GEESTELIJKE POËZIE.

Waar kon hij daarvan krachtiger en talrijker getuigenissen vinden dan in

den bijbel? In die overtuiging heeft hij de _Historia Scolastica_ van

PETRUS COMESTOR verdietscht, die bekend staat onder den naam van

_Rijmbijbel_.

In dit werk vindt men in hoofdzaak den inhoud weergegeven der

geschiedkundige boeken van het Oude Testament, met dien

der Apocriefe Boeken en der Evangeliën. MAERLANT heeft weggelaten wat

hem overtollig of langwijlig voorkwam, hier en daar stukken van den

bijbel of zedelijke toepassingen ingevoegd; menige mystieke uitlegging

van het bijbelverhaal is door hem uitgebreid, ook neemt hij niet zelden

de gelegenheid waar om MARIA te verheerlijken of de geestelijkheid te

gispen[28].

Hoofdzaak was voor hem: den bijbel en de bijbelsche geschiedenis onder

het bereik der leeken brengen. Van poëzie is in dit werk geen sprake;

van aandoening zelfs tenauwernood. Slechts op een paar plaatsen,

namelijk waar hij den dood van JUDAS MACCABEÜS verhaalt, en eens waar

van JEZUS sprake is, kunnen wij eenige aandoening waarnemen[29].

Blijkbaar was de bewerking der _Scolastica_ voor den auteur louter

plicht. Hij moge dien plicht gewillig en blijmoedig volbracht hebben,

wij kunnen begrijpen dat die hem soms zwaar gevallen is. Na de

voltooiing der bewerking van den _Pentateuch_ slaakt hij dan ook de

verzuchting:

God danc, ic heb se overleden [Zijnoot: achter den rug.].

Minder zwaar zal hem de bewerking van _Sint Franciscus' Leven_ zijn

gevallen, al ondernam hij die, niet uit eigen beweging, maar op verzoek

van eenige belangstellenden te Utrecht, inzonderheid van zekeren broeder

ALAERD, waarschijnlijk, evenals de overige vragers, lid der orde van

SINT FRANCISCUS. Dit werk zal hem vlot van de hand zijn gegaan, omdat in

de persoonlijkheid van den "edelen vaendragher ons Heren" veel moet zijn

geweest wat juist MAERLANT in zijn strijd voor de armen tegen de

aanzienlijken zal hebben aangetrokken. In den proloog immers herhaalt

hij nog eens eene waarschuwing van vroeger:

Dat minnen gaet vor alle ere;

_Want arem man heet emmer sot_.

En wie had de armoede trouwer en belangeloozer gediend, wie haar op

kostelijker altaar geheven, dan juist "il Poverello"?

Toch heeft MAERLANT'S bewerking van dit heiligenleven weinig eigens,

weinig ook dat ons spreekt van aandoening in hem gewekt door de

levensopvatting en den levenswandel van "SINTE FRANSOYS". Waar wij hier

en daar sporen van aandoening meenen te zien, blijkt bij vergelijking

met het origineel dat MAERLANT niet veel meer geeft dan eene

vertaling[30].

Met _Rijmbijbel_ en _Sinte Franciscus Leven_ had MAERLANT werken gegeven

die zijns inziens beter lectuur waren dan de door hem verworpen

dwaasheden "van minnen ende van stride". De kennismaking met Latijnsche

kerkliederen en eigen godsdienstige overpeinzingen brachten echter ook

nog andere geestelijke poëzie uit hem voort, waarop wij nu het oog

moeten richten.

Het zijn een vijftal, in kunstig gebouwde strofen verdeelde lyrische

gedichten, waarvan een drietal: _Van den vijf Vrouden_ [Zijnoot:

vreugden.], _Van ons Heren Wonden_ en _Clausule van der Bible_

misschien nog uit des dichters jeugd dagteekenen; het eerste stuk is

waarschijnlijk, het tweede zeker een vertaling uit het Latijn; het

vierde gedicht _Van der Drievoudichede_ bevat een zeer vrije bewerking

van een Latijnsch gedicht als dat _De Sancta Trinitate_; _Clausule van

der Bible_ en _Disputatie van den Cruce_ schijnen zelfstandige

bewerkingen te zijn van godsdienstige gedachten en voorstellingen, die

men ook elders in de middeleeuwsche literatuur aantreft[31]. In het

eerste stuk wordt telkens in een nieuw couplet eene nieuwe vreugde van

MARIA, in het tweede achtereenvolgens de vijf wonden van JEZUS bezongen.

_Clausule van der Bible_ bevat eene verheerlijking van MARIA in een toen

veelvuldig gebruikten vorm: overal, doch vooral in het Oude Testament,

vond men gelijkenissen van MARIA; MAERLANT wordt niet moede, door een

veertigtal strofen heen, de Moedermaagd telkens weer onder een andere

gedaante te verheerlijken: MARIA is de duive met den olijftak

terugkeerend naar de ark; de ladder waarlangs de engelen af- en

opklommen; RACHEL, des zaligen JOZEFS moeder; het korfje waar het kind

MOZES schreiend in lag; het vlies van GIDEON waarop des hemels dauw

neerdaalde; het brandend braambosch, de zoete manna, de steen waaruit op

MOZES' gebed een klare fontein ontsprong... zoo volgt het eene beeld op

het andere, totdat de dichter het moet opgeven, want "volprisen" kan hij

haar niet, "de schone Vrouwe, de blonde" uit wier oogen een licht scheen

gelijk de zonneschijn.

In de drie eerstgenoemde gedichten liet MAERLANT zich gaan; behoefte om

JEZUS en MARIA te loven, te verheerlijken, te aanbidden, uit zich hier

ongedwongen in vrij gemakkelijk vloeiende verzen.

Anders stond het geschapen in de beide laatste gedichten: _Van der

Drievoudichede_ en _Disputatie van den Cruce_. Hier kon hij niet

volstaan met gevoelsuitstortingen; hooge en subtiele vraagstukken als

dat der Drieëenheid, een geschil als dat tusschen MARIA en het Kruis,

eischten inspanning van denkkracht en voorstellingsvermogen om zelf te

begrijpen en anderen te doen begrijpen. Het is licht verklaarbaar dat

wij MAERLANT hier het zuiver lyrische zien verlaten voor het

lyrisch-dramatische van den dialoog. De didactische dialoog, in zwang

gekomen op voorgang vooral van AUGUSTINUS, was door middeleeuwsche

geleerden als ALCUIN en HUCBALD met goed gevolg aangewend bij de

samenstelling van leerboeken. Gewoonlijk zijn daar de rollen zoo

verdeeld dat de leerling vraagt, de meester antwoordt. Die verdeeling

gaf gereede gelegenheid tot het uiteenzetten van moeilijke vraagstukken;

de afwisseling van vraag en antwoord of ook het verschil van opvatting

tusschen twee sprekers bracht leven en beweging in het geheel. MAERLANT,

man van veelomvattende geleerdheid, zal den dialoog wel uit de

Latijnsche literatuur zijner dagen hebben leeren kennen; wie het Fransch

zoo goed verstond als hij, zal ook niet onkundig zijn gebleven van de

"débats", "jeux-partis" en "tençons" die in de toenmalige nationale

Fransche literatuur den dialoog vertegenwoordigden en die ook door de

Belgische trouvères gedicht werden[32].

Zoo zien wij in de tweespraak _Van der Drievoudichede_ JACOB in

gezelschap van zijn vriend MARTIJN, die hem vraagt: hoe kan ik God

leeren kennen? Al vloog ik hooger dan Cherubim en Seraphim, antwoordt

JACOB, nog zou ik u op die hooge vraag niet kunnen antwoorden. Luister

naar hetgeen mij de bijbel leert: de mensch die Gods geheimenissen wil

doorgronden is als de beesten waarvan MOZES spreekt, die gesteenigd

zullen worden als zij den Horeb beklimmen.--Ook ik ben overtuigd,

herneemt MARTIJN, dat alle engelen samen de Godheid niet zouden kunnen

omvatten; doch leer mij zooveel mijn door de zonde verzwakt verstand kan

bevatten. JACOB geeft dien wensch gehoor: God is boven alles, onder

alles, buiten alles, binnen alles. Hij is Vader, Zoon, Heilige Geest.

Den Vader noemen wij het eerst, omdat Hij was vóór alle begin; daarna

den uit Hem geboren Zoon, dan den uit hun beider vereeniging ontsproten

Heiligen Geest; samen vormen zij eene drie-eenheid van _macht_, _const_

en _wille_, die aanwezig moet zijn in elken mensch die iets wil

voortbrengen. God rust zelf en brengt alles in beweging; geene plaats

omvangt Hem, Hij omvangt alle plaatsen; ons leven heeft begin en einde,

Hij is eeuwig. Met onze rede kunnen wij dat niet begrijpen; het geloof

draagt hier de kroon.

Op MARTIJN'S vraag naar de menschwording van den Zoon geeft MAERLANT

eene uiteenzetting der geschiedenis van Lucifer, van den zondeval, van

de verhouding tusschen het menschelijke en het goddelijke in JEZUS, van

het Laatste Oordeel. Hij is van ons heengegaan, doch Hij heeft zijn

vleesch en bloed hier gelaten om het te "sacreeren" in der priesters

handen. Met eene beschouwing van den Heiligen Geest, eene waarschuwing

tegen ongeloof en den wensch het hemelsch leven deelachtig te mogen

worden wordt het gedicht besloten[33].

In _Disputatie van den Cruce_ zien wij MARIA handenwringend staan onder

het kruis waaraan JEZUS hangt; zij verwijt het kruis: moordenaars en

dieven moet gij straffen, niet Hem die rein van zonden is.--Niet alleen

uwe zaak geldt het hier, antwoordt het kruis, maar die "der wereld

gemene"; toen ik uw zoon ontving, was Hij een sterfelijk wezen, doch

onsterfelijk zal Hij terugkeeren. Huichelaars beroepen zich alleen op

Hem en willen van mij niet weten; doch niemand kan Hem genieten die niet

met Hem geleden heeft. MARIA zwijgt: zij beseft dat het kruis waarheid

heeft verkondigd. Nu laat zich JEZUS' stem hooren: mensch, wat heb ik

voor u gedaan en wat doet gij voor mij? Gij moet de wereld verzaken of

gij zult niet met mij leven. Al uw pogen strekt om schatten te

vergaderen. Doch het is niet vreemd, dat gij volgt waar uwe leiders

voorgaan: al het kwaad komt uit de "sacristie" [Zijnoot: de kerk.];

vleeschelijk leven, wellust, zich trotsch gedragen--het vindt zijn

oorsprong bij de geestelijkheid. Om de armen bekommeren zij zich niet.

Beginnen zij soms de wereld te verzaken, ras keeren zij terug tot de

vleeschpotten van Egypte. De vette posten geeft men aan verwanten en

vrienden, al zijn zij onbekwaam. Dat zijn geen herders der kudde, maar

wolven! Neemt mijn teeken, het kruis, aan en ontrukt het heilige land

aan mijne vijanden! JEZUS zwijgt en het kruis zegt tot MARIA, dat het

niets baat of men haar al bidt, indien men niet eerst met JEZUS geleden

heeft. Ten slotte gaat de dichter beider aanspraken nog eens na en laat

door Ontfermicheit uitspraak doen: dat de mensch den steun van Kruis

noch Maagd kan ontberen.

Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I · 第 46 / 113 题