AANTEEKENINGEN.

[1] Over den vermoedelijken invloed van VELDEKE'S poëzie op de hare vgl.

MARTIN JÖRIS, _Untersuchungen_ enz., bl. 81 vlgg.

[2] Vgl. hetgeen ik hierover vroeger heb geschreven in mijn _Lied in de

Middeleeuwen_, bl. 252 vlgg.

De aangehaalde verzen zijn te vinden in: _Trouvères Belges du XIIe au

XIVe siècle...._ par A. SCHELER, p. 2, 35, 36.

[3] _Der_ moet hier opgevat worden, gelijk niet zelden op andere

plaatsen, als aanwijzend voornaamwoord; vgl. ook den variant: _Diere

minne ne garic niet_.

[4] T.a.p. II, 63 vlgg.

[5] _Strophische Gedichten_ (edd. FRANK en VERDAM), I, str. 35.

Ik vestigde indertijd de aandacht op deze plaats in _Het Lied in de

Middeleeuwen_; vgl. ald. bl. 253.

[6] A.w. II, bl. 82, vs. 40-42.

[7] Vgl. _Historie van Troyen_ (ed. DE PAUW en GAILLIARD) vs. 16055. Het

Fransche vers (13421) luidt: "One nule ne pot doel aveir."

Eene lyrische ontboezeming ook in vs. 6666-6677 over den dood van

HECTOR, waar men in het origineel (vs. 16179-'81) slechts een drietal

verzen vindt.

[8] Het vraagstuk van Hertog JAN'S liederen is grondig behandeld door H.

BOERMA in: _Tijdschr. v. N.T. en L._, XV, 220 vlgg. Onder de daar

genoemde literatuur is vergeten hetgeen door VERDAM was opgemerkt in

hetzelfde Tijdschrift IX, 274.

[9] A.w. II, 2673-'4. In het Latijn is hiervan niets te vinden; vgl. _A.

Sanct._ Junii III, p. 245, 9.

[10] Vgl. _Kerstliederen en Leisen_ door J.G.R. ACQUOY, Amsterdam, JOH.

MÜLLER, 1887, bl. 20; BÄUMKER, _Niederl. geistl. lieder_ in:

_Vierteljahrsschrift für Musikw._, 1888, bl. 157.

[11] In R. HENNING'S _Nibelungen-Studiën_ (_Quell. u. Forsch._, 31, p.

21) lees ik: ALBERT VON AACHEN schöpfte im Anfang des zwölften

Jahrhunderts seine Erzählung über den ersten Kreuzzug aus flandrischen

und nordfranzösischen Liedern." Het is mij niet mogen gelukken in het

_Chronicon Hierosolymitanum_ de plaatsen te vinden, welke die bewering

zouden kunnen staven.

[12] Vgl. HOFFM. VON FALLERSLEBEN'S _Gesch. des deutschen

Kirchenliedes_, p. 44-5.

[13] Vgl. _Onze historische Volksliederen_ door PAUL FRÉDÉRICQ, bl. 8 en

_Middelnederlandsche Historieliederen_ door Dr. C.C. v.d. GRAFT, bl. 43.

[14] Vgl. _Alexander_ (ed. FRANCK), IV, 1450; V, 1226; III, 1338 en de

aanteekening op p. 435. Eene vergelijking met het Latijn toont dat deze

verzen van MAERLANT zijn. (Het "singhen ende lesen" in X, 1254 b.v. is

van GAUTIER DE CHATILLON).

[15] Vgl. _Rymkronyk van Jan van Heeln_ (ed. WILLEMS), p. 343, DXX vlgg.

JAN VAN HEELU zelf zinspeelt op die gedichten in vs. 5184 vlgg.

[16] PAUL FRÉDÉRICQ in a.w. bl. 8.

[17] Ik geef hier de Dietsche vertaling uit den druk van PETER VAN OS,

Swolle 1488 weer. Dit verhaal vindt men fo 169 vo.

[18] T.a.p. fo 140.

[19] _Liber Apum_ c. XLVIII: "obscenis et venereis cantibus corda etiam

religiosorum ac bonorum fidelium multotiens permoveri".

[20] A.w.c. XLVIII: "Cantum hunc celebrem de Martino ego cum collega meo

composui et per diversas partes gallie, theutonie promulgavi. Erat autem

turpissimus et plenus luxuriosis plausibus cantus ille."

Ik vond deze plaats niet in den door mij gebruikten druk der Dietsche

vertaling.

Het, mij en anderen onduidelijk, "plenus luxuriosis plausibus" heb ik

gemeend op bovenstaande wijze te mogen vertalen.

Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I · 第 41 / 113 题