VAN DEN VOS REINAERDE[17].

In de ontwikkelingsgeschiedenis van het dierdicht vertegenwoordigt de

fabel een vroeger tijdperk dan het epos. Daaruit volgt natuurlijk nog

niet, dat de fabelbundel _Esopet_ ouder moet zijn dan het episch gedicht

_Van den Vos Reinaerde_; doch welke ook de ontstaans-orde dezer twee

werken moge zijn, veel zullen zij elkander waarschijnlijk niet

ontloopen. En, wat gewichtiger is, in beide blijkt, dat hier

waarschijnlijk eene mondelinge overlevering moet hebben bestaan naast of

onder de schriftelijke.

De bewerker der Latijnsche fabels uit den _Romulus_ moet ook andere

fabels hebben gekend. Wat ligt meer voor de hand, dan dat die hem uit

den volksmond bekend, dat zij hem door anderen verteld zijn geworden?

Anders dan in den _Romulus_ draagt de vos bij hem reeds zijn naam

_Reinaert_, kent hij den ezel onder den naam _Boudewijn_, den aap onder

dien van _Martijn_; de vos spreekt den wolf aan met "soete here oom", de

ezel het everzwijn met "lieve broeder", de kleinere dieren (muis, lam)

spreken sterkeren als leeuw en wolf aan met "here" of "edel here"; wij

vinden in den _Esopet_ reeds de uitdrukking: "van reinaerts spele

spelen".

Juist omdat de bewoners dezer landen toentertijd reeds dierfabels

kenden, zal de verdietsching van den _Romulus_ bij hen in goede aarde

zijn gevallen. Zij moeten behagen geschept hebben in die korte verhalen,

waarin allerlei menschelijk gebeuren, denken en gevoelen was

voorgesteld; te meer, omdat de acteurs op dit klein tooneel te

voorschijn kwamen in de gedaante van allerlei, hun grootendeels bekende

dieren. Maar in die dieren herkenden zij menschen zooals zij zelve

waren, zooals zij er zagen onder hunne magen, vrienden, geburen: den

hebzuchtige, den bedrieger, den ontevredene, den ondankbare, den

hoovaardige. Hier werden zij gewaarschuwd en vermaand; hier konden zij

"vroescap leren" in nuttige lessen als: tevreden zijn met weinig, zich

hoeden voor slechte raadgevers, mooipraters wantrouwen, zich aan een

ander spiegelen, om het rad van avontuur denken, dat het met groote

heeren kwaad kersen eten is, "dat behendichede beter es dan sterchede".

En die "vroescap" moet hun te meer behaagd hebben, omdat zij werd

voorgedragen in lossen onderhoudenden trant, met rustige vroolijkheid en

zachte luim en leuke scherts die hier en daar, als in de fabel over de

vrouwen, tot goelijken spot werd.

Hoe moeten zij dan genoten hebben bij de aanschouwing van het zooveel

grooter en uitvoeriger tafereel van menschelijk dierenleven, dat hun in

het verhaal _Van den Vos Reinaerde_ geboden werd. Alles wat er in

_Esopet_ te genieten viel, was ook hier aanwezig, maar in hoogere macht,

en vereenigd tot een boeiend geheel vol afwisseling en leven. Hier waren

een groot aantal meerendeels inheemsche dieren: wolf[18], vos, das,

ever, bever, ram, haas, kater, haan met kippen, raaf, met uitheemsche

als leeuw, luipaard, beer, vereenigd tot eene maatschappij gelijk aan de

feodale, bestuurd door Koning Leeuw die met zijne groote vazallen te

rade gaat. In die maatschappij is er een die zich om recht noch wet

bekommert, leeft naar eigen lust en wil, niemand spaart, door allerlei

misdaden zich tal van vijanden heeft gemaakt, maar geen kamp geeft: vos

Reinaert, de felle met den rooden baard, sluw, vermetel, onbarmhartig,

telkens voor een nieuwen rooftocht zijn bijna ongenaakbaar Maupertuis

verlatend.

Eindelijk is de maat zijner misdaden volgemeten. Tal van klachten zijn

tegen hem ingebracht. Een geding voor 's Konings rechterstoel vangt aan.

Reinaerts grootste vijand, Isegrim de wolf, opent de reeks der

aanklagers. De Koning besluit dat Reinaert driemaal zal worden

ingedaagd. Beer en kater, achtereenvolgens naar Maupertuis gezonden,

komen met schade en schande terug, zonder Reinaert. Dan eerst gelukt het

aan neef Grimbaert den das hem voor den Koning te brengen. Veroordeeld

tot de galg, weet de schelm zich te redden door den Koning het uitzicht

te openen op een ver weg begraven schat; dit leugenverhaal heeft hij

verbonden met zware beschuldigingen tegen beer en wolf. Hij komt er af

met eene bedevaart; beer en wolf moeten boeten. Haas Cuwaert en ram

Belijn vergezellen hem naar Maupertuis; alleen de laatste keert met

Cuwaerts kop tot den Koning terug. Als hij daar aankomt, heeft Reinaert

met zijn gezin reeds de wijk genomen naar de wildernis.

In dit overzicht zijn slechts de voornaamste figuren met een paar lijnen

aangeduid en op hunne plaats gezet. Zulk een algemeenen indruk moesten

wij hebben, voordat wij ons nu kunnen wenden tot het beantwoorden van de

vragen: van waar had de dichter zijne voorstelling? hoe heeft hij haar

opgevat en uitgewerkt? welke indrukken laat de beschouwing van zijn

kunstwerk bij ons achter?

Niemand betwijfelt dat de Nederlandsche dichter WILLEM een of meer der

Fransche bewerkingen van de Reinaert-sage heeft gekend, noch dat hij een

zoogenaamde "branche" dier sage, _Le Plaid_, eenigermate als voorbeeld

heeft gevolgd.

Van de 12de tot de 14de eeuw hadden tal van Fransche trouvères,

meerendeels klerken, uit Normandië en Champagne, maar vooral uit

Picardië en Fransch-Vlaanderen, met liefde deze verhalen behandeld,

zooals zij zich die herinnerden uit de klassieke fabelbundels, uit de in

kloosters gedichte Latijnsche verhalen als _Ecbasis Captivi_, _Sacerdos

et Lupus_, _Gallus et Vulpes_, of uit de mondelinge overlevering.

Langzamerhand ziet men in het werk der trouvères satire van kerk en

kerkgebruiken en parodie van ridderwezen en ridderroman op den voorgrond

komen. Bij de voortgaande ontwikkeling van het literair kunstgevoel

gingen sommige dichters er naar streven eenheid te brengen in de

veelheid dezer verhalen. In den aanvang der 13de eeuw (omstreeks 1204)

zien wij dat streven althans voor een deel verwezenlijkt in het gedicht

_Le Plaid_.

Die bewerking van eenige Reinaert-verhalen heeft den Nederlandschen

dichter aanleiding gegeven tot het scheppen van een nieuw werk; tal van

bekende verhalen en dichterlijke motieven, met kunst verwerkt en met

tact samengevoegd, zijn daarin door hem met nieuw leven bezield. In het

eerste deel van zijn werk (ongeveer tot vs. 1883) volgde hij ten deele

het Fransche gedicht, maar op zelfstandige wijze: den gang van het

verhaal wijzigend, hier bekortend daar uitbreidend; niet zelden ook

andere verhalen invoegend, die hem of uit andere Fransche "branches" of

uit de mondelinge overlevering bekend waren. In het tweede deel ging hij

nog meer zijn eigen weg, daar hij, naar dichters welbehagen puttend uit

de bronnen der schriftelijke en waarschijnlijk ook der mondelinge

overlevering, uit de door hem gekozen stof de tweede helft formeerde. Is

er dus wel eenige reden om de beide helften van het gedicht naar hun

gehalte aan oorspronkelijkheid tegenover elkander te stellen, scherp kan

die tegenstelling niet genoemd worden.

Verscheidene punten van overeenkomst tusschen het Nederlandsch gedicht

en de Fransche "branches" zijn ons reeds vroeger aangewezen; die

overeenkomst heeft soms betrekking op den toestand, soms ook, maar

minder dikwijls, op de wijze van voorstelling; woordelijke overeenkomst

kan vooral in het eerste deel hier en daar worden opgemerkt[19]. De tot

dusver gegeven aanwijzingen kunnen echter met nieuwe worden vermeerderd.

Zoo b.v.: de vermelding van Reinaerts verraderlijke gepeinzen, terwijl

hij schijnbaar welwillend met een zijner vijanden staat te praten. Een

tweede aanwijzing vinden wij in het volgende. In het Nederlandsch

gedicht moet Bruin de beer, op zijne zending naar Maupertuis door

Reinaerts toedoen deerlijk mishandeld, een zwaren tocht volbrengen om

koning Nobel alles te berichten; niet in _Le Plaid_, maar in een der

andere Fransche "branches" vinden wij den hond Roenel in dezelfde

omstandigheden: ook hij is uitgeweest om Renart te halen, valt door

Renart's toedoen in een strik, wordt door de boeren mishandeld en sleept

zich met moeite naar 's konings hof. De weeklachten van vrouwe JULOCKE,

de pastoorsche, vindt men op de overeenkomstige plaats in _Le Plaid_

slechts aangeduid; vrij wat uitvoeriger zijn de klachten der

"prestresse" uit eene andere branche en het meest gelijken zij op het

gejammer van Dame Hersent, de wolvin, wanneer zij bemerkt dat haar

gemaal Isegrim door een bulhond op dergelijke wijze verminkt is als de

pastoor. Botsaert, de "clerc" des konings, schijnt van WILLEM'S vinding;

wij mogen echter niet vergeten, dat ook koning Noble een "clerc" heeft

in Baucent "le sanglier", al komt deze niet op dezelfde plaats voor als

in het Nederlandsch. Het gat dat "onder dien spiker verholenlike

gemaect" was, uit den _Reinaert_, vinden wij niet op de overeenkomstige

plaats in _Le Plaid_, wel in eene andere "branche" terug[20].

In al deze gevallen is de overeenkomst slechts in de toestanden gelegen;

behalve in een enkel vers, kan nergens van woordelijke overeenkomst

sprake zijn. Het is dus moeilijk uit te maken wat wij hier aan de

schriftelijke, wat aan de mondelinge overlevering moeten toeschrijven.

Het is zeer wel mogelijk dat WILLEM onderscheidene, door trouvère's

gedichte, verhalen van Renart heeft gekend, maar toch waarschijnlijk

niet met eene volledigheid die slechts door hedendaagsche critische

uitgaven bereikt wordt. Daarom zal men veiligst gaan door de mondelinge

overlevering ook hier niet uit het oog te verliezen.

Anders staan de zaken bij eene beschouwing van den _Reinaert_ als

parodie van den ridderroman. Die parodie was reeds in meer dan een der

Fransche "branches", ook in _Le Plaid_, aanwezig. Hier is het een

verdienste van WILLEM, dat hij den geest dier parodie zoo uitnemend

heeft gevat en weergegeven en dat hij getoond heeft dit wapen van den

spot voortreffelijk te kunnen hanteeren ook waar hij geen voorgangers

vond. Hoe duidelijk toont hij het eerste b.v. in de beschrijving van het

gevecht tusschen de dorpers en den beer, waaraan hij door parodiëering

der genealogische herauten-wijsheid zulk een komisch-grotesk aanzien

weet te geven.

Doch ook op eigen hand parodiëert hij het ridderwezen, zooals het hem

uit Nederlandsche romans bekend was geworden. Dat hij den _Karel en

Elegast_ voor dat doel gebruikt heeft, wisten wij; op verscheidene

plaatsen is zelfs woordelijke overeenstemming aan te wijzen. Doch er is

meer van dien aard te noemen.

In het bekende tooneel, waarin Bruin de beer ons geschilderd wordt: met

snuit en voorpooten gevangen in den halfgespleten eik op LAMFROIT'S erf

en bedreigd door een aansnellenden troep dorpers, heeft WILLEM naar alle

waarschijnlijkheid het Fransch gevolgd. Maar misschien toch het Fransch

niet alleen. Mij althans komt het opmerkelijk voor dat wij in den roman

_van Lancelot_ een troep dorpelingen geteekend vinden, evenzeer met

vijandige bedoelingen aansnellend op WALEWEIN. Men oordeele:

_Reinaert_, vs. 718 vlgg.

Doe volchde hem een mekel here.

Int dorp ne bleef man no wijf:

Den bere te nemene sijn lijf

Liep 't al dat lopen mochte.

Sulc was die enen bessem brochte,

Sulc enen vleghel, sulc een rake:

Sulc quam ghelopen met enen stake,

_So si quamen van haren werke_

_Lancelot_, II, 38377 vlgg.

(Die meyer liep sere verbolgen:

Die scepenen gingen hem volgen.

Men geboet al ute daer,

Wat elc conste vinden vorwaer,

Waes 't riec, pike, vleghel, stocken,

Hake, sceppen, swingen, rocken,

Wat dat si gegripen conden,

_Also alsi in haer ambacht stonden_,

Nam elc dat ende volgede naer.

Sulc nam enen timberbiel daer

Ofte ene reke oft een gysarme;

En si dattene God bescerme

Soe es min here Walewein verloren.

De mogelijkheid bestaat natuurlijk, dat reeds de plaats in _Le Plaid_

eene parodie was van de overeenkomstige plaats uit den Franschen

_Lancelot_; doch met het oog op de boven gecursiveerde verzen, komt mij

dat niet zoo waarschijnlijk voor.

Een dergelijk geval vinden wij in den grooten roman der _Lorreinen_. In

het verhaal van Tibert's zending tot Reinaert lezen wij o.a. dit vers

(1075):

wat cost Reinaerde scone tale?

Indien wij nu op de overeenkomstige plaats in het Fransch

(vs. 782) lezen:

Mes sa parole que li coste?

dan kunnen wij kwalijk betwijfelen, dat WILLEM dit vers onder de oogen

heeft gehad. Doch wanneer wij verder in den roman der _Lorreinen_ den

verrader ROBRECHT van Milaan tot een bode (dus onder dezelfde

omstandigheden) hooren zeggen:

Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I · 第 33 / 113 题