Wie MAERLANT door latere dichters "vader der Dietsche dichteren algader"
hoort noemen, zou kunnen vergeten dat ook deze vader eens jong geweest
is en de minne heeft gekend, al was hij nog zoo degelijk. De zoete
heugenis dier minne overvalt hem later midden in de geleerdheid van _der
Naturen Bloeme_. Wanneer broeder THOMAS VAN CANTIMPRÉ aan eene
beschrijving van den kalander-leeuwerik eene uitweiding over de vreugde
der contemplatie vastknoopt, gaat MAERLANT in zijn vertaling een anderen
weg. Dezen leeuwerik, die heerlijker zingt dan eenige andere, wien in
eene kooi de gevangenschap weelde schijnt, vergelijkt hij bij
Hem die met minnen es bevaen,
_Dat een zwaer karker es ende soete_.
Cume [Zijnoot: nauwlijks.] hevet hi enighe moete [Zijnoot: tijd.]
Om yet te pensen dan omme sanc,
Ende om feeste ende om spel ghemanc [Zijnoot: samen.],
_Der minnen karker geeft hi prijs [Zijnoot: lof.],
Want et dinct hem een paradijs_[3].
In dien kerker was ook de jonge MAERLANT gevangen, toen hij de hand
sloeg aan eene bewerking van den roman van ALEXANDER, ter wille van eene
schoone die hem gevangen hield en peinzen deed[4]. Behalve den
_Alexander_ bewerkte hij in deze eerste jaren nog drie andere romans.
Het is begrijpelijk dat twee daarvan: _Merlijn_ en _Torec_ behooren tot
die Keltische romans die immers door hunnen vrouwendienst, door een
lyrisch-erotisch element en hunne hoofschheid, een jonkman in MAERLANT'S
omstandigheden moesten aantrekken; begrijpelijk ook, dat de twee
overige: _Alexander_ en _Troyen_ behooren tot die klassieke romans die
naar den geest zoo verwant waren met de Keltische.
De scheiding die wij hier, in aansluiting bij onze vroegere beschouwing,
voor een oogenblik maken, bestond voor MAERLANT niet. Hij noemt in zijn
proloog ALEXANDERS daden als gelijksoortig met en overtreffende die van
zoovele andere helden: de strijd om Troye kan bij ALEXANDERS oorlogen
niet halen, de daden van ARTUR en WALEWEIN zinken hierbij weg, de
oorlogen van KAREL DEN GROOTE en van ATTILA met zijne Hunnen kunnen
hiermede niet vergeleken worden. Voor MAERLANT zijn blijkbaar alle
gedichten die deze en dergelijke stoffen behandelen, gelijksoortig als
schilderingen van het verleden.
Dat hij zich het eerst wendde tot eene bewerking der verhalen over
ALEXANDER DEN GROOTE, vindt ten deele zijne verklaring in het zoo even
gezegde. Maar ook de groote roem van het door hem verdietschte werk moet
daartoe hebben bijgedragen. De _Alexandreïs_ waarmede de scholaster
GAUTIER DE CHATILLON andere onhistorische gedichten over ALEXANDER
hoopte te verdringen, maakte grooten opgang; zóó zelfs dat de
Universiteit van Parijs dit nieuw-Latijnsch epos onder de klassieke
boeken opnam; dat het werd gelezen, bestudeerd en vereerd als een van
deze. Ook in ons land was de roem van dit werk doorgedrongen. MENKO, abt
van Wittewierum in den aanvang der 13de eeuw, noemt in de kroniek van
zijn klooster de _Alexandreïs_ in één adem met de _Aeneïs_; een zijner
tijdgenooten, de Christelijke Platonist HENDRIK VAN GENT, zegt, dat dit
werk zoozeer in aanzien is, dat men er de oude dichters voor laat
liggen[5]. Doch ook in het werk zelf en in daarmede verwante verhalen
was veel dat een jongen Vlaming dier dagen moest aantrekken. Geest en
gemoed waren toen nog zoo ongerept en stonden wijd open als de bloemkelk
gereed om zonnestralen en dauw en regen op te vangen. Deze menschen
luisterden naar verhalen uit den voortijd als kinderen naar een
sprookje; hun frissche belangstelling, nog niet neergebogen onder den
last eener eeuwenoude beschaving, niet overprikkeld noch afgestompt,
zweefde als een jonge vlinder door de tuinen van het verleden.
Die ridderlijke Koning die met zijn klein leger het geheimzinnig Oosten
introk en den machtigen Perzischen heerscher durfde aantasten, moest wel
indruk maken op de verbeelding van middeleeuwsche menschen. Wanneer
MAERLANT de toebereidselen tot ALEXANDER'S tocht verhaald heeft, kan hij
zich dan ook niet weerhouden, zijne verbazing lucht te geven[6]. En wat
al wonderen verhaalden de auteurs van de _Alexandreïs_ en dergelijke
werken! ALEXANDER komt in landen waar gouden en zilveren bergen zijn;
gelijk SINT BRANDAEN, nadert ook hij het Paradijs dat er uitziet als een
schitterende burg; hij ziet menschen zonder hoofd, arenden die van
achteren leeuwen zijn, draken, reuzen. Doch niet alleen door de
verbeelding in werking te brengen behaagde de _Alexandreïs_; in de
schets eener middeleeuwsche vorstenschool, in de verhalen over schepping
en bijbelsche geschiedenis, de verwijten tot papen en klerken gericht
wegens hunne simonie, tot de groote heeren wegens hunne hebzucht, was
veel wat den jongen MAERLANT belangwekkend en aantrekkelijk moest
voorkomen. Het verwondert ons dan ook niet van hemzelven te vernemen,
dat hij dit omvangrijk werk van meer dan 14000 verzen (uit het niet
zelden moeilijk of duister Latijn van zijn voorbeeld) in een half jaar
heeft verdietscht[7].
Gelijk zoo menig dichter vóór hem, geeft ook MAERLANT in dit gedicht eer
eene bewerking dan eene vertaling. Hij geeft korte samenvattingen, ten
einde grooter duidelijkheid of beter samenhang te verkrijgen; lascht
gepaste vergelijkingen of spreekwoorden in of voegt scherper trekken toe
aan de teekening van zijn voorbeeld. Het thema der onbestendigheid van
alle aardsche grootheid is door hem met liefde bewerkt. Den
bombastischen, bloemrijken stijl van GAUTIER heeft hij waarschijnlijk
niet willen noch kunnen volgen; de door den Franschen dichter geliefde
Homerische vergelijkingen heeft MAERLANT weggelaten, of een enkelen keer
door een eenvoudiger vergelijking vervangen. Op sommige plaatsen bekort
hij zijn voorbeeld en breidt dan niet zelden uit hetgeen onmiddellijk
volgt, als om eene vergoeding te geven[8].