Ook WILLEM VAN AFFLIGHEM klaagt over hen

Die loes baraet [Zijnoot: sluw bedrog.] ende arge treken

Bedekken metter minnen name

over de dwazen die behagen scheppen in zulke beuzelachtige rijmen[4].

Doch de merkwaardigste dezer bewijsplaatsen is ongetwijfeld die waar

MAERLANT zijne hoorders tegen deze minnepoëzie waarschuwt en haar tevens

kenschetst. In zijn _Wapene Martijn_ zegt hij tot zijn vriend:

Martijn, ic ben wel berecht:

Het seghet al, heren ende knecht [Zijnoot: schildknaap.],

Vrouwen ende joncfrouwen,

In sanghe ende in rime slecht,

Dat si met minnen sijn verplecht [Zijnoot: verstrikt.],

Ende men cans niet bescouwen.

Mi dinke dat al die werelt vecht

Jeghen der reenre minnen lecht

Ende volghen ontrouwen.

Menich seghet nu ende echt [Zijnoot: daarna.]:

"Mijn sin is ane u ghehecht

So sere, ic wane bedouwen" [Zijnoot: wegkwijnen.];

Achtre maken si de mouwen [Zijnoot: steken zij er den draak mede.] [5].

MAERLANT heeft hier blijkbaar het oog op edelen als dichters en lezers

van minnepoëzie. Dat echter ook geestelijken zulke minnepoëzie maakten,

blijkt ons uit den _Spieghel Historiael_. In zijn voorbeeld, VINCENTIUS'

_Speculum_, worden de wereldsche geestelijken dier dagen berispt, wier

gefriseerde lokken en geparfumeerde kleederen eene andere dan "heilige

minne" verraden en die zoete minnebrieven schrijven. Voor de woorden:

"dulces literulas sanctus amor non habet" vinden wij bij MAERLANT:

noch laten gaen

Salute, subtijleke ghedicht

Ende met sconen rimen verlicht[6].

Het is natuurlijk denkbaar, dat in het viertal aangehaalde plaatsen

gedoeld wordt op Fransche minnepoëzie, doch het kan niet waarschijnlijk

worden geacht. Zoowel de dichter der _Disticha Catonis_ als MAERLANT

richtten zich immers niet in de eerste plaats tot edelen; onder de

gemeenten was kennis van het Fransch in dezen tijd allerminst verbreid,

en het is de vraag of de geestelijken waarvan MAERLANT spreekt, het

Fransch zoo gemakkelijk hebben gehanteerd dat zij er verzen in konden

maken. Afgaand op de bovenvermelde plaatsen mag men vermoeden, dat er

omstreeks het midden der 13de eeuw vrij wat Dietsche minnelyriek moet

zijn geweest. Doch in ieder geval is er maar zeer weinig van

overgebleven.

Toen MAERLANT zich zoo scherp uitliet tegen de wereldschgezinde

"clerken" zijner dagen die minnepoëzie dichtten, herinnerde hij zich

misschien niet dan met berouw, dat hij, ook een "clerc", indertijd den

roman _van Troje_ had vertaald waarin de minne zooveel plaats beslaat.

Zou hij zelf nooit een minneliedje hebben gedicht ter eere van de

onbekende jonkvrouw voor wie hij zijn _Alexander_ heeft bewerkt? Het is

licht mogelijk. In allen gevalle heeft het hem niet ontbroken aan de

vereischte handigheid. Hoe gemakkelijk vloeit uit zijn ganzeschacht voor

een enkelen Franschen regel dit lyrisch couplet:

Nye en droech vrouwe

Ghestadighen rouwe,

Noch nummer en doet;

Haer ketsen [Zijnoot: zich inspannen.], haer jaghen,

Haer mynne draghen

Is saen te voet[7].

Deze verzen en de minneliedjes die aan Hertog JAN I VAN BRABANT worden

toegeschreven, is alles wat ons van de hoofsche lyriek dier tijden is

overgebleven. Waarschijnlijk zijn niet alle, aan Hertog JAN

toegeschrevene, minneliederen die ons slechts in Hoogduitsche

overzetting bewaard bleven, inderdaad door hem gedicht. Een vijftal dat

zich gemakkelijk tot het Middelnederlandsch laat terugbrengen, zullen

wij aan hem mogen toekennen; de overige zijn misschien door hem in het

Middelhoogduitsch gedicht of anders te onrechte op zijn naam gesteld[8].

In deze minneliedjes is weinig eigens of karakteristieks, maar zij zijn

bevallig en welluidend. Zoo b.v.:

Eens meienmorgens vroe

Was ic opgestaen;

In een scoen boemgaerdekijn

Soudic spelen gaen.

Daer vant ic drie joncfrouwen staen;

D'ene sanc voren, d'ander sanc na:

Harba lori fa, harba harba lori fa, harba lori fa.

Doe ic versach dat scone cruut

In den boemgaerdekijn,

Ende ic verhoerde dat soete geluut

Van den mageden fijn,

Doe verblide dat herte mijn,

Dat ic moeste singen na:

Harba lori fa, enz.

Doe groette ic die allerscoenste,

Die daer onder stont;

Ic liet mine arme al omme gaen;

Doe ter selver stont

Ic woude se cussen an haren mont;

Si sprac: "laet staen, laet staen, laet staen!"

Harba lori fa, enz.

Het refrein, hier waarschijnlijk louter muzikaal, vindt men ook in de

overige liederen. In het bovenstaande liedje ziet men, gelijk elders zoo

vaak, de liefde ontluiken in de vrije natuur. Overigens vinden wij hier

de gewone klachten, verzuchtingen en betuigingen.

Dat er naast eene hoofsche eene geestelijke lyriek heeft bestaan, is ons

overvloedig gebleken uit de poëzie van HADEWYCH.

Het is niet aannemelijk dat HADEWYCH de eenige zij geweest die van

"minne" gezongen heeft of de godsdienstige verlangens en behoeften des

harten geuit in liederen of andere lyrische vormen. Dat men in dezen

tijd geestelijke liederen heeft gekend, weten wij uit het _Leven van

Sinte Lutgart_. In een visioen ziet zij de heilige jonkvrouwen CECILIA

en CATHERINA naderen, achter haar eene schare groote schoone maagden, in

witte stolen gekleed, met een bloeienden tak in de hand; in het naderen

zingen zij "enen leec van minnen"[9]. Uit dit zeldzaam,

slechts hier voorkomend, woord _leec_ blijkt in allen gevalle dat ook

WILLEM VAN AFFLIGHEM geestelijke liederen kende. Doch daartoe bepaalt

zich onze wetenschap in dezen.

Waarschijnlijk zullen sommige geestelijke liederen, die ons slechts in

latere redactie's bekend zijn, nog uit dezen tijd dagteekenen. Zoo b.v.

het lied:

Nu zijt wellecome, Heere Christ,

Want ghy onser alder Heere bist

enz.

dat in Duitschland algemeen bekend is geweest en daar reeds vóór het

jaar 1000 moet bestaan hebben; doch met zekerheid is hier niets te

zeggen[10].

Zouden ten slotte ook hier te lande geene liederen of andere korte

lyrische gedichten zijn gemaakt op gebeurtenissen die het gansche volk

of een aanzienlijk volksdeel ontroerden? Reeds op zich zelf moet dat in

dezen tijd waarschijnlijk worden geacht; doch ook hier zijn ons meer

aanwijzingen dan teksten van liederen overgebleven. Welke gebeurtenissen

kunnen de bewoners dezer landen sterker hebben ontroerd dan de

kruistochten? Toch is ons geen enkel lied of gedicht overgebleven, dat

eene herinnering aan die tochten bewaart. Zijn zulke liederen er niet

geweest? Het is mogelijk, doch mij niet gebleken[11].

Liederen, vóór of in den strijd aangeheven--men zou ze in navolging van

onze oostelijke buren: _wijchliederen_ kunnen noemen--waren bij de

Germanen vanouds bekend[12]. Een dezer liederen is, hoe zeer dan ook

verminkt, door een Engelsch kroniekschrijver voor ons bewaard. MATTHAEUS

PARISIENSIS vertelt ons, dat drieduizend Vlaamsche soldaten, in dienst

van ROBERT graaf van Leicester naar Engeland gekomen in 1173, vóór den

strijd in een vlakte een reidans uitvoerden en daarbij zongen:

Hoppe, hoppe, Wilekin, hoppe, Wilekin,

Engelond is min ant tin [13].

Hoe onverstaanbaar deze regels in dezen vorm ook mogen zijn, het feit:

dat een krijgslied gezongen werd, mag opmerkelijk heeten en niet minder:

dat wij hier het van ouds bestaand verband tusschen zang en dans nog

vermeld vinden; dat verband is misschien nog zichtbaar in het herhaalde

_hoppe_[13].

Verhalen van oorlogen en gevechten, zooals in een veel vroeger eeuw de

Friesche zanger BERNLEF er zong, werden ook in MAERLANT'S tijd blijkbaar

nog altijd tot liederen verwerkt.

In zijn roman _van Alexander_ zegt hij:

Alse die liede seghe

ghewinnen, Spreectmen verre van haren daden Ende singht er af in

meneghen staden.

Op een andere plaats in datzelfde werk verdietscht hij de Latijnsche

woorden: "toto radiaret in orbe" door:

Men soude van siere doghet

singhen Al van daer die sonne up staet,

Tote daer soe weder neder gaet.

Ook de typische uitdrukking _een nieuw lied_ waarmede de liedjesdichters

en liedjeszangers vanouds de nieuwsgierigheid van het publiek hebben

geprikkeld, is aan MAERLANT reeds bekend, zooals blijkt uit het vers

waarin hij van ALEXANDER zegt:

Van joien sanc hi nuwen sanc[14].

Toen de slag bij Woeronc (1288) geleverd zou worden tusschen de

Brabanders eenerzijds, de Gelderschen en hunne bondgenooten anderzijds,

waren er blijkbaar spotdichten gemaakt, waarin JAN VAN BRABANT en de

zijnen vergeleken werden bij een haan met zijne hennen, hunne

tegenstanders bij valken en blauwvoeten[15].

Dat ook gevechten van minder omvang en beteekenis misschien reeds in de

12de eeuw in een lied werden bezongen, blijkt ons uit eene mededeeling

van den kroniekschrijver LAMBERT VAN WATERLOOS. Niet lang vóór 1108 werd

in de buurt van Doornik een gevecht geleverd, waarin tien broeders

sneuvelden; een treurlied over dat gevecht werd nog in latere tijden

door liedjeszangers gezongen[16]. Deze liedjeszangers waren met de

pijpers, fluitspelers en andere muzikanten dier dagen de bewaarders en

verbreiders, misschien ten deele ook de dichters van zoovele liederen

die toentertijd bestaan moeten hebben, doch, naar het schijnt, voorgoed

verdwenen zijn.

Omstreeks het midden der 13de eeuw moet er een aantal vroolijke, dartele

of ontuchtige liederen hebben bestaan. Met het oog op den volksaard

zouden wij dat wel reeds mogen vermoeden, doch zekerheid in dezen wordt

ons verschaft door den vroeger genoemden THOMAS VAN CANTIMPRÉ in zijn

_Liber Apum_ ("der Biën Boeck") dat tusschen 1258-1261 geschreven is. In

menig verhaal, door den schrijver tot stichting of waarschuwing verteld,

vinden wij eene kostbare bijdrage tot onze betere kennis van het leven

onzer voorouders.

Zoo lezen wij b.v.: "Inder sceydinghe des landes van Vlanderen ende

Brabant is gheleghen een groot dorp vol volckes ende inden dorpe was

karcwijdinghe, ende daer waren vele menschen verghadert te spelen, onder

wien dat was een piper als wij ghehoert hebben van meyster WILHELMUS,

die een gheleert ghoet priester is ende gheboren van den selven lande.

De voergheseide piper verwecte mit sinen springhen die jonghelinghen

ende ander maechden tot onkuussche liedekens te singhen. Daer nae doe

die hemel des avondes verdonckert was ende alleman te huys ghinck, was

alleen de piper noch niet ghesadet van den spele ende ghinc over den

weghe singhende mitten pipen". Een onweer komt op en twee

herdersjongens, die den pijper vergezellen, zien dat hij, door den

bliksem getroffen, ineenzinkt. "Mercke hier", besluit de schrijver, "dat

alle die gheen die de heylighe karchove ende karcken onteren mit

schandelicken sanghen ende spelen waerdich zijn soedanigher

wraeken"[17].

Elders zegt de schrijver, sprekend over een edel en heilig man, Heer

GOESEN VAN VELPEN, ridder in Brabant: "hy hadde eenen knechte,

ghelijckerwijs als hi mi selven vertelt hevet, die geset was des nachtes

te waken. Dese selve voerghenoemde knecht was seer ydel in allen

doechden ende was oeck mede des selve ghelijkes seer oncuus ende hi

plach te pipen ende te singhen ende vergaderde vele maechden ende

jonghelinghen. Do dese voerghenoemde knechte eens avondes pijpede ende

dansede, ghevielt dat die ridder (zijn here) sach alte openbaerlijke dat

die helsche duvel mit hoernen ende mit bernenden oghen voer den piper

huppelde ende spranc, ende tot menigherhande maniren zijnre beweghinghe

hem menichsins verblidede. Doe dat die here den knecht gheseyt hadde

ende hi niet aflaten en wolde vanden verdoemelijcken spele ende

alremeest van den oncuuschen lieden daer hi die magheden mede

verweckede, gaf hem zijn here oerlof ende dreef hem van daer." Weinig

tijds later wordt ook deze knecht "van gode gheslaghen"[18].

"Wie twijfelt er aan", vraagt THOMAS VAN CANTIMPRÉ op eene andere plaats

van zijn boek, "dat door ontuchtige minneliederen de harten ook van

kloosterlingen en oprechte geloovigen dikwijls verontrust worden?"[19].

Naar het schijnt, werden er toentertijd ook schandelijke

Sint-Maartensliedjes gedicht en gezongen. Een duivel die in den jare

1216 eene adellijke jonkvrouw te Nivelles in Brabant kwelde, zou ten

aanhoore van het volk gezegd hebben: "dat vermaarde lied van _Martijn_

heb ik met een mijner gezellen vervaardigd en in verscheidene deelen van

Frankrijk en Duitschland verbreid." De schrijver voegt er aan toe: "dit

nu was een zeer schandelijk lied, door dartel handgeklap begeleid"[20].

Wat men nu ook denken moge van den gehoornden danser met zijne brandende

oogen, die voor den pijper uit danste, men zal kwalijk geloof kunnen

weigeren aan het getuigenis van CANTIMPRÉ dat er toentertijd vrij wat

dartele of ontuchtige minneliederen bestonden. Begrijpelijk is: dat die

liederen meest 's avonds gezongen werden, als de dagtaak was afgeloopen;

opmerkelijk: dat het lied hier gewoonlijk voorkomt, begeleid door muziek

en dans, waarmede het vanouds verbonden is geweest.

Geen enkel dier liederen schijnt bewaard te zijn gebleven. Zij zijn

verstoven met het dartele jonkvolk dat ze gezongen heeft op zomeravonden

bij den reidans onder het spel van den pijper. De zangers konden ze niet

opschrijven al wilden zij; wie schrijven konden, zullen het niet der

moeite waard hebben geacht. Iets anders was het wat de meerderheid der

burgerij vroeg en wat men schrijvenswaard achtte: werken die nuttige

kennis bevatten, die de ontwikkeling van geest en gemoed bevorderden.

Die kennis en ontwikkeling werd hun rijkelijk verschaft door den man die

meer dan eenig ander zijner tijdgenooten in zijne werken eene

samenvatting en een beeld geeft van zijn tijd: JACOB VAN MAERLANT.

Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I · 第 40 / 113 题