In MAERLANT waren nog andere neigingen en verlangens behalve liefde voor
vrouwen en romantiek; dat is reeds aangestipt doch behoeft nadere
verklaring.
Of zijn gevoel voor het ridderwezen sterk is geweest, mag men
betwijfelen. Een dichter die de idealen der ridderschap tot de zijne had
gemaakt, zou niet licht van den ridderlijken koning PORUS hebben gezegd,
dat hij "bloedde als een rund" of uit den roman _van Troyen_ juist
beschrijvingen van wapenrustingen of van den plechtigen ridderslag
hebben weggelaten. Bovendien waren die romans voor MAERLANT _historie_.
In zijn _Alexander_ verklaart hij met nadruk dat hij "die waerheit, meer
no min" in het Dietsch wil uiteenzetten; èn in dien roman èn in de
overige vergenoegt hij zich niet met zijn voorbeeld te volgen; doch hij
vult het aan, wijzigt of bestrijdt het, zooals hij meende dat de
historische waarheid het eischte. Hoeveel prijs hij stelt op nuttige
kennis, blijkt duidelijk waar wij in den _Alexander_ allerlei
wetenschappelijke invoegsels aantreffen: over de Joodsche en de
Babylonisch-Perzische geschiedenis, over JULIUS CESAR, CROESUS, CYRUS,
XERXES, over de verklaring van zons- en maansverduistering. Naar het
schijnt, heeft hij bij deze mededeelingen vaak slechts zijn geheugen
geraadpleegd, zoodat hij toch ook andere boeken gelezen moet hebben dan
"der minnen boek". Zoo hoog stelt MAERLANT de lectuur, dat hij DIOMEDES
tot zijne geliefde BRISEÏS laat zeggen: "wy lesen in ouden vyten", waar
het Fransch slechts van "hooren zeggen" spreekt[20].
Niet zóó ingenomen is MAERLANT met zijn held ALEXANDER of hij blijft
zich helder bewust dat deze toch een _heiden_ was en hij verzuimt niet
DARIUS te doen getuigen dat hij in de hel zal komen[21].
Hij koesterde liefde voor eene Vlaamsche schoone en bewondering voor
uitheemsche romanheldinnen, maar in schoonheid konden die toch niet
halen bij
... de vrouwe die noit en dede
Sonde no ooc dorperhede
met wie hij de reeks van vermaarde schoone vrouwen besluit. Dezelfde
eerbiedige liefde voor "de moeder ons heren" vinden wij aan het slot van
den _Alexander_ en in den roman _van Troyen_, waar hij eene onbekende,
door BENOÎT aangeduid als "riche dame de riche roi", vervangt door haar
die "moeder es ende maghet".
Ten slotte maken die Grieken en Trojanen op MAERLANT den indruk van
dorperlijke onnoozelheid; beide volken hebben meent hij, in den oorlog
hunne eer verloren. En waarom--gaat hij voort--laat men zich onder
Christenmenschen nog altijd voorlezen van die "overdaet"--Want aan
weerszijden waren het louter heidenen--? Het antwoord luidt: opdat
... elc man mercken sal,
Hoe onreene dat averal
Hoerdom es ende hoe groot quaet
Datter af te comene staet[22].
Zoo kon het verhaal van Troye ten slotte nog wel dienst doen als
afschrikwekkend voorbeeld. Met die overweging zal MAERLANT zijn geweten
hebben gerust gesteld, indien dat ten minste nu reeds in hem sprak,
zooals het later zou spreken over den verkeerden weg door hem als
dichter gevolgd.
Gaf de _Alexander_ ons den MAERLANT van later reeds te zien in zijne
neiging tot onderzoek en wetenschap, niet minder doet hij dat, waar wij
in dien roman eene uiterst vrije en zelfstandige bewerking vinden van
de, ook bij GAUTIER voorkomende, verwijten jegens papen en klerken over
hunne symonie, jegens groote heeren over hunne hebzucht.
Maar nergens zien wij in deze vroegste werken van MAERLANT zóó duidelijk
wat hij later worden zal als in den _Torec_. In het hoofdstuk, getiteld
"hoe Torec in 't scep van aventuren was", zien wij allerlei kiemen die
later zich zullen ontwikkelen. In een rijkversierd vertrek hooren wij
daar vroede oude mannen spreken over het nut der wijsheid, over dwazen
die dat nut niet inzien, over het onrecht door de grooten bedreven, de
minachting der kunst, de geldzucht, de breede klove tusschen rijk en
arm, de onverdiende geringschatting van den arme. Hier vinden wij ook
reeds de drie soorten van liefde genoemd, die wij later in den _Wapene
Martijn_ zullen terugvinden[23].
Deze MAERLANT, de Christen die de Moedermaagd stelt boven alle vrouwen,
die partij kiest voor den arme tegen de grooten der aarde, die adel en
geestelijkheid hunne hebzucht verwijt, die wijsheid en nuttige kennis
verheft en aanprijst--zal het winnen van den verliefden bewerker van
ridderromans. Zal het winnen--langzamerhand. Want van eene bekeering in
den eigenlijken zin des woords kan men hier niet spreken. Immers onder
zijne vroegste werken behoorde reeds een didactisch geschrift over de
gesteenten (_Lapidarijs_) en een werkje over droomen (_Somniarijs_) dat
een dergelijk karakter zal hebben gedragen. Ook verloochent hij in
latere jaren dat eerste werk niet. Naar zijn _Troyen_ en zijn
_Alexander_ verwijst hij de lezers ook nog in zijn _Rijmbijbel_ en zijn
_Spieghel Historiael_ zonder ze af te keuren; van den _Alexander_ zegt
hij alleen, dat er fabelen aan zijn toegevoegd die hij niet wil
herhalen. Anders is het met den _Merlijn_ en de Britsche romans in het
algemeen. Zoowel in _Rijmbijbel_ als in _Spieghel Historiael_ laat hij
zich geringschattend uit over "die boerde van den Grale", over "MADOCS
droom, REYNAERTS en ARTURS boerden"[24].
Immers, dat waren alle verzonnen dingen, leugens. Meer en meer komt hij
tot de overtuiging, dat hij in die vroegere werken van den rechten weg
was afgedwaald. In den _Rijmbijbel_ zien wij die overtuiging zoo sterk
geworden, dat zij zich moet uitspreken. Hij bidt God: vergeef mij om der
wille van dit werk
dat ic mi besmet
Ebbe in logenliken saken,
Die mi de lichtheit dede maken
Van der herten ende van den zinne
Ende van der wereliker minne[25].
Hier mag men ten minste van een omkeer spreken. MAERLANT toont besef te
hebben van dien omkeer en van nu af zien wij hem in de nieuwe richting
voortgaan. Meer dan eens stelt hij "der poëten fabelen", de "boerden
ende favele" tegenover de waarheid, tegenover het evangelie. Het
duidelijkst in den aanvang van _Sinte Franciscus Leven_:
Cume [Zijnoot: nauwlijks.] es hi van mi bekint,
Die nu leeft ende waerheit mint;
Maer Tristram ende Lanceloot,
Perchevael ende Galehoot,
Ghevensde [Zijnoot: verzonnen.] namen ende ongheboren,
Hier of willen de lieden horen;
Truffe van minnen ende van stride
Leestmen dor de werelt wide.
Die ewangelie es ons te zwaer,
Omdat soe recht seit ende waer.
Of MAERLANT niet aan zich zelven gedacht heeft bij zijn verhaal van dien
"coninc van versen"
Die vinden conste ende maken
Veerse die ter werelt smaken
maar die, door SINT FRANCISCUS tot inkeer gebracht, voortaan "pensde te
betren dingen"? Bij gebrek aan bewijs is dat moeilijk uit te maken; doch
zeker is, dat de stem der waarheid zich in MAERLANT'S werk luider doet
hooren, naarmate hij ouder wordt[26].
Zijne oogen richtend op de waarheid, had hij der Fransche
romanliteratuur den rug toegekeerd; naïef doch begrijpelijk is het, dat
nu in het vervolg alle "Walsch" voor hem "valsch" is, terwijl het
Latijn, immers ook de taal der kerk, geloofwaardig heet. Dat onder de
waarheid, die hij voortaan wil verkondigen, tal van wonderen begrepen
zijn, behoeft in een middeleeuwsch man niemand te bevreemden; "waerheit
ende menech wonder", "wonder ende waer" worden door hem, evenals door
andere middeleeuwsche auteurs, telkens in één adem genoemd[27].