DER KERKEN CLAGHE; VAN DEN LANDE VAN OVERSEE; BESLUIT.

Het tekort aan poëzie in de pas behandelde werken heeft MAERLANT ons

vergoed door bovengenoemde lyrische gedichten. Beide dagteekenen uit

zijn ouderdom. _Van den Lande van Oversee_ moet gedicht zijn na den val

van ST. JEAN D'ACRE (1291) en in _der Kerken Claghe_ hooren wij den

dichter zeggen:

Wat sagh ic in den spieghel claer?

Mijn oude leven, mijn graeuwe haer,

Hoe sterven es met mi gheboren!

Tusschen deze twee gedichten bestaat eene vrij nauwe verwantschap. De

klacht der kerk, die den titel en den hoofdinhoud uitmaakt van het eene,

ruischt als ondertoon door de verzen van het andere[43].

De dichter beeldt hier de kerk uit als eene moeder, eene bedroefde vrouw

van haar erf ontzet, wier verdediging Christenridders plicht moet zijn.

Het komt mij waarschijnlijk voor, dat deze voorstelling eene herinnering

is uit de dagen, toen de jonge verliefde Vlaming zich zoo gaarne

verdiepte in ridderromans. In den roman van _Lancelot_ toch legt een abt

aan BOHORT de beteekenis uit van een visioen dat die ridder heeft

gezien. Wij lezen daar:

Tot u quam op dien nacht besien

Die heilege kerke ende al om dien

In eens droefs wijfs gelike,

Die u clagede droeffelike,

Datmen hare onrecht dede

Ende nam hare ervechtechede.

Sine quam niet gecleet met siden,

None togede met den bliden;

Maer si quam in groter droefheden

Ende gecleet met swerten cleden

Om den toren die hare kinder

Daden mere ende minder;

Dat sijn besondechde kerstine

Dat haer kinder (sculdech) te sine,

Ende gelijc hare moder hare

Altoes sculdech te houdene waren[44].

Zoo kwam de romanlectuur, waartegen hij met zooveel nadruk gewaarschuwd

had, MAERLANT toch nog ten goede in zijn strijd tegen de geestelijkheid.

In zijn _Naturen Bloeme_, zijn _Rijmbijbel_, zijn _Spieghel Historiael_

had hij zich meer dan eens scherp uitgelaten over hunne hebzucht,

weelde, wellust; hun verweten, dat zij waren

... vor mine ogen smeker [Zijnoot: vleiend.]

Ende achter valsch als de verrader.

De critiek, welke zijn bewerking van den _Rijmbijbel_ hem van de zijde

der geestelijkheid had berokkend, was hij in zijn _Spieghel Historiael_

nog niet vergeten[45]. Doch, had hij daar met de belgzucht van het

"paepscap" rekening gehouden, in _der Kerken Claghe_ spaart hij hen

niet. Onversaagd springt deze strijdbare "clerc", ridder naar geest en

gemoed, zijne moeder de Heilige Kerk ter zijde, om het leed te wreken,

dat haar wordt aangedaan door wie haar moesten beschermen en leiden. De

wolven zijn nu herders. Wie de aanzienlijke geestelijken de volle

waarheid zou durven zeggen, hen met name noemen--hoe zou hij bejegend

worden! Met enkele trekken schetst hij hen: korte rokken, breede

zwaarden, lange baarden, kostbare kleederen, hooge paarden; wat al

fierheid--ten koste der kerkegoederen! Liever dan den grooten heeren de

waarheid zeggen, zitten zij met hen aan tafel. De armen, hongerig,

naakt, koud, roepen te vergeefs hunne hulp in; doch er is eene

vergelding. Denkt aan LAZARUS! De duivel ligt steeds op de loer. Hij

behoeft niet ter jacht te gaan: daar zijn er zoovelen onder zijn bereik.

Wie de kwaden vleien, hebben de beste plaatsen en eene vette keuken; zij

drinken dat zij zweeten en slapen er te beter op. Al maken de heeren

zich aan roof schuldig, geen verwijt krijgen zij te hooren van deze

geestelijken, die, zelf met zonden besmet, anderen den hemel beloven. En

krachtig klinkt de oproep ten slotte: Zóó klaagt de heilige Kerk!

Gevoelt gij u van hare maagschap, zoo moet gij nieuwe wapenen dragen en

deze wandaden te keer gaan en wreken.

Met een nieuw wapen, scherper dan eenig ridderzwaard, met zijne pen,

tastte MAERLANT ook in het gedicht _Van den Lande van Oversee_ de Kerk

van Rome aan, die hij scherp onderscheidt van de Katholieke Kerk. Hier

durft hij zeggen:

Die Kerke van Romen is dusdaen vraet,

Si is dronken ende al sonder raet,

Die hovet is van Kerstijnhede.

Echter heeft dit gedicht een ruimer strekking. Het is een noodkreet,

door den vromen Christen geslaakt, toen hem meer en meer zekerheid

gewerd, dat het Heilige Land aan de macht der Christenen ging

ontglippen. In _Disputatie van den Cruce_ had hij reeds eenmaal een

klacht daarover doen hooren, maar nu Acre, het laatste bolwerk der

Christenen, gevallen is, slaat hem de schrik om het hart. Vandaar de

ontzetting, de verontwaardiging in dezen onstuimig-schoonen aanhef:

Kersten man, wats di gheschiet?

Slaepstu? hoe ne dienstu niet

Jhesum Christum dinen here?

Peins, doghedi dor di enich verdriet,

Doe hi hem vanghen ende crucen liet,

Int herte steken metten spere?

Tlant, daer hi sijn bloet in sciet [Zijnoot: stortte.],

Gaet al te quiste, als men siet:

Lacy, daer en is ghene were!

Daer houdt dat Sarracijnsche diet [Zijnoot: volk.]

Die Kerke onder sinen spiet

Daerneder, ende doet haer groot onnere

Ende di en dunkets min no mere [Zijnoot: gij geeft er niet om.]!

In dien toon gaan de volgende coupletten voort: het is uwe moeder, de

Heilige Kerk, wier behoud het geldt; God lijdt--gij leeft in weelde;

Gods vijanden hebben te Acre kloosters en huizen vernield, het volk

gedood. Christen! trek op, den hemel kunt gij winnen, indien gij die

schande wreekt. Dan eerst komt de dichter tot kalmte; hij zet uiteen wat

er gebeurd is, zonder vragen, zonder uitroepen. Maar aan het eind van

zijn verhaal is hij opnieuw onder den indruk gekomen. Het vlamt weer op

in hem: Gij heeren, gij prinsen, gij baronnen... Kerk van Rome, trek

het zwaard! Maar de voorname geestelijken hebben wel wat anders te doen!

Wat doet gij ter wille van de Kerk? Wie volgt JEZUS na? Als het om vette

prelaatschappen te doen is, ja, dan snelt gij allen toe. "Reinaerdie"

speelt dan haar spel. Geleerdheid? Wat zou men er mee uitrichten! En

waartoe gebruiken zij hun rijkdom? De goeden niet te na gesproken--de

duivel hale hen met hunne trotsche bijzitten! Maar het Heilig Graf

vertoont zich weer aan zijn geestesoog. Weer klinkt het dringend tot de

koningen, graven en hertogen, die onderling oorlog voeren: Het is tijd

het schild "van sabel en van goude", het "lazuren" schild met de leliën

op te nemen. Dan dreigend: Wie niet stoutelijk voorwaarts gaat en zijne

moeder wreekt--hij zal er voor boeten! Overredend klinkt het daarop:

Waarom wil elk slechts vreugde? Wij moeten immers toch eens sterven?

Denkt wat JEZUS heeft willen lijden! Hoe anders was het ten tijde van

CHARLEMAGNE en GODFRIED VAN BOUILLON! Wat vaart gij in deze dagen ter

valkenjacht, gij landsheeren? Hoort gij de Kerk niet klagen? Gevoelt gij

u van hare maagschap, komt er dan openlijk voor uit! Met een bede tot

God besluit de dichter zijn bezielden oproep.

Die oproep heeft geen weerklank gevonden; kort na den val van Acre is

het Heilige Land geheel aan den greep van het Westen ontglipt. Sedert de

kruistochten een aanvang hadden genomen, was de Europeesche Christenheid

twee eeuwen ouder geworden; niet langer konden romantische geloofsdrift

en avontuurlijke reislust de volken tot verre tochten verlokken; andere

idealen legden beslag op hunne belangstelling, hunne toewijding, hunne

kracht. Voortaan kon wie er behoefte aan gevoelde, zijne devotie

verrichten bij het Heilig Graf dat in zoo menige kerk ook te onzent was

nagebootst.

MAERLANT, die na den val van Acre tot een nieuwen kruistocht opwekte,

schijnt den veranderden koers der geesten niet te hebben opgemerkt. En

indien al, dan heeft hij dien zeker betreurd. Want hij was een "prijzer

van 't verleên" en zag in zijn eigen tijd slechts achteruitgang waar hij

dien bij vroeger vergeleek. Zijn blik was gericht vooral op het verleden

en op het verkeerde of gebrekkige van het heden. Afbrekend en opbouwend

heeft hij getracht dat verkeerde in het rechte spoor te leiden, dat

gebrekkige aan te vullen. Hij is de eerste Nederlandsche dichter die,

sterk door zijn geloof, tegen de aanmatiging en het plichtsverzuim van

adel en geestelijkheid is opgekomen voor waarheid en voor recht. Hij

heeft voor Vlamingen en andere Nederlanders gedaan wat zes eeuwen na hem

een ander Zuidnederlander opnieuw zou doen: het volk leeren lezen.

Dat alles geeft hem aanspraak op onze dankbaarheid, op eene plaats onder

de groote mannen van ons volk; doch als kunstenaar rijst hij daardoor

niet in onze schatting. Zeker, hij was dichter. Hij heeft dat getoond in

den _Eersten Martijn_, vooral in de eerste helft waar de aandoening door

de strofen golft en telkens een beeld of een vergelijking de strofe komt

afronden als het schuimkroontje den top der golf. Hij heeft dat getoond

in zijne beide laatste lyrische gedichten en in menig brok van zijn

overig werk dat, zoo al niet schoon, dan toch bevallig of aardig mag

heeten. Den kunstenaar zien wij in den dichter, waar hij, in navolging

der Latijnsche en Romaansche lyriek, kunstige strofen bouwt, waar hij de

afschrijvers bezweert zijne verzen ongeschonden te laten en hooge waarde

hecht aan de zuiverheid zijner rijmen.

Doch de dichter, de kunstenaar in hem toont zich te zelden; er is in

zijn werk te veel dat middelmatig of gebrekkig, te veel dat berijmd

proza moet heeten. De drang naar schoonheid in zijn gemoed werd

onderdrukt door het verlangen om de maatschappij te verbeteren en zijn

volk te onderwijzen. En nu kan de invloed van een dichter op de

zedelijke, geestelijke en maatschappelijke ontwikkeling van zijn volk

wel strekken om de waarde zijner gansche persoonlijkheid te verhoogen,

niet om te vergoeden wat hij te kort komt als kunstenaar. Bovendien

heeft zijn roem maar al te veel dichters of verzenmakers verlokt om op

zijn voorbeeld Pegasus in het gareel te slaan.

Indien wij dan ten slotte aan MAERLANT'S persoon en werk zulk eene ruime

plaats hebben gegeven in dit verhaal van de geschiedenis onzer

letterkunde, dan is dat geschied: omdat hij, beter dan eenig ander

auteur zijner dagen, de eeuw en de maatschappij waarin hij leefde in

hunne onderscheiden stroomingen vertegenwoordigt; omdat de geslachten

die na hem kwamen, tot hem hebben opgezien als tot een groot dichter

wiens voorbeeld zij moesten volgen; en eindelijk, omdat hij in enkele

zijner kleinere werken ons iets gegeven heeft van dat onbeschrijfelijke

dat wij poëzie noemen.

Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I · 第 48 / 113 题