2. GEESTELIJKE POËZIE.

Adel en Geestelijkheid. Oorsprong der geestelijke poëzie. _Van den

Levene ons Heren_. Heiligenlevens. _Rinclus_. Ontstaan der mystiek.

Hildegard van Bingen, Elisabeth van Schönau. Mechthild van

Maagdeburg. Extatische vrouwen in Zuid-Nederland: Maria van Oignies,

Christina van Sint-Truyen, Margaretha van Yperen. Lutgart van

Tongeren. _Leven van Sinte Lutgart_. De Minne. Hadewych.

Waar de ridderschap poogde hare zedelijke idealen te verwezenlijken,

daar ging haar streven in dezelfde richting als dat der geestelijkheid

die de Christelijke idealen, voor een deel althans, tot werkelijkheid

trachtte te maken. En dat was niet het eenige punt, waar deze beide

standen elkander raakten. Tal van mannen en vrouwen, die tot den adel

behoorden, lieten zich in den geestelijken stand opnemen. Een

Westvlaamsch auteur der 14de eeuw gaat zelfs zóóver dat hij zegt:

Van vier moneken sijn die drie

Gheboren van groten maghen.[1]

In de geestelijke ridderorden waren beide elementen der toenmalige

maatschappij vereenigd.

Doch onder adel en geestelijkheid beide was doorgaans een scherp

verschil tusschen de theorie en de praktijk des levens. Waar de adel,

alleen naar het tijdelijke strevend, geen middelen ontzag om zijn doel

te bereiken, daar kwam hij in botsing met die geestelijken welke, hunne

roeping getrouw, den blik op het eeuwige gevestigd hielden.

De verheerlijking van strijd zonder heilig doel en van liefde zonder

wijding, zooals vele ridderromans die te hooren en te lezen gaven, moest

kwaad zijn in de oogen van vrome geestelijken. Daartegen waarschuwen

moesten zij plicht achten. Doch dan mochten zij het niet laten bij

waarschuwen; dan moesten zij trachten den verkeerden invloed dier

ridderromans te verzwakken, door de aandacht van het publiek te vestigen

op andere, Gode welgevallige, werken. Mede langs dezen weg ontstond

geestelijke poëzie als eene terugwerking der ridderpoëzie. Wij hebben

reeds vroeger eene plaats uit het _Leven van Sinte Lutgart_ leeren

kennen, die ons dien gang van zaken toont[2].

Tegenover al die "sagen van wigen och van tavelronden", [Zijnoot:

Verhalen van oorlogen en tournooien.] van "minne" die niet tot de

"gerechte minne", nl. de liefde tot God, behoort, plaatst WILLEM VAN

AFFLIGHEM zijn leven van de maagd LUTGARDE "dat vromelic es ende goet".

Eene tweede bewijsplaats vinden wij in het merkwaardig gedicht _Van den

levene ons Heren_. In den proloog van dat werk waarschuwt de dichter

zijn publiek tegen zoo menige "rime die ter zielen luttel smaect"; hij

heeft daarbij het oog op verhalen

Van battalien ende van minnen

Van meneghen die wi niet kinnen:

Van Roelande ende van Oliviere,

Van Alexandre ende van Ogiere,

Van Walewaine ende van siere macht,

Hoe hi jeghen sine viande vacht;

Van Digenen, hoe hi sijn lijf

Tormente omme een scone wijf;

Van Pyramuse hoe hi sijn leven

Omme minne verloos....[3]

Doch dat zijn alles "boerden", al zijn zij op schrift gebracht.

Tegenover zulke verhalen prijst hij diegene, waarin _waarheid_

verkondigd wordt: van "waarheid" spreekt zijn werk, immers van den

heiligen Christus.

Verhalen over JEZUS' leven, dood en opstanding, gegroepeerd om de kern

van het werk: de verlossing van het menschdom, zijn hier door een echt

dichter vereenigd tot een geheel dat hooge waarde heeft[4].

De ons onbekende maker, misschien een "clerc", heeft zijne stof tusschen

1260-1270 bewerkt, zooals hij die had leeren kennen uit den bijbel en

uit andere bronnen[5]. Onder die andere bronnen moeten de zoogenaamde

apocriefe evangeliën in de eerste plaats worden genoemd. Van den bijbel

kreeg de christelijke gemeente in de latere middeleeuwen door allerlei

uittreksels en bewerkingen vrij wat te zien en te hooren; doch behalve

die, door de Kerk als de eenig ware vastgestelde, boeken, vond men

andere evangeliën over JEZUS, MARIA, JOZEF, PILATUS, JOZEF van Arimathea

en andere heilige personen, die als een sterke onderstroom het

godsdienstig gemoedsleven onzer voorouders bleven voeden. De kanonieke

bijbelboeken waren voor het grootste deel des volks te sober, te

verheven; de apocriefe evangeliën wisten hun allerlei te vertellen

waarover de bijbel zwijgt: verhalen van JEZUS' kindsheid; van de vlucht

naar Egypte; van de Drie Koningen en hoe het met HERODES afliep; van

JEZUS' nederdaling ter helle en hoe hij de daar aanwezige heilige mannen

uit het Oude Testament, ondanks het verzet der duivelen, verloste. Aan

het gewoon-menschelijke, het dagelijksche is in deze verhalen meer

plaats vergund; maar ook aan het avontuurlijke, het kleurige, het bonte.

Dat alles trok het volk aan; het heeft ook dezen dichter aangetrokken

die één was met het volk waaronder hij stond, al stak hij boven hen uit

door zijne dichterlijke gaven.

Dat dit gedicht volkspoëzie bevat, zou men reeds vermoeden, wanneer men

ziet welk een warme liefde tot de misdeelden den dichter bezielde:

Selen wy dragen bont ende grau,

Ende ons sieren als enen pau,

Ende die arme sal sijn in selc bedwanc,

Dat hi ne sal hebben spel no sanc?

Maar niet alle vóór het volk geschreven poëzie is volkspoëzie. Deze is

het. Wij vinden hier telkens den geest, den trant, de wendingen der

volkspoëzie, zooals wij die van elders kennen. Zoo b.v. de

rechtstreeksche vragen tot het publiek, waar GABRIËL Gods wil aan MARIA

komt boodschappen:

Vant hi Marien ter venstren staen?

Vant hise achter [Zijnoot: langs.] straten gaen?

Vant hise in plaetsen [Zijnoot: pleinen.], vant hise int spel?

Neen hi, niet; die maecht pensde al el [Zijnoot: andere dingen.].

Zoo ook wendingen der verhalende volkspoëzie als: "Doe sprac een jode:

Heren, hort na my"; het afgebrokene in den zinbouw, den korten

vleugelslag van des dichters gedachten[6].

De naïeve vroomheid en kinderlijke eerbied voor het heilige, die wij

later in de geestelijke volksliederen zullen opmerken, openbaren zich

hier in een oprechte vroomheid, een zachtheid van toon, een doorvoelen

van JEZUS' lijden, zooals later MEMLINC het ons te zien zal geven.

Telkens hooren wij van "dat zoete kint", zijne heilige, zijne

gebenedijde hand, zijn zoete hart; God "van hemele", "d'alweldeghe God",

de heilige engel. JEZUS' liefde tot zijne discipelen voelen wij in

verzen als: "Kinder, seit hi, hoert na mi" of "Kinder, seit hi, lieve

vrient"[7]. De keerzijde van deze liefde en eerbied is een felle haat

tegen HERODES, die ons voorgesteld wordt: hebzuchtig, wreed, fel als een

hond; hij is een "dief" (in de taal onzer voorouders: het inbegrip van

alle kwaad), een "onreyne drake"; ten laatste wordt hij krankzinnig, het

helsche vuur gloeit uit zijne oogen[8]. Geen woorden genoeg heeft de

dichter om de Joden uit te beelden in hunne felheid, die hen doet

schuimbekken; in het welbehagen waarmede zij het zachte lam kwellen en

martelen; in hun schamperen spot[9]. Die haat en die liefde zijn beide

in hooge mate naïef. "God is een goed wreker", zegt de dichter, "al

spreekt Hij niet veel". JEZUS zegt tot zijn hart: "Hart, kondt gij

spreken als een mensch, hoe zoudt gij dan over uw lijden klagen". Van

GABRIËL lezen wij, dat hij Gods gebod ten uitvoer bracht en ter

verklaring daarvan: "Hine dorst laten, want hi was God". De duivel

spreekt van "mijn hel"[10].

Het kinderlijk onbewuste van de vroomheid dezer tijden verminderde den

afstand tusschen God en de geloovigen, die niet zich verhieven tot Hem

maar tot wie Hij afdaalde. Eerbiedsgrenzen, door latere geslachten in

acht genomen, bestaan voor dezen dichter te nauwer nood. Hij schroomt

niet, de schamele hut, het "huseken cranc", waarin JEZUS geboren wordt,

met zachte ironie "dit paleis" te noemen; evenmin om van PETRUS te

zeggen, dat hij "zweette als een das" toen hij JEZUS verloochende, of

ons MARIA MAGDALENA te teekenen, zooals zij onder stoelen en banken door

kruipt om bij JEZUS te komen[11].

Zooals de dichters der ridderpoëzie zich eene klassieke oudheid schiepen

naar de toestanden hunner dagen, zoo handelde deze volksdichter met de

bijbelsche oudheid. Bij zijne voorstelling van het maatschappelijk en

huiselijk leven in Palaestina, geeft hij eenvoudig zijne eigen omgeving,

zooals lang vóór hem de dichter van den Oudsaksischen _Hêljand_ had

gedaan. JEZUS deelt aan zijne twaalf "gezellen" mede, dat de smartelijke

kruisdood hem wacht; de "gezellen" zwijgen op dat bericht, maar PETER

"zijn getrouwe vriend" neemt voor allen het woord en wenscht dat JEZUS

nog berouw moge krijgen over hetgeen hij gezegd heeft: "Ghi sijt een so

scone man", zegt hij, "hoe komt zoo iets dan in uwe gedachten?"

Apostelen en Joden worden ons meer dan eens voorgesteld staand of

zittend "in een rinc", zooals dat van ouds ook hier te lande

gebruikelijk was. De Joden zijn hier afgodendienaars die aan MAHOMED

gelooven; zij komen "met manne ende maghe" te samen; hun hoogepriester

wordt "bisschop" genoemd, PILATUS noemt zich zelven "meier". Hier en

daar klinken tonen uit de ridderpoëzie door deze geestelijke poëzie

heen: wij treffen woorden aan als stegereep [Zijnoot: stijgbeugel.],

ghereide en vorboech" [Zijnoot: borstriem.], als "glaviën" voor lansen;

geen soldaten maar ridders, houden de wacht bij JEZUS' graf; van een

slag, JEZUS toegebracht, wordt de staande uitdrukking gebezigd: "dat hi

en horde no en sach"[12]. Het wonder van het droogvoets trekken der

Israëlieten door de Roode Zee, is dezen dichter niet genoeg: van de

Roode Zee maakt hij de Leverzee, dat wonderbaarlijk mengsel der

elementen herinnerend aan den baaierd vóór de schepping, ergens ver weg

in de geheimzinnige streken door den Heiligen BRANDAEN op zijne

zwerftochten bezocht[13].

Uit het vroom gemoed van dezen kinderlijk onbevangen dichter die het

leven van JEZUS zóó medeleeft, welt poëzie op telkens wanneer een deel

van dat leven hem sterk ontroert. Zoo b.v. waar hij ons MARIA'S

moederweelde schetst:

Sat Maria, ghinc se ochte stoet [Zijnoot: of stond zij.],

Sie custe dicke [Zijnoot: dikwijls.] haers kindes voet,

Daer sijt in die wieghe leide ofte nam;

Soe lanc soe meer tkint haer bequam [Zijnoot: behaagde.].

Als tkint weende, haer was onsachte,

Sie sweghet [Zijnoot: suste.] minlike, soete ende sachte;

Als tkint hadde honger ofte dorst,

Sie gaf hem haer ghebenedide borst;

Sine cleder waren altoos wit,

Nieuwe gedweghen [Zijnoot: pas gewasschen.], groot recht was dit;

Sijn bat ne was no heet no cout,

Met rechte was tkint sire moeder hout [Zijnoot: genegen.].

Maria herde wel dies wachte,

Dat sine wieghe was scone ende sachte;

At sie, dranc sie, al dat sie dede,

Haer oghen volgden den kinde mede.

Hoe treffend aandoenlijk zijn ook die onschuldige kinderen, lachend

tegen de blinkende zwaarden die hen in het volgend oogenblik zullen

treffen:

Daer tkint sach blicken [Zijnoot: schitteren] tscarpe swert,

Tkint loech ten mordenare wert.

Begrijpelijk is het in dezen dichter, dat hij telkens van het

rustige-epische overgaat in het meer bewogen lyrische, dat zijn verhaal

telkens overgaat in het lied. Wij meenen een oud Driekoningen-lied te

hooren in:

Drie coninge woenden in Oriënt,

D'een den anderen wel ghehent [Zijnoot: naburig.].

...............

Een werf [Zijnoot: eens]" in ere avontstont

Een clare sterre an den hemel stont.

..................

Sie lasen op, (sie lasen) nedere,

Ter sterren si keerden wedere.

...............

Een coninc vant ende las,

Wat dat scone boekijn [Zijnoot: voorteeken.] was.

Enz.

Zóó dikwijls (zeker een dozijn malen) keeren zulke op liederen

gelijkende plaatsen terug, dat men, met het oog op het ontstaan van het

epos uit liederen, zou gaan vermoeden dat ook hier bestaande liederen

door den dichter tot een geheel zijn verenigd[14]. Doch al acht ik dit

niet waarschijnlijk, voor zeker houd ik, dat het gedicht, ware het in

beter toestand tot ons gekomen, dieper indruk op ons zou maken dan het

nu reeds doet.

Indine deze kapel, door een vroom kunstenaar ter eere van zijnen

Verlosser gesticht, eens ware ontdaan van den ombouw en het bijwerk

waarmede een latere tijd haar heeft ontsierd, dan zou eerst duidelijk

blijken, hoe oorspronkelijk van opvatting dit voortbrengsel van naïve

kunst is en welk een bevallige eenvoud vele zijner deelen siert.

Niet van alle geestelijke poëzie, welke wij meenen te mogen brengen tot

de 13de eew, kunnen wij aantoonen dat zijn ontstaan is uit eene

terugwerking der ridderpoëzie. Trouwens, ook werken als het _Leven van

Sinte Lutgarde_ en _Van den Levene ons Heren_ zijn natuurlijk niet

voortgebracht louter uit begeerte om tegenover de ridderromans

geestelijke poëzie te plaatsen. Ongetwijfeld ging de behoefte om zich te

verdiepen in het eeuwige met die begeerte gepaard. Behoefte om zicht te

verdiepen in het eeuwige en verlangen om het geestelijke welzijn der

christelijke gemeente te bevorderen deden een aantal andere werken

ontstaan, welke een geest ademen en eenkarakter vertoonen,

tegenovergesteld aan den geest en het karakter der ridderpoëzie.

Hetzelfde handschrift uit de laatst der 13de eeuw, dat ons een fragment

van het gedicht over JEZUS'leven bewaard heeft, bevat een aantal

berijmde levensverhalen van heiligen: _van sente Marie Egyptiake, van

sente Eustaesse, van sente Aechte, van sente Caterine, van sente

Waerneer_[15].

Geen dezer werken heeft als literair kunstwerk veel te beteekenen. De

meeste schijnen ongeveer 2700 verzen te hebben geteld en geven een

eenvoudig kunsteloos verhaal van de lotgevallen der bovengenoemde

heilige vrouwen en mannen. Waarschijnlijk zullen zij vertaald zijn uit

het Latijn; ook het beroep op eene "scrifture" dat men in het leven _van

sente Eustaesse_ vindt, schijnt eene aanwijzing in die richting. De

legende van S. WERNER berust op het in de middeleeuwen algemeen verbreid

geloof aan een, jaarlijks door de Joden gebracht, offer van een

Christenkind "wit [Zijnoot: blank.], blosende ende root."

Dat deze heiligenlevens van ééne hand zijn, is natuurlijk mogelijk; doch

het is bezwaarlijk uit te maken, zoolang wij van de meeste slechts

betrekkelijk kleine fragmenten hebben. Misschien moet men het

onwaarschijnlijk achten, omdat b.v. het leven _van sente Aechte_ zooveel

assoneerende rijmen vertoont, terwijl die in de overige fragmenten

schaarscher zijn of, zooals in het leven _van sente Marie Egyptiake_,

schijnen te ontbreken[16]. Wat ten minste drie dezer gedichten gemeen

hebben, is de wensch door den dichter tot zijne hoorders gericht: dat

het aanhooren van zulk een levensverhaal onder hunne goede werken moge

medegerekend worden[17].

Tenauwernood kan tot de voortbrengselen der literaire kunst worden

gerekend een klein fragment van _de boec der biechten_, dat eveneens in

het handschrift van MARTIJN VAN THOROUT gevonden wordt. Vermoedelijk is

dit werk uit denzelfden tijd als de bovengenoemde heiligenlevens. In

allen gevalle is het aannemelijk dat een dergelijk catechetisch werk

vervaardigd zal zijn door een monnik uit het klooster Thorout, waar

reeds in de 9de eeuw eene school van zendelingen werd gesticht, die aan

de Denen het evangelie zouden verkondigen[18].

Geen geringe plaats besloeg in die verkondiging van het middeleeuwsch

Christendom de voorstelling van God als "een goed wreker", volgens de

uitdrukking in _Van den Levene ons Heren_. Het is niet geheel zeker maar

toch m.i. waarschijnlijk, dat er reeds vóór het midden der 13de eeuw te

onzent een gedicht _van onses Heren wrake_ bekend was, vertaald of

vervaardigd door een Vlaamsch priester. De inhoud van dat gedicht zal

waarschijnlijk bestaan hebben uit een verhaal van de verwoesting van

Jeruzalem; die verwoesting placht namelijk voorgesteld te worden als

Gods wraak over het ter dood brengen van JEZUS. In den proloog van zijn

boek over den Graal en MERLIJN noemt MAERLANT dit gedicht "wyde becant";

was het omstreeks 1261 reeds wijd bekend, dan heeft de verbreiding van

het werk in ruimen kring natuurlijk eenigen tijd vereischt, en moet het

dus ten minste in de eerste helft der 13de eeuw ontstaan zijn[19].

Zekerheid hebben wij ook niet omtrent den tijd der bewerking van een

Oudfransch stichtelijk leerdicht uit het eind der 12de of den aanvang

der 13de eeuw, dat gewoonlijk naar het aanvangswoord _Miserere_ genoemd

wordt en door zekeren RENCLUS (kluizenaar) van Moiliens werd

gedicht[20]. In de geschiedverhalen onzer letterkunde wordt het kortweg

_Rinclus_ genoemd[20]. Het Fransche werk is in 12-regelige coupletten

gedicht, een vorm die in de Nederlandsche overzetting behouden bleef. De

97 eerste coupletten werden bewerkt door GIELIJS VAN MOLHEM (een dorp

van dien naam ligt bij Afflighem); de overige door zekeren HEINREC. Het

gedicht geeft ons een uitvoerig antwoord op de vragen: wat de mensch

geweest is, wat hij is en wat hij zijn zal; het wekt op tot navolging

der martelaren, tot het doen van de rechte keuze tusschen God en de

wereld, het betoonen van mildheid aan de armen. Waarschuwend verheft de

dichter zijne stem tegen hoofdzonden als hoovaardij en nijd en geeft

zijne waarschuwingen nadruk door allerlei voorbeelden van weelde, ijdel

zelfbehagen en nijd, die aan het dagelijksch leven ontleend zijn. Ook de

priesterschap en de kloosterlingen worden niet gespaard.

De Nederlandsche bewerking geeft in vele gevallen slechts de hoofdzaken

van het origineel terug, of slechts het een en ander daarvan[21]. Soms

heeft de Nederlander zijn voorbeeld niet begrepen en maakt hij er maar

iets van; elders heeft hij een beeld weggelaten dat hij misschien geen

kans zag weer te geven of zijn deelen eener voorstelling weggelaten,

waaraan die voorstelling juist haar karakter of hare belangrijkheid

ontleent. Zoo missen wij in de bewerking het beeld van den valk die op

het lokaas aankomt, de beeldspraak omtrent den paradijsappel; in het

Fransche verhaal _van Sint Maarten_ die zijn mantel doorsnijdt, krijgt

men "het stalen zwaard" te zien--de Nederlandsche bewerking spreekt

slechts van de "snede die den mantel deelde in tween". Elders is eene

tegenstelling grootendeels verloren gegaan; op een paar plaatsen eene

realistische uitdrukking weggelaten of de tint verzacht en het Dietsch

ingetogener dan het Fransch[22].

Echter, de bewerkers hebben niet louter weggelaten of hun voorbeeld

schade doen lijden bij de overzetting. Hier en daar voegen zij--GIELIJS

meer dan HEINREC--iets van het hunne in; onder die invoegsels of

wijzigingen zijn er die verdienstelijk of karakteristiek mogen heeten.

In no. 33 is sprake van priesters die--zooals HEINE zegt--"water

preeken, maar wijn drinken". Kenschetst het GIELIJS VAN MOLHEM niet als

kind van een zeevarend volk, dat hij hier het oorspronkelijke "verlucht"

met dit beeld: "eerst moet hij zelf de donkere diepte bevaren; dan zal

hij wind in zijn zeil krijgen"? HEINREC vervangt de beeldspraak "on veut

bien étain pour argent" door: "want hi neemt rogge daer hi leent evene"

(haver). Van LAZARUS die vergeefs wacht aan de poort van den rijke, heet

het bij GIELIJS: "men sant hem niet dan hontgebas". Van een begeerig man

die verlangend voor een gesloten boomgaard staat, zegt het Fransch:

"tant huka [Zijnoot: schreeuwde.] et tant apela"; GIELIJS vertaalt: "Hi

claterde der doren rinc". Elders vinden wij in het origineele gedicht

een hoovaardige in dit vers: "orguieus va dou col coloiant" [Zijnoot:

rek (reik)-halzend.]! Aardig geschetst; maar GIELIJS overtreft zijn

voorbeeld met: "'t Hoot op hals als een hane die crait". Op een andere

plaats weer heeft hij de voorstelling verlevendigd door het invoegen van

een dialoog[23].

Naar men mag aannemen, zijn MAERLANT'S strophische gedichten zoowel aan

GIELIJS als aan HEINREC bekend geweest; hier en daar vindt men zelfs

plaatsen die woordelijk overeenkomen[24]. Maar alleen op grond van die

bekendheid aan te nemen, dat de bewerkers van den _Rinclus_ en MAERLANT

tijdgenooten zijn geweest, is gewaagd. Toch meen ik, ook met het oog op

den ouderdom van het Fransche gedicht, dat er wel grond is om de

Nederlandsche bewerking nog in de 13de eeuw te plaatsen.

Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I · 第 26 / 113 题