LEVEN VAN SINTE LUTGART.

Evenals MARGARETHA VAN YPEREN heeft ook LUTGART VAN TONGEREN te

worstelen met de zinnelijke liefde; evenals deze gelukt het ook haar,

slechts door de liefde tot den hemelschen bruidegom de zinnelijke liefde

te overwinnen. In hare extazes ziet zij vijf jaren lang bijna dagelijks

de Moeder Gods, de engelen, heiligen en apostelen; doch zij vindt geene

rust voordat zij den Heilige der Heiligen gevonden heeft. De omgang met

Hem heiligt ook haar; de kloosterzusters vertelden dat zij eens des

nachts een licht, heller dan zonlicht, boven LUTGARDE'S leger hadden

gezien; van LUTGART, evenals van CHRISTINA en anderen, wordt ons

verhaald, dat zij door aanraking met hare hand of door het strijken van

speeksel wonderen verrichtte.

Het leven van SINTE LUTGART is in het bijzonder gewichtig voor ons[29].

Het is oorspronkelijk in het Latijn verhaald door den bekenden

Dominikaan THOMAS (DAMAES) uit het adellijk geslacht van Bellenghem, die

gewoonlijk genoemd wordt naar de abdij van Cantimpré bij Kamerijk, waar

hij een deel zijner jonge jaren doorbracht. Hij was langen tijd een

vertrouwd vriend van LUTGART, die toen haar verblijf hield in de

eveneens bij Kamerijk gelegen abdij van Aywières (Aquiria). Dankbaar

herdacht THOMAS later, hoe menigmaal zijne oudere vriendin--zij was

omstreeks 18 jaar ouder dan hij--hem had getroost en opgebeurd, wanneer

hij de moeilijke taak der biecht-afneming had te vervullen. Voor hem was

zij een heilige; de gedachte dat hem, na haar scheiden uit dit leven,

niets van haar zou overblijven dan de liefelijke herinnering alleen, was

hem blijkbaar ondragelijk. Iets van haar moest hij na haar dood mogen

behouden. Doch welk eigendom had eene vrome non als deze dan haar

lichaam? De teergevoeligheid van later tijden bevredigt hare behoefte

aan een tastbare heugenis van geliefde dooden met een vlok haar--dit

kind eener eeuw van forscher en grover zinnelijkheid wenschte hoofd of

hand zijner vriendin voor zich om die, in zilver of goud beslagen, te

bewaren[30]. Slechts haar rechterpink, haar "minste vingerkijn", had

LUTGART, wien het ter oore was gekomen, hem half in ernst half in

scherts toegezegd. Inderdaad werd die pink na LUTGART'S dood door een

paar leekebroeders afgesneden en aan HADEWYCH, toentertijd abdis van

Aywières, overhandigd. Maar THOMAS kreeg de begeerde reliquie slechts,

nadat hij de abdis beloofd had het leven zijner gestorven vriendin te

zullen beschrijven.

Ter vervulling van die belofte schreef hij zijne _Vita Lutgardis_; dat

werk moet voltooid zijn geweest vóór 1248, het sterfjaar van HADEWYCH

aan wie THOMAS zijn werk heeft opgedragen. De schrijver had het verdeeld

in drie deelen volgens de drie trappen van het ascetisch leven: het

begin, den voortgang en de volmaaktheid. Het eerste deel verhaalt ons

LUTGART'S leven in het Sinte-Katharinaklooster bij St. Truyen; het

tweede omvat de 29 eerste jaren van haar verblijf bij de

Cisterciënser-nonnen van Aywières; het derde hare elf laatste

levensjaren.

Deze _Vita Lutgardis_ nu is als leiddraad gebruikt door een Nederlandsch

dichter bij het schrijven van zijn merkwaardig _Leven van Sinte

Lutgart_. De dichter van dat werk, WILLEM genaamd, werd omstreeks 1210

te Mechelen geboren als een onwettig kind uit het adellijk, aanzienlijk

geslacht der Berthouts; hij studeerde te Parijs, trad in de orde van

Sint Benedictus, werd prior van Afflighem (bij Aalst), later abt van

Sint Truyen en stierf in 1297. Zijn _Leven van Sinte Lutgart_ is door

hem waarschijnlijk tusschen 1262-1274 gedicht[31].

Inderdaad, meer dan een leiddraad is de Latijnsche _Vita_ niet geweest

voor WILLEM VAN AFFLIGHEM, die het sobere verhaal van THOMAS in de

gemakkelijk vloeiende verzen zijner omstandige en genoegelijk

breedvoerige bewerking liet uitdijen tot een omvangrijk geheel; het

tweede en het derde boek, die alleen tot ons zijn gekomen, omvatten

samen reeds meer dan 20.000 verzen[32]. WILLEM heeft slechts weinig

weggelaten; wat hij weglaat, zijn o.a. dingen die hem voor den goeden

naam der nonnen blijkbaar minder wenschelijk voorkomen.

Zoo vertelt THOMAS ons in zijne _Vita_ van eene non, door den duivel

bezeten, en door dezen zoo onrein van hart gemaakt, dat zij zich meer

dan eens aan ontucht zou hebben overgegeven, indien vurige gebeden haar

niet weerhouden hadden[33]. WILLEM acht het voldoende te verhalen dat de

non door den Booze bezeten was, dat zij zich zelve soms sloeg en er

angstwekkend uitzag. Maar een breedvoerig verhaal geeft hij ons daarop

van de wijze waarop LUTGART dien boozen alf dwong, het lichaam der

bezetene te verlaten; van het gansche levendig tooneel dier

duivelbezwering vinden wij daarentegen in de _Vita_ weinig of niets[33].

Tegenover die enkele weglating staat dus reeds dadelijk een invoegsel.

In de meeste gevallen heeft hij echter, zonder iets weg te laten, zijn

voorbeeld uitgebreid of ook wel gevoelens en opmerkingen van zich zelven

ingevoegd. Zoo b.v. waar een paar van LUTGART'S visioenen beschreven

worden en waar hij zich verdedigt tegen menschen die zich niet schamen,

de dichters dwaas te noemen, omdat zij al die "fantasijen" van oude

vrouwen beschrijven[34]. Zoo is ook hoofdstuk XVI van het Tweede Boek

bijna geheel van WILLEM afkomstig, die ons daar eene levendige

schildering geeft van den strijd tusschen LUTGART en de duivelen die

haar voortdurend belagen; die zij verjaagt, "zooals iemand zich de

vliegen met een kwispel of een tak van het lijf houdt" en die haar zóó

vreezen dat zij zelfs in hare afwezigheid niet wagen hare bidplaats te

naderen.

Op menige plaats heeft de dichter de gelegenheid te baat genomen, om

vermaningen te richten tot de "heren en vrouwen" die zich onder zijn

gehoor bevonden of die hij elders door de lezing van zijn werk hoopte te

bereiken. Hij waarschuwt de prelaten die hun plicht verzaken en wien het

slechts om wereldsche eer te doen is; brengt zijn publiek onder het oog,

hoe LUTGART slechts door de "sterke minne" tot God den duivel en zijne

trawanten kon overwinnen; hij vaart uit tegen de oude hebzuchtige

huichelaars, de "papelarde metten grisen langen barde", die den armen

onder allerlei drogredenen het hun toekomende willen onthouden; hij

betreurt de verslapping der kloostertucht en stelt de abdij van

Afflighem aan andere ten voorbeeld.

Is de dichter niet zelden breedsprakig en staat hij stil bij tal van

bijzonderheden die ons geen belang meer inboezemen, anderzijds dient

erkend, dat hij even vaak onderhoudend en levendig vertelt. Levendig en

onderhoudend is b.v. de proloog van het Tweede Boek, waaruit wij vroeger

eenige verzen aanhaalden. En hoe aardig teekent hij in den proloog van

het Derde Boek de slaperigheid die een deel van zijn publiek heeft

bevangen onder de voordracht:

Dat heldekoppen [Zijnoot: knikkebollen.] ende nigen,

Dat metten hoofden neder sigen

Gaf mi litteeken [Zijnoot: blijk.] dat hem somen

Die vaec in d'ogen ware comen.

Maar hooger vlucht neemt hij in andere deelen van zijn werk; daar

wandelt hij niet met bedaarden of levendigen pas over den beganen grond,

maar hij zweeft er boven. Deze abt is waarlijk dichter; heeft ten minste

eenige der wezenlijke eigenschappen van een dichter. Men zou dat reeds

vermoeden waar men hem de onmacht der taal ziet beseffen: LUTGART was na

een gebed tot God, aldus vertelt WILLEM ons, zóó verheugd,

Meer dan u iemen soude mogen

Geseggen wel met didscher spraken

[Zijnoot: in het dietsch (de volkstaal).].

Maar dat hij dichter is, ziet men duidelijker waar hij ons beschrijft

hoe de H. Maagd aan LUTGART verschijnt: hoe dat gelaat van uitgelezen

schoonheid, anders stralend van glans, nu zoo bleek en verslagen ziet

van hartzeer; hoe donker haar gewaad, dat anders schittert heller dan

het licht van een zomerschen dag. Fraai is het 4de hoofdstuk van het

Tweede Boek, waarin ons verhaald wordt, hoe LUTGART door hare gebeden

den prediker JACOB VAN VITRY verlost van zijne zinnelijke liefde tot

eene vrouw van uitverkoren schoonheid. De innerlijke strijd dien eene

mystieke vrouw te strijden had, vóórdat zij rust in God vond, is ons in

het zesde hoofdstuk van dat boek geschetst met de zachte gevoeligheid

van omtrek die wij ook in vele miniaturen bewonderen. Schoon is hier

vooral de verhouding eener non van edelen bloede tot God afgebeeld; er

is sprake van vrouwe MARIA VAN RAEVIË

die har herte voeget

So simpellic an onsen Here,

Dat men ne can no min no mere

Vergronden noch genemen ware

Hoe 't tusschen hem stoet ende hare.

Si es so schamel [Zijnoot: bedeesd.] ende so blode,

Dat si mi soude ontdekken node

Des iwent [Zijnoot: iets.] ochte condech maken[35].

Een streven naar kunst toont WILLEM VAN AFFLIGHEM ook in de zorgzaamheid

voor den vorm van zijn werk: zijne verzen zijn gebouwd met eene

regelmaat van stijging en daling, die eenig is in onze middeleeuwsche

literatuur en zijne rijmen zijn zoo zuiver, dat men er te nauwernood

eene enkele assonance onder aantreft[36].

Tot nog toe hebben wij een voornamen karaktertrek van WILLEM'S werk

buiten beschouwing gelaten: zijne eigenaardige voorstelling van het

streven der ziel naar vereeniging met God, dat hij _minne_ noemt. Als

een stroom van wit licht doorgloeit die "minne" het _Leven van Sinte

Lutgart_; in de _Vita_ van THOMAS is daarvan niets of te nauwernood een

glimpje te zien.

Heeft men eens leeren beseffen, wat de ware "minne" is, namelijk niet de

wereldsche of de zinnelijke liefde, maar de liefde der ziel tot God, dan

moet men al zijne krachten inspannen om deze liefde deelachtig te

worden. Maar lang is de weg en moeilijk de strijd. Menigeen die zich

gewennen wil de minne te dienen en in haar school te gaan, streeft in

den aanvang al te haastig voorwaarts in plaats van rustig af te wachten.

In den beginne behaagt dat oefenen zijner krachten den minnaar; doch

indien zijn wil hem dan verlokt zwaarder taak op zich te nemen dan hij

kan volbrengen, dan wachten hem schaamte en vernedering. Daarom moet hij

die "der minnen rade volger" gestadig volharden in den goeden strijd.

Want een strijd, eene worsteling der ziel met God is de minne. LUTGART

dwong met hare sterke minne den hoogsten Koning, onzen Heer, haar al

hooger in Zijne gratie te verheffen; want Hij kon het haar niet

weigeren; zij bracht Hem ten onder. Soms liet Hij haar geene "zeghe

vechten", ook al bleef zij lang stokstil liggen, krachtiglijk met

gebeden worstelend tegen den hoogste des hemels. Maar wie eenmaal de

minne als middelares tot vereeniging met God heeft leeren kennen, die

blijft strijden. En dan wordt hem te zijner tijd de zoete wijn der minne

geschonken, zoodat hij in "orewoet" [Zijnoot: geestverrukking.] geraakt

en verzwolgen wordt in der minne grondelooze diepte. LUTGART was in de

school der minne geweest; daar had zij den Meester gevonden, die haar

zonder woorden binnen in het hart alles verklaard had, wat geen geleerde

met behulp van boeken en schrifturen verklaren kan[37].

Ook andere nonnen van Aywières waren de genade der minne in meerdere of

mindere mate deelachtig geworden; het spreekt van zelf, dat verwante

zielen, die eenigen tijd de minne hadden gediend, behoefte hebben

gevoeld, hare innerlijke ervaringen ten minste ten deele te bespreken,

of te luisteren naar eene zuster als LUTGART die in de school der minne

het zóó ver had gebracht. Zoo zien wij dan ook eens eenige nonnen in de

ziekenzaal van Aywières zitten, daarheen gekomen om LUTGART te hooren

"disputeren van der minnen".

Men waagt zeker niet veel met de bewering dat dit niet de eenige keer

zal geweest zijn, dat LUTGART en hare geestverwante zusters in het

klooster zich hebben onderhouden over de hooge dingen die hare gansche

ziel vervulden.

Zou de abdis van het klooster nooit hebben deelgenomen aan die

gesprekken? Zij, wie LUTGART blijkbaar zóó na aan 't hart lag, dat zij

"het minste vingerkijn" der overledene niet missen en slechts voor eene

levensbeschrijving der betreurde zuster wilde afstaan?

Kan deze abdis HADEWYCH, aan wie THOMAS VAN CANTIMPRÉ zijne _Vita

Lutgardis_ opdroeg, eene andere zijn geweest dan de mystieke, en tot nog

toe mysterieuze, schrijfster, die ons hare visioenen heeft geopenbaard

en de minne verheerlijkt in zoo menig fraai en innig gevoeld lied?

Eene beschouwing van haar persoon en haar werk moge op die vraag het

antwoord geven.

Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I · 第 28 / 113 题