POËZIE DER GEMEENTEN.

In zijne geestelijke lyriek wandelt MAERLANT doorgaans over de hoogten

der bespiegeling; in _Disputatie van den Cruce_ zien wij hem afdalen tot

de vlakte beneden waar het werkelijk leven wordt afgespeeld. Er was

echter in dat werkelijk leven, behalve het wangedrag der geestelijken,

nog zooveel dat hem vervulde: maatschappelijke misstanden die hem in

twijfel en onrust hielden, onrecht dat hem ergerde, gewichtige

vraagstukken die hem niet los lieten. In een paar tweespraken, _de

eerste_ en _d'ander Martijn_, heeft hij getracht samen te vatten wat in

hem omging. Allerlei in dien tijd gangbare opvattingen, voorstellingen,

gedachten over maatschappij en kerk, over handel en wandel der menschen,

over de verhouding der standen, over de liefde, de zonde, over God, ten

deele reeds door anderen uitgesproken, ten deele dus herinneringen den

dichter bijgebleven uit school, kerk of lectuur, ten deele zijn

eigendom--zijn hier in lossen samenhang vereenigd. Beide dichtwerken

bestaan uit een aantal derzelfde kunstige strofen waarin ook de meeste

andere vervat zijn; in _de Eerste Martijn_, de omvangrijkste tweespraak

van alle die bijna 1000 verzen telt, is op menige plaats een

dichterlijke gloed waaruit ware poëzie is voortgekomen; _d'ander

Martijn_, van veel minder omvang, geeft meer spel van vernuft dan poëzie

al is deze niet geheel afwezig.

De rijke en rijpe inhoud dezer stukken, de spot over de hoofsche

minnelyriek en de minachting van "truffen ende poëtriën", het

meesterschap over den vorm verbieden ons aan te nemen dat zij uit des

dichters jeugd zouden dagteekenen. Maar anderzijds getuigt _de Eerste

Martijn_ van zooveel eerbiedige liefde voor de vrouwen, zij het ook dat

die evenals in den _Roman van Troyen_ bekroond wordt door een AVE MARIA,

en toont _d'ander Martijn_ zulk een welbehagen in het behandelen van

eenigszins spitsvondige minne-vraagstukken, dat wij ons den dichter

kwalijk als een bedaagd man kunnen denken. Mag men eene gissing wagen,

dan zal men geneigd zijn aan te nemen, dat hier een man van tusschen de

dertig en veertig tot ons spreekt.

Dien man, hoe oud hij dan ook geweest moge zijn, zien wij in _de Eerste

Martijn_ in de weemoedige stemming die op eene ontgoocheling pleegt te

volgen. Hij heeft de werkelijkheid aan zijne idealen getoetst, de

schellen zijn hem van de oogen gevallen; en hij slaakt een alarmkreet:

"Wapene [Zijnoot: wee!]", Martijn! hoe salt gaen?" Hij ziet de goeden

bespot, verdrukt--de slechten, die de grooten pluimstrijken, in eere.

Hoe anders dan vroeger: toen stelde vrouwe EERE hem, in wien trouw en

deugd was, tot heer boven den "dorper"--nu spannen de heeren samen,

vrouwe EERE is verjaagd! Overal hebben de slechten de macht in handen.

Dat komt van de kwade raadgevers. Is er nog een God die regeert?

Blijkbaar laat Hij alles over aan het blinde toeval.

MARTIJN schrikt bij dat woord. De duivel gaf het u in, zegt hij. Terug!

God hoort en ziet alles. De priesters zullen het gewaar worden; de

brandstapel wacht u! Vertrouw op God:

God en was noit moede no mat;

In 't wout en es loof no blat

Buten siere hoede.

Al dat es in elke stat

Dat behoet hi ende besat

Met godliken goede [Zijnoot: voorziet Hij van goddelijken zegen.].

Al ghehinghet hi dan dat,

Dat die quade ghewinnet scat

Ende menne heet den vroede:

So hi hoghere sit up 't rat [Zijnoot: van Avontuur.],

So hogher val, so meere plat [Zijnoot: zwaarder smak.]

In der helscher gloede

Onder der duvele roede.

JACOB is gerustgesteld. Maar niet geheel: is het billijk dat de slechten

eeuwig gestraft worden? Hij aarzelt die vraag te doen aan den harden

MARTIJN.--Omdat de zondaar eeuwig zou willen leven, klinkt het antwoord,

moet hij ook eeuwige straf ondergaan.

Het vraagstuk der zonde laat JACOB nog niet met rust: zou ik dan, indien

ik in de hoofdzonden vervallen ware, eeuwig verdoemd zijn, ook al ware

ik milddadig en al had ik penitentie gedaan? MARTIJN spreekt den vrager

moed in: laat u niet van allerlei door de priesters opdringen, er is

"menich onbescheden [Zijnoot: onverstandig.] swijn" onder; God is ook

een God van genade, van liefde. Maar de liefde is blind, naar men

zegt--herneemt JACOB. Laat ons onderscheid maken, antwoordt MARTIJN; er

zijn drie soorten van minne: de eerste, de hoogste, is de "caritate" die

God zelven hier op aarde bracht; de tweede, onbetrouwbaar van aard,

strekt zich uit naar geld en goed; de derde is de "cracht die twee

herten tsamen bint". Met een uitval tegen de hoofsche minnepoëzie geeft

JACOB zijne instemming te kennen.

Tot dusver is JACOB de vrager geweest; nu, halverwege zijn pad gekomen,

keert de dichter de rollen om.

MARTIJN vat een motief uit het begin der tweespraak weer op: van waar

komt de scheiding tusschen adel en lijfeigenen, edel en onedel?

Sommigen, antwoordt JACOB, zeggen: van CAÏN; anderen: van CHAM; doch het

is onwaar, de "Duutsche loy" [Zijnoot: Het Duitsche wetboek: de

_Saksenspiegel_.] weet beter bescheid: het zijn de nakomelingen van

krijgsgevangenen. En wat den adel betreft--wat gaat het mij aan, wie

iemands vader en moeder zijn geweest! Wie trouw, deugdzaam

is en rein van zeden, die is voor mij de rechte edelman[34]! MARTIJN

stelt een nieuwe vraag: indien alle menschen van ADAM afstammen en dus

bloedverwanten zijn, hoe is dan de "maechscap" zoo verdwenen? Van waar

dan al die afgunst en strijd?--LUCIFER is daarmede in den hemel

begonnen, antwoordt JACOB; van daar zijn zij op aarde neergedaald. Mijn

en Dijn hebben eendracht en vrede verjaagd. MARTIJN wendt zich tot een

ander motief uit de eerste helft van het gedicht: van waar neemt de

liefde tusschen beide seksen haar oorsprong: uit het hart of uit de

oogen? Gij spreekt als een dorper, zegt JACOB; als een onbeschaafde

Fries die niet weet wat liefde is. Luister! Nu vangt een redetwist aan

tusschen het hart en het oog, tweespraak in de tweespraak, die door

vrouwe Redene beslecht wordt. Maar hoe staat het, herneemt MARTIJN, met

de liefde tot geld en goed? Wat is beter: rijkdom of armoede? De

priesters wijzen u het rechte pad, antwoordt JACOB, maar zelf volgen zij

een ander. Laat ons op JEZUS' voorbeeld letten. Deel van uw goed aan de

armen, neig uw hart tot hen; dan moge God u in Zijne hoede nemen, u aan

de macht der duivelen onttrekken. Dat laatste woord brengt MARTIJN op

den oorsprong van alle rampen: de zonde. Van wie komt de zonde? Van de

vrouw, van EVA? JACOB antwoordt met een vurig pleit voor de vrouwen die

hij bij den wijn en het vuur vergelijkt. MARTIJN verklaart zich

overtuigd: ook hij wil de vrouwen vergeven om der wille van de "hooge

vrouwe", aan wie ons behoud gelegen is. Zoo neemt aan MARIA'S voeten de

tweespraak een einde.

_D'ander Martijn_ is in zoover eene voortzetting van _den Eersten

Martijn_, dat wij hier in den aanvang een dergelijke vraag gesteld zien

als die over den strijd tusschen het hart en het oog. Hier geldt het de

vraag: twee vrouwen beminnen mij; de eene heb ik lief, maar zij mij

niet; de andere heeft mij lief, maar ik haar niet--tot welke der twee

moet ik mij wenden?

Dat is een vraag, zooals men ze voor de rechtbanken der "Cours d'amour"

bepleitte; eene vraag ook, zooals TOREC ze in "_het schip van

aventuren_" had hooren behandelen.

In vernuftige dialectiek bestrijden de beide vrienden elkander nu met

allerlei voorbeelden van liefdesgevallen, ontleend aan de Oudheid en den

Bijbel. Redene moet zich in de liefde doen gelden, zegt JACOB o.a. Aan

de voorbeelden van noodlottige liefde uit den Bijbel moeten wij ons

spiegelen. God zelf wijst mij in dezen den weg. Zooals Hij lief heeft,

wie Hem wederliefde bewijst, zoo moet ook ik mijne liefde schenken aan

haar die mij lief heeft.

In den _Verkeerden Martijn_ hebben wij een aardig voortbrengsel van

middeleeuwsche ironie. Met talent zijn hier MAERLANT'S redeneeringen uit

den _Eersten Martijn_ omgekeerd en tegen de zijne overgesteld. Hier en

daar, vooral in de drie eerste strofen, meent men toch de bitterheid van

den dichter in zijn scherts te hooren doorklinken. In het laatste

couplet is iets van voorname levenswijsheid, die met een lichten

glimlach spreekt over de verkeerde toestanden hier op aarde. Het is wel

jammer, dat slechts een fragment van dit gedicht tot ons is gekomen. In

zijn geheel zou het zeker een waardig sluitstuk voor de MARTIJNS-dichten

vormen. Waarschijnlijk zouden wij dan ook meer zekerheid krijgen

aangaande de vraag, die voor mij voorloopig eene vraag blijft: of

MAERLANT inderdaad de maker is van dit gedicht. Er bestaat misschien

meer reden hier aan het werk van een ander te denken dan aan een

zelf-parodieerend sarcasme, waarvan in de middeleeuwsche literatuur,

naar ik meen, tenauwernood een ander voorbeeld te vinden is[35].

De MARTIJN-dialogen waren voortgekomen uit warme belangstelling in het

maatschappelijk leven, uit ergernis van een eerlijk hart over de

misstanden in dat leven en uit begeerte om in die misstanden verbetering

te brengen. Verbetering door afbreken en opbouwen. De _Martijn's_,

vooral _de Eerste Martijn_, werkten vooral afbrekend; in een drietal

andere gedichten trachtte de dichter op te bouwen.

Evenals MARTIJN en JACOB in die tweespraken meer dan eens een vroeger

motief hervatten, om het op nieuw te bewerken, zoo keert ook MAERLANT

terug tot vroeger bewerkte stoffen. De schets eener middeleeuwsche

vorstenschool uit den _Alexander_ wordt overtroffen door de handleiding

voor vorsten in _Heimelijkheid der Heimelijkheden; Lapidarijs_ is

uitgebreid tot het groote werk _der Naturen Bloeme_; de historische

overzichten uit _Alexander_ en _Merlijn_ tot den _Spieghel Historiael_.

Het oorspronkelijke _Liber de Secretis Secretorum_, in dezen vorm zeker

niet van ARISTOTELES, doch mede door het gezag van zijn naam wijd en

zijd verbreid, bevatte eene soort van overzicht der regeerkunst en, daar

een vorst ook zich zelven moet regeeren, bovendien eene levensleer. Niet

onwaarschijnlijk is, dat MAERLANT bij zijne bewerking het oog had op den

twaalfjarigen FLORIS V. Misschien was de dichter tot het inzicht

gekomen, dat de vroeger door hem zoo verheerlijkte ALEXANDER toch in

menig opzicht niet het toonbeeld van een goed regent kon heeten.

_Heimelijkheid der Heimelijkheden_ zou dan min of meer als een

correctief van den _Alexander_ moeten worden beschouwd, dat des te beter

zou werken, omdat het ook hier juist ALEXANDER is, wien door den zoo

hoog vereerden ARISTOTELES allerlei wijze lessen worden toegediend. Zoo

was b.v. de aansporing tot het bedwingen van den "grammen moet" voor den

_Alexander_ van GAUTIER de CHÂTILLON zeker niet overbodig[36].

_Der Naturen Bloeme_ en _Spieghel Historiael_ moesten, evenals vroeger

_Rijmbijbel_ en _Sinte Franciscus Leven_, voorzien in de behoefte aan

degelijke lectuur voor de leeken. In de verdietsching van

THOMAS VAN CANTIMPRÉ'S groot werk _De Naturis Rerum_ kon elk die zijne

bekomst had van fabelen en leugens, "nutscap ende waer" vinden. Alles

wat men toentertijd van de natuur, van menschen en dieren wist, vond men

hier bijeen. MAERLANT heeft een deel van het Latijn onvertaald gelaten,

in het overige de volgorde over het algemeen behouden, in den regel zijn

voorbeeld bekort, hier en daar in de moralisaties iets gewijzigd of er

iets aan toegevoegd[37].

In zijn _Spieghel Historiael_ leverde hij populair-wetenschappelijk

werk, dat voor dien tijd hooge waarde bezat. Het verleden was voor de

leeken tot dusver één nevelachtig verschiet van eentonig grijs geweest;

deze _Spiegel_ wierp er voor het eerst krachtige lichtstralen in en

doorheen. Nu eerst namen enkele bekende figuren in dat verschiet vaste

omtrekken aan, nu eerst kon men onderscheid maken tusschen nabij en ver

af, nu eerst een blik krijgen op de wording der toestanden waarin men

leefde.

Van het groote werk des Franschen Dominicaans, VINCENT VAN BEAUVAIS,

bewerkte MAERLANT slechts een deel, het _Speculum Historiale_; de twee

voorgaande deelen: _Speculum Naturale_ dat over God, het heelal en den

mensch handelde en het _Speculum Doctrinale_ dat een overzicht der

menschelijke wetenschap gaf, liet hij achterwege. Overigens gaf hij van

het _Speculum Historiale_ eer eene bewerking dan eene vertaling; hij

raadpleegde tal van andere geschiedschrijvers, o.a. den Hollandschen

kroniekschrijver MELIS STOKE, breidde de geschiedenis van Nederland en

de levensbeschrijvingen van Vlaamsche heiligen uit, verrijkte zijn werk

met een schat van spreuken en lessen van levenswijsheid[38]. Hier ook

had MAERLANT gelegenheid te velde te trekken tegen allen die, zijns

inziens, de waarheid ten opzichte van het verleden te kort gedaan of

vervalscht hadden: de menestrelen die leugens vertelden over KAREL DEN

GROOTE, zijne Pairs en groote vazallen, die verschillende KARELS hadden

samengesmolten tot éénen; hij houdt zich aan de _Historia Caroli Magni

et Rolandi_; immers, dat was Latijn en dus waar. Eveneens kant hij zich

tegen de vermenging van ARTUR-sage en Graal-sage, tegen die van de

verhalen over den Zwaanridder met de geschiedenis van het huis

Bouillon[39].

Indien men bedenkt dat MAERLANT'S opmerking over de vermenging van

verschillende historische KARELS eerst door de hedendaagsche wetenschap

opnieuw is gemaakt en met evenveel geleerdheid als scherpzinnigheid

gestaafd, dan moet men dezen middeleeuwschen "clerc" bewonderen om zijn

helder verstand en zijn scherpen blik. Maar de aesthetische waarde van

zijn werk rijst daardoor niet. Trouwens, van rijzen kan eigenlijk geen

sprake zijn, want de poëzie is in de drie laatstgenoemde werken zoo goed

als afwezig. Zelfs vertoonen zij in de bewerking tenauwernood eenige

aandoening, tenauwernood iets eigens. MAERLANT moge een gemoedelijk

grapje maken over de vlooien, de "clene wichten" die ons in dit aardsche

tranendal steeds gezelschap houden; hij moge zijne kieschheid toonen

waar hij het dier Furions ter sprake brengt--doorgaans blijft hij in

_der Naturen Bloeme_ de ernstige leermeester[40].

In den ganschen _Spieghel Historiael_ vond ik slechts een paar plaatsen

waar blijkt, dat de eene of andere gebeurtenis op MAERLANT zooveel

indruk maakte, dat zijne bewerking er de sporen van draagt.

CHARLEMAGNE'S smart bij het lijk van ROELAND heeft hem blijkbaar

getroffen; in het Dietsch lezen wij dat de groote keizer

... grongierde [Zijnoot: brulde.] in der gebare

Alse oft een leuwe ware

Die sine jonge vonde vermort.

Het beeld van den ouden leeuw brullend bij zijn vermoorden welp zal wel

niet van MAERLANT zelf zijn, maar is toch in zijn voorbeeld niet te

vinden[41].

Eveneens wordt hij gedrongen zijn medegevoel te uiten, waar hij in

bisschop AMBROSIUS, die keizer THEODOSIUS de waarheid zegt, een

geestverwant herkent. Daar komt hem zijn _Eerste Martijn_ weer voor den

geest, zoo levendig zelfs dat een paar rijmen uit de eerste strophe hier

weer opklinken[42].

Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I · 第 47 / 113 题