HADEWYCH.

Eene gunstige lotsbeschikking heeft een aantal Nederlandsche werken in

proza en poëzie uit dezen tijd voor ons bewaard, die in een paar

handschriften van de 13de en den aanvang der 14de eeuw _visiones

haywigis, epistole haywigis_ en _ritmata haywigis_ genoemd worden[38].

De visioenen behelzen gedeeltelijk beschrijvingen van hetgeen eene in

extaze verkeerende vrouw heeft gezien, doch handelen veelal over de

minne; ook de epistolae behandelen vooral dat onderwerp, zooals reeds

blijkt uit den aanvang: "God die de clare Minne die onbekint was,

verclaerde bi siere doghet"; van de gedichten (_ritmata_) is de minne

schering en inslag. Blijkbaar hebben wij hier het werk vóór ons van ééne

dichteres die den naam HADEWYCH draagt; ook _in_ haar werk wordt die

naam een paar maal genoemd. Het godsdienstig gemoedsleven waarvan al

deze dichterlijke werken uitingen zijn, beweegt zich in dezelfde sfeer,

waarin LUTGART en de andere vroeger genoemde vrouwen in ons land en in

den vreemde zich te huis gevoelden. Wanneer wij in een van HADEWYCH'S

visioenen melding gemaakt vinden van "Heldegaert die al de visione

sach", dan zal het wel niet gewaagd zijn, te vermoeden dat hier de abdis

HILDEGARDE VAN BINGEN bedoeld is[39].

Dat HADEWYCH spreekt van hare geestverwanten o.a. in Saksen en

Thuringen, waar, zooals wij zagen, de mystiek zich bijzonder krachtig

ontwikkeld heeft; dat zij onder die geestverwanten vele bagijnen noemt,

zoowel in ons land als daarbuiten, maakt deze voorstelling nog

aannemelijker. Op eene andere plaats in haar werk maakt HADEWYCH gewag

van de "vrouwe van Nazaret". Waarschijnlijk hebben wij hier te denken

aan BEATRIX VAN THIENEN, abdisse van het Cisterciënser-klooster Nazareth

(bij Lier) die in 1260 overleden is, en die ook visioenen had[40].

Alles leidt er ons dus toe, de dichteres HADEWYCH te zoeken in een

Cisterciënser-klooster. Nu is het natuurlijk mogelijk, dat er in de

abdij van Aywiéres of elders eene Cisterciënser-non heeft geleefd,

eveneens HADEWYCH genaamd en naar den geest verwant met al de hierboven

genoemde vrouwen; doch waarschijnlijk zal HADEWYCH, de dichteres, één

zijn geweest met de abdis van Aywières aan wie THOMAS VAN CANTIMPRÉ

zijne _Vita Lutgardis_ heeft opgedragen.

Een deel van dit proza en der berijmde zendbrieven, achter de zuiver

lyrische gedichten in coupletten, is gericht tot eene jongere

geestverwante, door HADEWYCH herhaaldelijk aangesproken met "lieve

kint". Deze "joncfrouwe" is nog "ongheproeft van allen dinghen".

HADEWYCH wekt haar op om zich in te spannen als iemand die den weg der

Minne nog van meet af heeft te bewandelen; daartoe moet zij den diepsten

ootmoed betrachten bij al wat zij zal kunnen bereiken[41]. Door middel

van deze jongere vriendin deelt zij goede lessen en waarschuwingen uit

ook aan andere geestverwanten; zoo aan zekere SARA en EMME, wie zij

verwijt dat zij zich te weinig bekommeren om de minne, die haar zelve

"zoo vreseleke omvaen hevet in beroeringhen van onghecuster [Zijnoot:

onbevredigd.] minnen".

Niet alleen het pad der minne betreden, is noodig; de jonkvrouw tot wie

HADEWYCH zich richt, moet zich ook ontfermen over allen nood, goede

daden verrichten, zieken verplegen. Zij zelve heeft dat ook gedaan

totdat het haar verboden werd[42].

Over hare persoonlijke omstandigheden is in HADEWYCH'S werken niet veel

te vinden; wat wij als zoodanig kunnen aanwijzen, is gedeeltelijk

nevelachtig uitgedrukt. Reeds op haar tiende jaar had de minne haar hart

bedwongen; had God haar niet gesterkt, zij ware onder dien dwang

bezweken. De meeste visioenen schijnen uit hare jeugd te dagteekenen, al

kwamen zij ook in haren ouderdom nog wel voor. Van der jeugd af had zij

haar lichaam, dien heiligen tempel Gods, rein gehouden van al wat niet

betaamt; zóó was zij geworden tot eene reine kolom in de kerk der

heiligen[43]. Wel had zij reeds in hare jeugd een sterk zielsverlangen

naar het genot van één te zijn met Gode; doch daartoe was zij toen nog

te weinig volgroeid naar den geest; zij had er zich nog te weinig voor

ingespannen. Leed en ellende waren door haar aanvaard als middelen tot

heiliging.

Dat leed en die ellende waren haar door God opgelegd. In een visioen was

haar door God dit gebod gegeven: zij moest begeeren arm, ellendig en

versmaad te zijn onder alle menschen; alle verdriet moest haar

behagelijk zijn boven alle aardsche geneugten, ook al zou dat verdriet

ondragelijk zijn voor een mensch. Zij moest der wereld vreemd worden,

klein geacht bij de menschen en zoo rampzalig dat zij niet zou weten

waar zij des nachts haar hoofd zou neerleggen; alle menschen zouden haar

begeven, niemand zou met haar willen dolen in haren nood en hare

ellende. Over al dat leed spreekt zij ook tot hare jeugdige vrienden:

zij heeft niet onder de menschen gewandeld, hunne gewoonten niet

gevolgd, noch in hun eten noch in hun drinken noch in hun slapen; niet

zich gesierd met kleurige kleederen, nooit genoten van blijdschap die

een menschenhart verblijden kan. Bedroef u--zegt zij tot het jonge

meisje--zoo weinig mogelijk om mijnentwille, hoe het ook met mij ga,

hetzij in ronddolen door het land, hetzij in gevangenschap, want het is

al der minnen werk, dat de "vreemden" niet kennen[44].

Op die gevangenschap die haar bedreigde en die "vreemden" komen wij

terug; eerst moeten wij trachten ons eene voorstelling te vormen van

haar innerlijk leven, duidelijker dan mogelijk is met behulp van het tot

hiertoe medegedeelde.

Ook HADEWYCH'S zieleleven werd beheerscht door de minne. "Mint de

minne!" zoo had ook in haar eene stem weerklonken. Wie naar minne

streeft, doch naar die stem niet luistert, dien klinkt zij vreeselijker

dan de donder. Dat woord is de band daar de minne hare gevangenen mede

bindt, het zwaard waarmede zij wondt die zij raakt, de roede waarmede

zij hare kinderen kastijdt.

Waarschijnlijk hebben wij den oorsprong dier minne te zoeken in het

bijbelwoord, ook door HADEWYCH aangehaald en "het swaerste inder

scrifturen" genoemd, dat God zeide tot Mozes: "Du salt minnen dinen

Here, dinen God, van al dijnre herten, van al dijnre sielen, van al

dijnren crachten"[45]. Die woorden mag de minnende ziel nimmer vergeten,

slapend noch wakend. Slaapt zij, dan moet zij er van droomen; waakt zij,

dan moet zij erover peinzen, erover spreken, ernaar handelen. Zij moet

dat doen, niet om macht of blijdschap of rijkdom of hoogheid te

verwerven, noch om der wille van eenig genot in den hemel of op

aarde--maar alleen omdat het welbehagelijk is aan den hoogwaardigen God,

die de menschelijke natuur daartoe geschapen heeft.

Doch niet licht is de last dien de minnende ziel op zich neemt. Met de

minne komt ook de vreeze het hart des minnaars binnen. Hij vreest, dat

hij de minne niet zal kunnen voldoen; dat al wat hij over minne zegt, te

gering zal zijn voor haar. En wel bestaat er reden tot zulke vreeze.

Want wij willen allen wel God zijn met God; doch weinigen onzer willen

mensch zijn met Hem, met Hem het kruis dragen en met Hem aan het kruis

hangen om de schuld van het menschdom te voldoen. Elk klein verdriet

trekken wij ons aan; doet men ons smaadheid, beliegt men ons, worden wij

in onze eer getast of in ons gemak of in ons genoegen--dan gaat het ons

zoo ras aan het hart. Daarom blijft onze zin onverlicht, ons wezen

ongestadig, onze rede en ons verstand onbetrouwbaar; en zoo dolen wij

arm, onzalig, ellendig en verbijsterd langs moeilijke wegen in een

vreemd land. Want alleen de minne kan ons voldoen; niets anders. Der

minne loon blijft nimmer uit, al komt het dikwijls spade. Wie haar zich

zelven geeft geheel, die zal haar hebben geheel, wien lief wien leed.

Dan hebben zijne ziel en zinnen dag noch nacht rust: de vlam der minne

brandt alle uur in het merg zijner ziel; dan wordt hij verzwolgen in de

diepte der minne.

Keert deze hooge ziel dan terug tot de menschen en de dingen der

menschen, dan is haar aanschijn zoo blijde en zoo wonderliefelijk

gezalfd met de olie der caritate, dat zij zich goedertierenlijk tot de

menschen kan richten in al wat zij wil[46].

Doch niet altijd is de minnaar der minne zoo kalm gelukkig.

Wanneer de kracht van den grooten God zich openbaart in het hart zijner

vertrouwelingen, dan wordt de zalige ziele geleid in eene geestelijke

dronkenschap "daer si in moet spelende sijn". Telkens valt HADEWYCH zoo

"buten den geest" en blijft zij zóó verzwolgen in de minne, dat zij

geene voorstelling of begrip meer heeft van iets anders dan één te zijn

met Hem en daarvan te genieten. Zij zelve heeft nauwkeurig het tijdstip

en den duur, ook den inhoud van vele dier extaze's aangegeven. Zij

geraakt in visioen op Kerstdag, op Paschen, op Pinksteren, op

Maria-geboorte, in een Kerstnacht, op O.L. Vrouwe Hemelvaart; de eene

extaze duurt een half uur, eene andere een halven dag, vaak blijft zij

drie dagen en drie nachten "in opghenomenheide van geeste". Zij ziet een

hoogen berg met vijf wegen van symbolieke beteekenis, eene draaiende

schijf die de eeuwigheid verbeeldt, de drie "overste" hemelen met de

tronen, cherubijnen en serafijnen, het hemelsch Jeruzalem met al de

zaligen. Een der visioenen beschrijft zij ons aldus: "Ende ic keerde mi

van heme ende ic sach een cruce vore mi staen ghelijc cristalle, claerre

[Zijnoot: helderder.] ende witter dan cristal; daer mocht men dore sien

een groote wijtheit. Ende vore dat cruce sach ic staen enen setel

ghelijc eener sciven ende [Zijnoot: die.] was claerre ane te siene dan

die sonne in haerre claerster macht ende onder die scive stonden drie

colommen.... Ende midden onder die scive draeyde een wiel soo vreseleke

omme ende die soo eyselike was ane te siene, dat hemelrike ende aertrike

daer of verwonderen mochte ende vervaren [Zijnoot: vreezen.]. De zetel

beteekent de eeuwigheid; de drie kolommen verbeelden Vader, Zoon en H.

Geest.

Zelfs voor eene beschrijving van God deinst zij niet terug. Doch terwijl

zij bezig is met eene poging om mede te deelen wat zij gezien heeft, op

eene wijze die levendig herinnert aan het beeld van "eenen den Zoon des

menschen gelijk zijnde" uit de Openbaring, wordt zij zóó overweldigd

door Gods grootheid en schoonheid, dat zij erkennen moet: "Daer ne magh

ic niet af te woerde bringhen, want die ontelleke [Zijnoot: onzegbaar.]

grote scoenheit ende oversoete soetecheit van dien werdeleken

wonderleken aenscine, dat benam mi alle redene van hem in

ghelikenessen."

Niet zoo ingetogen blijft hare taal, waar zij ons eene extatische

ontmoeting met Jezus beschrijft: hoe hij haar in zijne armen neemt en

aan zich drukt, hoe al hare ledematen de zijne gevoelden naar haars

harten begeeren; eene korte wijle heeft zij kracht dat genot te

verdragen, maar spoedig daarop verliest zij den schoonen man in zijn

zichtbaren vorm; zij ziet hem als wegsmelten, totdat zij niets meer van

hem gewaar wordt. Doch op die ure was het haar alsof zij één waren

"zonder differentie". Een walm van zinnelijkheid verdonkert hier de

zuivere vlam, waarmede de minne doorgaans in haar brandt.

Dat zulke en trouwens ook de overige visioenen haar lichaam moesten

aangrijpen, spreekt van zelf. Het verwondert ons niet haar te hooren

vertellen, dat soms al hare leden schudden en beven van begeerte; dat

zij, uit eene extaze tot zich zelve komend, zich niet zelden

neerslachtig of ellendig voelt[47].

Niet zonder reden vestigden wij, sprekend over HADEWYCH'S visioenen, de

aandacht tevens op de Openbaring van JOHANNES; de invloed van dat werk

toch openbaart zich telkens in de beschrijving van hare droomen en

gezichten. Ook de schrijver der Openbaring deelt ons een paar maal mede

dat hij "in den geest was", eens "op den dag des Heeren"; ook hij heeft

velerlei visioenen. Ook in de Openbaring vinden wij de vier dieren, den

arend, de sterke stem als die van den donder, de zes vleugels met oogen

bezet; het zevenvoudig bazuingeschal vinden wij terug in de zeven

vleugelslagen waarmede, bij HADEWYCH, de engel "een ghestille" maakt. In

de woorden der Openbaring: "gij moet wederom profeteren voor vele volken

en natiën en talen en koningen" kan HADEWYCH een gebod hebben

gezien--zooals vóór haar HILDEGARDE VAN BINGEN en ELISABETH VAN

SCHÖNAU--haar dwingend hare visioenen te openbaren[48].

Naast de Openbaring moet het Hooglied genoemd worden onder de bronnen

waaraan deze volgster der minne haren dorst naar het eeuwige stilde.

Onder de boeken, toebehoorend aan het Roode-Klooster in het Soniën-bosch

waar HADEWYCH'S poëzie bewaard bleef, vond men ook een exemplaar van

"der minnen boec dat men noempt cantica canticorum"[49]. Op meer dan

eene plaats van haar werk ziet men dat het Hooglied haar bekend was, dat

de voorlezing van dat bijbelboek haar hart ontroerde[50].

Hooglied en Openbaring spraken vooral tot HADEWYCH'S gevoel en

verbeelding; in andere geschriften zocht zij wat behalve haar gevoel ook

haar verstand bevredigde. PAULUS was haar niet onbekend, noch ORIGENES,

noch AUGUSTINUS. De werken van den heiligen BERNARD VAN CLAIRVAUX

moesten deze minnende ziel wel aantrekken. Hij immers had dien door haar

zoo geliefden tekst uit het Hooglied: "dilectus meus mihi et ego illi"

tot onderwerp voor een zijner sermoenen gekozen; weinigen hadden zich

zoo als hij verdiept in de beschouwing van de geestelijke liefde, van

dien "amor sanctus et castus" waardoor de ziel van den Christen moet

worden gezuiverd; ook hij kende dat opgaan der ziel in God, zooals een

ijzer, gloeiend in het vuur, ten slotte aan dat vuur gelijk wordt;

zooals de lucht, doorgloeid van zonlicht, met dat licht vereenzelvigd

wordt; de geestelijke dronkenschap, waarvan hij in het Hooglied en de

Psalmen melding gemaakt vond, moet hij, evenals HADEWYCH, hebben gevoeld

vóórdat hij haar in een zijner tractaten kon beschrijven. Wanneer

HADEWYCH in een harer gedichten onderscheid maakt tusschen hen die God

dienen uit vrees en hen die Hem dienen uit liefde en deze beide soorten

tegenover elkander stelt als "knechten" en "zonen", dan schijnt haar

daarbij eene plaats uit een van SINT BERNARD'S brieven voor den geest te

staan[51].

Met het werk van den beroemden ALBERTUS MAGNUS schijnt zij, wie het

Latijn blijkbaar niet vreemd is, wel kennis te hebben gemaakt. Wanneer

wij zien dat zij de krachten der ziel onderscheidt in _redene_, _wille_

en _memorie_, dan worden wij herinnerd aan ALBERTUS' indeeling: _ratio,

voluntas, memoria_[52].

Heeft HADEWYCH, wandelend de wegen der minne, zwevend in hare visioenen,

nooit de grenzen overschreden welke door de R.K. Kerk aan het voelen en

denken waren gesteld? Er bestaat reden die vraag te doen, waar het

mystieken geldt. Hoe licht konden zij er toe komen zich te vergelijken

met andere Christenen en zich boven deze te stellen! Op menige plaats in

haar proza en hare poëzie spreekt HADEWYCH van hen die zij "_vreemde_"

noemt[53]. Zij bedoelt daarmede vermoedelijk dezelfde personen die zij

elders noemt: "valsche broederen die seinen huusgenoote des geloofs".

Tegenover deze plaatst zij de ware broeders en zusters die zij met den

naam van de "_nuwe_" (nieuwen) pleegt aan te duiden. Het komt mij niet

waarschijnlijk voor, dat wij hier moeten denken aan eene kettersche

secte als die der beruchte Broeders en Zusters van den vrijen geest,

doch dat wij ons ook hier tot de Openbaring van Johannes om licht moeten

wenden; daar vinden wij telkens gewag gemaakt van het woord _nieuw_ in

geestelijken zin, in uitdrukkingen als: En ik zag eenen _nieuwen_ hemel

en eene _nieuwe_ aarde; het _nieuwe_ Jezuzalem; ziet ik maak alle dingen

_nieuw_[54].

Het is begrijpelijk dat eene vrouw van hare gaven onder een klein aantal

geestverwanten op den voorgrond kwam, dat men tot haar opzag, dat zij

daardoor neiging kreeg tot zelfverheffing, dat zij kwam tot uitspraken

als deze: "ic en gheloefs ooc niet, dat enich mensche levet daer God

also sere af ghemint es". Doch er is een groote afstand tusschen al of

niet rechtmatige zelfverheffing en ketterij. Zeker, er is vooral in haar

proza hier en daar iets dat naar den mutsaard riekt. Zoo b.v. in een zin

als deze: "Mer in ghebrukene [Zijnoot: genot]" van minnen es men God

worden, moghende ende gherecht". Doch alvorens men het anathema

uitspreke, bedenke men dat alle mystiek die een eigen weg naar God

zoekt, eene kiem van ketterij in zich omdraagt, en dat er naast eene

kettersche ook eene kerkelijke mystiek leefde: men heeft toch BERNARD

VAN CLAIRVAUX niet van ketterij beschuldigd, omdat hij in zijn tractaat

"de diligendo Deo" geschreven heeft: "sic affici deificari est"?[55]

In allen gevalle heeft HADEWYCH in hare poëzie meer dan eens getuigd van

haren eerbied voor de "heilige kerk", en tegen haar eigen getuigenis in

mag men haar niet van ketterij beschuldigen.

Erkend dient echter dat daarmede niet alle vragen aangaande HADEWYCH'S

persoon zijn beantwoord.

Wanneer wij in het proza lezen dat zij er zich over verwondert, dat de

menschen haar "soo langhe laten leven ende datse enegen raet ochte enecb

sparen ochte genade te mi hebben, sine tormenten mi altoes met nuwen

tormente", dan moet men wel denken dat zij hier zinspeelt op vervolging

om den geloove. Brengen wij deze uiting in verband met eene vroegere

over ronddolen door het land en dreigende gevangenschap, dan komt men

tot het vermoeden, dat zij vroeger wellicht als begijn reizend en

trekkend is geweest (niet alle toch waren in hoven vereenigd). Onder

hare geestverwanten noemt zij immers ook "eene beghine die meester

ROBBEERT doedde _om hare gherechte Minne_"[56]. Eerst in lateren tijd

zou zij dan eene toevlucht hebben gezocht bij de Cisterciënser-nonnen

van Aywières en abdis zijn geworden.

Doch wat daarvan zij, zeker is, dat wij hier een proza hebben, het

vroegste in onze literatuur, waarvoor wij de schrijfster, begijn, non of

abdis, dankbaar moeten zijn.

Voor het eerst vinden wij hier het streven van den mensch naar het

oneindige, in onze moedertaal verklankt, in eene periode, aanvangend:

"Nu verstaet die innecheit van uwer zielen, wat dat es: ziele". Men zou

het gevoelsleven dier mystieken geheel moeten kunnen medeleven, om die

periode geheel in zich te kunnen opnemen; maar ook zonder dat kan men

toch wel iets gevoelen van de stoutheid van dit proza in het eerst van

zijne vlucht:

"Siele es een wesen dat sienlec es Gode, ende God hem weder sienlec....

Siele es een wech van den dorevaerne Gods in zine vriheit van sinen

diepsten ende God es een wech van den dorevaerne der zielen in hare

vriheit.... Dat sien dat naturelec in de ziele ghescapen es, dat es

caritate. Dat sien hevet twee oghen: dat es minne ende redene. De redene

en can Gode niet ghesien, sonder in dat hi niet en es; Minne en rust

niet dan in dat Hi es.... Redene hevet meerre ghenoechlecheit dan minne,

mer minne hevet meer suetecheiden van zalecheden dan redene. Doch hulpen

hem dese twee herde zeer onderlinghe, want redene leert minne ende minne

verlicht redene"[57].

HADEWYCH'S proza is ook elders indrukwekkend door zijne verhevenheid.

Zoo b.v. waar zij de minnende ziel vergelijkt bij den arend: zooals hij

de zon in het aanschijn ziet, zoo beschouwt de ziel God; dan denkt zij

niet meer aan heiligen of menschen, zij vliegt alleen "in die hoechede

Gods". Op andere plaatsen treft het ons door diep gevoel, met eenvoud en

zuiverheid uitgedrukt: men moet zich verheugen indien men zich verlaten

en eenzaam gevoelt, omdat alle lijden dat men lijdt om Gods wil Hem

behagelijk is.

"Al ghevoeldi oec bi wilen ellendecheit van herten, alse ochte ghi van

hem begheven waert, daer omme en mestroest u selven niet. Want ic segghe

u waerleke, dat al de ellende die men doeghet met goeden wille te Gode,

die es bequame [Zijnoot: passend.] in die ghehele nature Gods".

Zij schroomt echter, kunstenares die zij is, ook het lagere niet, want

zij weet het te verheffen. Duidelijk komt dat uit waar zij ons

mededeelt, hoe God haar eerst het genot had gegeven van Hem lief te

hebben, doch haar dat ontnomen had, toen zij zich zelve in hare

onwaardigheid had leeren kennen. Eerst had zij lang gewacht, alvorens

Hem te grijpen, later ontweek Hij hare grijpende hand: "Nu gaat het

mij", zegt zij, "als iemand wien men iets aanbiedt "te spele" (uit de

grap) en als hij er naar grijpt, slaat men hem op de hand en zegt:

vervloekt wie het gelooft". Op een andere plaats staakt zij eene

uiteenzetting van haar "ongheval ter minne" uit vrees voor verkeerde

uitleggingen der "vreemden": "de vreemde souden netelen planten daer de

rosen staen zouden"[58].

Het Latijnsche proza der kerkvaders dat vaak van groote schoonheid is,

heeft waarschijnlijk invloed geoefend op HADEWYCH'S proza. Men ziet het

b.v. waar zij de kleinmoedigheid van sommige minnende zielen schelst:

"Inden daghe der gratien sijn si coene ende inden nacht der tribulatien

soe keren si den rugghe. Dit sijn aermherteghe liede; si werden lichte

verheven int suete ende lichte bedroeft in tsuere. Ende eene cleine

gratie doet hare herte sere verbliden ende een cleyn vernoy [Zijnoot:

verdriet.] sere verdroeven."

Dit werken met tegenstellingen en parallellismen, bij de kerkvaders zoo

veelvuldig, komt ook op andere plaatsen bij HADEWYCH voor.

Hier en daar vinden wij opzettelijk aangebrachte rijmklanken in het

proza, zooals dat ook in het latere proza der middeleeuwen vaak gezien

wordt[59]. Blijkbaar geschiedde dit met de bedoeling aan de taal eenige

verheffing en uiterlijk schoon bij te zetten; doch het bloed kroop hier

waar het niet gaan kon.

Anders was dat in hare gedichten, waarin wij zoo menigmaal den harteklop

der echte poëzie kunnen hooren.

HADEWYCH mocht al zeggen:

Wat hulpet mi, dat ic van minnen singhe

Ende mi selven mine quale linghe [Zijnoot: verleng.].

Zij liet het daarom niet; zij wist te goed:

Maer dien ouden ende dien jonghen

Coelt sanc van minnen haren moet.

Wel ons, dat zij "van minne" gezongen heeft, want wij hebben daaraan het

bezit van geestelijke poëzie te danken, niet zelden duister, ook wel

eens eentonig en onbeteekenend, maar vaker in haar onbestuurde gangen

voortzwevend met onbewuste gratie en bijwijlen treffend door eene diepte

en innigheid van gevoel, zooals wij ze in onze middeleeuwsche literatuur

niet dikwijls zullen aantreffen.

Ook tot hare "vri edele sinne ende wel gheboren" was het verholen woord

gezegd, dat geen vreemden kunnen verstaan. In hare jonge jaren had zij

zich geheel aan de minne overgegeven; zij beloofde zich niets dan

zaligheid van de minne, van der minne wijsheid, rijkdom, goedheid,

macht--lacy! het zou anders uitkomen. Wel zegt de dorper:

jeghen avont

Sal men loven den sconen dach.

Te laat had zij dat begrepen. Teleurstelling en tribulatie

wachtten haar, onnoozele; want:

Suer ende donker ende overwreet

Sijn der minnen weghe in haer beghin.

Uit de diepten van het hart hooren wij die teleurstelling en

dat verdriet opkomen in dit mooi en welluidend couplet:

Want ic sach eene lichte wolke opgaen

Over alle swerke, soo scone gedaen [Zijnoot: van gedaante.],

Ic waende met volre weelden saen [Zijnoot: spoedig.]

Vri spelen in de zonne....

Doe wert mijn hoge [Zijnoot: blijdschap.] maer een waen;

Al storve ic, wie es dies mi wanconne [Zijnoot: misgunnen zou.]?

Doch langzamerhand had zij de wegen om tot de minne te komen leeren

kennen: vreemden en vrienden had zij laten varen, eer en rust opgegeven;

hare ziel zooveel mogelijk ontledigd van indrukken, door al het

geschapene op haar gemaakt; die ziel gemaakt tot een klaren spiegel,

waarin het beeld der Godheid zich zou kunnen weerkaatsen. Wie heeft de

minnende ziel deze wegen leeren kennen? Redene. Want wie pas door de

minne gevangen is, dien sluit zij de oogen met het uitzicht op allerlei

geneugten; doch dan komt Redene de sterke, dan blijkt eerst dat redene

den grond der minne moet doorglanzen.

Nu kan de ziel de onderscheidene trappen ("graden" en "staghen") der

minne opklimmen. Doch slechts langzaam kan dat geschieden; men moet

geduld oefenen. Menigeen wil wel op gemakkelijke wijze de minne

deelachtig worden en stelt zich, dorper die hij is, tevreden met een

klein genot dat voor de hand ligt; doch minne kent dezulken niet:

Die gherne woude doghen tsuete ellende: [Zijnoot: ballingschap.]

Die weghe ter hogher mînnen lant,

Hi vonde sijn lief, sijn rike, ten ende,

Des ghevet de trouwe seghel ende pant.

Nu es menech dorper soo truwant [Zijnoot: (schooierig) verachtelijk.],

Hi nemt dat hem es naest ghehende [Zijnoot: nabij.]

Ende blivet vore minne die onbekende;

Metter truanciën cleet,

Soo en hevet hi vorme noch ere,

Daer minne dat haer bi versteet.

In den dienst der minne moet men zich niet ontzien, geene kracht, geen

merg, geen hartebloed sparen, steeds indachtig aan deze uitspraak der

minne: hoe dieper gewond, hoe zachter genezen!

Langs zulke wegen komt de ziel tot de minne, die is als een band, een

licht, een kole vuurs, een dauw, een levende bron; eene helle, die alles

verslindt. Alleen hij zal haar geheel bezitten, die zich geheel aan haar

overgeeft. "Den middenweg houden, dat is zalig leven", zeggen de

vroeden, die naar deze wereld wijs geacht worden--maar HADEWYCH zegt:

Middelheit moet af,

Eer men in mach

Ten edelen goede.

Ook dan blijft er nog wel een op-en-neer van juichen en

klagen, maar daarin is toch zaligheid:

Bi wilen lief, bi wilen leet,

Bi wilen verre, bi wilen ghereet [Zijnoot: dicht bij.],

Die dit met trouwe van minnen versteet,

Dat es jubileren:

Hoe minne versleet [Zijnoot: verslaat.]

Ende ommeveet [Zijnoot: omvangt.]

In één hanteren.

Bi wilen licht, bi wilen swaer,

Bi wilen doncker, bi wilen claer,

In vriën troost, in bedwongen vaer [Zijnoot: vrees.],

In nemen ende in gheven,

Moeten die sinne

Die dolen in minne

Altoos hier leven[60].

Groot is de kracht der minne, die immers God zelven tot den dood voor

ons gebracht heeft. Dat heeft niemand kunnen begrijpen, vóórdat MARIA

door haren ootmoed de minne zelve had gevangen:

Wat soo ons god ye onste [Zijnoot: ooit gunde.],

Hen wert nie man [Zijnoot: er kwam nooit iemand.], die conste

Gherechte minne verstaen,

Eer dat maria de goede

Met diepen ootmoede

Die minne hadde gevaen [Zijnoot: gevangen.].

T'ierst was si wilt, doe wert si tam,

Si gaf ons vore den leeuwe een lam:

Si maecte de demsterheit [Zijnoot: duisternis.] claer,

Die hadde geweest donker wel menech jaer[61].

Is men onder strijd en storm van minne door het land van ballingschap

tot het rijk der minne gekomen, dan komt na al dat hooge gerucht (der

wereld) de stilte der nederigheid over de ziel; dan omvat de ziel wijde

ruimten, dan doorwandelt zij de diepten der minne ("der minnen gewat");

zij geniet de minne en geniet totdat zij in "orewoet" en geestelijke

dronkenschap zich zelve verliest.

Poëzie, die op zoo hoogen trap van ontwikkeling staat als deze, kan

kwalijk de eerste van haar soort zijn geweest. Wij weten te weinig van

de ontwikkelingsgeschiedenis onzer lyriek om met zekerheid te kunnen

spreken over den samenhang van HADEWYCH'S poëzie met de poëzie vóór

haar. Dat er te onzent, vóór of in haar tijd behalve VELDEKE'S liederen,

eene lyrische poëzie bestaan heeft, hopen wij verderop aan te toonen;

doch iets kunnen wij alreeds nu doen ter verdere kenschetsing van de

poëzie die wij tot dusverre vooral naar hare stof hebben leeren kennen.

HADEWYCH'S geestelijke liederen en gedichten vertoonen eene onmiskenbare

verwantschap met de wereldlijke lyriek, zooals die zich vóór haar in de

aangrenzende landen en ook te onzent had ontwikkeld. Onder al dit

"zingen van minne" verneemt men telkens klanken en motieven die ook in

de wereldsche minnepoëzie voorkomen. Dat om genade bidden, die klachten

over den band en den brand der minne, de ellende die de minnaar moet

doorstaan, die betuigingen dat de minne met haar aanlokkelijk gelaat hem

van zinnen berooft--dat alles hooren wij ook in de gewone minnepoëzie.

Woorden als _zeelde_ (minneweelde), _merkaren_ (kwaadwillige spionnen en

verklikkers), eene uitdrukking als: "de minne heeft de dagen en ik de

nachten", wijzen in diezelfde richting[62]. De aanvang van een der

grootere lyrische gedichten:

Viere meisteren seiden een coninc:

Welc ware de starcste dinc

is de gewone van zoovele _tenzonen_ (strijdgedichten) welke,

in navolging der Fransche lyriek, ook bij andere volken

gemaakt werden[63].

Evenals in het wereldlijk minnelied vangen ook vele van HADEWYCH'S

liederen aan met een schetsje of een greep uit het natuurleven. Dat

natuurleven moet dienen ter inleiding van het gemoedsleven, hetzij door

overeenkomst hetzij door tegenstelling. Zoo b.v. in dit fraaie

aanvangscouplet:

Tsaermeer [Zijnoot: thans.] sal in corten tide

Tsap van den wortelen opwaert slaen!

Daerbi sal, verre ende wide,

Beemt ende cruut sijn loof ontfaen;

Dies so hebben wi sekeren waen [Zijnoot: vast geloof.],

Die voghele werden blide;

Die gheet in minnen te stride,

Hi sal verwinnen saen [Zijnoot: spoedig.],

Opdat hi niet en mide [Zijnoot: zich niet spare.] [64].

Ook hare vergelijkingen ontleent HADEWYCH niet zelden aan het

natuurleven: de minnaar komt uit de stormen der minne en alle verdriet

te voorschijn, zooals een roos, bevochtigd door den dauw, op den

dorenstruik ontluikt; ook in de minne is het: "na groten storme werdet

dat weder scone"; waar 't gemoed met den rijp van den waan is bedekt,

daar kan geen loover van minne groeien[65]. Andere vergelijkingen

verplaatsen ons in het dagelijksch leven: hoe hooger kasteel men wil

bouwen, hoe dieper men den grond moet omwoelen; zij vergelijkt zich

zelve bij een kind "dat na sprect dat het spreken hoort"; op de

vervulling van de beloften der minne moet iemand wachten, zooals een

gehangene dat men hem zal afsnijden; elders vinden wij vergelijkingen of

beelden ontleend aan schaak- en dobbelspel; op de grens van het platte

staat zij met haar beeldspraak van de taverne waarin Minne hare gasten

bedient. Aan de volkspoëzie en wel aan de oudste leugenliederen

herinneren ons deze verzen:

Want niet bat en can 't getoonen mijn sin,

Dan een molensteen ghevloten mach in 't Zwin[66].

Maar aan geen deel van het maatschappelijk leven worden wij door hare

beelden en vergelijkingen vaker herinnerd dan aan het ridderwezen. In

het proza komt er een enkele maal een voor, zoo b.v. waar zij spreekt

van de "wijsheit" die "alle die edele ridderen achemeert" [Zijnoot:

uitrust.] in den strijd der minne; doch in de poëzie wemelt het

ridderleven ons telkens voor de oogen. De gansche voorstelling van het

zoeken der minne als een strijd gaf daar aanleiding toe. HADEWYCH heeft

overigens waarschijnlijk ook hier gedaan wat zij niet laten kon. Wij

hooren van "doorhouwen schilden" en "schermen onder den scilt", van

"joesten", eenen "keer doen" (zich door den vijand heen houwen en langs

denzelfden weg terugkeeren), van "sinen hoghen telt (draf) riden", van

"heervaert", "kimpen" (kampvechters), "vesten", muren en grachten; van

koene ridders die een pand hunner jonkvrouw aan de lans binden, van

"schachten die diepe steken." Zulk eene vertrouwdheid met het

ridderleven kan men slechts in de kringen van den adel verwachten en het

is niet gewaagd aan te nemen, dat HADEWYCH, de dichteres van het vers:

Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I · 第 29 / 113 题