AANTEEKENINGEN

[1] _Spiegel der Zonden_ (ed. VERDAM), vs. 4852-3.

[2] Zie bl. 124, 6.

[3] Vs. 5-15. Den naam _Digenen_ kan ik niet thuisbrengen. De eenige mij

bekende naam die op dezen gelijkt, is die van den ridder _Degener_ die

door zijne minnares LUSSEWINE verraden wordt. Vgl. de romance in H. v.

FALLERSLEBEN'S _Horae Belgicae_, II, 29.

[4] Uitgaven van het volledig gedicht en van eenige fragmenten vermeld

door TE WINKEL, _Gesch._, bl. 266 en in PETIT'S _Bibliographie_, no. 478

en 1143. Zie verder het belangrijk artikel van VERDAM in: _Versl. en

Meded. der Kon. Akad. v. Wet._, 4e Reeks, Deel IV.

[5] In vs. 4055 wordt "die ewangeliste" genoemd; in vs. 4059 "sinte

Gregorijs"; in vs. 4067 "sinte Augustijn". Doch is dit deel van het

gedicht van den oorspronkelijken dichter, die de Roode Zee: de

_leverzee_ noemt, (vs. 1130)?

[6] Vgl. vs. 165 vlgg.; 1100, 1292, 1310, 1342, 1584, 1752, 1760, 2076;

vs. 217 vlgg.; 478, 930, 1352 en de telkens volgende verzen.

[7] Vgl. o.a.: 376, 660, 1837, 1843, 2857, 3678; vs. 345 vlgg.; 860

vlgg.; 644, 650, 1277, 666; 1775-8, 1802, 1910.

[8] Vs. 517, 757 vlgg.

[9] Vs. 2154-'67, 2353-'62, 2788 vlgg.; 2860, 2885 vlgg.; 2923, 2950

vlgg.; 3039 vlgg.

[10] Vs. 754-5, 1634, 271-2, 4277.

[11] Vs. 354-5 (het Ovidiaansch: "eodem argento" maar minder fijn);

2251, 1402.

[12] Vgl. vs. 1050 vlgg., 1382 vlgg.; 1685, 1864; 1179, 2394, 2396;

2376, 2720, 1539 vlgg.; 2054, 3903 vlgg.; 2340-1.

[13] Vs. 1130.

[14] Zulke plaatsen zijn vs. 478 vlgg.; 1417 vlgg.; 1626 vlgg.; 1986

vlgg.; 2088 vlgg.; 2440-'64; 2983 vlgg.; 3195 vlgg.; 3277 vlgg.; 3395

vlgg.; 3445 vlgg.; 3483 vlgg.

Op menige plaats kan men zonder moeite een lied in vier- of meerregelige

coupletten, welker aanvang of slot door gelijke verzen wordt aangegeven,

herkennen. Door te letten op den bouw dier liederen kan men dan den

blijkbaar sterk geïnterpoleerden tekst zuiveren. In het door WILLEMS

uitgegeven fragment naar een hs. der 14e eeuw vinden wij de coupletten,

MARIA MAGDALENA in den mond gelegd (vs. 1417 vlgg.) doch door den

afschrijver verknoeid; het volledige hs. (der 15e eeuw) geeft hier een

zuiverder tekst. Echter heeft ook deze eene critische zuivering

hoognoodig. Opmerkelijk is (VERDAM merkte het reeds op) hoe dikwijls van

vier verzen met gelijk rijm twee bij eenig nadenken al spoedig

interpolaties blijken.

[15] Het hs. is waarschijnlijk geschreven door zekeren MARTIJN van

Thorout in de abdij van EENAME bij Oudenaarde. Zie over dat hs. _Belg.

Museum_, III, 197 vlgg.; NAP. DE PAUW, _Mnl. Gedichten_, II, Inleid.;

PRIEBSCH, _Deutsche Handschriften_ enz., no. 177.

In vs. 752 van het leven _van S. Aechte_ wordt als jaar der

vervaardiging 1286 genoemd; S. WERNER is volgens de A.S. gestorven in

1287 en in vs. 13-15 van zijn leven lezen wij: "dat doet es bleven _nu

nichtinghe_"; in het leven _van S. Marie Egyptiake_, vs. 687-9: "dit was

ghemaect.... MCC ende neghentech jaer."

[16] Een tijdgenoot dezer dichters, de Fransche poëet RUTEBEUF schreef

eveneens eene _Vie sainte Marie l'Egyptianne_. De Mnl. bewerking, die

uitvoeriger is, heeft, voorzoover ik kan zien, niets met deze bewerking

gemeen dan natuurlijk de hoofdzaken, die men o.a. vindt in de _Legenda

Aurea_ (ed. GRÄSSE), p. 247, c. LVI.

[17] _Van sente Aechte_, vs. 668 vlgg. en vs. 762 vlgg.; _van sente

Waerneer_, vs. 5 vlgg.; ook het slot van _van sente Marie Egyptiake_.

[18] Vgl. PIRENNE'S _Gesch. Belgiëns_, I, 36. Het klooster Thorout

(Thor-hout?) lag niet ver van Sluis.

[19] Vgl. over de vraag of MAERLANT een Dietsch dan wel een Fransch werk

zal hebben bedoeld JONCKBLOET'S _Gesch. der Ned. Lett._, II, 88-90.

FRANCK is van oordeel, dat M. ook wel een Fransch gedicht kan hebben

bedoeld; JONCKBLOET'S betoog komt mij echter overtuigend voor. Zou

MAERLANT trouwens wel van een _Fransch_ werk hebben kunnen zeggen, dat

het "wyde becant" was? Kennis van het Fransch was in de 13e eeuw

geenszins algemeen in Vlaanderen.

[20] Zie de literatuur-opgaven bij TE WINKEL, (p. 408); daar ook den

titel van VAN HAMEL'S uitgave van het oorspronkelijk Fransch werk. Ik

verwijs hier steeds naar de nieuwste uitgaaf van Dr. P. LEENDERTZ.

(Amsterdam. 1893).

[21] Vgl. b.v. no. 15, 39, 44, 48, 51, 86, 114, 117 van den _Rinclus_

met de overeenkomstige coupletten van het oorspronkelijke.

[22] Vgl. no. 38 (v.d. _Rinclus_) met het origineel; vs. 936 (_Rinclus_)

met str. no. 81, 11; voorts no. 5, 12 v. _Mis._ met de bewerking; no.

104 (met 103 v.d. _Rinclus_) no. 109 (met 108); in no. 112 de

uitdrukking: _n'en leva pas le ventre vuit_, die niet in no. 111 (_R._)

te vinden is; no. 120 (_Mis._). De varianten van 29 door VAN HAMEL

medegedeelde hss. zijn hier zonder beteekenis.

[23] Vgl. _Rinclus_, no. 117; vs. 526 (_Mis._, no. 43, 5-8); vs. 691

(_Mis._, no. LVII); vs. 1114 (_Mis._, no. 96, vs. 8); vs. 595 vlgg.

[24] Reeds JONCKBLOET had deze overeenkomst opgemerkt. Vgl. zijne

_Gesch. der Ned. Lett._, I, 434. Meer punten van overeenkomst zijn

aangewezen in FRANCK en VERDAM'S uitgave van MAERLANT'S _Stroph. Ged._,

Inl. LXXXVIII.

[25] _Scivias_ i.e. _nosce vias Domini_ (onderzoek (leer kennen) de

wegen des Heeren).

[26] Vgl. _Acta Sanct._ (ord. S. BENED). Junii III, p. 612 ("Deinde cum

inchoaretur Missa de beatissima Virgine Domina Nostra (sabbatum enim

erat), veni in extasim." "Et his dictis, ab extasi reversa sum", p. 617:

"In Exaltatione Sanctae Crucis saepe in extasi facta"; p. 619: "Accidit

in prima Dominica solennis Jejunii in primis Vesperis, ut venirem in

mentis excessum"; p. 620: "In die ad Missam, cum inchoaretur Passio

Domini, iterum in extasim veni."

[27] In een brief der abdis van ANDERNACH aan HILDEGARDE (_Epistola_

CXVI) vraagt eerstgenoemde of het waar is, dat H. alleen adellijke

jonkvrouwen in haar klooster opneemt.

[28] Het hier beknopt samengevatte werd door mij ontleend vooral aan:

MOLL'S _Kerkgesch._, (zie: _Alg. Reg._, p. 181-2. Zonden heerschende bij

geestelijken en kloosterlingen), voorts pass. en o.a.: II, 2, 1 vlgg. en

148 vlgg.; PREGER, _Gesch. der deutschen Mystik_, I; SABATIER, _Vita di

S. Francesco d'Assisi_; MIGNE, _Patrolog._, T. 197; _Acta Sanct._ (ord.

S. BENED). Junii III, 604-643. _Offenbarungen der Schwester Mechthild

von Magdeburg...._ herausgeg. von P. GALL MOREL; WYBRANDS, _De Abdij

Bloemhof_, p. 136-7. AUGER'S _Etude sur les Mystiques des Pays-Bas_

geeft weinig nieuws van beteekenis.

[29] Vgl. _Leven van Sinte Lutgart...._ door F. VAN VEERDEGHEM. Leiden,

voorheen E.J. BRILL. 1899.

[30] Vgl. ald. III, 4580-'84. De _Vita_ schijnt slechts van _de hand_ te

spreken. Zie _Inl._ XI.

[31] Vgl. over dat alles VAN VEERDEGHEM'S _Inleiding_.

[32] Zie staaltjes dier breedvoerigheid t.a.p. XXXV-XXXVI.

[33] _Vita_ (in de _Acta Sanct._, Junii, T. III), p. 246, c. 11; _Leven

van S. Lutgart_, IIe Boek, c. XII.

[34] II, vs. 1684 vlgg.; 2576 vlgg.; III, 956-979.

[35] De bedoelde plaatsen, voorzoover niet reeds aangewezen, vindt men

II, 1297; 516-562; vgl. ook vs. 7479-'83 met het origineel, waar men

slechts deze woorden vindt: "cum Moniales alta voce cantarent."

[36] De uitgever zegt: "assonances hebben wij er niet opgemerkt" (_Inl._

LXIII). Ik vond er slechts één (II, 241-2: _talen_ || _maken_).

[37] De voornaamste plaatsen waar over de _minne_ gesproken wordt, zijn

II, 81-88; 1220 vlgg.; 1339; 4625-'7; 5262-'7; 6283 vlgg.; 6388-'98;

6969-'88; 7787-7806; 7848-'52; 7906-'13; III, 1789-'91; 2008-'32;

3070-'84; 4564-'7.

_Orewoet_ genoemd: II, 6409, 7066, 7544, 7893, 13927.

Al deze plaatsen worden in het Latijn niet aangetroffen. Slechts van

III, 3070-'84 vindt men iets in het Latijn terug ("pia Lutgardis in

oratione cum Domino mira spiritus instantia luctabatur. Tandem vero, ubi

in ira Dominum misericordias continentem evincere non valebat" etc.).

[38] Uitgaven van haar werk: _Gedichten_ in Maetschappij der Vlaemsche

Bibliophilen, 4e Reeks, no. 2; _Proza_, id. no. 11. De hss. ter Bibl.

Royale te Brussel Cat. Ned. hss., no. 2877-'80 en ter Univ.-Bibl. te

Gent. Vgl. voorts over die hss. _Vaderl. Museum_, II, 136 vlgg. Een

artikel van PAUL FRÉDÉRICQ over: _De geheimzinnige ketterin

Bloemaerdinne_. (Zuster HADEWYCH) in: _Versl. en Meded. der Kon. Akad.

v. Wet._, 3e Reeks, Deel XII en het stuk daartegen van E. VAN EVEN in

_Dietsche War._ van 1896. Voorts: _Untersuchungen über die Werken van

Zuster Hadewych...._ von M. JÖRIS. Strassburg. 1894.

De voorstelling van RUELENS--FRÉDÉRICQ: Hadewych = Bloemaerdinne is m.i.

onaannemelijk. VAN EVEN heeft dat reeds ten deele aangetoond.

Tegen die voorstelling pleit vooral:

1o. dat de namen der beide vrouwen verschillen; _Hadewijch_ en

_Heilwijch_ zijn namen van verschillende afkomst (zie o.a. POTT, _Die

Personennamen_, 110, 212, 641) en nergens blijkt, dat zij in dien tijd

ook wel verwisseld worden

2o. de voorbeelden van kettersche leerstellingen, door F. uit HADEWYCH'S

werken aangehaald, bewijzen niet dat hier inderdaad van ketterij sprake

mag zijn; ook van die "allerschandelijkste seraphische liefde" zijn in

HADEWYCH'S werken geene sporen aan te wijzen.

3o. RUUSBROEC heeft tegen HEILWYCH BLOEMAERTS gepreekt en haar invloed

bestreden. RUUSBROEC'S vurige bewonderaar, de kok JAN VAN LEEUWEN,

spreekt van "een overheylich wijf die hiet hadewijch" en van hare "edel

goddelike leringhe"; die "leringhe" is zichtbaar in JAN VAN LEEUWEN'S

geschrift: _die rolie der woedegher minnen_. Zie daarover het artikel

van Dr. C.G.N. DE VOOYS in: _De XXe eeuw_, IX, 181.

[39] _Proza_, bl. 187.

[40] Vgl. _Quinque prudentes Virgines...._ auctore P.F. CHRYSOSTOMO

HENRIQUEZ. Antwerpiae. 1630. Daarin ook de _Vita B. Beatricis_. Was zij

de Cisterciënser-non, "quae Teutonice multa satis mirabilia scripserat

de se ipsa"? (_Vad. Museum_, II, 142), en wier werk door WILLEM VAN

AFFLIGHEM in het Latijn "satis eleganter" vertaald is? Of moeten wij aan

HADEWYCH'S werk denken? In allen gevalle worden wij ook hier weer

verplaatst onder de Cisterciënser-nonnen en zien wij WILLEM VAN

AFFLIGHEM in betrekking tot deze.

[41] Vgl. o.a. _Proza_, blz. 5-6, 15, 20-21, den aanvang der _Epistolae;

Gedichten_, bl. 179, vs. 107; 207, 29; 197, 43; 204, 5-10; 210, 25-28.

[42] _Proza_, bl. 54, 56. Was dit verbod misschien, evenals bij sommige

Duitsche mystieken, uitgelokt door te strenge ascese?

[43] _Proza_, bl. 34; 119, 129, 141; 134; 122. Ook het artikel van PAUL

FRÉDÉRICQ.

[44] _Proza_, bl. 106-7, 128.

[45] _Deuteronomium_ VI, 5. (De tekst van het proza heeft "_diere_

herten" enz.; ter wille van de duidelijkheid schreef ik _dijnre_).

[46] Vgl. _Proza_, bl. 72-3, 40, 25, 27, 22, 94, 14, 63.

[47] _Proza_, bl. 104, 143, 179, 119, 126-7. (_Openb._ I, 13 vlgg.),

146, 144, 151. Vgl. ook FRÉDÉRICQ'S artikel, bl. 83.

[48] Vgl. _Openb._ VIII, 6 en _Proza_, 135; VI, 1 en 135-6; VIII, 13 en

153-4; IV, 8 en 168; XXI, 2 en 153; I, 10 en IV, 2 met _Proza_, 135,

139, 141; XIX, 12 en 169, 151; X, 11: "gij moet wederom" enz.

In _Openb._ II, 4 lezen wij: "Maar ik heb tegen u dat gij uwe eerste

liefde hebt verlaten" enz.; vs. 14: "maar ik heb eenige weinige dingen

tegen u" enz. Bij HADEWYCH, bl. 129: "Mer ic hebbe een dinc te di, daer

ic mi omme belghe" enz.

[49] Vgl. _De handschriften van Jan van Ruusbroec's werken...._ door W.

DE VREESE, I, 427.

[50] _Proza_, bl. 44, 45, 83, 151. Ook het: "ic di, wes mi" in hare

_Poëzie_, bl. 94, 131, 244.

[51] S. BERNARDI _Opera omnia...._ D. JOANNIS MABILLON. Mediolani. JAC.

GNOCCHI, 1850, I, _Ep._, XI te vergelijken met: _Gedichten_, XI, 19-20:

Want der knechten wet es vaer [Zijnoot: vrees.] Maer minne es wet der

sonen.

"Primus servus est et timet sibi: secundus mercenarius et cupit sibi:

tertius filius et defert patri."

Voorts: _Tract. de Conversione_; _de diligendo Deo_; _In cantica sermo

67_.

[52] Vgl. _Proza_, bl. 10, 79. HADEWYCH'S tijdgenoot HENDRIK GOETHALS

van Gent, spreekt van: _nosse_, _velle_ et _posse_. Vgl. _Heinrich von

Gent_ von Dr. K. WERNER, S. 37.

[53] B.v. _Proza_, p. 43, 93, 107. _Gedichten_ o.a.: p. 5, 41; 26; 86,

41, 9; 43, 65; 45, 21; 52, 38; 53, 56; 57, 67; 58, 96; 65, 26; 81, 2;

86, 27 en pass.

[54] _Proza_, 14, 24; voorbeelden van _nuw_, _Mnl. Wdb._, IV, 2422 en

pass. in HADEWYCH'S _Gedichten_. Tegenover de _nieuwe_ plaatst H. ook

wel eens de _oude_ en tegenover de _vreemde_ de _bekende_. Zie b.v.

_Ged._, bl. 224 (b.).

[55] _Proza_, 35, 58.

[56] _Gedichten_, bl. 72, 49 vlgg.; 88, 70 vlgg.; niet zoo duidelijk is

190, 1 vlgg. _Proza_, bl. 176.

Met "broeder Robbeert" is misschien een pauselijk inquisiteur der 13e

eeuw bedoeld. Vgl. FRÉDÉRICQ t.a.p., bl. 90.

[57] _Proza_, bl. 61-2. _Minne_ en _Redene_ als de twee voornaamste

zielekrachten herinneren aan SINT BERNARD'S _voluntas_ en _ratio_.

Inderdaad vinden wij in de _Gedichten_, bl. 196, vs. 15 vlgg. _redene_

en _wille_ in verband met _memorie_ behandeld.

[58] _Proza_, bl. 87, 5, 3, 68.

[59] _Proza_, bl. 32; voorts 17, 96, 104. _Rijmklanken_ o.a. op bl. 23,

42, 57, 89.

[60] Deze en dergelijke plaatsen vindt men in de _Gedichten_, p. 84, 69,

18, 56, 61, 66-7, 69, 129, 130, 88, 198, 6; (wegen tot de minne), 92,

93, 261, 268, 271; (redene), 67, 69, 118; 39, 233; (wezen der minne),

242, 264, 21-22, 32; (de geestelijke "dorper"), 39, 42, 43, 46, 49, 105,

123, 235.

[61] Vgl. _Ged._, 111, 8, 11, 100, 4, 57, 72, 78, 246, 17-18; ("hoech

gheruchte ende neder stille"), 138, 277, 15, 152, 171; ("gewat"), 9;

("ghebruken"), _orewoet_, (28, 51, 69, 107, 30-31), 43.

[62] _Ged._, p. 69, 134, 142, 146, 156-7, 295, 299; p. 124, 101, 69, 93.

[63] Vgl. bl. 186.

[64] Bl. 8. En voorts pass. b.v. no. I, II, III; bl. 13, 17, 20, 23, 35,

41, 47, 51, 55, 60, 62, 77, 143.

[65] _Ged._, bl. 11, 15, 24.

[66] _Ged._, bl. 48, 175, 168, 179, 149, 290, 293. Men herinnere zich

het, volgens deze plaats blijkbaar reeds zeer oude, leugenlied met den

aanvang:

Een blinde zag een molensteen Ronddrijven in den stroom.

[67] Vgl. _Proza_, bl. 60-61; _Ged._ 14, 32, 36, 53, 55, 78, 79, 83,

124, 145, 151, 152, 154, 158, 165, 169, 178, 179, 269. Of het vers:

"Haddic mijn hoege geslachte bedacht" (XXIII, 50) eene zinspeling is op

haar adeldom (zooals JONCKBLOET meent), schijnt mij twijfelachtig. In

den mond van mystieken beteekent zulk eene uitdrukking m.i. eer: dat men

zich een schepsel Gods dan dat men zich van adellijk geslacht voelt.

[68] _Proza_, bl. 59, 77; _Ged._, bl. 252, 254, 257.

Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I · 第 31 / 113 题