dan gaan wij toch vermoeden, dat WILLEM ook dit vers moet gekend hebben.
En dat met meer reden, omdat er ook andere plaatsen in de _Lorreinen_
zijn, die ons aan het gedicht _van den vos Reinaerde_ doen denken.
In het Tweede Boek van dien roman vinden wij keizer KAREL te Aken; hij
zal uitspraak doen in "'t gedinge" tusschen een paar zijner groote
vazallen: koning OTTE en koning YOEN; de laatste wordt namelijk
beschuldigd van overspel met OTTE'S gemalin (de verhouding tusschen
Isegrim, Reinaert en Hersent).
Ook elders in dezen roman vinden wij een paar voorname vazallen met
hunne magen voor 's Konings rechterstoel hunne zaak bepleitend. GELLOEN,
de verrader, die in dezen roman eene gewichtige rol speelt, boos, sluw,
dapper, doet ons meer dan eens aan Reinaert denken: indertijd heeft hij
in een strijd tusschen zijn heer, koning KAREL, en koning ASPRIAEN, de
zijde van den laatste gekozen om der wille van ASPRIAEN'S dochter; toen
hij zag, dat de zaak verkeerd liep voor ASPRIAEN, kwam hij koning KAREL
"smeken ende lecken || Als die sine quaetheit woude decken." Tot straf
voor zijne misdaden wordt hem eene "heilege bedevaert" opgelegd[21]. Het
eerste geval herinnert aan de houding van Reinaerts vader in den strijd
tusschen leeuw en beer; de bedevaart wordt, zooals men weet, ook
Reinaert tot straf opgelegd.
Ook hier zou men van oordeel kunnen zijn, dat de overeenkomst reeds kan
bestaan hebben tusschen de _Chanson des Lorrains_ en den _Renart_ en dus
het Nederlandsch gedicht niet of niet in de eerste plaats raakt. Doch
zoo oordeelend zou men geene rekening houden met een gewichtigen, tot
dusver onopgemerkten karaktertrek van het Nederlandsch gedicht: de
groote rol die _de maagschap_ daarin speelt.
In WILLEM'S gedicht zien wij de dieren telkens met hunne maagschap
opkomen en vinden wij over het algemeen een levendig besef van de
beteekenis der maagschap; in de Fransche gedichten over Renart vindt men
op de overeenkomstige plaatsen niets daarvan. Neemt men nu in aanmerking
dat die maagschap vooral in de tweede helft van WILLEM'S gedicht op den
voorgrond treedt en dat er zeker weinig Fransche riddergedichten zijn,
waarin de maagschap vaker genoemd wordt dan juist in de _Lorreinen_, het
verhaal der veete tusschen twee voorname geslachten--dan geloof ik wel
te mogen aannemen dat WILLEM ook de Nederlandsche _Lorreinen_
zelfstandig heeft geparodieerd[22].
Zelfstandige parodie van den ridderroman vinden wij ten slotte niet het
minst in den proloog, die juist om die reden zoo uitnemend strookt met
het gansche gedicht. Wie den proloog van den _Reinaert_ leest na die van
_Walewein_ en van _Floris en Blancefloer_, zal in gelijke woorden,
wendingen en rijmklanken meer dan eens de parodie opmerken[23].
WILLEM beweert zijn gedicht te hebben geschreven op verzoek eener dame.
Het is natuurlijk mogelijk, dat hij hier de waarheid zegt; doch
waarschijnlijk acht ik, dat de proloog ook hier de ridderromans
parodieert, waarin wel eens meer gewag wordt gemaakt van zulk een
verzoek.
Zoo deelt MAERLANT ons mede dat hij zijn roman _van Alexander_ heeft
ondernomen ter eere van haar die hem "gevangen" houdt. En nu is het
opmerkelijk dat wij juist in den _Alexander_ tal van plaatsen vinden die
ons aan den _Reinaert_ herinneren en hoogstwaarschijnlijk maken, dat
WILLEM ook dezen roman heeft gekend[24].
Elk dichter die menschen voorstelt in de gedaante van dieren, loopt
gevaar dat hij het gevoel voor harmonie van zijn publiek te weinig zal
ontzien; dierfabel en dierepos immers brengen in hun wezen zekere
tweeslachtigheid mede. Ongetwijfeld is elk publiek gaarne bereid den
dichter ook in zulke verbeeldingen te volgen, en naarmate een publiek
eenvoudiger is, zal het te minder gestoord worden in zijn genot door het
overschrijden der grenzen in dezen. Van den bewusten of onbewusten tact
des dichters zal het afhangen, of en in hoever hij hier de juiste maat
weet in acht te nemen en, der menschen leven uitbeeldend, ons toch
binnen den kring van het dierenleven te houden.
De dichter WILLEM heeft, zoo min als eenig ander, dit anthropomorphisme
geheel kunnen vermijden. Wij vinden hier immers eene voorstelling der
feodale maatschappij: de koning bestuurt den staat, zijne groote heeren
zijn zijne raadslieden, hij houdt een hofdag en behandelt gedingen, hij
zendt gezanten die brieven meekrijgen, wij hooren van een mis, een
kapelaan, van het zweren op heilige reliquieën; de dieren doen afstand
van iets met den symbolischen stroohalm, worden begraven met eene
lijkmis, hebben een graf met grafschrift, een kasteel, schatten, gaan op
een bedevaart met "palster ende scerpe", worden terechtgesteld; de galg
staat voor hen klaar, er wordt bij de terechtstelling op een hoorn
geblazen. De leden dezer feodale maatschappij vertoonen onderscheidene
menschelijke aandoeningen: de beer lacht dat hij niet meer kan, Reinaert
bespot den beer met allerlei aardigheden die op den priesterstand
betrekking hebben, Reinaert's vrouw Ermeline valt in onmacht, Reinaert
zelf loopen bij zekere gelegenheid de tranen langs de knevels[25].
Al dit menschelijk-dierlijke, of ten minste verreweg het meeste daarvan,
had de dichter reeds in zijn voorbeeld gevonden. Nergens echter gaat hij
de grenzen van den tact zoozeer te buiten als de dichters van _Le Plaid_
en der overige "branches". Deze laten de dieren op bankjes zitten,
blozen van schaamte, de armen om elkaars hals slaan, een ring aan den
vinger steken, baden en aderlaten; hier werpt men eene in zwijm gevallen
kip water over den kop, om haar weer bij te brengen. In den _Reinaert_
vinden wij een enkelen keer eene uitdrukking, aan het paardrijden
ontleend, gebezigd van dieren: Reinaert en Tibeert de kater loopen
daer si lopen wilden,
dat si nie toghel uphilden[26].
Daar echter nergens in dit of eenig ander deel van het verhaal sprake is
van rijpaarden, kan deze uitdrukking niet meer beteekenen dan:
_stilstaan_.
In de Fransche gedichten echter vinden wij, behalve deze uitdrukking
("onques n'i ot resne tenue") nog vrij wat andere die ons de dieren
werkelijk te paard zittend voorstellen, hoe zij hun rijdier de sporen
geven en door de vlakte draven.
WILLEM spreekt van Reinaert's kasteel en zelfs van een der buitenwerken
daarvan, de "barbecane". Doch daarbij blijft het. In de Fransche
gedichten krijgen wij het gansche kasteel voor ons met zijne hooge
muren, ophaalbruggen, het wiket in de poort; in een der "branches" wordt
zelfs een formeel beleg beschreven; elders gewag gemaakt van het
Grieksch vuur[27]. Heeft WILLEM dus in de onvermijdelijke
vermenschelijking der dieren de maat geëerbiedigd, anderzijds weet hij
de dieren in hun handel en wandel zoo telkens weer voor onze oogen te
brengen en te houden, dat wij het menschenleven maar flauwtjes door dat
dierenleven heen zien schemeren.
Nu eens zien wij Reinaert een haas bij de keel grijpen, dan eens aan de
kleine wolfjes zeker oogwater toedienen waardoor zij stekeblind worden.
Wij zien hem om een hoenderpark sluipen; de honden gaan hem te lijf, dat
de vlokken hem van den pels stuiven. In zijn schuilplaats ligt hij zich
te koesteren op een zonnig plekje. Hij speelt met de jonge lammetjes,
totdat hij er een dood bijt en het opgelikte bloed den sluimerenden
moordlust voorgoed wekt. Onder varens verscholen, ligt hij zijn vader te
bespieden, den ouden vos die met den staart zijn spoor uitwischt; hij
zelf krabt met zijn pooten het zand weg van den toegang tot een hol, pas
door zijn vader gestopt en kruipt naar binnen; bij het afscheid van den
koning en het hof gaat hij op zijne achterpooten staan. Hij bijt Cuwaert
de keel af en het vossengezin smult van den "goeden vetten hase."
Daar is Isegrim de wolf die zich zoo dik gegeten heeft, dat hij niet
meer kan ontsnappen door het gat, waardoor hij eerst is binnengekomen;
die, als hij een kalf of ram heeft buitgemaakt, onder het vreten tegen
Reinaert gromt en hem de tanden laat zien; Isegrim met zijne magen die
ons zoo goed geschetst worden in dat ééne vers: "met scerpen claeuwen,
met diepen monden." Bruin de beer, op zijn staart voor de "barbecane"
van Malpertuis gezeten, den honing verheerlijkend, met kop en voorpooten
gevangen in een halfgespleten eik; later zien wij hem afgemat en
bloedend op den oever liggen, "ende sloech met beiden sinen lanken"
[Zijnoot: zijden.]; daarna op weg naar des konings hof, beurtelings
voortschuivend op zijne achterdeelen of zich over den grond wentelend.
Tibert de kater, op de
muizenjacht in een strik gevangen, die in zijn doodsangst den bijna
naakten pastoor met klauwen en tanden te lijf gaat; die zich uit den
strik redt door het touw stuk te bijten. Daar is voorts de haan
Cantecleer met zijn kippenharem, die zoo lustig en rustig leeft in dat
mooie park, totdat de roode vijand hen komt belagen; Cantecleer,
klapwiekend gaande voor de lijkbaar, waarop de door Reinaert vermoorde
kip Coppe ligt; Coppe "die so wale conste scraven [Zijnoot: (met de
pooten) schrabbelen.]." Elders zien wij haan en kippen op de hanebalken
of losloopend bij een schuur, hond en kat kijvend om een worst, de
ooievaar die de kikkers opslokt en tal van andere beesten die ons
slechts terloops genoemd worden.
Dat rumoerig dierenleven in zijne bonte afwisseling wordt grootendeels
afgespeeld onder den blooten hemel in Gods vrije natuur.
Het is Pinksteren in een heuvelachtig land, bosch en hagen staan in het
groene blad. Op een grasveld houdt Nobel hof; een hooge steen is 's
konings troon. Onbezorgd wandelt Cantecleer met zijne kippen rond waar
de groene velden vol bloemen staan. Coppe wordt begraven onder de linde
(rustplaats van zoo menig minnend hart!) Bruin trekt naar Malpertuis
door een donker woud, door een wildernis, over een hoogen breeden
heuvelrug. Langs een krom pad bereiken Reinaert en hij het erf van
LAMFROIT, waar een eik ligt dien de boer uit het bosch heeft gehaald om
hem te splijten; een rivier stroomt in de nabijheid. In die rivier
ontkomt de mishandelde beer aan zijne vervolgers. Op den oever van die
rivier ligt hij uitgeput, als Reinaert die op een heideheuvel een vet
hoen heeft verorberd, daarheen komt om zich wat op te frisschen.
Tibert ontmoet op zijn weg de kraai. "Al heil, edel voghel!" roept hij,
"vlieg aan mijne rechterhand voorbij!" Maar de vogel vliegt in het
kreupelhout, links van hem: een kwaad voorteeken! 's Avonds laat bereikt
hij Maupertuis; helder als de dag schijnt de maan over de heide; bij dat
licht loopen hij en Reinaert naar pastoors schuur.
Ver weg van deze streken, in de wildernis, bij een bosch ligt de bron
Kriekeput; alleen uilen nestelen in die eenzaamheid; jonge berken staan
in den bemosten grond om de put. Een dergelijke wildernis moet het zijn,
waarheen Reinaert ten slotte met zijn gezin de wijk neemt, waar het op
de heide en in het kreupelhout krioelt van patrijzen en ander gevogelte.
Welk een meester toont deze middeleeuwsche dichter zich reeds in de
karakteristiek zijner personages?
Welk een brutale zinnelijkheid is er in dien Reinaert, den echtbreker;
die niet tevreden met de wolvin, ook de gemalin van den koning, naar het
schijnt, te na is gekomen; die voor zich zelf weet te zorgen en tijdens
het gevecht der dorpelingen met Bruin een vet hoen wegkaapt; hoe grof
uiten zich zijne teleurstelling en zijne minachting voor LAMFROIT, als
deze den beer heeft laten ontsnappen; hij lacht dat hij kraakt bij de
weeklachten der pastoorsche. Hoe gruwzaam is zijn wraak op Isegrim en
Bruin en hoe bitter zijn spot over hun ongeluk. Bij zijn afscheid weet
hij den haas Cuwaert en den ram Belijn met zich te lokken; den eerste
vermoordt hij en zendt den ander met den kop des vermoorden in een zak
naar den Koning terug; "er zitten brieven in", zegt hij, "waarvoor de
Koning u dankbaar zal zijn". Dat is zijn afscheidsgroet. Al zit hij in
de klem, hij verliest den moed niet. Aan 's Konings hof gekomen na al
zijne misdaden, krijgt hij het benauwd; toch houdt hij het hoofd op, hij
loopt als een prins bij den weg. Met de galg voor oogen spot hij nog met
Isegrim. Zijn zelfvertrouwen begeeft hem ook nu niet, want reeds heeft
zijn vindingrijke geest een uitweg ontdekt: als terloops laat hij iets
van een schat verluiden; wanneer dan de hebzucht van Koning en Koningin
gewekt is, doet hij een kunstig verzonnen verhaal over eene samenzwering
der dieren om Bruin op Nobels troon te zetten. Dat verhaal besluit hij
op voortreffelijke wijze met de klacht: "ende arm man Reinaert es de
blare [Zijnoot: zondebok.] "; langs dien weg weet hij het verhaal weer
op zich te wenden. Niets is hem heilig: hij maakt grappen bij de biecht
en begint Latijn te koeteren; als Grimbaert hem berispt dat hij na de
biecht onmiddellijk een aanval doet op eenige kippen, zegt hij: stoor
mij niet in mijne vrome overpeinzingen! Onder het voorwendsel van
Cuwaert een gebed te leeren, grijpt hij hem bij de keel. Hoe ootmoedig
houdt hij zich tegenover den Koning; hoe nederig tegenover den beer: ik
moet wel honing eten uit nood, een arm man is geen graaf! Maar des te
bitterder en onbarmhartiger is zijn spot later, als hij het spel
gewonnen ziet. Want hij kent geen genade; boven alles is hij _fel_: "de
felle metten roden baerde", het "felle dier", "die felle creature"--zoo
noemt de dichter hem bij voorkeur. Zijn eenige zwakke punt is de liefde
voor zijne zoons: Reinaerdijn, wien de knevels al zoo aardig aan zijn
muiltje staan en die een aardje naar zijn vaârtje zal hebben; Rosseel,
"den schonen dief", die hij zoo lief heeft als eenig vader zijne
kinderen.
Het meest op den voorgrond staan tegenover Reinaert Isegrim en Bruin,
naast Reinaert zijn neef Grimbaert de das, terwijl Tibert de kater zich
later ook tegenover Reinaert plaatst.
Van Isegrim wordt ons meer verhaald dan dat wij hem zien handelen of
hooren spreken. In den aanvang van het verhaal staat hij met zijne vrouw
Hersinde en zijne magen vóór den Koning; hij is degeen die de reeks der
klagers opent. Uit onderscheiden verhalen blijkt ons, hoe vaak Reinaert
en hij als "gezellen" er op uit zijn geweest en hoe slecht Isegrim er
gewoonlijk is afgekomen. Bij de voorgenomen terechtstelling van Reinaert
is hij op dreef: hij vermaant zijne magen den schuldige stevig vast te
houden, Hersinde moet den schelm bij zijn baard grijpen, onderwijl zal
hij met Bruin en Tibert de galg in gereedheid brengen. In zijn triomf
over den gehaten vijand maakt hij bittere grappen in vossetrant. Als hij
hoort dat Reinaert zich heeft weten vrij te pleiten, snelt hij terug
naar 's konings hof en vaart zoo uit, dat de koning boos wordt en hem
met Bruin doet gevangen nemen. Terwijl zijne voorpooten gevild worden,
ligt hij stil; bij Reinaerts spotternijen verkropt hij zwijgend zijne
woede.
Met blijkbaar welbehagen heeft de dichter den beer geteekend in zijn
domme zelfgenoegzaamheid. "Maak u niet bezorgd over mij" zegt hij tot
den Koning, die hem waarschuwt tegen Reinaerts bedriegelijken aard.
Komisch is hij in zijn naieven lofzang op den honing, niet minder in de
deftigheid waarmede hij een wijs spreekwoord te pas brengt; hij, de
gulzigaard, over het "maathouden"! Dan zien wij "arm man Brune" in de
knijp: met een bebloeden kop, zonder wangen, met slechts één oor, drijft
hij vloekend de rivier af; hijgend van inspanning, steunend van pijn,
ligt hij op den oever; liever dan Reinaerts bittere grappen te
verdragen, springt hij opnieuw in het water. Welk een krachtig komische
werking doet zijn droefheid over de vermindering van zijn uiterlijk, het
verlies van zijne "mooie wangen". Wanneer de vos eindelijk als gedaagde
aan het hof verschijnt, springt hij met zijne verwanten op; gretig neemt
hij deel aan de toebereidselen tot de terechtstelling.
Grimbaert de das is de eenige trouwe vriend dien Reinaert heeft, die hem
van den aanvang af verdedigt, die hem trouw blijft, ook nadat zijn oom
hem droevig heeft gelogenstraft. Wanneer hij ziet, dat Reinaert gevaar
loopt door niet aan de indaging gehoor te geven, brengt hij zelf hem aan
's Konings hof. Is Reinaert veroordeeld, dan gaat hij met zijne magen
heen, om zijn ooms dood niet te moeten zien. Slecht wordt hij voor zijne
trouw beloond; om zich van de galg te redden, beticht Reinaert ook hem
van deelname aan de samenzwering tegen den koning.
Voor Reinaert pleit, althans in den aanvang, ook kater Tibert. Maar hij,
"een arm wicht, een clene dier" heeft toch na Bruin's mislukten tocht
weinig trek zijn vriend Reinaert te gaan halen. Onderweg is hij angstig,
al tracht hij zich goed te houden. Voorzichtig zal hij zijn, maar zijn
snoepzucht is hem de baas; voor de opening in pastoors schuurdeur
aarzelt hij, maar Reinaert weet op zijn eergevoel te werken, zooals ook
koning Nobel dat vroeger gedaan had. In beide gevallen geeft hij aan dat
beroep op zijn eergevoel gehoor; katten zijn immers ook nu nog dieren
"qui se respectent." Met welbehagen neemt hij later de beulsrol op zich:
"ic ne dede nie so lieve pine." Het loopen met het zware stroptouw valt
hem wat moeilijk, maar hij doet het met goeden wille. In groote zorg
zien wij hem ten laatste op de galg blijven zitten, wanneer de raaf het
bericht brengt van Reinaerts vrijspraak.
Daar zijn verder de lichtgeloovige Cuwaert; de waardige Cantecleer, zoo
fier op zijn groot geslacht en zijn wijze echtgenoot; de angstige en
domme ram Belijn en andere dieren die geheel op den achtergrond blijven.
Boven deze staat koning Leeuw, lichtgeloovig, lichtgeraakt, lichtgesust,
een spotbeeld van een koning, zooals CHARLEMAGNE in zoo menigen
ridderroman.
Dus siet men dat behendichede
Beter es dan sterchede.
Die slotverzen van een der fabels uit _Esopet_ moeten wel den voornamen
indruk hebben weergegeven, op de Nederlandsche gemeenten gemaakt door
dit werk, het rechte epos der gemeentenaren. Voor hen geen ridderidealen
noch hooge minne. Reinaert was een held naar hun hart: een sluwe
vermetele boef, koel van hoofd, scherp van zinnen, tuk op zijn voordeel,
die spot met het gezag en zich weet te handhaven tegen zijne meerderen;
grappenmaker met een scherpe tong, die ook het heilige niet spaart, die
pleizier heeft in eigen schelmstukken; wien gewetenloosheid en wreedheid
werden vergeven, omdat hij ten slotte zijne zaak wint, en omdat hij
bovendien immers maar een dier was.
Zulk een karakter moet aantrekkelijk zijn geweest voor poorters en
boeren, wier grove zinnelijkheid met moeite in band gehouden werd door
het geloof en de wet, wier nuchter verstand gescherpt werd vooral door
den lust naar voordeel en gewin; wien hartige scherts en losse grappen
zoo smaakten al liep er wat van SINT ANNA onder; die zelf zoo
onbarmhartig en genadeloos wreed konden te werk gaan tegen hunne
vijanden; die hunne wassende zelfstandigheid hadden te verdedigen tegen
de hoogere standen.
Dat zij van dit dierenverhaal zulk een sterken indruk kregen, hadden zij
te danken aan den voortreffelijken dichter, van wien wij slechts weten
dat hij WILLEM heette, een roman van Madoc (uit den Britschen
sagenkring) had gedicht, en van wien wij mogen vermoeden dat hij in
Oost-Vlaanderen woonachtig was.
Die dichter toonde zijn meesterschap niet alleen in de karakteristiek,
maar ook in den bouw van zijn werk. Welk een eenheid heerscht daar!
Reinaert's figuur beheerscht het gansche gedicht; hij vervult
voortdurend onze gedachten; is hij niet ten tooneele, dan spreekt men
van hem. Doch niet minder voortreffelijk is de wijze waarop WILLEM al
deze, deels overgenomen deels zelfgekozen, stoffen heeft verwerkt en
vereenigd. Hoe is hij _in_ zijn verhaal, dat slechts hier en daar door
eene reflexie wordt afgebroken. Welk een pleizier heeft hij zelf in
zijne stof; zoo b.v. wanneer hij Reinaert in schoenen van Isegrim's huid
en met een reiszak van Bruin's vel op reis ziet gaan. Trouwens het
gansche gedicht is geboren uit liefde, liefde tot het uitbeelden van
menschen, dieren, de natuur.
Wie zoo geestig kon vertellen, schertsen, parodiëeren, moet een fijn man
zijn geweest.
Van hoeveel takt getuigt het, dat hij Reinaert's overspel met de wolvin,
in het Fransch de spil waarom alles draait, naar den achtergrond heeft
geschoven. Hoe geestig weet hij den hoofschen spreektrant na te volgen
in dat half omsluieren van het onkiesche, waar Reinaert zijn overspel
aan Grimbaert biecht; want Grimbaert, nog heden een nurksche potentaat
maar een rustig en, voor zijn doen, fatsoenlijk man, moet vooral op dat
oogenblik door Reinaert worden ontzien.
Het verwondert ons niet dat deze dichter juist een Britschen roman heeft
bewerkt en het der moeite waard acht, ons dat in den aanvang van zijn
verhaal mede te deelen.
Maar al was hij fijn, zeker moet hij zich één hebben gevoeld met zijn
volk. Hoe komt de Vlaming in hem reeds voor den dag, waar hij het
juffershondje Cortois Fransch doet spreken; en Grimbaert bij de biecht
tot den Latijn brabbelenden Reinaert zeggen: "oom, praat je Fransch?
spreek asjeblieft Dietsch, dan kan ik je verstaan".
Den hoofschen dichter van _Sinte Lutgarts Leven_, WILLEM VAN AFFLIGHEM,
smaakten die dierfabels blijkbaar niet, die opgesmukte leugenverhalen
van ezels die dansen en springen, van rammen die de mis bedienen[28].
Maar het Vlaamsche volk, onbekommerd om dat vonnis, is zijn Reinaert
blijven genieten en het Nederlandsche volk is gevolgd waar de Vlaming
voorging. Eeuw in eeuw uit, in omwerkingen van velen aard, in volksboek,
volkslied, volkssprookje kwam "'t looze Reintje" de geesten bekoren met
zijne vernuftige bedriegerijen, zijn gezonde luim, zijn luchtigen of
scherpen spot. Die verhalen zijn nu beperkt vooral tot de kinderkamer.
Nog heeft geen geniaal Nederlandsch dichter aan deze stof opnieuw de
hand geslagen, om haar te verwerken in den geest van het oude gedicht of
om er zijn eigen omgeving parodieerend in af te beelden.
Doch hetzij zulk een dichter kome of niet, voor ons blijft het gedicht
_van den vos Reinaerde_ een kleinood der Dietsche letterkunde, en de
nagenoeg onbekende WILLEM een dichter die onder de middeleeuwsche
kunstenaars van het woord te onzent geen meerdere en te nauwernood zijns
gelijke heeft gevonden.