmerkelijk, dat de

Latijnsche vertaling van ons gedicht verdeeld is in een aantal

hoofdstukken, die vrij wel overeenkomen met de bovenvermelde, door mij

afgedeelde, "lessen".

Een voorbeeld van verdeeling in hoofdstukken in een Dietsch gedicht

geeft ons o.a. de roman _van Limborch_. Dit verhaal is verdeeld in een

aantal boeken, welke--evenals in de _Lorreinen_--door eene groote

gebloemde letter zijn onderscheiden[38]. Sommige dezer boeken die van

1000-1400 verzen tellen, kunnen zeer wel achtereen zijn voorgedragen. In

de overige die omvangrijker zijn, vindt men soms aan het slot van eenig

onderdeel een "amen!" dat mij een rustpunt toeschijnt[39].

Bij deze eerste stappen op een te onzent nog schaars betreden pad moeten

wij het hier laten. Tot een bepaald antwoord op de in den aanvang

gestelde vraag zijn wij niet gekomen. Zal voortgezet onderzoek ons dat

brengen? Voorloopig meen ik het te moeten betwijfelen. Voor den omvang

dier middeleeuwsche voordrachten eene norm te vinden, schijnt mij

uiterst moeilijk, zoo niet onmogelijk. Ook hier zal het leven te rijk

zijn geweest, dan dat men het zou kunnen vastleggen in eene regelmaat

van lager orde. Waarom zou men niet soms 500 en op een anderen keer 1000

en bij weer een andere gelegenheid 2000 verzen hebben voorgedragen? Of

welk ander aantal ook, afhankelijk slechts van de omstandigheden, den

aard der stof in verband met de aandacht van het publiek en de

persoonlijkheid van den voordrager?

Nog een enkel punt vraagt onze aandacht, eer wij dit deel van ons

verhaal kunnen besluiten.

Alle poëzie--zeiden wij vroeger--en het grootste deel van het proza der

middeleeuwen was in de eerste plaats bestemd te worden voorgedragen en

aangehoord. In die uitspraak ligt opgesloten, dat verzen en proza ook

langs een anderen weg ter kennisse van het publiek konden komen; men

begrijpt, dat ik het oog heb op het zelf en voor zich zelven lezen.

Er zijn in de tweede helft der 13de eeuw wel reeds lezers, in onzen zin

des woords, geweest. Het ligt voor de hand, dat wij die in de eerste

plaats onder de geestelijkheid en daarna onder den adel zullen vinden.

Zoo zegt MAERLANT'S vriend MARTIJN aan het slot van het strophisch

gedicht _Van der Drievoudecheide_:

Als ic dit lese ende spelle

Maghic leren, als ic vertelle,

Mijn ghelove al bloot.

In den proloog van _Sinte Lutgarts Leven_ lezen wij:

Mar wonder hevet mi van desen

Warumme si so gerne lesen

Van ouden sagen dat gedichte,

Ende oc geloeven also lichte

Din logeneren die se tellen[40].

En aan het slot van het Tweede Boek spoort hij ieder die hem niet

gelooft aan:

Dat hi die vite van der maget

...

Of selve lese, ochte imene el

Hem lesen doe[41].

In een van MAERLANT afkomstig deel van de bewerking der _Historie van

Troyen_ voorspelt de dichter, sprekend van HECTOR'S dood:

Oec alle heren ende vrouwen

Diet lesen, sullen maken rouwe[42].

En in _der Naturen Bloeme_ zegt hij tot Heer NICLAES VAN CATS:

Ghebiedijt, here, dit suldi lesen,

Die wile dat ghi ledich sout wesen[43].

Misschien heeft MAERLANT in zijn _Rijmbijbel_, die toch tenminste

evenzeer voor de gemeenten als voor den adel bestemd was, het oog op

zelf lezen, als hij schrijft:

Nu merct ghi die hier in zult lesen,

Wat nutscap hier an zal wesen.

Werden er dus wel lezers gevonden, groot kan hun aantal niet geweest

zijn. Waren er veel edelen die vlot konden lezen? Het mag betwijfeld

worden. Ook had de adel tal van vermaken en ontspanningen die hij hooger

stelde dan deze vermoeienis des geestes. De geestelijken konden wel

lezen, doch Latijnsche geschriften genoten bij hen de voorkeur. In de

kloosters werd bovendien onder de maaltijden veel voorgelezen.

Voorzoover de monniken zelven lazen, beperkte zich hunne lectuur

waarschijnlijk tot liturgische of stichtelijke geschriften. Onder de

gemeentenaren werd de leeskunst zeker weinig beoefend. Het lager

onderwijs was uiterst gebrekkig. Indien een poorter al kon lezen, dan

eischte het koopen van een handschrift toch eene vrij hooge mate van

stoffelijke welvaart, want een handschrift bleef vooreerst nog een

voorwerp van weelde; het lezen eischte smaak in geestelijke ontspanning,

vrijen tijd en niet minder zekere zelfstandigheid van gevoelen en

denken, zich openbarend in het kiezen van eigen lectuur, die verre van

algemeen verbreid was.

Eer de Dietsche laaglanders tot die zelfstandigheid van gevoelen en

denken konden komen, hadden zij nog menig stadium van ontwikkeling te

doorloopen. In het eerstvolgende dier stadiën zullen wij hen nu

gadeslaan.

Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I · 第 51 / 113 题