In de ontwikkelingsgeschiedenis van het dierdicht vertegenwoordigt de
fabel een vroeger tijdperk dan het epos. Daaruit volgt natuurlijk nog
niet, dat de fabelbundel _Esopet_ ouder moet zijn dan het episch gedicht
_Van den Vos Reinaerde_; doch welke ook de ontstaans-orde dezer twee
werken moge zijn, veel zullen zij elkander waarschijnlijk niet
ontloopen. En, wat gewichtiger is, in beide blijkt, dat hier
waarschijnlijk eene mondelinge overlevering moet hebben bestaan naast of
onder de schriftelijke.
De bewerker der Latijnsche fabels uit den _Romulus_ moet ook andere
fabels hebben gekend. Wat ligt meer voor de hand, dan dat die hem uit
den volksmond bekend, dat zij hem door anderen verteld zijn geworden?
Anders dan in den _Romulus_ draagt de vos bij hem reeds zijn naam
_Reinaert_, kent hij den ezel onder den naam _Boudewijn_, den aap onder
dien van _Martijn_; de vos spreekt den wolf aan met "soete here oom", de
ezel het everzwijn met "lieve broeder", de kleinere dieren (muis, lam)
spreken sterkeren als leeuw en wolf aan met "here" of "edel here"; wij
vinden in den _Esopet_ reeds de uitdrukking: "van reinaerts spele
spelen".
Juist omdat de bewoners dezer landen toentertijd reeds dierfabels
kenden, zal de verdietsching van den _Romulus_ bij hen in goede aarde
zijn gevallen. Zij moeten behagen geschept hebben in die korte verhalen,
waarin allerlei menschelijk gebeuren, denken en gevoelen was
voorgesteld; te meer, omdat de acteurs op dit klein tooneel te
voorschijn kwamen in de gedaante van allerlei, hun grootendeels bekende
dieren. Maar in die dieren herkenden zij menschen zooals zij zelve
waren, zooals zij er zagen onder hunne magen, vrienden, geburen: den
hebzuchtige, den bedrieger, den ontevredene, den ondankbare, den
hoovaardige. Hier werden zij gewaarschuwd en vermaand; hier konden zij
"vroescap leren" in nuttige lessen als: tevreden zijn met weinig, zich
hoeden voor slechte raadgevers, mooipraters wantrouwen, zich aan een
ander spiegelen, om het rad van avontuur denken, dat het met groote
heeren kwaad kersen eten is, "dat behendichede beter es dan sterchede".
En die "vroescap" moet hun te meer behaagd hebben, omdat zij werd
voorgedragen in lossen onderhoudenden trant, met rustige vroolijkheid en
zachte luim en leuke scherts die hier en daar, als in de fabel over de
vrouwen, tot goelijken spot werd.
Hoe moeten zij dan genoten hebben bij de aanschouwing van het zooveel
grooter en uitvoeriger tafereel van menschelijk dierenleven, dat hun in
het verhaal _Van den Vos Reinaerde_ geboden werd. Alles wat er in
_Esopet_ te genieten viel, was ook hier aanwezig, maar in hoogere macht,
en vereenigd tot een boeiend geheel vol afwisseling en leven. Hier waren
een groot aantal meerendeels inheemsche dieren: wolf[18], vos, das,
ever, bever, ram, haas, kater, haan met kippen, raaf, met uitheemsche
als leeuw, luipaard, beer, vereenigd tot eene maatschappij gelijk aan de
feodale, bestuurd door Koning Leeuw die met zijne groote vazallen te
rade gaat. In die maatschappij is er een die zich om recht noch wet
bekommert, leeft naar eigen lust en wil, niemand spaart, door allerlei
misdaden zich tal van vijanden heeft gemaakt, maar geen kamp geeft: vos
Reinaert, de felle met den rooden baard, sluw, vermetel, onbarmhartig,
telkens voor een nieuwen rooftocht zijn bijna ongenaakbaar Maupertuis
verlatend.
Eindelijk is de maat zijner misdaden volgemeten. Tal van klachten zijn
tegen hem ingebracht. Een geding voor 's Konings rechterstoel vangt aan.
Reinaerts grootste vijand, Isegrim de wolf, opent de reeks der
aanklagers. De Koning besluit dat Reinaert driemaal zal worden
ingedaagd. Beer en kater, achtereenvolgens naar Maupertuis gezonden,
komen met schade en schande terug, zonder Reinaert. Dan eerst gelukt het
aan neef Grimbaert den das hem voor den Koning te brengen. Veroordeeld
tot de galg, weet de schelm zich te redden door den Koning het uitzicht
te openen op een ver weg begraven schat; dit leugenverhaal heeft hij
verbonden met zware beschuldigingen tegen beer en wolf. Hij komt er af
met eene bedevaart; beer en wolf moeten boeten. Haas Cuwaert en ram
Belijn vergezellen hem naar Maupertuis; alleen de laatste keert met
Cuwaerts kop tot den Koning terug. Als hij daar aankomt, heeft Reinaert
met zijn gezin reeds de wijk genomen naar de wildernis.
In dit overzicht zijn slechts de voornaamste figuren met een paar lijnen
aangeduid en op hunne plaats gezet. Zulk een algemeenen indruk moesten
wij hebben, voordat wij ons nu kunnen wenden tot het beantwoorden van de
vragen: van waar had de dichter zijne voorstelling? hoe heeft hij haar
opgevat en uitgewerkt? welke indrukken laat de beschouwing van zijn
kunstwerk bij ons achter?
Niemand betwijfelt dat de Nederlandsche dichter WILLEM een of meer der
Fransche bewerkingen van de Reinaert-sage heeft gekend, noch dat hij een
zoogenaamde "branche" dier sage, _Le Plaid_, eenigermate als voorbeeld
heeft gevolgd.
Van de 12de tot de 14de eeuw hadden tal van Fransche trouvères,
meerendeels klerken, uit Normandië en Champagne, maar vooral uit
Picardië en Fransch-Vlaanderen, met liefde deze verhalen behandeld,
zooals zij zich die herinnerden uit de klassieke fabelbundels, uit de in
kloosters gedichte Latijnsche verhalen als _Ecbasis Captivi_, _Sacerdos
et Lupus_, _Gallus et Vulpes_, of uit de mondelinge overlevering.
Langzamerhand ziet men in het werk der trouvères satire van kerk en
kerkgebruiken en parodie van ridderwezen en ridderroman op den voorgrond
komen. Bij de voortgaande ontwikkeling van het literair kunstgevoel
gingen sommige dichters er naar streven eenheid te brengen in de
veelheid dezer verhalen. In den aanvang der 13de eeuw (omstreeks 1204)
zien wij dat streven althans voor een deel verwezenlijkt in het gedicht
_Le Plaid_.
Die bewerking van eenige Reinaert-verhalen heeft den Nederlandschen
dichter aanleiding gegeven tot het scheppen van een nieuw werk; tal van
bekende verhalen en dichterlijke motieven, met kunst verwerkt en met
tact samengevoegd, zijn daarin door hem met nieuw leven bezield. In het
eerste deel van zijn werk (ongeveer tot vs. 1883) volgde hij ten deele
het Fransche gedicht, maar op zelfstandige wijze: den gang van het
verhaal wijzigend, hier bekortend daar uitbreidend; niet zelden ook
andere verhalen invoegend, die hem of uit andere Fransche "branches" of
uit de mondelinge overlevering bekend waren. In het tweede deel ging hij
nog meer zijn eigen weg, daar hij, naar dichters welbehagen puttend uit
de bronnen der schriftelijke en waarschijnlijk ook der mondelinge
overlevering, uit de door hem gekozen stof de tweede helft formeerde. Is
er dus wel eenige reden om de beide helften van het gedicht naar hun
gehalte aan oorspronkelijkheid tegenover elkander te stellen, scherp kan
die tegenstelling niet genoemd worden.
Verscheidene punten van overeenkomst tusschen het Nederlandsch gedicht
en de Fransche "branches" zijn ons reeds vroeger aangewezen; die
overeenkomst heeft soms betrekking op den toestand, soms ook, maar
minder dikwijls, op de wijze van voorstelling; woordelijke overeenkomst
kan vooral in het eerste deel hier en daar worden opgemerkt[19]. De tot
dusver gegeven aanwijzingen kunnen echter met nieuwe worden vermeerderd.
Zoo b.v.: de vermelding van Reinaerts verraderlijke gepeinzen, terwijl
hij schijnbaar welwillend met een zijner vijanden staat te praten. Een
tweede aanwijzing vinden wij in het volgende. In het Nederlandsch
gedicht moet Bruin de beer, op zijne zending naar Maupertuis door
Reinaerts toedoen deerlijk mishandeld, een zwaren tocht volbrengen om
koning Nobel alles te berichten; niet in _Le Plaid_, maar in een der
andere Fransche "branches" vinden wij den hond Roenel in dezelfde
omstandigheden: ook hij is uitgeweest om Renart te halen, valt door
Renart's toedoen in een strik, wordt door de boeren mishandeld en sleept
zich met moeite naar 's konings hof. De weeklachten van vrouwe JULOCKE,
de pastoorsche, vindt men op de overeenkomstige plaats in _Le Plaid_
slechts aangeduid; vrij wat uitvoeriger zijn de klachten der
"prestresse" uit eene andere branche en het meest gelijken zij op het
gejammer van Dame Hersent, de wolvin, wanneer zij bemerkt dat haar
gemaal Isegrim door een bulhond op dergelijke wijze verminkt is als de
pastoor. Botsaert, de "clerc" des konings, schijnt van WILLEM'S vinding;
wij mogen echter niet vergeten, dat ook koning Noble een "clerc" heeft
in Baucent "le sanglier", al komt deze niet op dezelfde plaats voor als
in het Nederlandsch. Het gat dat "onder dien spiker verholenlike
gemaect" was, uit den _Reinaert_, vinden wij niet op de overeenkomstige
plaats in _Le Plaid_, wel in eene andere "branche" terug[20].
In al deze gevallen is de overeenkomst slechts in de toestanden gelegen;
behalve in een enkel vers, kan nergens van woordelijke overeenkomst
sprake zijn. Het is dus moeilijk uit te maken wat wij hier aan de
schriftelijke, wat aan de mondelinge overlevering moeten toeschrijven.
Het is zeer wel mogelijk dat WILLEM onderscheidene, door trouvère's
gedichte, verhalen van Renart heeft gekend, maar toch waarschijnlijk
niet met eene volledigheid die slechts door hedendaagsche critische
uitgaven bereikt wordt. Daarom zal men veiligst gaan door de mondelinge
overlevering ook hier niet uit het oog te verliezen.
Anders staan de zaken bij eene beschouwing van den _Reinaert_ als
parodie van den ridderroman. Die parodie was reeds in meer dan een der
Fransche "branches", ook in _Le Plaid_, aanwezig. Hier is het een
verdienste van WILLEM, dat hij den geest dier parodie zoo uitnemend
heeft gevat en weergegeven en dat hij getoond heeft dit wapen van den
spot voortreffelijk te kunnen hanteeren ook waar hij geen voorgangers
vond. Hoe duidelijk toont hij het eerste b.v. in de beschrijving van het
gevecht tusschen de dorpers en den beer, waaraan hij door parodiëering
der genealogische herauten-wijsheid zulk een komisch-grotesk aanzien
weet te geven.
Doch ook op eigen hand parodiëert hij het ridderwezen, zooals het hem
uit Nederlandsche romans bekend was geworden. Dat hij den _Karel en
Elegast_ voor dat doel gebruikt heeft, wisten wij; op verscheidene
plaatsen is zelfs woordelijke overeenstemming aan te wijzen. Doch er is
meer van dien aard te noemen.
In het bekende tooneel, waarin Bruin de beer ons geschilderd wordt: met
snuit en voorpooten gevangen in den halfgespleten eik op LAMFROIT'S erf
en bedreigd door een aansnellenden troep dorpers, heeft WILLEM naar alle
waarschijnlijkheid het Fransch gevolgd. Maar misschien toch het Fransch
niet alleen. Mij althans komt het opmerkelijk voor dat wij in den roman
_van Lancelot_ een troep dorpelingen geteekend vinden, evenzeer met
vijandige bedoelingen aansnellend op WALEWEIN. Men oordeele:
_Reinaert_, vs. 718 vlgg.
Doe volchde hem een mekel here.
Int dorp ne bleef man no wijf:
Den bere te nemene sijn lijf
Liep 't al dat lopen mochte.
Sulc was die enen bessem brochte,
Sulc enen vleghel, sulc een rake:
Sulc quam ghelopen met enen stake,
_So si quamen van haren werke_
_Lancelot_, II, 38377 vlgg.
(Die meyer liep sere verbolgen:
Die scepenen gingen hem volgen.
Men geboet al ute daer,
Wat elc conste vinden vorwaer,
Waes 't riec, pike, vleghel, stocken,
Hake, sceppen, swingen, rocken,
Wat dat si gegripen conden,
_Also alsi in haer ambacht stonden_,
Nam elc dat ende volgede naer.
Sulc nam enen timberbiel daer
Ofte ene reke oft een gysarme;
En si dattene God bescerme
Soe es min here Walewein verloren.
De mogelijkheid bestaat natuurlijk, dat reeds de plaats in _Le Plaid_
eene parodie was van de overeenkomstige plaats uit den Franschen
_Lancelot_; doch met het oog op de boven gecursiveerde verzen, komt mij
dat niet zoo waarschijnlijk voor.
Een dergelijk geval vinden wij in den grooten roman der _Lorreinen_. In
het verhaal van Tibert's zending tot Reinaert lezen wij o.a. dit vers
(1075):
wat cost Reinaerde scone tale?
Indien wij nu op de overeenkomstige plaats in het Fransch
(vs. 782) lezen:
Mes sa parole que li coste?
dan kunnen wij kwalijk betwijfelen, dat WILLEM dit vers onder de oogen
heeft gehad. Doch wanneer wij verder in den roman der _Lorreinen_ den
verrader ROBRECHT van Milaan tot een bode (dus onder dezelfde
omstandigheden) hooren zeggen: