Tot nog toe hebben wij ons bezig gehouden vooral met de dichtwerken die
gedurende de 12de en de 13de eeuw door deze volken zijn voortgebracht;
de personen der makers bleven op den achtergrond. Op dien achtergrond
moeten zij blijven, omdat, ten minste in het verhaal van de ontwikkeling
eener middeleeuwsche literatuur, de persoon des dichters minder
gewichtig is dan zijn werk. Toch is het wenschelijk, dat wij op dien
achtergrond meer licht doen vallen; dat wij samenvatten wat ons van die
dichters met of zonder naam bekend is. Tevens geeft ons dat gelegenheid
mede te deelen, wat wij weten van het publiek waartoe zij zich richtten,
van de wijze waarop en de omstandigheden waaronder literaire werken toen
ter kennisse van het publiek kwamen.
Een middeleeuwsch dichter schreef verzen of proza, omdat hij er roeping
toe gevoelde of omdat zijn beroep het medebracht. Het spreekt vanzelf,
dat beroep en roeping niet steeds samengingen; doch ook dat door het
beroep de roeping niet noodwendig werd uitgesloten.
Tot hen die dichtten, omdat zij er roeping toe gevoelden of omdat zij er
behagen in schepten, zullen wij wel geestelijken of "clercken" mogen
rekenen zooals WILLEM VAN AFFLIGHEM, WILLEM VAN UTENHOVE, HADEWYCH,
MAERLANT, de dichters van _Rinclus_, _Van den Levene ons Heren_, van den
_Dietschen Catoen_, _Esopet_ en dergelijke werken; ook JAN VAN BRABANT,
de edelen en hoofsche "clercken" die minneliedjes dichtten en de
dichters van volksliederen. Het is wel mogelijk dat sommige dezer
dichters zich, evenals MAERLANT, van het wereldsche tot het ernstige of
stichtelijke hebben gewend; wij kunnen het echter slechts van één hunner
bewijzen. De bewerker der _Disticha Catonis_ namelijk verhaalt ons in
zijn proloog:
Als ic die minne sach, ic louch;
Nu haticse al in minen sinne
Die minne draghen entie minne
Ende hebbe ghekeert minen moet
An die ghenen die siin vroet.
Wij hoorden vroeger een paar dezer dichters: MAERLANT en WILLEM VAN
AFFLIGHEM, op minachtenden toon spreken over andere dichters die zij
_menestrelen_ noemen. MAERLANT heeft een afzonderlijk hoofdstuk van zijn
_Spieghel Historiael_ gewijd aan "'t scelden jegen die borderers", d.i.
romanschrijvers; aan het slot van dat hoofdstuk zien wij dat hij het oog
heeft op de "menestrele", die dus ook door hem als de dichters der
ridderromans werden beschouwd[1]. En WILLEM VAN AFFLIGHEM spreekt van de
menestrelen als van "logeneren". Blijkbaar gevoelen zij zich door hunne
geleerdheid en ontwikkeling, ook door hun streven naar waarheid en
vroomheid verheven boven die verdichters van fabelen en luchtige
verhalen van oorlog en minne. MAERLANT weet dan ook zijn afkeer van al
te wereldschgezinde "clercken" niet beter uit te drukken, dan door eene
schildering van hun uiterlijk te besluiten met de woorden:
Dit en sijn niet clerke, maar menestrele[2].
Deze menestrelen behoorden, zooals hun naam (ministeriales) aanduidt,
tot de dienaren van den adel; hun taak was vooral, den heer en zijn
"gezinde" met muziek en zang of voordracht van poëzie te vermaken. Een
dienaar van die soort hebben wij reeds ontmoet in dien knecht van den
Brabantschen ridder, Heer GOOSEN VAN VELPEN, die gewoon was "te pipen
ende te singhen" en die door zijne onkuische liedjes de harten der
maagden prikkelde. De vereeniging van muziek en poëzie vinden wij ook
bij de menestrelen van wie MAERLANT spreekt in _der Naturen Bloeme_ naar
aanleiding van den vogel _Garrulus_[3]. Het "pipen en mauwen" van den
menestreel kan kwalijk iets anders beteekenen dan het spelen op de
pijpen ter begeleiding van zang of voordracht.
Niet alleen om hun heer den tijd te korten, dienden hem de menestrelen;
zij waren er ook op uit, zijne roemzucht door hun loftuitingen te
prikkelen, in de hoop op geschenken zijnerzijds. Lof en roem
verwerven--MAERLANT zegt het ons--daarnaar streefden de meeste ridders:
Want die ridder niet gheroet [Zijnoot: rust.],
Hine verslijt vleesch ende bloet,
Updat sijn prijs mere.
En dat de menestrelen die roemzucht trachtten te bevredigen, vernemen
wij eveneens uit zijne woorden:
... der idelre gloriën cleet,
Daer menestraudië met omme gheet[4].
In zijn _Spieghel Historiael_ laat hij nog eens een waarschuwing hooren
tegen de "smekende" (vleiende) menestrele[5]. Een klein staaltje van
hunne praktijken zien wij in de bewerking van den _Aiol_. In eene
opsomming van edelen die AIOL verwelkomen, worden in de Dietsche
bewerking o.a. de graaf van Vlaanderen, de hertog van Brabant en de
graaf van Artois genoemd, ofschoon deze hooge heeren op de
overeenkomstige plaats in den Franschen tekst niet worden vermeld.
Waarschijnlijk hebben wij hierin eene beleefdheid van de zijde des
menestreels jegens zijn publiek te zien[6].
Bij dezen ruilhandel van loftuitingen tegen geschenken (geld,
kleederen, wapenen of sieraden) hadden de menestrelen mededingers in de
met hen eenigszins verwante "yrauden" (herauten). Meer dan eens worden
"menestrele ende yraude" of--wat hetzelfde is--"yraude ende spelmanne"
in één adem genoemd[7].
In den roman _van Torec_ zien wij den held in de wapenrusting van een
anderen ridder, MYDUEL genaamd, alle tegenstanders uit den zadel steken.
De paarden der overwonnenen geeft hij aan de aanwezige speellieden en
yrauden, en deze zijn onmiddellijk gereed met hun tegengeschenk:
Doe riepsi ende dyraude mede:
"Ha ha! Myduel, Myduel!
"Hi heeft den prijs ende niemen el;
"Hi es die beste van den velde:
"Hi es genindech [Zijnoot: dapper.], coene ende melde"
[Zijnoot: mild.] [8].
Dat de menestrelen niet alleen bij de ridders welkom waren, maar ook bij
die hooge geestelijken, wier levenswijze weinig van die der ridders
verschilde, zouden wij wel reeds mogen vermoeden. MAERLANT verzekert het
ons ten overvloede in zijn _Rijmbijbel_[9]. Omgekeerd werd de plaats van
den menestreel, naar het schijnt, wel eens ingenomen door een "scriver",
die doorgaans wel een "clerc" zal zijn geweest. In de _Heimelycheit der
Heimelychede_ lezen wij:
Nu betaemt wel elken heere
Die bewaren wille sine eere,
Dat hi scrivers met hem houde,
Vroede liede, jonghe ende oude,
Die scone ende wel connen dichten,
Ende met sconen worden verlichten
Connen dat sijn heere wille.
...
Want ghelijc dat smenscen lede
Scoonre sijn ghecleedt dan naect,
Also eist dat men een dicht maect,
Daer men der wareit niet ut en gheet
Ende ment met scone worden cleet.
MAERLANT spreekt hier over poëzie, terwijl in zijn voorbeeld, naar het
schijnt, slechts over de kunst van het een of ander op te stellen
gesproken wordt[10]. Doch wat hiervan zij, zeker is meer dan een
dichtwerk door een "clerc" op verzoek van een edelvrouw of edelman
vervaardigd. MAERLANT deelt ons in den proloog van zijn Graal-roman
mede:
Dese historie van den Grale
Dichte ick ter eren Heren Alabrechte,
Den Heer van Vorne, wael met rechte;
Want hoge liede met hoger historie
Menechfouden zoecken hoer glorie
Ende korten daer mede hoer tijt.
En in de opdracht van zijn _Spieghel Historiael_ lezen wij:
Grave Florens, coninc Willems sone,
Ontfaet dit werc! Ghi waert de gone
Die mi dit dede anevaen.
Het zou mij dan ook niet verwonderen, indien sommige ridderromans, bij
den voortgang onzer wetenschap, bleken bewerkt te zijn door "clercken".
De godsdienstige, hier en daar zelfs kerkelijke, tint, die over de
bewerking van het _Roelandslied_ en over den roman _van Walewein_ ligt,
die misschien ook in de _Lorreinen_ te zien valt, geeft tot dit
vermoeden wel eenigen grond[11].
In ontwikkeling zullen de "clercken" over het algemeen wel boven de
menestrelen hebben gestaan. Echter behoeft men daarom aan deze laatsten
niet alle ontwikkeling te ontzeggen. De bewerker van den _Partonopeüs_
b.v. was blijkbaar een man van zekere ontwikkeling en beschaving; hij
zal wel niet de eenige zijn geweest[12]. Dat mogen wij vermoeden ook met
het oog op eene reeds vermelde plaats uit den _Spieghel Historiael_.
MAERLANT neemt daar uit zijn voorbeeld eene waarschuwing over tegen de
wereldsche "clercken" die een wit voetje bij vrouwen en jonkvrouwen
trachten te verkrijgen. VINCENTIUS' schets van het uiterlijk dezer
"petits abbés" geeft hij in zijn Dietsch aldus terug:
Dese setten al haer doen
(Om) haer surcoet [Zijnoot: tabbaard.] ende haer caproen,
Hoe hare gescoyte [Zijnoot: schoeisel.] ten besten staet;
Om specie ende mossceliaet [Zijnoot: parfums.],
Dat si wel rieken van den crude;
Nuwe scoen met behagelen hude,
T'haer gelu enten crooc [Zijnoot: krullende lokken.],
Met vingerlinen verciert ooc:
Si gaen rechts of si pleyen [Zijnoot: dansen.] souden.
Zeker, MAERLANT spreekt hier, in navolging van zijn voorbeeld, over
wereldschgezinde geestelijken; doch hij besluit deze beschrijving met
het vers:
Dit en sijn niet clerke, maer menestrele.
Dat had hij toch niet kunnen doen, indien het uiterlijk van sommige
menestrelen hem daartoe geen recht had gegeven. Blijkbaar trachtten
dezulken hunne adellijke meesters te evenaren in voornaamheid van
kleeding, voorkomen en gang. Zijn er te onzent, behalve HEINRIC VAN
VELDEKE, adellijke menestrelen geweest? Dat de bewerker van den _Willem
van Oringen_ door MAERLANT: "Claes _ver_ Brechten zone" wordt genoemd,
geeft ons daarvan geen voorbeeld, want _ver_ wordt in de 13de eeuw reeds
van burgervrouwen gebezigd[13].
Doch zoo er al geen scheiding zij geweest tusschen edel en onedel--zeker
is er wel onderscheid geweest tusschen de menestrelen onderling: in
maatschappelijke positie, in uiterlijke en innerlijke beschaving;
onderscheid ook tusschen hen die, verbonden aan den dienst van één heer,
als gezeten menestrelen gesteld mogen worden tegenover hunne
rondzwervende kunst-broeders. Ook die "gezeten" menestrelen zullen wel
eens van heer gewisseld, doch niet als de rondzwervende van de hand in
den tand hebben geleefd. Zoo althans stel ik het mij voor; onze bronnen
vloeien hier te schaarsch om met zekerheid te kunnen spreken. Op die
rondzwervende menestrelen moet VELDEKE het oog hebben, waar hij,
afwijkend van zijn voorbeeld, ter bruiloft van ENEAS en LAVINE "die
speleman end die varende diet" laat verschijnen en rijkelijk
beloonen[14]. Op hen zal ook MAERLANT'S uitdrukking doelen: "menestrele
|| Die altoes zijn onghestade"[15].
Tot deze mindere klasse zullen behoord hebben de "speelman" en het
"speelwijf", waarvan de bewerker van den _Partonopeus_ (niet zijn
voorbeeld) in vs. 466 melding maakt; tot hen ook "alle die singen broet
om Gode", die door HEYN VAN AKEN in zijne vertaling der _Rose_ genoemd
worden, waar het Fransch ze niet noemt[16].
Dat onze voorouders bij het woord _menestreel_ in de eerste plaats
dachten aan een _muzikant_, een "_speelman_" zooals zij zeiden, blijkt
ook uit eene plaats in MAERLANT'S _Alexander_. Een paar verzen der
_Alexandreïs_ waarin over _mimi_ gesproken wordt, geeft hij aldus weer:
Die menestrele quamer mede
Vor dien coninc in die stede
Ende loofdene met haren sanghe.
Daer was menich trompe langhe,
Vedelen, haerpen ende sijmphonien,
Cystolen die wel leren vrien,
Salterien, orghelen ende sciven[17].
Wanneer hij dan echter op den laatsten regel laat volgen: