[1] De romans _van Alexander, Merlijn_ en _Troyen_ zijn tot ons gekomen
in een vorm die vrij ver afstaat van den oorspronkelijken, in een
dialect dat buiten de oostelijke grenzen van het tegenwoordig Nederland
gesproken werd _(Tijdschr. v. Ned. T. en L._, XXIII, 156). De _Torec_
schijnt nog al geleden te hebben onder de handen des compilators van den
_Lancelot_ (a.w. X, 173; XIX, 36).
[2] Ik volgde bij deze rangschikking het uitvoerig en verdienstelijk
boek van Prof. J. TE WINKEL: _Maerlant's Werken_, (2e druk, 1892), vgl.:
Tweede Hoofdstuk.
[3] Vgl. _Nat. Bloeme_ (ed. VERWIJS), III, 885 vlgg. en _Inleid_. XXIV.
Over den kalander-leeuwrik: BREHM, _Het Leven der Dieren_ (bewerking van
HUIZINGA), II, 100.
[4] De ons onbekende schoone, wier naam MAERLANT verborgen heeft in zijn
gedicht, heette waarschijnlijk _Gheile_ en zal wel eene Vlaamsche
geweest zijn. Vgl. FRANCK'S _Inl_. op den _Alexander_, XI-XII.
[5] WYBRANDS, _De Abdij Bloemhof_, bl. 134.
[6] Vgl. I, 1066-'70. Deze verzen zijn niet in het origineel aanwezig.
[7] Vgl. X, 1530-1.
[8] Voor dit alles verwijs ik naar FRANCK'S voortreffelijke _Inleiding_,
inzonderheid naar het hoofdstuk: _Maerlants verhouding tot zijne
bronnen._
[9] Vgl. V, 1006 vlgg. en FRANCK'S aanteekening op bl. 454.
[10] T.a.p. VIII, 77 vlgg. en bl. 481.
[11] Onder de schepenen van Gent vond ik op het jaar 1301 een _Simon die
Godgaf_ (vgl. Memorieboek der stad Ghent, ed. der Vlaemsche Bibliophilen
I, 6).
[12] Vgl. over SEGHER en zijn werk VERDAM'S _Inleiding_ op zijne
_Episodes uit Maerlant's Historie van Troyen_, met name p. 17, 154-5,
181.
MAERLANT'S werk is in zijn geheel te vinden in de uitgave van NAPOLEON
DE PAUW.
[13] Vgl. VERDAM'S _Episodes_, vs. 6666-6711 met _Roman de Troie_, vs.
16179-16181.
[14] Vgl. _Episoden_, vs. 508 vlgg.; dialoog, waar BENOÎT vertelt, op
bl. 54, vs. 354; 63, 667; 73, 1031; 76, 1138; 91, 5129; 305, 9345; 327,
10166; 341, 10694.
[15] FRANCK houdt dit satansproces niet voor MAERLANT'S werk. TE WINKEL
beweert het tegendeel. Vgl. _Anzeiger f.d.A._, IX, 367-8 en TE WINKEL'S
_Gesch. der Ned. Lett._, bl. 168 noot.
[16] Vgl. _Merlijn_ (ed. VAN VLOTEN), vs. 10408. VAN VLOTEN'S uitgave
kan dienst doen, vooral nadat men kennis heeft genomen van FRANCK'S
vernietigende maar rechtvaardige critiek.
[17] _Merlijn_, vs. 7639 vlgg. (7770-8, 8164, 8175-'80).
[18] Vgl. _Torec_ (ed. TE WINKEL), vs. 170, 149, 156, 489 (eene
"Orguellouse de Longres" komt voor in CRESTIEN'S _Conte du Graal_; zie
de Aant. op FRANCK'S _Alexander_, bl. 481). Afbeelding der _Chambre de
Beauté_ bij PETIT DE JULEVILLE a.w. I, 192.
[19] _Torec_, vs. 869-870; 1228-'49; 3231-'51.
[20] Vgl. _Alex._, IX, 450. De vergelijking is door M. ingevoegd; vgl.
GAUTIER, _Alex._, IX, 258-260. Of M. deze vergelijking misschien uit den
_Lancelot_ heeft overgenomen, doet weinig ter zake. _Episoden_ enz. vs.
767 vlgg., 8074-'91; 1546 in verg. met het origineel; _Alex._, I, 68;
VERDAM'S _Inl._ op _Episoden_ enz. bl. 21 vlgg.; TE WINKEL in _Tijdschr.
v. N.T. e. L._, I, 332 vlgg.; _Merlijn_, vs. 33, 589, 621. FRANCK'S
_Inl._ op den _Alex._, L-LI; _Episoden_, bl. 163-4, vs. 4159 en vs. 4219
in verg. met het oorspronkelijke.
[21] _Alex._, III, 513; III, 836; VII, 584; Vgl. ook _Troyen_, vs.
10736.
[22] _Alex._, VIII, 126-9; X, 1535 vlgg.; _Episoden_ etc. bl. 159-160.
Over die _riche dame_ te verg.: PETIT DE JULEVILLE a.w. I, 197-8;
_Episod._, bl. 342. In geen der verschillende einden van het gedicht,
door JOLY medegedeeld, is iets van dezen aard te vinden. Vgl. zijne
uitgaaf v.d. _Roman de Troie_: "Sur les manuscrits" in Deel I.
[23] Vgl. _Alex._, VIII, 637 vlgg.; _Torec, Inl._, bl. XXII vlgg.
[24] Vgl. o.a.: _Rijmb._, I, 7778, 7917, 7923; 18440, 34846; _Sp.
Hist._, I, bl. 66, vs. 21 vlgg.; bl. 137, vs. 47 vlgg.
[25] A.w. I, 64 vlgg.
[26] Vgl. o.a.: _Rijmb._, I, 2755; _Sinte Franc._, 9-10; 51-40. Het
verhaal van den "coninc van versen" ald. vs. 1917 vlgg.; men vindt het
ook in het Latijn.
[27] Vgl. o.a. den Proloog van _der Nat. Bloeme_, vs. 108-116; TE
WINKEL, _Maerlant's Werken_, p. 368; waai heidsliefde o.a.: _Rijmb._, I,
25, 4885, 34830; waarheid en wonder: _Nat. Bl._, I, 486-'93; IV, 5
vlgg.; V, 413 vlgg.; _Sp. Hist._, I, 16, vs. 61; II, 64, vs. 7.
[28] Vgl. TE WINKEL'S _Gesch. der Ned. Lett._, bl. 337-9.
[29] Vgl. a.w. vs. 19626-'9, die niet in het origineel voorkomen:
Want haer lyoen, hare lupaerd, Haer troest, haer muur, haer casteel,
Ende hare hulpe algeheel Starf met eren, die goede Judas.
In vs. 24796 vlgg. vinden wij het Latijn: "firmavit faciem suam ut iret
in Hierusalem" aldus weergegeven:
Doe de tijd naken began Vander Passiën, maecte vast Sijn anscijn, _die
lieve gast_ [Zijnoot: vreemdeling.], Te Jherusalem te gane.
[30] Zoo b.v. vs. 7811-'14:
Aldus in dien dorwitten vleesche Die nagle zwart als iet vereesche Entie
wonde van der zide Bloeide als ene rose blide.
Het Latijn heeft hier (in de bewerking van _Bonaventura Vulcanius_):
"Erat autem similitudo clavorum nigra quasi ferrum, vulnus autem lateris
rubeum et ad orbicularitatem quandam carnis contractione reductum rosa
quaedam pulcherrima videbatur."
[31] Vgl. over dit alles de voortreffelijke Inleiding en Aanteekeningen
op de uitgave der _Strophische Gedichten_ door FRANCK en VERDAM.
[32] Vgl. over den dialoog: Inleid. der _Stroph. Ged._, LXXX; EBERT,
_Allgem. Gesch. der Lit. des Mitt._, II, 16; JEANROY, _Les Origines de
la poésie lyrique_, p. 45 suivv. Het vroeger aangeh. werk van SCHELER,
_Trouvères Belges_ o.a. I, 6-7, 137, 139, 141.
[33] In sommige handschriften heet dit gedicht _De derde Martijn_.
[34] Dit beroemde woord over den adel wordt reeds gevonden bij den
kerkvader HIERONYMUS. Zie _Inleiding_, p. LXXVIII. Naar het schijnt, ook
reeds in ARISTOTELES' _Ethica_. Vgl. BURCKHARDT, _Die Cultur der
Renaissance_, II, 90. Vgl. ook _Heim. der Heim_ (ed. CLARISSE), vs.
1831-2; in het Latijn: "quia Deus creavit aequales."
[35] FRANCK en VERDAM houden MAERLANT voor den maker. Zie _Inleiding_,
p. XLVIII-XLIX. Doch ook na die uiteenzetting blijf ik twijfelen.
Nagevolgd werd de _Eerste Martijn_ door een dichter die in 1299 den
_Vierden Martijn_ dichtte (uitgeg. door SERRURE in _Vad. Mus._, IV, 55
vlgg.). Talent is er in deze, hier en daar woordelijke, navolging niet.
HEYN VAN AKEN kan bezwaarlijk de dichter zijn geweest (SERRURE is
geneigd dat aan te nemen). Bij diens persoonlijkheid past niet het
dichten "op die heren" (vs. 479-'81), en ook maakte HEYN VAN AKEN beter
verzen dan deze dichter.
[36] _Heim. der Heim._ (ed. J. CLARISSE), vs. 348. MAERLANT heeft vrij
wat weggelaten uit zijn voorbeeld, doch het overige getrouw gevolgd. Zie
de vergelijking in KAUSLER'S _Denkmäler_, III, 289 vlgg.
[37] Vgl. den Proloog, vs. 85 vlgg.
Het eerste en tweede boek zijn niet vertaald, van het derde slechts een
klein deel. Boek II-XII geven eene vertaling van het Latijn in Boek
IV-XVII; Boek XVIII-XX zijn weer niet vertaald. Zie overigens de
Inleiding in VERWIJS' uitgave.
[38] Zie over dat alles, dat gewichtig is vooral voor onze kennis van de
ontwikkeling der historiographie te onzent, de voortreffelijke inleiding
van DE VRIES en VERWIJS voor hunne uitgave van den _Sp. Hist._ en TE
WINKEL t.a.p. het _Achtste Hoofdstuk_.
[39] Vgl. _Sp. Hist._, III, p. 170, 204; TE WINKEL, _Maerlant's Werken_,
p. 422-5; IIIe Part. VIII Boek, c. 60, vs. 73 vlgg.; II, p. 383; II, p.
79; I, p. 15, vs. 55 vlgg.; 315, 2e kolom; IV3, c. 22, vs. 83 vlgg.; c.
6, vs. 5-11.
[40] Vgl. a.w. VII, 788 vlgg.; II, 1875 vlgg.
[41] Vgl. IV1, c. 27. VINCENTIUS heeft hier (ed. DUACI 1624, _Lib._ 24,
c. 20): "Carolus Rolandum exanimatum invenit iacentem eversum brachiis
super pectus in modum crucis positis et super eum ruens irrugit clamore
magno."
[42] Zie: _Inleiding_, XL-XLI. De door mij bedoelde rijmen zijn: _hove
|| verscrove_.
[43] Vgl. _v.d. L. v. O._, vs. 11 vlgg.; 118 vlgg.; 130, 200.
[44] Vgl. III, 7290 vlgg. Ik deel hier slechts de meest overeenkomstige
verzen mede. De tekst is blijkbaar corrupt, vooral in de laatste verzen.
[45] Vgl. _Nat. Bl._, II, 469-'76; 680 vlgg.; _Rijmb._, I, 78 vlgg.;
5260-'4; 5358; 5398 vlgg.; 5502-'3; 13322 vlgg.; 25485-7; _Sp. Hist._,
I, bl. 16, vs. 80 vlgg.