DE MYSTIEK.

De kerk, bekleed met goddelijk gezag, naar zij beweerde, breidde hare

macht steeds uit. Meer en meer stelde zij zich zelve voor als de eenige

bron van waarheid en recht. Doch al te velen onder hare machthebbers

logenstraften door hunne daden, door hun gebrek aan zedelijke reinheid

en kracht, wat zij met woorden verkondigden. De twijfel aan het gezag

eener kerk, door zulke geestelijken vertegenwoordigd, nam toe en groeide

in kracht door de twisten tusschen de leiders der kerk onderling.

Geestelijken en leeken, die zich den grond onder de voeten voelden

ontzinken, werden bevangen door zekere onrust en koortsachtige

geprikkeldheid. Waar liepen nieuwe wegen om den vasten grond te

herwinnen, de verloren gemoedsrust te hervinden?

Bleek de kerk niet langer bij machte, middelares te zijn tusschen God en

den mensch--dan afgedaald in de eigen ziel, daar zelf den weg tot God

gezocht.

Langs deze en dergelijke wegen ontstond in het godsdienstig gemoedsleven

der middeleeuwen langzamerhand die strooming, welke bekend staat onder

den naam van: mystiek. Onder haar invloed ontwikkelde zich het

gemoedsleven met eene vroeger niet gekende kracht; geen hoogte was meer

te hoog, geen diepte te diep.

Ook langs andere wegen trachtten vrome mannen en vrouwen, geestelijken

en leeken, verbetering te brengen in den algemeenen toestand der kerk.

In de abdij van Molesme werd de geest van SINT BENEDICTUS vaardig over

Vader ROBERTUS en zijne boezemvrienden HARDING, met wie hij te Citeaux

het eerste Cistercienser klooster stichtte, om daar aan de ontaarde

zonen van S. BENEDICTUS nieuwen eerbied voor hunne regel te leeren. Eene

eeuw later werd het Christelijk ideaal als herboren in de grootsche en

teedere ziel van SINT FRANCISCUS, den "bruidegom der armoede", die zijn

kort maar rijk leven besteedde aan eene poging om de kerk tot nieuw

leven te wekken.

Omstreeks het midden der 12de eeuw zien wij een paar abdissen van

Cistercienser-kloosters in Duitschland: HILDEGARD VAN BINGEN en

ELISABETH VAN SCHÖNAU zich met hare profetische beden wenden tot keizer,

paus, bisschoppen en abten. Terzelfder tijd komen leeken uit de diocese

van Lyon tot paus ALEXANDER III met het verzoek om de armen het

evangelie te mogen verkondigen.

Wel waren er die het noodig hadden, vooral onder de vrouwen. In de

voortdurende oorlogen en veeten waren vele mannen gesneuveld; hunne

vrouwen vaak hulpeloos achtergebleven, zwierven bedelend rond, werden de

prooi van ruw geweld of leefden van ontucht. Geen wonder dat ook hier,

gelijk zoo menigmaal in de middeleeuwen, de individuën, machteloos op

zich zelve, zich aaneensloten; dat de vrije vrouwenvereenigingen der

Begijnen snel in bloei toenamen. In Tirlemont, in Tongeren, in Leuven

vindt men begijnhoven reeds in den aanvang der 13de eeuw; Luik zag

omstreeks 1240 vijftienhonderd begijnen als in eene afzonderlijke kleine

stad vereenigd; Keulen telde er omstreeks het midden der 13de eeuw

duizend; nog vóór het einde dier eeuw waren er ten minste zestien

plaatsen in België die een begijnhof bezaten.

Onder al die vrome of dwepende vrouwen van de 12de en 13de eeuw zijn

eenige Duitsche en Nederlandsche op wie wij hier in het bijzonder het

oog moeten richten, omdat het ons vergund is een blik te slaan in haar

godsdienstig gemoedsleven.

Twee van haar leerden wij reeds terloops kennen: HILDEGARD VAN BINGEN en

ELISABETH VAN SCHÖNAU, beide draagsters van beroemde namen in de

geschiedenis der mystiek.

HILDEGARD, van adellijk geslacht, leefde van 1104-1178 en stierf als

abdis van het klooster Rupertsberg. Zij was ook hier te lande bekend. De

bisschoppen: RUDOLF van Luik, GODFRIED van Utrecht, graaf FILIPS van den

Elzas, een Praemonstratenser abt FILIPS, uit de buurt van Leuven, zonden

haar brieven. Zij zou aan den heiligen GERLACH, kluizenaar in het

Roermondsche, een krans hebben gezonden.

Van haar gemoedsleven krijgen wij iets te zien in de geschriften door

haar, naar het schijnt, deels in het Duitsch deels in het Latijn

opgesteld; de Duitsche werken zullen later door haar biechtvader

GODFRIED in het Latijn zijn overgebracht. Haar voornaamste geschrift

heet: _Scivias sive Visionum ac Revelationum libri tres_[25]. Zij zegt

ons daarin o.a. dat zij alle dingen ziet in een buitengewoon licht, dat

als een vlam hare ziel aangrijpt en verteert. Dat blijvende licht noemt

zij _visioen_. In zulk een visioen ziet zij b.v. een grooten berg,

ijzerkleurig; daarop gezeten iemand van wien zulk een luister

uitstraalt, dat zij er door verblind wordt; hij spreekt met sterke stem.

Deze berg beteekent de kracht en de eeuwige bestendigheid van Gods

heerschappij. Of: op een ontzaglijk steenblok een ronden koningstroon en

daarop gezeten een jongeling van zooveel glans dat zij hem niet kan

aanzien. Telkens ziet zij schitterend licht, schitterende torens en

kolommen. Ook wel een menschenhoofd met zes vleugels.

Onder hare briefwisseling bevindt zich een schrijven van ELISABETH,

"magistra in Schonaugia", met HILDEGARDE'S antwoord.

Anders dan HILDEGARDE was ELISABETH van arme ouders geboren (1129). Van

der jeugd af leidde zij een ascetisch leven, droeg het haren kleed op

het lichaam, was omgord met een ijzeren ketting, nuttigde slechts weinig

voedsel; alles onder veel weenens en biddens. In het klooster Schönau

bij Bingen, waar zij van 1141-1165 leefde, ontvangt zij, evenals

HILDEGARDE, last van God om de menschen op te wekken tot berouw en

bekeering. Als MOZES voorheen tracht zij zich aan dien last te

onttrekken door aan te voeren dat zij niet "wel ter tale" is ("nescio

loqui"), maar dat mag haar niet baten. In hare geschriften berispt zij

vooral de geestelijken om hunne hebzucht en heerschzucht, hun hoogmoed,

weelde en wellust. Ook den paus spaart zij niet.

Het ascetisch leven houdt ook haar geest in stadige strakke spanning.

Ook zij is telkens in visioen. Dan ziet zij: een groot wiel van vuur;

een kruis, oogverblindend in gouden glans; een hoogen berg en op den top

schitterend het Lam Gods; op een wiel eene ladder welker top de hemelen

schijnt te doorboren; naast het wiel een man met goudglanzend hoofd,

haar als witte wol, schitterende oogen; vóór Gods troon vier dieren, die

vier aangezichten en zes vleugels hebben; die vleugels zijn vol oogen;

een hoogen berg, welks top schittert van licht;

van den voet naar den top leiden drie wegen, welker symbolische

beteekenis ons verklaard wordt. ELISABETH zelve deelt dikwijls mede op

welken tijd, onder welke omstandigheden zij in dien toestand van extaze

geraakt en hoe lang die toestand aanhoudt[26].

Doch niet altijd is zij in extaze. Dikwijls--geen wonder bij zulk een

lichaams- en gemoedstoestand--wordt zij overvallen door droefheid en

somberheid. Zelfs het gebed, anders haar hoogste genot, staat haar dan

tegen. Zij werpt haar psalmboek van zich. Wel schrikt zij van die daad

en grijpt het terstond weder op, maar dan zinkt zij weer terug in hare

somberheid. De Booze wekt twijfel in haar gemoed aan het geloof, aan den

Verlosser: zou het wel waar zijn, alles wat over Hem geschreven is? Ook

aan de Heilige Maagd gaat zij twijfelen. Bitter weent zij over zekere

droomen waarmede de duivel haar kwelt. Het leven gaat haar walgen. "Maak

er een eind aan" blaast de Booze haar in. Doch God waakt over haar, ook

in hare ellende.

Geestverwanten dezer beide vrouwen zijn in de volgende eeuw in niet

geringen getale aan te wijzen. In Thuringen en Saksen vooral vond men in

de 13de eeuw een aantal vrouwen, daaronder vele adellijke, die haar

leven verdeelden tusschen mystieke overpeinzing en het verplegen van

zieken en melaatschen[27]. Bij eene van haar, de begijn MECHTHILD VAN

MAAGDEBURG (c. 1212-1277) zullen wij even stilstaan, omdat zij een

aantal liederen en beschouwingen heeft nagelaten waarin zij haar

innerlijk leven ten deele blootlegt.

Ook MECHTHILD spaarde de geestelijkheid niet; hare uitingen over de

zedeloosheid der geestelijken schijnen haar zelfs vervolging berokkend

te hebben. Doch gewichtiger dan zulke uitingen zijn voor ons die over de

gewijde liefde, de _minne_ als middelares tusschen God en de ziel.

Evenzeer die over de zondige begeerten, welke des menschen lichaam en

zijne ziel in vijandige verhouding tegenover elkander stellen. De

geweldige Minne dwingt haar te verkondigen het wonderbare dat zij

aanschouwd heeft. Een aantal dialogen in verzen tusschen de Minne en de

Ziel geven ons een denkbeeld van dat wonderbare. Het zijn telkens weer

uitstortingen des harten, lofzangen op de Minne. Vrouw Minne heeft haar

beroofd van vrienden en magen, van wereldsche eer en rijkdom; heeft haar

ziekte berokkend, heeft haar vleesch en bloed verteerd--maar ook, welk

een rijken schat des harten heeft zij daarvoor teruggekregen.

Hier en daar zijn hare godsdienstige opvattingen en beschouwingen, uit

streng-dogmatisch oogpunt, gewaagd genoeg en een ketterjager zou deze

zorgeloos rondzwevende vogels licht onder schot kunnen krijgen.

MECHTHILD laat zich gaan, zooals een dichteres dat doet. Want poëzie is

hier in zoo menige uitstorting des harten, waar de Minne zich openbaart

met "een kracht, innigheid en liefelijkheid als men later slechts bij

Suso vindt". Poëzie is ook in beelden en vergelijkingen als deze: wie

van minne sterft, dien moet men in God begraven; van het leven in God

sprekend: zegt zij: de visch kan in het water niet verdrinken; de genade

komt van boven: dat de arend zoo hoog vliegt, heeft hij niet aan de uil

te danken; de ziel moet zich hoeden voor de zonde, zooals een muis die

in de val zit en haar dood verwacht; zij wikkelde zich in de heilige

Drievuldigheid, zooals een kind zich wikkelt in den mantel zijner moeder

en zich vlijt aan haar borst.

De godsdienstige gemoedsstrooming die wij in Duitschland hebben

waargenomen, valt ook hier te lande aan te wijzen. De eerste helft der

12de eeuw was nog maar even voorbij, toen de abdij Klaarkamp in

Friesland als het eerste Cisterciënser-klooster verrees. Tal van andere

kloosters kwamen uit dit moeder-klooster voort, ook nonnenkloosters:

Syon en Nazareth in Friesland, Jesse bij Groningen, Mariënkamp bij

Assen, Mariënhorst bij Deventer, Mariëndaal bij Utrecht. In de meeste

dezer kloosters en in andere, tot de orde van Citeaux behoorende, als de

abdijen van Loosduinen en Leeuwenhorst, vond men addellijke jonkvrouwen

en daaronder ettelijke die de namen droegen van RENESSE, ALKEMADE,

TEILINGEN, DUVENVOORDE.

Ook in sommige Friesche kloosters vindt men aanwijzingen van een

hooggespannen gemoeds- en zenuwleven. In het Praemonstreiter klooster

Mariëngaarde gold het als een bewijs van innige vroomheid en tevens als

eene groote genade-gave: "totum esse raptum in Deum"; zoo ook, bij het

dankgebed na den maaltijd in tranen uit te barsten; wie in zulk een

toestand verkeerde, werd "intus debriatus" genoemd. Ook van het

zoogenaamde "tweede gezicht" vinden wij een voorbeeld: toen GERBRAND,

tweede abt van Klaarkamp, van eene reis naar Citeaux huiswaarts keerde,

werd hij ziek en stierf te Vervins; lang vóórdat de tijding van zijn

dood in Friesland was ontvangen, had eene non van het klooster Syon in

een visioen den abt zien sterven.

Veel sterker echter dan in het Noorden was de extatische strooming in

het Zuiden dezer landen.

Toen bisschop FULCO van Toulouse in 1212 te Luik kwam, werd hij

getroffen door de menigte extatische vrouwen in die stad. Sommige konden

in de zielen van anderen lezen; andere waren zoo krachteloos door

verlangen naar den hemelschen bruidegom, dat zij in vele jaren slechts

enkele malen van haar bed opstonden; zij gevoelen een honigsmaak op de

tong zoo vaak zij in geestvervoering zijn, zitten een ganschen dag in

zwijgende rust, zonder oog of oor voor de buitenwereld; voor een steek

met een of ander puntig voorwerp zijn zij gevoelloos.

Het leven van een viertal extatische vrouwen uit Zuid-Nederland is ons

nader bekend geworden, uit de verhalen daarvan in het Latijn opgesteld

door THOMAS VAN CANTIMPRÉ en JACOB VAN VITRY. Het zijn MARIA VAN

OIGNIES, in 1177 te Nivelles in het bisdom Luik geboren en in 1213 als

bagijn gestorven; CHRISTINA VAN SINT TRUYEN die leefde van 1150-1224;

MARGARETHA VAN YPEREN, die in 1237 in haar 21ste jaar overleed en

LUTGART VAN TONGEREN, die eerst met de heilige CHRISTINA in het klooster

te Sint Truyen leefde en van daar naar het klooster Aquiria bij Kamerijk

ging, waar zij in 1246 stierf.

De drie eerstgenoemden leidden, zooals de meeste harer zusteren, een

streng ascetisch leven; zij zijn ongevoelig voor koude, al bevriest de

wijn in de miskelk; voor pijn, voor honger. MARIA en MARGARETHA waren

begaafd met het "tweede gezicht". Alle drie verdiepen zich gestadig in

Christus' lijden, vooral zijn lichamelijk lijden. Dagen lang blijven zij

in extaze of een daarop gelijkenden toestand. MARIA bleef eens 35 dagen

lang zonder spijs en al dien tijd kwam geen ander woord van hare lippen

dan: "ik wil het lichaam des Heeren". Wanneer al het zinnelijke als een

wolk uit hare ziel was verdwenen door de stralen van het goddelijk

licht, dan ontving zij de vormen der godheid in hare ziel als in een

spiegel. CHRISTINA onderscheidt zich van de overige door den sterken

invloed dien het natuurleven op haar oefent, door de aantrekkingskracht

welke hooge plaatsen voor haar hebben en door het weinig persoonlijke

van haar geestesleven. In MARGARETHA treft ons de geweldige begeerte

naar mannen, die haar uit angst voor dien hartstocht tot Christus doet

vluchten; die er haar toe brengt zich met doornen te geeselen, totdat

zij de booze zinnen heeft getemd. De gedachte dat zij nu Christus' bruid

is, gaat haar dan zoozeer beheerschen, dat zij een volslagen afschuw van

mannen krijgt, zelfs de tegenwoordigheid van een jongen niet meer kan

verdragen; dat zij gansche nachten in gebeden verzonken blijft en dat

haar gevoel zich zoo bovenmatig ontwikkelt, dat zij soms in diepen slaap

viel wanneer zij zedelijk gekwetst werd door iets dat zij hoorde of

zag[28].

Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I · 第 27 / 113 题