3. POËZIE DER GEMEENTEN.

De gemeenten tegenover adel en geestelijkheid. _Disticha Catonis_.

Dietsche _Ars Amandi_. _Bestiaris_. _Esopet_. De eerste boerde. Roman

_van den VII. Vroeden van Rome_. _Van den Vos Reinaerde_.

De ridderschap droeg een half nationaal half internationaal karakter. De

adel van eenig land mocht zich aan dat land verbonden gevoelen door

afkomst, taal, grondbezit en van tijd tot tijd met zijne landgenooten

tegenover andere volken staan--toch had hij met den adel van andere

West-europeesche volken veel gemeen: dezelfde ridderplichten golden voor

allen, hun begeeren en streven, hunne leefwijze, zeden en gewoonten,

waren grootendeels van denzelfden aard.

Ook de geestelijkheid, dienaren eener zelfde kerk die het Westen van

Europa in haar greep omvatte, had vrij wat internationaals; dezelfde

klooster-orden vond men in onderscheiden landen; overal droegen "gelijke

monniken gelijke kappen" en konden van gedachten wisselen in de

gemeenschappelijke kerktaal.

Tegenover deze beide standen vertegenwoordigen de gemeenten het

zuiver-nationale element. Poorters en boeren, doorgaans aan stad of dorp

gebonden, kwamen zelden buiten hunne streek of hunne gouw, veel minder

in vreemde landen, tenzij een bedevaart of een krijgstocht er hen toe

dwong. In die talrijke kleine kringen welker samenhang door onderling

gesloten huwelijken nog versterkt werd, bewaarde men het zuiverst het

oorspronkelijk volkskarakter in zijne voorname uitingen: taal, recht,

maatschappelijk en huiselijk leven. Daar sprak men slechts Dietsch, gaf

en ontving recht volgens voorvaderlijke instellingen, en bewaarde de

eeuwen door een schat van instellingen, gebruiken, zeden en gewoonten.

Het ideale streven van den adel en de geestelijke "minne" waren voor

hunne nuchterheid te hoog. Oorlog en hoofsche minne, in de ridderromans

verheerlijkt, konden nog niet veel aantrekkelijks hebben voor harde

werkers, tuk op winst die slechts de vrede hun brengen kon; voor

eenvoudige boeren en poorters, die nog niet veel gaven om oorlogsroem,

uiterlijke beschaving en verfijning. Zeker, ook zij hadden behoefte aan

iets hoogers dan het dagelijksch werken om den broode. In die behoefte

voorzagen de kerk en het geloof voor een groot deel; doch naarmate het

geestelijk leven onder de gemeenten zich ontwikkelde, begonnen ook zij

smaak te krijgen in eenig letterkundig werk dat hen kon vermaken,

onderrichten of stichten. Wat aan een of meer dezer drie voorwaarden

voldeed, had kans de gemeente te behagen--indien het niet te omvangrijk

was; want onder burgers en boeren had men niet zooveel vrijen tijd als

in kasteel of klooster.

Van dien aard was de Latijnsche verzameling van eenvoudige zedelessen

onder den naam _Disticha Catonis_ uit de eerste eeuwen onzer

jaartelling, die in bijna ontelbare bewerkingen of vertalingen onder de

volken van West-Europa was verbreid[1].

Dat "bouc van zeden" zooals MAERLANT het noemt, werd reeds in 1253 zóó

hoog geschat, dat men het op de scholen van Yperen als leerboek

gebruikte; toen DIEDERIC VAN ASSENEDE zijn _Floris en Blancefloer_

bewerkte, nam hij in zijn gedicht een drietal verzen uit den "bouc van

zeden" op, die hem blijkbaar nog van de schoolbanken heugden. De korte,

grootendeels vierregelige stukjes, in eenvoudige taal en doorgaans

paarsgewijze rijmend, waren daartoe dan ook wel geschikt. Met hun inhoud

kon het middeleeuwsch geslacht zeker zijn voordeel doen. Zij vonden hier

enkele voorschriften in den geest van het Christendom, zooals: den dood

niet vreezen, zich niet schuldig maken aan overspel of vrekheid. Veel

meer echter zulke die gericht waren op algemeene zedelijke vorming, op

de praktijk des levens, het aankweeken van zachtheid en heuschheid, het

aanleeren van goede manieren: vroeg opstaan, niet te veel eten en

drinken, niet veel praten onder het eten, zijn kinderen een ambacht

laten leeren, spaarzaam zijn, weer goed maken wat gij in dronkenschap

misdreven hebt; ais gij ziek zijt, kies dan iemand die verstand heeft

van de geneeskunst; let niet op droomen, beproef niet te doen wat uwe

kracht te boven gaat; maak u niet boos op uwe dienstbaren, geloof uwe

vrouw niet als zij te onrechte over hen klaagt, bedenk dat zij menschen

zijn als gij; aanvaard minzaam ook een kleine gift, scheld niet die u

liefhebben; bespot oude menschen niet; tracht wijs te worden: onderricht

in den landbouw kunt gij vinden bij VIRGILIUS, in den oorlog bij

LUCANUS, in de minne bij OVIDIUS. Wacht u voor menschen die weinig

spreken:

Men seit: die vloet die stille staet,

Soe [Zijnoot: zij.] es dieper dan die harde gaet.

Bemin het geld om zijn gebruik; bezit gij have en goed, geniet er dan

van. Gij moogt wel een spiering uitgooien om een kabeljauw te vangen.

OVIDIUS' onderricht in de minne, waarvan de _Dietsche Catoen_ spreekt,

was te vinden o.a. in een uit het Fransch vertaald gedicht, dat

waarschijnlijk tot dezen tijd behoort en de _Ars Amandi_ behandelde. Ook

in een _bestiaire_--wij zouden zeggen: een _beestenboek_--zooals een

Fransch geestelijke van hoogen rang, RICHARD DE FOURNIVALL, er in den

aanvang der 13de eeuw een schreef, dat toepasselijk was gemaakt op de

liefde. Zulk een "bestiaris van minnen", waarschijnlijk uit dezen tijd,

kwam gedeeltelijk tot ons.

Veel meer in trek echter waren de echte "bestiaires" die een overzicht

van gesymboliseerde zoölogie behelsden. MAERLANT verhaalt ons dat Heer

WILLEM UTENHOVE, "priester van goeden hove" te Aardenburch, zulk een

_Bestiaris_ had gemaakt. Doch hij was van den rechten weg afgedwaald,

doordat hij een Fransch gedicht tot voorbeeld had gekozen. Misschien was

dit voorbeeld PHILIPPE DE THAON'S _Bestiaire_ uit den aanvang der 12de

eeuw, waarin o.a. de leeuw Jezus-Christus voorstelt; de eenhoorn die

zich laat vangen door eene maagd: God die afgedaald is tot Maria; de

krokodil den duivel; de sirenen die in zee de schippers verlokken: de

rijkdommen in de wereld de menschen verleidend enz.[2].

Doch hoe nuttig zulke zedelessen ook waren, zij zetten de verbeelding

niet aan het werk en vermochten dus niet, wat men van een literair werk

vooral verlangt: de toehoorders (lezers) aan zich zelven te ontrukken.

Daartoe was het verhaal beter geschikt, het korte verhaal dat tevens een

nuttige les bevatte. Zulke verhalen zijn van de oudste tijden af bij

alle volken, beschaafd of onbeschaafd, in zwang geweest en hebben zich

langs de wegen van mondelinge en schriftelijke overlevering, de eeuwen

door, van het eene volk tot het andere verbreid. In tijden toen de

mensch zijne meerderheid boven het dier nog niet zoo sterk gevoelde als

later, verplaatste de verteller zijne hoorders gaarne te midden der

dierwereld. Liet hij dieren handelen en spreken als menschen, dan kon

niemand zich ergeren als ware het op hem gemunt, en het verhaal won aan

zinrijkheid doordat het den geest der hoorders aan het werk zette, en

hen zelven de toepassing deed maken. Niet zelden ook voerde de verteller

de dieren in gezelschap van een of meer menschen ten tooneele of

vertelde hij een verhaal waarin louter menschen voorkwamen onder

verdichte namen of aangeduid in algemeene bewoordingen.

Die honderden verhalen in hunne verbreiding over de wereld door den loop

der eeuwen volgen, daartoe is de wetenschap op verre na niet in staat.

Slechts hier en daar kan zij ons een kijkje geven op de veelheid hunner

elkander kruisende kronkelwegen. In het Oosten met name in Voor-Indië,

zijn vele dezer verhalen al vroeg opgeteekend en tot grootere werken

vereenigd; van het Oosten zijn er ettelijke, ten deele langs

schriftelijken ten deele langs mondelingen weg, naar het Westen gekomen;

vele andere moeten echter vanouds gemeen goed der menschheid geweest en

mondeling van het eene geslacht op het andere zijn overgegaan, ook al

kreeg men door vertalingen eene schriftelijke overlevering naast die

mondelinge[3].

Waarschijnlijk waren er in de 13de eeuw ook hier te lande verscheidene

dierenfabels in omloop[4]. Echter berust de eenige Nederlandsche

fabelbundel van dezen tijd die tot ons is gekomen niet op mondelinge

overlevering, maar bevat zij eene vertaling van een Latijnsch origineel

dat bekend staat onder den naam _Romulus_. Misschien had MAERLANT het

oog op dezen bundel, toen hij in zijn _Spieghel Historiael_ verhaalde

dat de "favele" van ESOPUS door een paar dichters, CALFSTAF en

NOYDEKIIN, waren verdietscht "in rime scone ende fijn" en ze aanprees om

de "spellecheit [Zijnoot: vermakelijkheid.] ende wijsheit van zinne" die

men er in vond[5].

De bedoeling ook van dezen fabelbundel, gewoonlijk _Esopet_ genoemd, was

natuurlijk lessen van menschenkennis en levenswijsheid mede te deelen.

De schrijver van den proloog bereidde zijne hoorders (lezers) daarop

voor, toen hij aldus aanving:

Ic wille u, in die ere ons Heren,

Bi beesten ende bi vogelen leren,

Wisen ende wel bedieden

Die nature van den lieden.

Aan het slot der fabels zijn die lessen dan ook doorgaans in een paar

regels of een spreekwoord samengevat. In die goede lessen achtte de

proloogschrijver de verdienste van het boek gelegen. "Let op den inhoud,

niet op den vorm", zegt hij; in elk woord vindt gij "redene ende goeden

sin"[6]. Toch mag de bewerking over het algemeen verdienstelijk heeten,

al is zij onder de handen van een afschrijver er waarschijnlijk niet

beter op geworden. De 67 fabelen die hier uit den _Romulus_ ter

bewerking zijn gekozen, behelzen de algemeen bekende verhalen van vos en

kraai, kikvorsch en os, wolf en kraanvogel enz.; zij zijn meerendeels

levendig verteld; hier en daar heeft de bewerker de levendigheid

verhoogd door zijne personages sprekend op te voeren, zooals dat ook in

de epische ridderpoëzie gebruikelijk was[7]. Hier en daar heeft de

volksaard aan de vertaling een eigen kleur gegeven. Zoo b.v. waar de

vertaler de fabel van de muis en de kikvorsch besluit met:

Hets recht, dat valsche taverniere

Drinken van hars selfs biere[8].

Elders komt de maagschap ons herinneren dat wij in middeleeuwsch

Nederland zijn. Op een andere plaats geeft de bewerker ons een kijkje in

de middeleeuwsche hel waar de rampzaligen in de (met kokend sulfer en

pik gevulde) ketels moeten ronddrijven[9].

In een vijftiental dezer fabelen komen naast dieren ook menschen ten

tooneele, in een vijftal slechts menschen of goden; zij handelen over de

bruiloft van een dief, over Juno en Venus, een jonkman en eene

jonkvrouw, een vader met zijn onhandelbaren zoon, een man die uit twee

monden spreekt. Daar had de dichter een greep gedaan in het algemeen

menschelijke, daar verplaatste hij zijne hoorders in wat ook nog voor

hen werkelijkheid was[10].

In hooger mate geldt dat van een der verhalen uit dezen bundel dat ik

tot nog toe ter zijde heb gelaten, omdat het een karakter draagt,

verschillend van dat der overige. Het is het bekende verhaal van de

ontroostbare weduwe die niet wil scheiden van haar mans lijk. Niet ver

van haar zit een soldaat op wacht bij de galg, waaraan het lijk van een

misdadiger hangt. De wachter krijgt dorst, klopt aan bij de schoone

weduwe, stilt zijn dorst en troost haar. Terugkomend, ziet hij dat

verwanten van den gehangene het lijk gestolen hebben. Bevreesd voor

straf, roept hij de hulp der weduwe in; deze redt hem uit den brand door

het lijk van den betreurden echtgenoot in de plaats van het

misdadigerslijk te hangen.

Het middeleeuwsch woord _fabel_ was, evenals het Oudfransche _fabliau_,

ruim genoeg om verhalen van dezen aard en verhalen uit het dierenleven

te omvatten; doch wanneer wij de Nederlandsche bewerking vergelijken met

het Latijnsche origineel, dan zien wij duidelijk dat wij hier een

voorlooper onzer latere _boerden_ voor ons hebben. Van het sober, bijna

droog, vertelde Latijnsche verhaal heeft de Nederlandsche dichter een

klein tafereel vol leven gemaakt, waarin de naïeve volkshumor van tijd

tot tijd op voortreffelijke wijze tot uiting komt. Men hoore b.v. het

eerste onderhoud tusschen de schijndroeve en den wachter:

"Vrouwe," seegt hi, "God houde u!"

"Ay mi!" seegt si, "wie es daer nu?"

"Vrouwe," seegt hi, "hier es een man."

"Ay mi!" seegt si, "nu vlie dan!

"Nemmermeer so ne wil ic comen,

"Of God wilt daer men _man_ hort noemen.

"Ay mi!" seegt si, "hier leget doet

"Mijn soete vrient, mijn beddeghenoet

...

Dan de leukheid waarmede de wachter haar troost:

"Bi Gode!" seegt hi, "lieve vrouwe,

"Mi es herde leet uw rouwe;

"Maer die levende ende die dode

"Moeten sceden, al doen sij 't node."

...

Verdraag wat gij niet verhelpen kunt; denk aan uw jonge jeugd. Zoo'n

mooie vrouw past vroolijkheid beter; en dan, uw man mag flink zijn

geweest... daar zijn nog betere dan hij:

"Beter?" seegt si, "ay mi! ay mi!

"Wie soude dat sijn, segt mi, wie?"--

"Vrouwe," seegt hi, "dat ben ic,

"Die u ghemint hebbe een stic" [Zijnoot: eenigen tijd.].--

"Ghi hout u scaren [Zijnoot: gij spot.], ic wane," seegt soe.

"God weet, vrouwe," seegt hi, "in doe."

Met dezelfde losheid en levendigheid gaat het verhaal voort tot het

eind, al heeft de afschrijver op al te plompe wijze getracht het slot te

verknoeien[11].

Een dergelijk verhaal van de ontroostbare weduwe vindt men met

verscheidene andere vereenigd in een der beroemdste verhalenbundels,

welke de wereldliteratuur kent, nl.: _van den VII. vroeden binnen Rome_.

Van de vroegste tijden af vindt men bij tal van volken in Azië en Europa

deze en soortgelijke verhalen vereenigd tot bundels, die onderling

verschillen doordat, als in een kaleidoscoop, telkens weer andere

verhalen zich samenvoegen tot een nieuw geheel. De lijst om die verhalen

blijft dezelfde; overal is het een stiefmoeder die haren schoonen

voorzoon, een JOZEF-HIPPOLYTUS, belastert bij zijn vader. Telkens wil de

vader den zoon ter dood laten brengen, doch wordt ook telkens daarvan

afgebracht door een waarschuwend verhaal van een der zeven vroede mannen

die den jongeling hebben opgevoed. Tegenover elk dier verhalen plaatst

de stiefmoeder een verhaal met tegenovergestelde strekking, totdat de

vader de waarheid ervaart en de booze stiefmoeder doet verbranden. In

die lijst vindt men telkens weer een verschillend samenstel van

verhalen, al komen ettelijke van dezelfde verhalen in vele bewerkingen

voor[12].

In den bovengenoemden Nederlandschen bundel hebben wij waarschijnlijk de

bewerking eener Fransche proza-redactie[13]. MAERLANT zal wel het oog op

dit gedicht hebben gehad, toen hij in zijn _Spiegel Historiael_ schreef:

Maer noit en vand ic, als ic ghome [Zijnoot: naar ik meen.],

Ghene VII. vroede te Rome,

_Els dan die valsche faloerde [Zijnoot: Behalve dan dat logenverhaal.]

Veinset daer af eene boerde_[14].

Ook is het zeer wel mogelijk dat een paar regels uit één der verhalen

zijn overgenomen uit het verhaal van de weduwe in _Esopet_ of omgekeerd,

zoodat beide werken niet zoo heel lang na elkander zullen vervaardigd

zijn[15].

Deze Nederlandsche bewerking geeft ons een aantal der meest bekende

verhalen, waarvan ik slechts een paar noem om eenig denkbeeld van het

geheel te geven. Wij vinden hier o.a. het verhaal van den trouwen hond

die een kind in de wieg verdedigt tegen een slang, de slang doodt en,

met bloed bevlekt, zich neervlijt bij de wieg die in het gevecht

ondersteboven is komen liggen. Als dan de vader van het kind thuiskomt,

de wieg ondersteboven doch niet zijn kind ziet, waant hij dat de hond

het kind heeft gedood en slaat den trouwen wachter den kop af. Voorts

het verhaal, reeds bij HERODOTUS voorkomend, van de dieven die in des

Konings schatkamer binnendringen, waarin één hunner gevangen blijft; dat

van de vrouw die het geduld van haar man op zware proeven stelt, door

SHAKESPEARE in zijn _Taming of the Shrew_ gedramatizeerd; van de

overspelige vrouw die door een slimmen streek haar man 's nachts buiten

de deur weet te sluiten en de verdenking van ontrouw op hem te laden.

Vergelijkt men de Nederlandsche bewerking met haar voorbeeld dat zij

over het algemeen vrij getrouw volgt, dan blijkt dat de vertaler in

menig opzicht te kort schiet: zelden treffen wij een stuk aan dat mooi

verteld is, al te vaak vinden wij noodelooze herhalingen en stoplappen;

de bouw zijner zinnen laat nogal eens te wenschen over. Anderzijds is er

in zijn werk zekere frischheid en iets eigens dat aangenaam aandoet en

de vele teekenachtige woorden die hij gebruikt, versterken dien indruk

nog. Zelden of nooit laat hij in eene opmerking of overweging iets van

zijne persoonlijkheid zien, doch het karakter van zijn volk en zijn tijd

openbaart zich hier en daar duidelijk. Op meer dan een plaats vinden wij

een godsdienstig tintje, waar dat in het Fransen ontbreekt; elders

integendeel een realistisch-erotisch element, dat in het Fransch niet

gevonden wordt. Soms geeft hij ons een kijkje in de rechtspraak dier

dagen, in het huiselijk leven en de gewoonte om met Kerstdag zijne magen

ten eten te noodigen, toont ons dat het verbod om 's avonds na klokslag

zonder lantaarn uit te gaan toen reeds bestond of, verlevendigt zijn

verhaal door het aardig weergeven eener tevreden stemming in een regel

als deze:

Dat halp den keyser in sijn merch[16].

Zulke teekenachtige uitdrukkingen, in verband met den ganschen geest der

bewerking en de blijkbare onbedrevenheid van den bewerker in het

hanteeren der taal, doen mij eer aan een volksdichter dan aan een

ontwikkeld dichter denken, al blijkt ons niet tot welk publiek hij zich

bij voorkeur richt.

Opmerkelijk blijft in allen gevalle dat de smaak in korte verhalen van

dezen aard--zij konden immers alle afzonderlijk worden

voorgedragen--zich in dezen tijd onder ons volk openbaart. En

begrijpelijk is het dat men hier nog meer moet hebben genoten van een

dichtwerk waarin een aantal dierfabels waren verbonden tot een veel

hechter en schooner geheel dan dat der _VII. vroeden van Rome_.

Men zal beseffen dat ik het oog heb op het voortreffelijk middeleeuwsch

kunstwerk

Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I · 第 32 / 113 题