Vus ne gerrez [Zijnoot: zult liggen.] jamais entre sa brace

in het Nederlandsch:

Nemmermeer en wert si u wijf.

Maar hoe is de aanschouwelijkheid van het oorspronkelijke in dit fatsoen

ondergegaan.

Waar een bewerker, naar het schijnt, meer zijn eigen weg ging, daar

krijgen wij soms hier en daar een verrassend kijkje op den geest van

zijn stand of van zijn tijd. Zoo b.v. in de Vlaamsche bewerking van den

_Aiol_, waar de beschrijvingen vooral van gevechten aanzienlijk bekort

of geheel weggelaten zijn, de episode van den visscher TIERIJN

daarentegen met blijkbare voorliefde is bewerkt. In overeenstemming met

dat krachtiger burgerlijk element is eene beeldspraak als deze:

Ware Macharijs mijn oem hier,

Hi soud u, Ayoel, _selc een bier

Met vullen nappe scinken_,

Ghi souds langhe mogen dinken[22].

Van de zending des engels tot den visscher (vs. 654-700) vinden wij in

het Fransch niets; wel strookt met dat invoegsel des bewerkers een vers

als het derde van dit drietal:

De hermite starf cortelike,

Want hi voer te Gods rike:

_Daer moeten wi alle comen_!

De uitval van jonkvrouw LUSIENE tegen de "maechscap" die haar verhindert

AIOL te trouwen, is ook een merkwaardig teeken des tijds[23].

De kunstvaardigheid dezer Nederlandsche dichters is over het algemeen

gering. Hunne verzen zijn weinig verzorgd; telkens komen verzen met drie

heffingen al te lange verzen afwisselen. De rijmen zijn achteloos

behandeld; het aantal assoneerende rijmen in de meeste dezer bewerkingen

is vrij groot, vier gelijke rijmen komen niet zelden voor. Eene

eigenaardigheid des bewerkers van _Reinout van Montalbaen_ is, dat hij

in rijmnood de heiligen te hulp roept: bij het woord _man_ moet _sente

Jan_ te hulp komen; bij _trouwe_: _onse Vrouwe_; bij _huus_: _Jesus_

enz.[24]. Niet alleen het _Roelants-lied_, maar ook de _Lorreinen_, de

_Reinout van Montalbaen_ wemelen van stoplappen; met _Flovent_, _Aubri

den Borgengoen_, _Willen van Oringen_ schijnt het in dezen beter

gesteld. Dat alles, ook de dikwijls kort afgebroken perioden, wijst er

ons op dat wij hier waarschijnlijk met volksdichters, niet met geleerde

dichters (_clercken_) te doen hebben.

Hiervoor hebben wij het vermoeden uitgesproken, dat wij in _Doon de

Mayence_, _Gwidekijn van Sassen_ en de Vlaamsche redactie van _Aiol_ eer

vrije bewerkingen van, uit Frankrijk afkomstige, epische stoffen te zien

hebben dan vertalingen. Met meer recht mag men dit aannemen van _Karel

ende Elegast_. Zelfs meen ik het voor waarschijnlijk te mogen houden,

dat wij hier eene zelfstandige bewerking van een bekende stof

hebben[25]. Bekend was in Frankrijk het verhaal van eene samenzwering,

tegen KAREL DEN GROOTE gesmeed, waartegen een door God gezonden engel

hem waarschuwde. Die engel gelastte den Koning 's nachts te gaan stelen.

Op zijn nachtelijken tocht ontmoet hij een ridder, nu roover geworden,

die hem met de samenzwering bekend maakt. De verraders worden ontmaskerd

en gestraft. In de Latijnsche kroniek van ALBERICUS TRIUM FONTIUM wordt

de kern van dit verhaal vermeld en ook gewag gemaakt van eene

_cantilena_ (lied) waarin deze stof was verwerkt. Ook in eenige

Oudfransche gedichten, vooral den _Renaus de Montauban_ en een werk van

lateren tijd, _le Restor du Paon_, wordt over dit verhaal gesproken. Dat

er behalve het lied over deze stof nog een episch gedicht van eenigen

omvang zou hebben bestaan, is niet bewezen. In allen gevalle is zulk een

episch gedicht niet bekend en kan men dus geen origineel van het

Nederlandsch gedicht aanwijzen. Doch ook al ware bewezen, dat zulk een

Fransch episch gedicht bestaan heeft, wat dan nog? Moet dat dan

noodwendig het voorbeeld zijn geweest van ons verhaal? Kan de

Nederlandsche dichter niet evengoed kennis hebben gekregen van zijne

stof langs den weg der mondelinge overlevering? In tegenstelling met de

meeste Middelnederlandsche gedichten, welke vertaald of bewerkt zijn

naar een uitheemsch gedicht, vinden wij hier nergens melding gemaakt van

een bron, nergens eene uitdrukking als "die boec seit" of iets

dergelijks. Het eenige van dien aard, dat men in ons gedicht vindt, deze

verzen uit den aanhef:

Wat den coninc daer ghevel,

_Dat weten noch die menighe wel_

wijst aan, dat het verhaal toentertijd in omloop was; wijst in de

richting van mondelinge overlevering. Er is dus geen afdoende reden om

reeds op grond van de bovenvermelde feiten de oorspronkelijkheid van ons

gedicht onwaarschijnlijk te achten of te ontkennen[26]. Doch er is meer:

de namen ELEGAST, EGGHERIC VAN EGGERMONDE zijn Nederlandsche namen,

waarvan de Fransche overlevering niet weet; ook is het tooneel van ons

verhaal--anders dan in de Fransche vermeldingen--de landstreek rondom

KAREL DE GROOTE'S geliefde verblijfplaats Ingelheim. Bovendien schuilt

in ELEGAST een wezen uit de Germaansche mythologie en is hij blijkbaar

verwant met ALVEGAST (heer der elven), denzelfde die in Frankrijk

AUBERON genoemd werd. Het bezit van een kruid dat, in den mond gestoken,

het vermogen geeft om te verstaan wat hanen kraaien en honden bassen; de

kennis van een tooverspreuk (hier _bede_ genoemd) waardoor hij de

bewoners van een kasteel in slaap brengt, zijn dan ook trekken die men

in Germaansche sprookjes terugvindt[27].

Voor mij zweeft door dit kleine epos, zoo zuiver van gevoel en taal, een

geur van oorspronkelijkheid, die mij, met het oog op bovenstaande

uiteenzetting, weerhoudt van aan vertaling te denken; moet men al denken

aan navolging, dan zeker aan eene die van oorspronkelijkheid niet ver

afstaat.

Wat is hier nog een kinderlijk maar oprecht en sterk geloof in God en

vertrouwen op God! Hoe voelen wij dat geloof in uitdrukkingen als "een

heilich enghel", "d'enghel die van Gode quam", "d'enghel van den

paradise"; in Gods vaderlijke zorg voor den koning die het gezinde van

Ingelheim in vasten slaap houdt, opdat zij niets zullen bemerken van den

nachtelijken tocht; in de vrome gebeden; in dien strijd tusschen

riddereer en geloof, zoo treffend samengevat in dat eene vers: "varen

stelen of God verwerken [Zijnoot: van zich afkeerig maken.]!" Hoe goed

kent de dichter het ridderleven en de ridderzeden: hij strijdt de beide

gevechten mede, hij kent het wapenbroederschap, hij ziet de "witte"

halsbergen; met de inrichting der middeleeuwsche kasteelen en den

wachter die "den dag blaast", is hij blijkbaar vertrouwd. Opmerkelijk is

hier de eerbied voor KAREL DEN GROOTE, "d'edel man" zooals hij telkens

wordt genoemd; treffend de onwankelbare trouw van zijn vazal ELEGAST,

door hem op valsche aantijgingen verjaagd.

Op ELEGAST valt het meeste licht; blijkbaar heeft de dichter voor hem de

sympathie die de "vogelvrije" te allen tijde gevonden heeft; ook

beantwoordt hij aan het ideale type van den vogelvrijen roover: alleen

den rijken ontneemt hij het hunne, bisschoppen, abten en kanunniken

vooral zijn hem een welkome prooi. Hij leeft van _roof_, maar dat

verlaagde hem niet in de oogen van een middeleeuwsch publiek[28]. Dat

publiek zal hem te liever gehad hebben om zijne dapperheid, kracht en

edelmoedigheid in het gevecht, om zijn goedaardigen spot met KARELS

talenten als dief en inbreker.

En hoe goed is het verhaal verteld: vlug, zonder uitweidingen, met

slechts een enkele reflexie over "vrouwenlist", zelden ontsierd door

stoplappen. De komst van ELEGAST wordt in den aanvang op eenvoudige maar

doeltreffende wijze voorbereid door des konings overpeinzing over

"ridders die op aventure" leven[29]; dan zien wij den nachtelijken rit

bij maanlicht door het bosch, de ontmoeting met den dreigenden zwarten

ridder, het tweegevecht, de overeenkomst der kampioenen, de inbraak in

EGGHERIC'S kasteel en zoo gaat de dichter gestadig voort en weet ons te

boeien en met zich te voeren--zooals hij het ook ongetwijfeld meer dan

zes eeuwen geleden zijn publiek zal hebben gedaan.

Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I · 第 23 / 113 题