waarin hij de openbare feestelijkheden te Babylon beschrijft; in de
teekening van "meester WOUTER CASTELLIOEN" brengt hij zooveel Vlaamsche
werkelijkheid, dat men hier en daar wanen zou verplaatst te zijn naar
een Vlaamsche stad die feest viert. MAERLANT moge een geleerd en stemmig
jonkman zijn geweest, hij kan toch niet nalaten zich bij die gelegenheid
even vroolijk te maken over de dwaze "warmoesdeernen" die zich hoofsche
namen hebben aangeschaft en beweren "vrouwe YMME" en "vrouwe MARGRIETE"
te heeten[9].
Doch liever laat hij het oog zijner verbeelding gaan over de hoofsche
vrouwen van name, om wier hoofd de stralenkrans der minne blonk. Wanneer
"meester WOUTER VAN CASTELLIOEN" de schoonheid eener Scythische koningin
heeft geprezen, neemt MAERLANT de gelegenheid waar om beroemde
schoonheden uit vroeger tijden op te sommen[10]. Hij heeft ze voor het
kiezen: behalve BLANCEFLOER die FLORIS beminde, kent hij nog twee van
hare naamgenooten; hij kent YSOUDE VAN IERLAND en die andere YSOUDE "met
de blanke handen" en MELIOR VAN CHIEFDORE en het liefje van AMADAS en
eene van WALEWEIN'S vele minnaressen en LANCELOT'S "amie" en DEJANIRA,
DIDO, BRISEÏS en ABSALON'S zuster THAMAR... waarlijk, men behoeft niet
te vragen met welke lectuur deze in der minnen kerker gevangene zich tot
nog toe bij voorkeur den tijd had verdreven.
Tot diezelfde soort van lectuur behoorde ook de _Historie van Troyen_.
Een geruimen tijd vóór MAERLANT, waarschijnlijk in den aanvang der 13de
eeuw, had zekere SEGHER, met den toenaam: DIEREGOTGAF, een paar
gedeelten van den Franschen _Roman de Troie_ vertaald of bewerkt[11]. In
het eene stuk, _tprieel van Troyen_ genaamd, is de liefde hoofdzaak; wij
zijn daar in het gezelschap van een aantal jongere ridders, met de
koninginnen van hun hart in een prieel buiten gezeten, en zich vermeiend
in hoofsche liefdesgesprekken. Het andere deel verplaatst ons in den
oorlog, maar een oorlog die gelijkt op een groot tournooi met scherpe
wapenen; de dames zitten er dan ook naar te kijken.
MAERLANT heeft den ganschen _roman de Troie_ van BENOÎT DE ST. MORE
vertaald en SEGHER'S werk in het zijne opgenomen, waarschijnlijk echter
na het zóó te hebben gewijzigd dat het met zijn eigen werk strookte[12].
De _Roman van Troyen_ is vol liefdelyriek. Het is dan ook begrijpelijk,
dat op ééne plaats dat lyrisch element ook den uiterlijken vorm der
lyriek aanneemt en het verhaal onderbreekt met een minneliedje. Ook
elders vinden wij dat lyrisch karakter: een drietal verzen van BENOÎT
over den dood van HECTOR wordt door MAERLANT uitgebreid tot eene
elegische ontboezeming, wel niet in coupletten, maar toch in eenige op
gelijke wijze aanvangende perioden afgedeeld[13].
Over het geheel mag de Dietsche bewerking verdienstelijk heeten; op
menige plaats is duidelijk te zien hoe zeer de bewerker vervuld was van
zijn onderwerp, van die ridderwereld en die liefdesgevallen. Waar hij
b.v. MEDEA'S hartstocht in zijn Dietsch moet weergeven, levert hij eene
fraaie navolging van zijn voorbeeld en op menige plaats zijner bewerking
heeft hij de levendigheid der voorstelling verhoogd door een dialoog in
het verhaal te brengen[14].
Tusschen den roman _van Alexander_ en dien _van Troye_ bewerkte hij een
paar romans uit den Britschen sagenkring. De _Historie van den Grale_ en
_Merlijns Boeck_ vormen de beide deelen van het eene werk, dat eene
vertaling bevat van een Franschen prozaroman van ROBERT DE BORRON.
In de _Historie van den Grale_ worden ons in hoofdzaak de lotgevallen
van JOZEF VAN ARIMATHEA verteld: hoe hij van PILATUS een "nap" of
"scotele" had ontvangen, "daer Jezus die eerste misse in sanc"; hoe hij
na de inneming van Jeruzalem door de Romeinen met een groote schare naar
verre landen trok en hoe "die scotele die men heet den Grael" het
vermogen bezat om de goeden van de kwaden te scheiden en tevens de
goeden de "gracie" te doen gewinnen. Later wordt de "heilige Grael",
"dat Sacrament van den Grale", gesteld onder de hoede van JOZEF'S zwager
BROEN, die "de rike visscher" geheeten wordt omdat hij een visch moet
vangen die naast den Graal op een gedekte tafel (avondmaalstafel) moet
worden gelegd. BROEN staat namelijk aan het hoofd van eene der vier
afdeelingen van geloovigen, die het Christendom over de wereld moeten
verbreiden. Van de lotgevallen van BROEN en de zijnen vernemen wij
verder niets, want het verhaal neemt vrij plotseling een eind en wendt
zich tot de geschiedenis van MERLIJN.
Dit verhaal vangt aan met een pleidooi voor Gods troon, over het recht
op de zielen der afgestorvenen, tusschen MASCAROEN, advocaat der
duivelen, en MARIA, pleitbezorgster der menschen[15]. Natuurlijk
verliezen de duivelen het pleit. Om zich te wreken, doen zij door een
hunner bij eene onschuldige maagd een kind verwekken dat tot Antichrist
bestemd is. Hun opzet mislukt, doordat dit kind, MERLIJN, zijne
bovennatuurlijke wijsheid slechts tot heil der menschheid wil aanwenden.
MERLIJN komt later in aanraking met den Engelschen koning UTER, wiens
broeder PENDRAGOEN gevallen is in den strijd tegen de Saksische
indringers. Hij helpt koning UTER in zijne liefdesbetrekking tot YGERNE,
"des hertogen wijf van Tintaveel." De vrucht van die overspelige liefde
is ARTUR, die koning van Logres wordt maar jaren lang strijd moet voeren
tegen de weerbarstige baronnen in zijn land.
Daarmede eindigt MAERLANT'S bewerking, die later door LODEWIJK VAN
VELTHEM zal worden voortgezet[16].
Noch in de _Historie van den Grale_, noch in _Merlijns boeck_ vind ik
plaatsen die ons de persoonlijkheid van den vertaler doen kennen. Wel
mag men vermoeden, dat de beschrijving der hoofsch-hartstochtelijke
liefde van koning UTER voor de schoone YGERNE in MAERLANT'S smaak zal
zijn gevallen[17]. Had hij geen behagen geschept in zulke
liefdesgeschiedenissen, dan zou hij zeker den roman _van Torec_ niet
hebben bewerkt. Het is begrijpelijk, dat dit ridderverhaal in de
_Lancelot-compilatie_ is opgenomen, want in hoofdzaak bevat het eene
verwerking derzelfde motieven die in andere Britsch-Keltische romans,
met name in den _Lancelot_, voorkomen. Wij vinden hier o.a. een schoone
maagd, zittend op een boom dien zij niet mag of kan verlaten; een dozijn
ridders, achtereenvolgens uit een kasteel komend, die door den held van
het verhaal overwonnen moeten worden; het "josteeren" tegen de gezellen
van de Tafelronde; bedwongen roofridders; verloste jonkvrouwen.
Dat MAERLANT bij de samenstelling van zijn werk gebruik heeft gemaakt
van Fransche romans, mag men reeds opmaken uit een vrouwenaam als
"TRISTOUSE" dien hij vertaalt door: "met rouwe gedragen" (er is daar
sprake van een kind); uit riddernamen als "VAN DER BASSE RIVIERE" en "DE
ORGELIOUS"; de hier voorkomende "camere van wijsheden" herinnert ons aan
"la Chambre de Beauté" in den _Roman de Troie_[18]. De eenmaal
voorkomende uitdrukking "also als ic 't int romans hore" kan wel grond
geven tot de onderstelling dat MAERLANT zich bij die plaats van zijn
werk een Fransch voorbeeld herinnerde; doch op grond van dat vers alleen
aan te nemen dat de _Torec_ vertaald is, schijnt mij gewaagd met het oog
op het feit dat nergens een Fransche roman van dezen naam genoemd wordt.
Trouwens, ook al is, wat mij waarschijnlijk voorkomt, de roman van
MAERLANT'S vinding, veel oorspronkelijks kan men er toch niet in
aanwijzen.
Doch vertaald of niet, opmerkelijk is in allen gevalle dat ook in dezen
roman de minnedichter zich vertoont: in verzen als:
Dat hare doe een splinter stac
Van reinre minnen in haer herte
in eene lyrische ontboezeming over de minne, "die alle hovescheit
wiset"; in het "saluut van minnen" dat TOREC aan de blanke MIRAUDE
zendt[19].