gelijk zoovele Cisterciënser-nonnen van adellijke afkomst is
geweest[67].
Maar hooger dan de adel van haar geboorte staat de adel van haar geest
en haar gemoed.
Er is in de wijze waarop zij den strijd der minnende ziele weet te
vertolken, iets edels en hoogs dat ook nu nog hen die haar eenigszins
kunnen volgen, in zijne vlucht medeneemt. Haar gevoel is dikwijls
onbestuurd en doet hare poëzie dan vervloeien tot muzikale
woord-arabesken, die uiting geven aan hare gemoedsstemming, al kunnen
wij daar het verband tusschen gevoel en klank niet waarnemen. Op menige
plaats geven hare verzen ons een treffend beeld van de worsteling eener
ziel met het eeuwige en oneindige dat zich niet onder woorden laat
brengen. Het strekt HADEWYCH tot eer dat zelve te hebben beseft. Voor
het eerst--immers nog vóór WILLEM VAN AFFLIGHEM--vinden wij in de
geschiedenis onzer woordkunst het besef uitgesproken van het onvermogen
der taal om de diepste diepten der ziel bloot te leggen. Sprekend over
de Drie-eenheid, zegt HADEWYCH: "van al dien dat in ertike es, mach men
redene ende dietsch genoech vinden, mer hiertoe en wetic gheen dietsch
noch gheen redene". En elders lezen wij over het zich oplossen van den
mensch in God: "ay, ic en dar [Zijnoot: durf.] hier af nemmeer scriven,
ic moet emmer van den besten meest swighen... ende hier omme quetse ic
mi, dat ic niet segghen en dar jeghen menschen, noch scriven, dat
der pinen [Zijnoot: moeite.] wert es, ochte woorde na [Zijnoot:
volgens.] miere zielen gront." Ook in hare poëzie vinden wij uitingen
als:
Het mochte dat inneghe gedinken
De tonge verminken,
Sprake siere af meer[68].
Maar dikwijls ook weet zij haar innerlijk leven, de vreugden en smarten
der minnende ziel te boetseeren in hare smijdige taal, telkens nieuwe
rhythmen en vormen vindend en die verlevendigend met het lichte spel van
rijmklanken, van staand en slepend rijm, van dubbelrijm en refrein.
Eentonig--heeft men gezegd. Is niet elke minnelyriek eentonig? Ook de
heide is eentonig. Toch zijn er die daar zich gelukkig voelen, omdat de
blik er niet op grenzen stuit, noch in het wijde rondom noch in het
diepe omhoog; wier oog met welbehagen rust op frissche wel en volle
beek, op den dorren grond ook, aanzwellend en neerglooiend in zijn
stemmig bruin, en bijwijlen zoo heerlijk opbloeiend in het rozerood der
erica.