Inleiding. Ridderpoëzie. Omkeer. Geestelijke poëzie. Poëzie der
Gemeenten. Der Kerken Claghe. Van den Lande van Overzee. Besluit.
In MAERLANT'S persoon en werk vinden wij de drie standen en hunne poëzie
vereenigd.
Hij staat in betrekking tot den adel en dicht ridderromans; hij behoort
tot de lagere geestelijkheid en schrijft geestelijke poëzie; hij zegt
den adel en vooral den geestelijken de waarheid en tracht door zijne
latere werken aan de gemeentenaren die kennis en ontwikkeling te
verschaffen die zij begeerden en noodig hadden.
Van zijn uiterlijk leven, vooral van zijn leven in verband met zijne
werken, is ons weinig bekend. Hij was een Vlaming, in de eerste helft
der 13de eeuw, vermoedelijk in de buurt van Brugge, geboren; misschien
woonachtig te Damme. Later in zijn leven vinden wij hem als koster te
Oost-Voorne en in betrekking tot de machtige edelen: Heer NICOLAAS VAN
CATS, wien hij zijn _Naturen Bloeme_ ten geschenke gaf, en ALBRECHT,
Heer van Voorne, burggraaf van Zeeland en vertrouwd raadsman van FLORIS
V; aan dezen ALBRECHT van Voorne droeg hij zijn roman _van Merlijn_ op.
Ten deele misschien nog in Vlaanderen, ten deele op Voorne, schreef hij
zijne eerste werken: den roman _van Alexander_ (1257-1260), _van
Merlijn_ (c. 1261), _van Torec_ (c. 1262) en _van Troyen_ (c. 1264)[1];
waarschijnlijk nog op Voorne de tweespraak die naar de aanvangswoorden
_Wapene Martijn_ (c. 1266) genoemd wordt. Van Voorne verhuisde hij naar
Damme, waar hij, volgens de overlevering, "scepenclerc"
(gemeentesecretaris) zou zijn geweest. Die verhuizing heeft misschien
omstreeks 1266 plaats gehad.
Na dien tijd schreef hij, behalve een aantal strophische gedichten, nog
eenige groote werken: _der Naturen Bloeme_ (1266-1269); _Rijmbijbel_
(vóór 1271); _Sinte Franciscus Leven_ (c. 1271-1272?) en daarvóór het
_Leven van Sinte Clara Spieghel Historiael_ (1282 of 1283 tot 1289 of
1290[2]).
In dat laatste werk is hij blijven steken; de dood heeft hem belet het
te voltooien. Aan het slot van het 3de boek der 4de Partie van dat
groote werk gekomen, schreef hij:
Ende verstaet dat Jacob moet
Van Maerlant rusten terre stede
Van der vierder paertyen mede,
Ende beiden tote dats hem God jan [Zijnoot: vergunt.],
Dat hire weder coemet an,
Omme te dichtene in redene claer
Die dinghe diere volghen naer.
In die verzen meenen wij het doodsklokje te hooren luiden.