AANTEEKENINGEN.

[1] _Sp. Hist._, IV, 1, cap. XXIX.

[2] A.w. Deel II, p. 85, vs. 20. In het Latijn leest men daarvoor:

"_sponsos_ magis estimatos quam clericos."

[3] T.a.p. III, 2146:

"Als hi dus pipet ende mauwet."

Vgl. ook XI, 149: "blasen ende pipen" in verband met het woord "noten"

in vs. 151.

[4] _Eerste Martijn_, vs. 371-388.

[5] A.w. 1e Deel, bl. 430, vs. 22.

[6] _Tijdschr. voor N. Taal-en Letterk_., II, 230, vs. 493-4.

[7] Vgl. b.v. _Moriaen_ 4641-2: "Menestrele ende yraude mede || Ward

daer gegeven grote rijchede"; _Lorr._ (Fragm. JONCKBLOET), p. 46, vs.

1342. _Torec_, vs. 2714-'5: "Daer quamen yraude ende spelmanne || Die hi

alle gichte danne". Dat _menestreel_ verdietscht werd met _speelman_,

zien wij in _Karlmeinet_, A. 287, vs. 12-13:

Hundert mynistrere, De wir nennen speleman.

[8] A.w. vs. 2753-'7. Eene eeuw later vermeldt WILLEM VAN

HILDEGAERTSBERCH nog hetzelfde gebruik. In het stuk getiteld _Van Feeste

van Heren_ lezen wij (edd. BISSCHOP en VERWIJS), bl. 195: Dan roepen die

eerauden voort Den danc als die vrouwen ramen, Ende noemen overluut bi

namen Wyet verdient nae wapen recht.

[9] Vs. 15259 vlgg.

[10] A.w. vs. 2087 vlgg. en KAUSLER'S mededeeling over den inhoud van

het capittel: _De Electione notarii_.

[11] Vgl. mijne aanwijzingen daaromtrent in mijne _Mnl. Ep. Fragmenten_,

bl. 52, 55. Over den roman _van Walewein_ vgl. het vroeger medegedeelde

en vs. 19-21 van den proloog. Wat de _Lorreinen_ betreft, verwijs ik

naar de door MATTHES uitgegeven fragmenten, p. 17, vs. 371-2; 28, 637-9;

30, 661; 32, 730-'4.

[12] Vgl. Dr. VAN BERKUM'S opmerkingen dienaangaande t.a.p. bl. LI vlgg.

[13] In de _Oudste Stadsrekeningen van Dordrecht_ (ed. Mr. CH. M. DOZY),

p. 7 vindt men op het jaar 1284-'85: "Symoen vern Anesoeten sone van

wine" etc. Ik dank deze mededeeling aan mijn vriend VERDAM. Bij nader

onderzoek bleek mij dat er in de voorafgaande posten nog tal van

dergelijke benamingen voorkomen, die duidelijk maken dat _ver_ in het

laatst der 13e eeuw geene adellijke dame aanduidde. Zoo b.v.: "Thout Jan

ver Haedwien sone"; "Van den mele Jan ver Diewien sone"; "Ysere Heyne

ver Lisbetten sone" enz.

[14] _Eneide_, vs. 13107, 13159, 13196. VELDEKE gaat hier zijn eigen

weg, zooals uit eene vergelijking met het Fransch (ed. SALVERDA DE

GRAVE) blijkt.

[15] _Nat. Bloeme_, III, 2135. In afwijking van het _Mnl. Wdb._ vat ik

hier _onghestade_ op als _ongedurig, zwervend_. Immers dan alleen gaat

de vergelijking op met den gaai "die van bome te bome vliecht ende

sprinct.... Noch gheduert in ghere stede."

[16] A.w. vs. 10514-6.

[17] _Alex._, V, 1041-7. In de _Alexandreïs_ op de overeenkomstige

plaats, (V, 483):

Occurrunt lyricis modulantes cantibus odas Cum cytharis mimi:

[18] _Karlmeinet_ (ed. A. KELLER), A 287, vs. 11 vlgg.; ook nog 296_b_,

vs. 48 vlgg.

[19] Vgl. o.a. _Mnl. Wdb._ i.v. III, kol. 592.

[20] A.w. II, vs. 5089, 6271.

[21] Proloog, vs. 3 vlgg.; 72-5.

[22] Eenige bewijsplaatsen uit vele: _Mnl. Ep. Fragm._, bl. 124; _Flor.

en Blanc._, 16; _S. Lutgart_, II, 3, 25, 912, 6854, 7769, 10047, 11393,

13817; III; 68, 2737; _Roel._, 210; _Merlijn_, vs. 545; _L.o.H._, vs.

17.

[23] Het spreekt vanzelf dat hier gelet moet worden op de vraag of de

proloog van den dichter zelven is. Doch ik kan daarin hier niet dieper

treden; dit deel onzer stof zou m.i., wel een afzonderlijk onderzoek

verdienen.

[24] A.w. vs. 1233-'8. Naar het schijnt, niet in het Latijn aanwezig.

[25] II, 29408.

[26] Vgl. CREIZENACH, _Gesch. des neueren Dramas_, I, 380. Over het

voordragen met "Stimmenwechsel" ald. 34, 160.

[27] Vgl. BREHM'S _Leven der Dieren_ (bewerking van HUIZINGA), II,

227-8.

[28] _Sp. Hist._, I, 280 (2e kol.): "Maer die scone bispele || Diemen

gerne lesen hort"; _Bere Wiss._, 391: "daer ic vormaels ave las";

_Ferg._, 4509: "dus gedaen dinc hordic noit lesen"; _Rijmb._, 27099:

"Ende diet dichte ende sullen lesen (de voorlezers) || Ende daerment

leest bi sullen wesen" (de toehoorders).

[29] II, 168. Vgl. voorts _Mnl. Wdb._, IV, kol. 403-4.

[30] _Moriaen_, 2506-7: "Van soo vreseliken dinghen || En horde noit man

lesen no singhen"; _Walewein_, 4994; _Troyen_ (Epis. ed. VERDAM), 4687,

waar in het origineel staat: "Jamès hom _n'orra_ tel esforz"; _Leven v.

S. Lutgart_, II, 3157, 5580, 7631.

Vgl. verder de opmerking van MARTIN in zijne ed. van den _Reinaert_, I,

2981 en _Mnl. Wdb._, IV, p. 392, 394, 395, 396.

[31] D.i.: zonder beschreven papier vóór zich, uit het hoofd.

Zie voorbeelden van deze staande uitdrukking in _Mnl. Wdb._, I, kol.

1337.

[32] Vs. 2197-8.

[33] Vgl. o.a.: _Reinaert_, 877, 1043, 2225, 2236, 2268, 2425, 2848 en

pass.; _Aiol_, 25, 602, 615, 983; _Van Sente Brandane_, C. vs. 1, 5, 30,

1702; H. vs. 2014, 2026; _Moriaen_, 1688-90; _Lancelot_, II, 10-11.

Bij dit licht moeten ook verscheidene uitdrukkingen worden beschouwd,

die VAN VEERDEGHEM in de Inleiding (XXXVI) tot zijn _Leven van S.

Lutgart_ ten onrechte stoplappen noemt.

[34] Ik verwijs hier naar het uitnemend artikel van FRANCK over WILLEM

VAN AFFLIGHEM en zijn werk in: _Neue Jahrbücher für das klassische

Altertum_ etc., XIII Bd., 6. Heft.

[35] Tot die uitkomst is NYROP door zijn onderzoek geleid. Zie de

Italiaansche vertaling van zijn werk door E. GORRA, bl. 288.

[36] Vgl. Fragm. uitgeg. door JONCKBLOET (_Kar. de Groote en zijne XII.

Pairs_), bl. 35, vs. 987; misschien ook bl. 47, vs. 1354 vlgg.; bl.

74-75, bl. 76, vs. 63 vlgg.; Fragm. DE VRIES in _Tijdschr. v. N.T. en

L._, III, bl. 49, vs. 5 vlgg.; vgl. verder nog Fragm. JONCKBLOET, bl.

131, vs. 1773 vlgg.; Fragm. DE VRIES, bl. 31, vs. 95 vlgg.

Met behulp der versierde hoofdletters en kleinere _rubricae_ is het

misschien mogelijk het onderzoek in dezen verder te brengen.

[37] Vgl. vs. 8333 vlgg.; vs. 6772. Aanvang eener "lesse" in vs. 1867 en

vs. 2842?

[38] Inleiding, p. XXXV.

[39] I, 2482; aan het eind van het boek trouwens een drietal "amen's";

in boek II kan vs. 868 een rustpunt hebben aangeboden; V, 1738; ook aan

het slot; VI, 2234.

[40] II, 47-51.

[41] A.w. II, 10368-'72. Vgl. ook nog II, 165-7.

[42] _Epis._, vs. 6676-7.

[43] _Nat. Bl._, bl. 169, vs. 4029-4030.

Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I · 第 52 / 113 题