Die loes baraet [Zijnoot: sluw bedrog.] ende arge treken
Bedekken metter minnen name
over de dwazen die behagen scheppen in zulke beuzelachtige rijmen[4].
Doch de merkwaardigste dezer bewijsplaatsen is ongetwijfeld die waar
MAERLANT zijne hoorders tegen deze minnepoëzie waarschuwt en haar tevens
kenschetst. In zijn _Wapene Martijn_ zegt hij tot zijn vriend:
Martijn, ic ben wel berecht:
Het seghet al, heren ende knecht [Zijnoot: schildknaap.],
Vrouwen ende joncfrouwen,
In sanghe ende in rime slecht,
Dat si met minnen sijn verplecht [Zijnoot: verstrikt.],
Ende men cans niet bescouwen.
Mi dinke dat al die werelt vecht
Jeghen der reenre minnen lecht
Ende volghen ontrouwen.
Menich seghet nu ende echt [Zijnoot: daarna.]:
"Mijn sin is ane u ghehecht
So sere, ic wane bedouwen" [Zijnoot: wegkwijnen.];
Achtre maken si de mouwen [Zijnoot: steken zij er den draak mede.] [5].
MAERLANT heeft hier blijkbaar het oog op edelen als dichters en lezers
van minnepoëzie. Dat echter ook geestelijken zulke minnepoëzie maakten,
blijkt ons uit den _Spieghel Historiael_. In zijn voorbeeld, VINCENTIUS'
_Speculum_, worden de wereldsche geestelijken dier dagen berispt, wier
gefriseerde lokken en geparfumeerde kleederen eene andere dan "heilige
minne" verraden en die zoete minnebrieven schrijven. Voor de woorden:
"dulces literulas sanctus amor non habet" vinden wij bij MAERLANT:
noch laten gaen
Salute, subtijleke ghedicht
Ende met sconen rimen verlicht[6].
Het is natuurlijk denkbaar, dat in het viertal aangehaalde plaatsen
gedoeld wordt op Fransche minnepoëzie, doch het kan niet waarschijnlijk
worden geacht. Zoowel de dichter der _Disticha Catonis_ als MAERLANT
richtten zich immers niet in de eerste plaats tot edelen; onder de
gemeenten was kennis van het Fransch in dezen tijd allerminst verbreid,
en het is de vraag of de geestelijken waarvan MAERLANT spreekt, het
Fransch zoo gemakkelijk hebben gehanteerd dat zij er verzen in konden
maken. Afgaand op de bovenvermelde plaatsen mag men vermoeden, dat er
omstreeks het midden der 13de eeuw vrij wat Dietsche minnelyriek moet
zijn geweest. Doch in ieder geval is er maar zeer weinig van
overgebleven.
Toen MAERLANT zich zoo scherp uitliet tegen de wereldschgezinde
"clerken" zijner dagen die minnepoëzie dichtten, herinnerde hij zich
misschien niet dan met berouw, dat hij, ook een "clerc", indertijd den
roman _van Troje_ had vertaald waarin de minne zooveel plaats beslaat.
Zou hij zelf nooit een minneliedje hebben gedicht ter eere van de
onbekende jonkvrouw voor wie hij zijn _Alexander_ heeft bewerkt? Het is
licht mogelijk. In allen gevalle heeft het hem niet ontbroken aan de
vereischte handigheid. Hoe gemakkelijk vloeit uit zijn ganzeschacht voor
een enkelen Franschen regel dit lyrisch couplet:
Nye en droech vrouwe
Ghestadighen rouwe,
Noch nummer en doet;
Haer ketsen [Zijnoot: zich inspannen.], haer jaghen,
Haer mynne draghen
Is saen te voet[7].
Deze verzen en de minneliedjes die aan Hertog JAN I VAN BRABANT worden
toegeschreven, is alles wat ons van de hoofsche lyriek dier tijden is
overgebleven. Waarschijnlijk zijn niet alle, aan Hertog JAN
toegeschrevene, minneliederen die ons slechts in Hoogduitsche
overzetting bewaard bleven, inderdaad door hem gedicht. Een vijftal dat
zich gemakkelijk tot het Middelnederlandsch laat terugbrengen, zullen
wij aan hem mogen toekennen; de overige zijn misschien door hem in het
Middelhoogduitsch gedicht of anders te onrechte op zijn naam gesteld[8].
In deze minneliedjes is weinig eigens of karakteristieks, maar zij zijn
bevallig en welluidend. Zoo b.v.:
Eens meienmorgens vroe
Was ic opgestaen;
In een scoen boemgaerdekijn
Soudic spelen gaen.
Daer vant ic drie joncfrouwen staen;
D'ene sanc voren, d'ander sanc na:
Harba lori fa, harba harba lori fa, harba lori fa.
Doe ic versach dat scone cruut
In den boemgaerdekijn,
Ende ic verhoerde dat soete geluut
Van den mageden fijn,
Doe verblide dat herte mijn,
Dat ic moeste singen na:
Harba lori fa, enz.
Doe groette ic die allerscoenste,
Die daer onder stont;
Ic liet mine arme al omme gaen;
Doe ter selver stont
Ic woude se cussen an haren mont;
Si sprac: "laet staen, laet staen, laet staen!"
Harba lori fa, enz.
Het refrein, hier waarschijnlijk louter muzikaal, vindt men ook in de
overige liederen. In het bovenstaande liedje ziet men, gelijk elders zoo
vaak, de liefde ontluiken in de vrije natuur. Overigens vinden wij hier
de gewone klachten, verzuchtingen en betuigingen.
Dat er naast eene hoofsche eene geestelijke lyriek heeft bestaan, is ons
overvloedig gebleken uit de poëzie van HADEWYCH.
Het is niet aannemelijk dat HADEWYCH de eenige zij geweest die van
"minne" gezongen heeft of de godsdienstige verlangens en behoeften des
harten geuit in liederen of andere lyrische vormen. Dat men in dezen
tijd geestelijke liederen heeft gekend, weten wij uit het _Leven van
Sinte Lutgart_. In een visioen ziet zij de heilige jonkvrouwen CECILIA
en CATHERINA naderen, achter haar eene schare groote schoone maagden, in
witte stolen gekleed, met een bloeienden tak in de hand; in het naderen
zingen zij "enen leec van minnen"[9]. Uit dit zeldzaam,
slechts hier voorkomend, woord _leec_ blijkt in allen gevalle dat ook
WILLEM VAN AFFLIGHEM geestelijke liederen kende. Doch daartoe bepaalt
zich onze wetenschap in dezen.
Waarschijnlijk zullen sommige geestelijke liederen, die ons slechts in
latere redactie's bekend zijn, nog uit dezen tijd dagteekenen. Zoo b.v.
het lied:
Nu zijt wellecome, Heere Christ,
Want ghy onser alder Heere bist
enz.
dat in Duitschland algemeen bekend is geweest en daar reeds vóór het
jaar 1000 moet bestaan hebben; doch met zekerheid is hier niets te
zeggen[10].
Zouden ten slotte ook hier te lande geene liederen of andere korte
lyrische gedichten zijn gemaakt op gebeurtenissen die het gansche volk
of een aanzienlijk volksdeel ontroerden? Reeds op zich zelf moet dat in
dezen tijd waarschijnlijk worden geacht; doch ook hier zijn ons meer
aanwijzingen dan teksten van liederen overgebleven. Welke gebeurtenissen
kunnen de bewoners dezer landen sterker hebben ontroerd dan de
kruistochten? Toch is ons geen enkel lied of gedicht overgebleven, dat
eene herinnering aan die tochten bewaart. Zijn zulke liederen er niet
geweest? Het is mogelijk, doch mij niet gebleken[11].
Liederen, vóór of in den strijd aangeheven--men zou ze in navolging van
onze oostelijke buren: _wijchliederen_ kunnen noemen--waren bij de
Germanen vanouds bekend[12]. Een dezer liederen is, hoe zeer dan ook
verminkt, door een Engelsch kroniekschrijver voor ons bewaard. MATTHAEUS
PARISIENSIS vertelt ons, dat drieduizend Vlaamsche soldaten, in dienst
van ROBERT graaf van Leicester naar Engeland gekomen in 1173, vóór den
strijd in een vlakte een reidans uitvoerden en daarbij zongen:
Hoppe, hoppe, Wilekin, hoppe, Wilekin,
Engelond is min ant tin [13].
Hoe onverstaanbaar deze regels in dezen vorm ook mogen zijn, het feit:
dat een krijgslied gezongen werd, mag opmerkelijk heeten en niet minder:
dat wij hier het van ouds bestaand verband tusschen zang en dans nog
vermeld vinden; dat verband is misschien nog zichtbaar in het herhaalde
_hoppe_[13].
Verhalen van oorlogen en gevechten, zooals in een veel vroeger eeuw de
Friesche zanger BERNLEF er zong, werden ook in MAERLANT'S tijd blijkbaar
nog altijd tot liederen verwerkt.
In zijn roman _van Alexander_ zegt hij:
Alse die liede seghe
ghewinnen, Spreectmen verre van haren daden Ende singht er af in
meneghen staden.
Op een andere plaats in datzelfde werk verdietscht hij de Latijnsche
woorden: "toto radiaret in orbe" door:
Men soude van siere doghet
singhen Al van daer die sonne up staet,
Tote daer soe weder neder gaet.
Ook de typische uitdrukking _een nieuw lied_ waarmede de liedjesdichters
en liedjeszangers vanouds de nieuwsgierigheid van het publiek hebben
geprikkeld, is aan MAERLANT reeds bekend, zooals blijkt uit het vers
waarin hij van ALEXANDER zegt:
Van joien sanc hi nuwen sanc[14].
Toen de slag bij Woeronc (1288) geleverd zou worden tusschen de
Brabanders eenerzijds, de Gelderschen en hunne bondgenooten anderzijds,
waren er blijkbaar spotdichten gemaakt, waarin JAN VAN BRABANT en de
zijnen vergeleken werden bij een haan met zijne hennen, hunne
tegenstanders bij valken en blauwvoeten[15].
Dat ook gevechten van minder omvang en beteekenis misschien reeds in de
12de eeuw in een lied werden bezongen, blijkt ons uit eene mededeeling
van den kroniekschrijver LAMBERT VAN WATERLOOS. Niet lang vóór 1108 werd
in de buurt van Doornik een gevecht geleverd, waarin tien broeders
sneuvelden; een treurlied over dat gevecht werd nog in latere tijden
door liedjeszangers gezongen[16]. Deze liedjeszangers waren met de
pijpers, fluitspelers en andere muzikanten dier dagen de bewaarders en
verbreiders, misschien ten deele ook de dichters van zoovele liederen
die toentertijd bestaan moeten hebben, doch, naar het schijnt, voorgoed
verdwenen zijn.
Omstreeks het midden der 13de eeuw moet er een aantal vroolijke, dartele
of ontuchtige liederen hebben bestaan. Met het oog op den volksaard
zouden wij dat wel reeds mogen vermoeden, doch zekerheid in dezen wordt
ons verschaft door den vroeger genoemden THOMAS VAN CANTIMPRÉ in zijn
_Liber Apum_ ("der Biën Boeck") dat tusschen 1258-1261 geschreven is. In
menig verhaal, door den schrijver tot stichting of waarschuwing verteld,
vinden wij eene kostbare bijdrage tot onze betere kennis van het leven
onzer voorouders.
Zoo lezen wij b.v.: "Inder sceydinghe des landes van Vlanderen ende
Brabant is gheleghen een groot dorp vol volckes ende inden dorpe was
karcwijdinghe, ende daer waren vele menschen verghadert te spelen, onder
wien dat was een piper als wij ghehoert hebben van meyster WILHELMUS,
die een gheleert ghoet priester is ende gheboren van den selven lande.
De voergheseide piper verwecte mit sinen springhen die jonghelinghen
ende ander maechden tot onkuussche liedekens te singhen. Daer nae doe
die hemel des avondes verdonckert was ende alleman te huys ghinck, was
alleen de piper noch niet ghesadet van den spele ende ghinc over den
weghe singhende mitten pipen". Een onweer komt op en twee
herdersjongens, die den pijper vergezellen, zien dat hij, door den
bliksem getroffen, ineenzinkt. "Mercke hier", besluit de schrijver, "dat
alle die gheen die de heylighe karchove ende karcken onteren mit
schandelicken sanghen ende spelen waerdich zijn soedanigher
wraeken"[17].
Elders zegt de schrijver, sprekend over een edel en heilig man, Heer
GOESEN VAN VELPEN, ridder in Brabant: "hy hadde eenen knechte,
ghelijckerwijs als hi mi selven vertelt hevet, die geset was des nachtes
te waken. Dese selve voerghenoemde knecht was seer ydel in allen
doechden ende was oeck mede des selve ghelijkes seer oncuus ende hi
plach te pipen ende te singhen ende vergaderde vele maechden ende
jonghelinghen. Do dese voerghenoemde knechte eens avondes pijpede ende
dansede, ghevielt dat die ridder (zijn here) sach alte openbaerlijke dat
die helsche duvel mit hoernen ende mit bernenden oghen voer den piper
huppelde ende spranc, ende tot menigherhande maniren zijnre beweghinghe
hem menichsins verblidede. Doe dat die here den knecht gheseyt hadde
ende hi niet aflaten en wolde vanden verdoemelijcken spele ende
alremeest van den oncuuschen lieden daer hi die magheden mede
verweckede, gaf hem zijn here oerlof ende dreef hem van daer." Weinig
tijds later wordt ook deze knecht "van gode gheslaghen"[18].
"Wie twijfelt er aan", vraagt THOMAS VAN CANTIMPRÉ op eene andere plaats
van zijn boek, "dat door ontuchtige minneliederen de harten ook van
kloosterlingen en oprechte geloovigen dikwijls verontrust worden?"[19].
Naar het schijnt, werden er toentertijd ook schandelijke
Sint-Maartensliedjes gedicht en gezongen. Een duivel die in den jare
1216 eene adellijke jonkvrouw te Nivelles in Brabant kwelde, zou ten
aanhoore van het volk gezegd hebben: "dat vermaarde lied van _Martijn_
heb ik met een mijner gezellen vervaardigd en in verscheidene deelen van
Frankrijk en Duitschland verbreid." De schrijver voegt er aan toe: "dit
nu was een zeer schandelijk lied, door dartel handgeklap begeleid"[20].
Wat men nu ook denken moge van den gehoornden danser met zijne brandende
oogen, die voor den pijper uit danste, men zal kwalijk geloof kunnen
weigeren aan het getuigenis van CANTIMPRÉ dat er toentertijd vrij wat
dartele of ontuchtige minneliederen bestonden. Begrijpelijk is: dat die
liederen meest 's avonds gezongen werden, als de dagtaak was afgeloopen;
opmerkelijk: dat het lied hier gewoonlijk voorkomt, begeleid door muziek
en dans, waarmede het vanouds verbonden is geweest.
Geen enkel dier liederen schijnt bewaard te zijn gebleven. Zij zijn
verstoven met het dartele jonkvolk dat ze gezongen heeft op zomeravonden
bij den reidans onder het spel van den pijper. De zangers konden ze niet
opschrijven al wilden zij; wie schrijven konden, zullen het niet der
moeite waard hebben geacht. Iets anders was het wat de meerderheid der
burgerij vroeg en wat men schrijvenswaard achtte: werken die nuttige
kennis bevatten, die de ontwikkeling van geest en gemoed bevorderden.
Die kennis en ontwikkeling werd hun rijkelijk verschaft door den man die
meer dan eenig ander zijner tijdgenooten in zijne werken eene
samenvatting en een beeld geeft van zijn tijd: JACOB VAN MAERLANT.