KELTISCHE, KLASSIEKE EN OOSTERSCHE ROMANS.

Wat onze voorouders in deze romans aantrok, was van anderen aard dan wat

hen zoo gaarne deed luisteren naar de voordracht der Frankische romans.

Met de personages uit die romans voelden zij zich verwant; het leven

daar afgebeeld was min of meer ook hun leven, slechts zagen zij het daar

op grooter schaal en in het licht der poëzie. De Keltische en daarop

gelijkende romans voerden hen in een wereld die hun grootendeels vreemd

was, maar die hen bekoorde, deels door al dat vreemde en

wonderbaarlijke, deels doordat zij hier in overvloed vonden wat zij

begeerden of bewonderden: rijkdom en weelde, hoofsche beschaving,

fijnheid van vormen en omgangstaal.

Het hof te Kamelot was een toonbeeld en leerschool van het hoofsche

ridderwezen; zijn middelpunt: koning ARTUR, de volmaakte ridder;

koningin GENOVERE, louter liefelijkheid en edele schoonheid. Rondom hen

eene glanzende schaar van ridders, getrouwe vazallen, bereid hun leven

voor hun koning te wagen, dapper, hoofsch, wel ter tale. Vrouwen en

jonkvrouwen, bekoorlijk, dartel, plaagziek, wie de minne in het hart en

op de tong lag. Kwam dat adellijk jonkvolk samen, wat hoorde men dan een

levendig spel van woord en weerwoord; van dartele behaagzucht en schalke

veinzerij tegen vurige liefde en ootmoedige toewijding.

Hier zijn de minnaars die met halve woorden spreken, die bleek worden

van aandoening, die om genade smeeken, en jonkvrouwen die zich houden

alsof zij niets gehoord hebben, die haar minnaar wijs maken, dat hij

geslapen heeft. Welk Vlaamsch of Brabantsch edelman had ooit gesprekken

gehoord als dit van POLLIDAMAS en HELENE in den _Roman van Troye_:

HELENE bemerkte wel, dat het POLLIDAMAS ernst was.--Word toch wakker,

POLLIDAMAS! hoor hoe de vogels zingen! Van nacht kunt gij slapen zooveel

gij wilt.--Vrouwe, zegt hij, wie zou zoo onhebbelijk zijn om naast u te

zitten slapen?--Zoo onhebbelijk zijt gij toch geweest! Gij hebt immers

in uw slaap tegen mij gesproken? Hadt gij dat wakend gedaan, dan zou het

u slecht bekomen.--Sliep ik dan?--Ja zeker.--Als gij het zegt, moet het

waar zijn. Maar heb ik in mijn slaap iets miszegd?--Ja gij, maar

onwetend; daarom zal ik het niet in ernst opnemen.--Mag ik zoo vrij zijn

u te vragen, wat ik miszegd heb?--Ja gij: eerst zegt gij tot mij:

"genade!"; toen meende ik dat gij waakte en antwoordde u. Ik vroeg u,

wat u scheelde; ten slotte zeidet ge openlijk: ik heb u lief! Toen ik

die ongepaste woorden hoorde, meende ik dat gij droomde en maakte u

wakker.--Ach, vrouwe, men heeft wel eens meer gezegd: waar het hart vol

van is, daar loopt de mond van over.--

Hier blijft het bij praten, maar gewoonlijk blijft het daarbij niet,

want ook van deze weigerachtige jonkvrouwen en smachtende jonkers gold:

"vuur en stroo dient niet alzoo." In het stroovuur van den hartstocht

blaakt zoo menig dolend ridder voor zoo menige geschaakte jonkvrouw die

hij op zijn weg ontmoet, die hij verlost uit de macht van een of anderen

rooden ridder of afzichtelijken dwerg en die hem verder in zijne

eenzaamheid wat opmontert. Maar wij krijgen ook liefde van beter allooi

te zien: trouwe liefde als die van WALEWEIN voor YSABELE, van FLORIS

voor BLANCEFLOER, van PARTONOPEÜS voor MELIOR; de liefde voor GALIENE

doet wonderen aan den boerenzoon FERGUUT, vormt hem tot een volmaakt

ridder.

Dat de vrouwen in deze romans op den voorgrond treden, is reeds uit het

voorgaande gebleken; duidelijker nog blijkt het, indien men er op let,

hoe de aandacht die vroeger alleen of voornamelijk den man geschonken

werd, nu in beslag wordt genomen door een minnend paar. Wie aan FLORIS

denkt, kan BLANCEFLOER niet vergeten; PARTONOPEÜS herinnert ons MELIOR,

TRISTAN ISOUDE; zelfs de toovenaar MERLIJN wordt door de verleidelijke

VIVIANE in het bosch van Broceliande verstrikt. En wie kan LANCELOT de

bloem der ridderschap noemen, zonder de heugenis te wekken aan zijne

misdadige liefde voor zijne hooge gebiedster GENOVERE?

Dat alles zien wij in deze romans omstraald door den glans der poëzie;

nergens misschien liefelijker dan in den roman van _Lancelot_, waar ons

verhaald wordt hoe LANCELOT gevangen lag in de woning der fee

MORGUEYNE.--Uit zijne gevangenis, door de ijzeren staven voor het

venster, ziet hij in den bloeienden tuin. Twee winters en een zomer zit

hij nu reeds daar. Om de verveling te verdrijven, heeft hij zijne

wapenfeiten op de muren geteekend. In die wemeling van figuren

verschijnt meermalen ééne vrouw--de koningin. Dikwijls gaat hij op haar

beeld toe, kust het op de oogen, op den mond; dan weent en klaagt hij.

De Mei is gekomen; April heeft oorlof genomen. Weer ziet hij de boomen

bloeien, de frissche rozen opluiken, de roode rozen... hij ziet haar

rooden mond. Altijd moet hij aan haar denken. Op een zondag is hij vroeg

opgestaan; de zon schijnt in den tuin. Weer ziet hij de rozen; ééne is

er, pas ontloken--zóó was zij, toen hij haar zag ten tournooi te

Karmeloot. Verlangend de roos te plukken, steekt hij zijn hand uit het

venster, maar de ijzeren traliën houden hem tegen. "Zouden traliën mij

tegenhouden?--Neen!"--met beide handen grijpt hij de twee staven aan;

één ruk... zij zijn gebroken, al hebben zij zijne vingers ontvleescht.

Nu verlaat hij zijne gevangenis, hij kust de roos, hij plukt haar en

legt haar op zijn hart. De poort staat open; hij wapent zich, kiest een

goed ros, zit op en rijdt heen.

Waarheen? Op een der vele tochten ("questen") die deze dolende ridders

ondernemen om iemand of iets te zoeken: een gevangen wapenbroeder, een

wonderbaarlijk zwaard of schaakbord, een sluier of ander ridderteeken.

Waar komen zij, wat zien zij niet op die tochten? In bosschen waar

kluizenaars wonen; aan kasteelen, ingericht met wonderbare pracht, waar

tooverbedden staan die iederen gewonde genezen die er op rust; zij

geraken in strijd met andere ridders die zij als overwonnelingen naar

ARTURS hof zenden, met reuzen, dwergen en toovenaars.

Ook ten oorlog rijden zij. Maar zelfs de oorlog heeft hier fijner vormen

aangenomen; het is niet meer de grimmige ernst van vroeger, maar eer een

tournooi met scherpe wapenen. Grootsche afmetingen neemt de strijd aan

in het laatste deel van ARTUR'S geschiedenis, dat ons herinnert aan den

strijd der Kelten tegen de Angelsaksische indringers. ARTUR'S zoon

MORDRED staat tegen hem in de wapenen; op de vlakte van Salesbiere komt

het tot een grooten strijd. WALEWEIN is vroeger reeds gesneuveld;

LANCELOT heeft zijn Koning verlaten; IJWEIN, de ridder met den leeuw,

ligt met gekloofden schedel neer; van die gansche roemruchte Tafelronde

staan nog slechts een paar den Koning ter zijde; ook zij sneuvelen. De

Koning doodt MORDRED den verrader, maar ontvangt van hem de doodwonde.

Ondersteund door den eenig overgeblevene zijner ridders, GRIFLET, zet

hij zich te paard; zeewaarts rijdt hij; hij voelt zijne krachten

bezwijken. Op zijn last werpt GRIFLET ARTUR'S goed zwaard Excalibur in

een poel; een gewapende hand en arm komt te voorschijn en vangt het

zwaard op. GRIFLET verwijdert zich op 's Konings bevel. Van een

heuveltop ziet hij uit zee een schip aankomen, waarin vrouwen zijn

gezeten; ARTUR'S zuster, de fee MORGUEYNE, is onder hen. Met paard en

wapenrusting treedt de Koning in het schip en de trouwe dienaar verliest

hem weldra uit het oog.

Geheimzinnig als ARTUR'S afscheid van deze wereld, doch omstraald met

hooger licht is de heilige Graal, waarnaar zoo menig dapper ridder der

Ronde Tafel te vergeefs heeft gezocht; niet weggelegd voor LANCELOT noch

WALEWEIN, die besmet zijn met onkuischheid, doch dat PERCEVAL'S zoon, de

reine GALAÄD, eindelijk zal winnen. Ook in de geschiedenis van den Graal

zien wij den invloed, op de oorspronkelijke Europeesche godsdiensten

geoefend door het Christendom, dat deze verdrongen heeft. Een

tooverketel die drommen van ridders kon spijzigen, kwam reeds in de

Keltische mythologie voor; het Christendom verving dien ketel door een

schotel, later een beker (_gradale, graäl_ is een Romaansch woord voor

_schotel_), waarvan Christus zich bediend had bij het Laatste Avondmaal.

De heilige lans waarvan bloed afdruppelt, eveneens in de Keltische

mythologie bekend, werd gekerstend tot de lans van LONGINUS. Ook de

Graalburcht met den koninklijken visscher (le Roi Peschéor) wordt in

Keltische verhalen teruggevonden. Geheimzinnig en wonderbaar is de graal

reeds in CRESTIEN DE TROYE'S _Conte del Graal_ (omstreeks 1175).

PERCEVAL, in den Graalburcht aan tafel gezeten, ziet een page

binnentreden die een blanke lans draagt; bloed vloeit van de spits tot

de hand van den drager. Daarna komen twee pages met kroonluchters; dan

een jonkvrouw met een gouden schotel, kostbare steenen sieren hem. Zóó

verblindend een glans straalt van dien schotel af, dat het licht aller

kaarsen in de zaal verdoofd wordt. Bij ROBBERT DE BORRON, wiens werk

door MAERLANT vertaald werd, is de Graal de Avondmaalsbeker[30]. En zoo

blijft hij het heilig vaatwerk dat gansche scharen kan sterken, maar met

het brood des levens.

Een aantal dezer romans zijn in hun geheel of gedeeltelijk tot ons

gekomen. Het zijn verhalen over de lotgevallen van _Lancelot,_,

_Percevael_, _Walewein_; de romans _van Ferguut_, _van Torec_, _van den

Graal_ en _van Merlijn_; de roman _van Alexander_ en die _van Troje_;

eindelijk de verhalen _van Floris en Blancefloer_ en _van Partonopeus en

Melior_.

Over de romans _van Merlijn_, _van den Graal_ en _van Torec_, evenals de

roman _van Alexander_, bewerkt door MAERLANT, spreken wij later.

Onder den naam: _roman van Lancelot_, is tot ons gekomen een groot werk

dat reeds vroeger als eene compilatie van onderscheidene zelfstandige

werken door LODEWIJK VAN VELTHEM was erkend, en welks deelen men

langzamerhand beter leert kennen[31]. Wij vinden hier 1o een groot werk

waarvan LANCELOT de hoofdpersoon is, dat slechts gedeeltelijk tot ons is

gekomen, 2o de _Graalqueste_ en 3o _Artur's dood_. Voorts hebben wij,

blijkens deze compilatie, zelfstandige bewerkingen gehad van CRESTIEN DE

TROIE'S _Percevael_, van de _Wrake van Ragisel_, een _Walewein-boek_,

een roman _van den Ridder metter mouwen_ en de vertaling van een paar

Fransche fabliaux uit dezen kring van verhalen[32].

De inhoud van al deze romans wordt vrij wel weergegeven door dit viertal

verzen uit den proloog van den _Lancelot_ (II, 11-14):

Ghi sult hier horen scone die jeesten [Zijnoot: verhalen.]

Bede van rouwen ende van feesten,

Van ridderscape groote daet,

Van selsieneheden [Zijnoot: vreemde dingen.] menich baraet [Zijnoot:

bedrieglijk spel.].

In den _Lancelot_ vinden wij vele "wandele" of "dolende" ridders.

Opmerkelijk is ook de plaats die de allegorie hier inneemt. Wij treffen

hier o.a. reeds "'t wiel van avonturen" aan. Ook vrouw VENUS, die "den

boom der minnen" in het harte der menschen plant; deze boom heeft

twintig telgen: de eerste telg draagt "melthede", de tweede

"oetmoedechede", de derde "sin ende wijshede" enz. Vooral in het derde

deel, dat de vertaling bevat van de _Queste van den Grale_, vinden wij

veel allegorie: zoo b.v. een grafsteen die de "hertheid van ertrike"

voorstelt; de weg ter linkerhand is de weg der zondaren; zeven ridders

zijn de zeven hoofdzonden; de tafelronde is de wereld; de oude en de

nieuwe wet worden voorgesteld door eene vrouw op een serpent en eene op

een leeuw gezeten[33].

De roman _van Ferguut_ heeft naar den inhoud iets eigens. FERGUUT immers

is de zoon van een rijken dorper, wiens vrouw echter met den adel is

vermaagschapt. Terwijl hij achter den ploeg loopt, komen eenige gezellen

der Ronde Tafel, die op een wit hert jagen, voorbij. Verlangen om te

worden als zij bevangt den jongen dorper. In een armelijke wapenrusting

trekt hij naar ARTUR'S hof--evenals AIOL naar het hof te Parijs. ARTUR

geeft hem den ridderslag. Hij trekt uit op avontuur, ziet de schoone

GALIENE en wordt onder den invloed van de liefde tot haar langzamerhand

een volmaakt ridder. Deze boerenzoon die ridder wordt en beschaafd door

den invloed der liefde, is een type dier eeuw: type van den nieuwen adel

uit de gemeenten gevormd door den landsheer; van de gemoedsontwikkeling

der moderne volken onder den invloed der liefde.

Doch overigens is ook deze roman gelijk aan alle overige: ridder KEYE,

ARTUR'S drossaart, een half komisch half verachtelijk personage, bespot

den boerenzoon; FERGUUT overwint ridders, bevecht eene reuzin, neemt

deel aan het beleg van eene stad enz.

Iets eigens hebben ook de romans van _Floris en Blancefloer_ en van

_Partonopeüs en Melior_. In beide staat de liefde op den voorgrond, de

avonturen--hoe talrijk en wonderbaarlijk ook--op den achtergrond. Maar

in den eersten roman zien wij die liefde in een paar kinderen die samen

opgroeien: een heidensch prinsje en een christelijke gravendochter. Door

de ouders van FLORIS gescheiden, komen zij na tal van boeiend vertelde,

met naïeve kunst fraai beschreven, avonturen weer samen; FLORIS wordt

Christen en trouwt BLANCEFLOER. Later worden zij de grootouders van

KAREL DEN GROOTE.

In het tweede verhaal hebben wij de bewerking van eene dergelijke stof

als die van AMOR en PSYCHE. Een hooggeboren jong edelman, PARTONOPEÜS

VAN BLOIS, op jacht verdwaald, wordt door een tooverschip naar een

geheimzinnig prachtig kasteel gevoerd. Door onzichtbare handen bediend,

gaat hij na den maaltijd rusten. In het donker vlijt eene jonkvrouw zich

naast hem neer. Hij mag nimmer eene poging aanwenden haar gelaat te

zien, dan zal zij hem later trouwen. Hij verbreekt zijne gelofte en

daarmede hunne verhouding. Na eene scheiding van een paar jaren, waarin

PARTONOPEÜS half waanzinnig rondzwerft, komen de gelieven weer samen. De

geheimzinnige minnares blijkt de dochter van den Keizer van

Constantinopel te zijn. Dat er een huwelijk volgt en PARTONOPEÜS Keizer

van Constantinopel wordt, spreekt vanzelf.

Het bont en liefelijk spel van minne heeft in deze beide romans een

historischen achtergrond: de nauwe aanraking tusschen Europa en het

Oosten in den tijd der Kruistochten, aanraking ook tusschen Christendom

en Heidendom; zegepraal van het eerste over het laatste, blijkbaar

zoowel in de kerstening van FLORIS als in de kroning van PARTONOPEÜS.

Elkanders tegenbeeld zijn deze romans o.a. door de verschillende wijze

waarop de rollen van Christen en Heiden over de beide paren verdeeld

zijn.

Blijkbaar zijn er, behalve de bovengenoemde, nog andere werken van deze

soort te onzent bekend geweest. MAERLANT maakt nog melding van: _Tristan

en Isoude, Octaviaan, Madocs droom, Amadas en Ydoine_[34]. Al zijn ons

geene Nederlandsche bewerkingen dezer romans bewaard gebleven, er

bestaat toch voldoende reden om ze, met het oog op de oorspronkelijke

werken, hierbij te voegen. Want--wij stipten het reeds aan--men mag ter

wille van een beter overzicht wel spreken van Keltische of

Britsch-Fransche, Klassieke en Oostersche romans; doch in waarheid zijn

al deze werken voortbrengsels van denzelfden geest. Ten deele zal dat

reeds uit het voorgaand overzicht gebleken zijn. Het blijkt opnieuw,

indien men er op let, hoe weinig al deze werken onderling verschillen.

Wat voor klassieks hebben die zoogenaamd klassieke romans? Niets dan de

namen van plaatsen en personen; voor het overige gelijken zij volkomen

op de andere romans. Grieken en Trojanen, mannen zoowel als vrouwen,

gevoelen, denken en spreken als middeleeuwsche Franschen, zijn gekleed

en gewapend als zij. Het Oostersche van de zoogenaamd Oostersche romans

ligt voornamelijk in het tooneel der handeling; er bestaat geen verschil

tusschen PARTONOPEÜS en PARIS, tusschen BLANCEFLOER en een of andere

Trojaansche jonkvrouw of weer tusschen deze en GALIENE of dergelijke

heldinnen uit een Keltischen roman.

De vier door MAERLANT vervaardigde bewerkingen zijn niet lang na het

midden der 13de eeuw gedicht (tusschen 1257 en 1264), de overige worden

door hem in onderscheidene zijner werken genoemd en zullen dus wel

tenminste zoo oud zijn als die vier, doch waarschijnlijk, tenminste ten

deele, nog wel tot de eerste helft der 13de eeuw behooren.

Ook hier is weer de voorname vraag, die ons moet bezig houden, deze:

welke waarde hebben de Nederlandsche bewerkingen dezer oorspronkelijk

Fransche romans? Hoe hebben de vervaardigers dier bewerkingen hunne taak

opgevat en uitgevoerd?

De Lancelot-compilatie biedt ons weinig gelegenheid om dat na te gaan;

zoolang wij de onderscheiden werken, welke door VELTHEM zijn vereenigd,

niet in hun oorspronkelijken vorm bezitten, kunnen wij bezwaarlijk

uitmaken, wat van den oorspronkelijken Nederlandschen bewerker, wat van

den compilator is. Naar het schijnt, heeft de bewerker van den

eigenlijken Lancelot-roman zijn voorbeeld vrij letterlijk gevolgd[35].

Dat het godsdienstig element op menige plaats zooveel sterker is dan in

den Franschen roman, moet misschien op rekening van VELTHEM worden

gesteld. Of men hem ook de platte vergelijking moet toeschrijven van een

bloedenden ridder bij een rund dat geslacht wordt, is moeilijk uit te

maken[36]. Ook het duizendtal verzen dat wij van den roman _van

Percevael_ in zijn oorspronkelijken vorm bezitten, geeft dien indruk van

nauwe aansluiting bij het oorspronkelijke. De bewerker schijnt slechts

hier en daar een opmerking van moralizeerenden aard ingevoegd te

hebben[37].

Op vaster grond staan wij bij de bewerking van den _Ferguut_. Het is

mogelijk doch niet waarschijnlijk, dat wij deze bewerking te danken

hebben aan twee dichters, waarvan de tweede zijn werk bij vs. 2593 zou

hebben begonnen. Doch in allen gevalle bestaat er geen reden, om het

eerste deel der bewerking tegenover het tweede te stellen als het werk

van een "hoofsch" tegenover dat van een "dorper" dichter; beide deelen

der Nederlandsche bewerking ademen volkomen denzelfden geest die zeker

eer dorperlijk dan hoofsch moet genoemd worden[38]. De dichter van den

Franschen roman _Fergus_ was blijkbaar een bewonderaar van CRESTIENS DE

TROIES. De Nederlandsche bewerker moet dat eveneens zijn geweest; in het

Fransche oorspronkelijk gedicht wordt de naam van GALIENE'S kamenier

niet genoemd; in de Nederlandsche bewerking heet zij LUNETTE, een naam

dien de Nederlander waarschijnlijk had leeren kennen uit CRESTIENS'

_Ivain_, waar de kamenier van IVAIN'S minnares denzelfden naam

draagt[39].

De oorspronkelijke Fransche roman bevat goede of bevallige poëzie en de

Nederlandsche bewerker heeft daarvan vrij wat weten te behouden. Zoo

zijn b.v. de liefdesoverpeinzingen van GALIENE goed door hem

weergegeven. Op een enkele plaats heeft hij de levendigheid van het

oorspronkelijke verhoogd door den dialoog uit te breiden. Doch daarmede

is dan ook gezegd, wat ten gunste dezer bewerking gezegd kan worden.

Kenschetsend is wat hij overigens heeft gewijzigd, weggelaten of

ingevoegd. Er is iets goedmoedigs in de herhaalde vertaling van _vilain_

door _vrient_; de zedigheid van den bewerker toont zich, waar uit de

opsomming van GALIENE'S bekoorlijkheden de "mamelettes comme pumetes

[Zijnoot: appeltjes.]" zijn verdwenen[40]. Had hij maar niets

gewichtigers weggelaten. Doch men vergelijke de beschrijving der jacht

in het oorspronkelijke bij die in het Nederlandsche verhaal. Duidelijk

blijkt dan dat de bewerker, anders dan de dichter, die hertenjacht in

het bosch niet heeft _gezien_; niet gezien "hoe de Koning gaat staan in

de stijgbeugels om zijne jagers te roepen"; niet gehoord hoe "de

bosschen weergalmen van de jachthorens"; niet opgemerkt "het hijgen en

woelen" van het uitgeput hert en hoe het, verdronken in de rivier, komt

bovendrijven met "den gezwollen buik, stijfstaand van het ingezwolgen

water"[41]. Tal van platte uitdrukkingen zijn door den bewerker

ingevoegd; zoo zegt hij b.v. van FERGUUT die als boerenzoon schrikt voor

Koning ARTUR en zijne ridders: "Hi stont ende sweette als een das";

iemand iets betaald zetten, drukt hij uit met: iemand iets "aen sijn

cleet wriven" of iemand "sijn vel verwarmen". FERGUUT blijft te lang weg

van zijne minnares; "een vrouwenhart is niet van staal", waarschuwt de

Nederlandsche dichter, en: "zijne rapen zouden wel eens kunnen

aanbranden"[42].

In zijn ijver om GALIENE te verheffen overschrijdt de bewerker de

grenzen van tact en kieschheid; zoo waar hij het doet voorkomen dat

GENOVERE niets was in vergelijking van GALIENE en waar hij Koning ARTUR

tot GALIENE doet zeggen: "ware GENOVERE dood, ik nam u tot vrouw".

Er zou wel meer te noemen zijn dat van den bewerker afkomstig is: eene

uitweiding over het karakter der liefde en een licht komisch glimpje

hier en daar o.a. in een spottend verkleinwoord[43]. Doch noodig is dat

niet om op grond dezer bewerking het vermoeden uit te spreken, dat deze

bewerker een zedig man zal zijn geweest, die wel eenig talent bezat,

doch wien het ontbrak aan eene eenigszins levendige verbeelding en aan

de gewenschte fijnheid van gevoel.

Meer talent dan uit de bewerking van den _Ferguut_ blijkt ons uit die

van den _Partonopeüs_, waarvan groote fragmenten (meer dan 8000 verzen)

tot ons zijn gekomen[44]. Dat deze bewerker onvoldoende kennis toont van

ridderlijke kleeding en riddergebruik, raakt de aesthetische waarde

zijner bewerking niet van nabij. Wel, dat hij hier het dramatisch

element heeft verzwakt, daar het parallellisme van eenige mooie verzen

heeft voorbijgezien of niet kunnen weergeven. Hij heeft den zinnelijken

hartstocht hier en daar eenigermate getemperd; in overeenstemming

daarmede is, dat hij het godsdienstig element versterkt en o.a. de

vergelijking van MELIOR bij de maagd MARIA heeft weggelaten. Doch van

meer gewicht dan dat alles is, dat hij op verscheidene plaatsen zijner

bewerking toont dichter te zijn. Hij moge onbekend zijn met de namen van

sommige kleedingstukken, met sommige gebruiken bij het geven van den

ridderslag en het houden van een tournooi--aan _gevoel_ voor deze dingen

ontbreekt het hem niet. Anders dan de bewerker van den _Ferguut_ heeft

hij de jacht van PARTONOPEÜS op een wild zwijn blijkbaar wel voor oogen;

hij voegt er zelfs een paar aardige trekjes aan toe: hij ziet den

jachthond aan de "leise" (zeel), ziet hoe de honden met de oogen den

ever volgen. In een troepje ridders dat komt aanrijden, heeft hij

blijkbaar behagen:

scone gewapent quamen si echt [Zijnoot: achteraan.],

scilt ane hals ende spere gerecht,

helm op 't hovet, baniere gebonden,

ende neder totter hant ontwonden.

Elders voegt hij een aardig beeld in; om uit te drukken dat

menschen zich zelven ongeluk zouden berokkenen, zegt hij:

Dus souden wi die roede houwen

daer men ons soude mede blouwen [Zijnoot: slaan.],

Fraaie verzen of brokken van het oorspronkelijk gedicht zijn niet zelden

door even fraaie Nederlandsche weergegeven[45].

Hooger dan de _Partonopeüs_, het hoogst misschien van al deze

bewerkingen, staat DIEDERIC VAN ASSENEDE'S _Floris ende Blancefloer_.

Dat deze dichter er in geslaagd is, het liefelijk en schoon Fransch

gedicht om te werken tot een zoo bekoorlijk en mooi Nederlandsch berijmd

verhaal, moet toegeschreven worden vooral aan zijne idealistische

opvatting der liefde. Het zaad der edele minne, afkomstig uit verhalen

als _Tristram en Isoude_, _Paris en Helena_ en andere werken der

hoofsche minne-epiek, was bij hem in goede aarde gevallen: geen

dorperlijk gemoed--hij besefte het--kon de edele minne op den rechten

prijs stellen; niet voor dezulken schrijft hij, maar voor clercken,

leeken en hoofsche vrouwen die de liefde bij ervaring hebben leeren

kennen[46]. Gemakkelijk viel hem zijn taak niet; zij viel hem zuur,

zooals hij ons zelf zegt; met passen en meten verdietschte hij het

"walsch":

men moet corten ende lingen

die tale, salmen se te rime bringen.

en zijne soms onwelluidende of buitensporig lange verzen, zijne

worsteling met de taal hier en daar getuigen daarvan[47]. Doch

daartegenover staat, dat zijn werk op menige plaats de vergelijking met

zijn voorbeeld veilig kan doorstaan; dat die deelen van het werk welke

door hem zijn uitgebreid of waarin hij meer zelfstandig te werk gaat,

beter zijn dan de overige; dat over het algemeen de naïeve bevalligheid

van het oorspronkelijk gedicht door hem is gevoeld en op voortreffelijke

wijze in zijn dietsch weergegeven.

Vermoedelijk eenigen tijd vóór DIEDERIC VAN ASSENEDE (c. 1220) heeft een

Duitsch dichter, KONRAD FLEKE (FLECK), hetzelfde Fransche gedicht in

zijne moedertaal bewerkt. In sommige opzichten, vooral in

gemoedsontwikkeling, staat FLEKE boven DIEDERIC; daarentegen heeft deze

de oorspronkelijke stof niet verwaterd zooals de Duitscher, die de 3000

Fransche verzen in 8000 Duitsche heeft overgezet en door zijne

wijdloopige reflexies het verhaal in zijn gang belemmerd[48].

Wanneer wij ten slotte eene voorstelling trachten te verkrijgen van de

kunstvaardigheid dezer bewerkers, voorzoover die zich openbaart in het

bouwen van verzen en het vinden van rijmen, dan wordt ons dat moeilijk

gemaakt door den toestand waarin o.a. de romans der Lancelot-compilatie

tot ons zijn gekomen. Rekening houdend met dien stand van zaken, zijn

wij geneigd aan te nemen: dat de verzen dezer romans over het algemeen

ten minste zoo goed als die der Frankische romans, en dat de stoplappen

minder talrijk zijn. Assoneerende rijmen vindt men o.a. in de romans

_van Ferguut_ en _van Partonopeüs_. Daar, evenals in den _Walewein_ en

den _Moriaen_, treft men vrij wat voorbeelden aan van het zoogenaamd

_rime riche_ (gelijke klank bij verschil van beteekenis of van functie),

zoowel waar het geoorloofd als waar het ongeoorloofd was. Het

eigenaardig soort van rijm, dat wij in den _Renout van Montalbaen_

aantroffen, waar steeds een of andere heilige in den rijmnood moet

voorzien, vinden wij in den _Ferguut_ terug[49].

Zooals onder de Frankische romans o.a. de _Aiol_ den overgang vormt van

de vertalingen op een waarschijnlijk zelfstandig werk als _Karel en

Elegast_, zoo staat hier de bewerking van _Floris en Blancefloer_

tusschen de vertaalde romans en een paar werken die mij voorkomen

zelfstandig te zijn: _Moriaen_ en _Walewein_.

Ook de roman _van Moriaen_ is ons bewaard gebleven in de

Lancelot-compilatie, doch schijnt slechts weinig onder VELTHEM'S handen

te hebben geleden en nagenoeg in zijn oorspronkelijken vorm tot ons te

zijn gekomen[50]. Zelfstandig en eenigermate oorspronkelijk mag deze

roman heeten, aangezien er geen origineel bestaat. Ook de hoofdpersoon,

een Moor, die voorgesteld wordt als een zoon van PERCEVAEL, schijnt

oorspronkelijk[51]. Doch daarmede houdt de oorspronkelijkheid op. De

zelfstandigheid van den schrijver bestaat hierin, dat hij eenige, uit

andere Britsch-Fransche romans bekende, elementen heeft vereenigd tot

een nieuw geheel, dat niet zonder verdienste is ten opzichte van taal en

versbouw, doch overigens niets eigens noch veel kunstvaardigheid toont.

Een overwonnen ridder die door zijn overwinnaar naar ARTUR'S hof wordt

gezonden, tweegevechten, een jonkvrouw door een edel ridder uit de

handen van een snoodaard verlost, bevrijding van den eenen

tafelronde-gezel door een anderen, strijd met een monster, beleg van een

sterk kasteel--dat alles behoort tot het vaste materiaal waaruit deze

romans werden samengesteld.

Bovendien heeft de dichter gedurig den roman _van Karel en Elegast_ voor

oogen gehad; op verscheidene plaatsen kan men zelfs woordelijke

navolging opmerken[52].

Zelfstandige verwerking van motieven die men uit andere romans had

leeren kennen, schijnt ook de roman _van Walewein_, waarvan door den

dichter PENNINC ongeveer 7800 verzen werden gedicht en die met 3300

verzen door PIETER VOSTAERT werd voltooid[53]. Hier wordt ons verteld

van onderscheidene "questen", door WALEWEIN volbracht. Een prachtig

schaakbord, in koning ARTUR'S zaal verschenen en weer verdwenen, doet

WALEWEIN zijn eersten tocht aanvangen. Het schaakbord blijkt te behooren

aan koning WONDER; deze wil WALEWEIN het kleinood afstaan, indien hij

daarvoor het wonderzwaard met de twee ringen krijgt, dat koning AMORAEN

bezit. Een nieuwe zoektocht begint. Koning AMORAEN wil het zwaard

slechts geven in ruil tegen de schoone IJSABELE, koning ASSENTIJN'S

dochter. Op nieuw trekt WALEWEIN uit. Prins ROGES, lotgenoot van

JOZEF-HIPPOLYTUS, door eene booze stiefmoeder in een vos herschapen,

wijst hem den weg naar ASSENTIJN'S burcht. WALEWEIN wint IJSABELE, ook

haar hart, en trekt terug naar koning AMORAEN. Deze redt hem uit de

moeilijkheid eener keuze tusschen IJSABELE en het wonderzwaard door te

overlijden. Voort gaat de reis naar koning WONDER, die WALEWEIN het

schaakbord geeft in ruil tegen het zwaard, en ten slotte naar koning

ARTUR die zijn schaakbord ontvangt.

Deze voornaamste avonturen zijn aangevuld met tal van andere minder

belangrijke, zooals ze in deze romans plegen voor te komen.

Reeds vroeger spraken wij van het wonderbed dat de zwaarste wonden

geneest; ook vinden wij hier een wonderboom in den lusthof van YSABELE

en een gloeiende rivier rondom den burcht van koning ASSENTYN, om van

den betooverden prins te zwijgen[54]. Zulke zaken vindt men eveneens in

andere romans van deze soort. En zij zijn hier niet het eenige van dien

aard. Een schaakspel dat vanzelf speelt, komt voor in de geschiedenis

_van Peredur (Perceval)_; daar ook de vermelding van het "Castle of

Wonders" of "van den wondere dat casteel" zooals het in den roman _van

Lancelot_ genoemd wordt. Ook de bron der jeugd, waarvan hier verhaald

wordt; de smalle brug, scherp als een scheermes; de onderscheidene

tafels, waaraan verschillende leden eener hofhouding middagmalen, zijn

ons van elders bekend[55].

Deze elementen zijn door beide bovengenoemde dichters vereenigd tot een

geheel; want eenheid is er, al is zij niet van hooger orde dan die in

het bekende sprookje:

Toen ging hij naar de Galg:

"Galg, wil jij Man hangen?

"Man wil niet Os dollen,

"Os wil niet water slobberen

...

...

Ja, zei Galg.

En Galg hing Man,

En Man dolde Os

En Os slobberde water

enz.

Of deze roman uit denzelfden tijd is als de overige van deze soort, valt

moeilijk te beslissen. MAERLANT en JAN VAN HEELU kennen blijkbaar wel

verhalen over _Walewein_; of zij echter het oog hebben juist op dezen

roman[56]? Met het oog op het gevoel voor het ridderwezen, dat hier vrij

sterk is, op het geringe komisch element en op de godsdienstige tint die

over het gansche werk, vooral over dat van PENNINC, ligt, zou ik geneigd

zijn dezen roman in allen gevalle tot de 13de eeuw, en eer tot de eerste

helft daarvan dan tot de tweede te brengen. Ook de taal en het vrij

groot aantal assoneerende rijmen schijnen ons daartoe recht te

geven[57].

De ridderschap met hare hoog-zedelijke idealen, met haar macht en haar

praal, met de fijnheid van hare vormen heeft de gemoederen van velen

hier te lande aangetrokken, beheerscht of bekoord. De poëzie, uit dat

ridderwezen en ridderleven geboren, heeft vooral den adel, maar

waarschijnlijk ook de aanzienlijke en gegoede burgerij behaagd. Toch kan

de indruk, door de ridderschap in haar streven en doen op ons volk

gemaakt, niet zoo heel sterk zijn geweest.

Het feit alleen dat de ridderpoëzie zich te onzent ontwikkelde onder den

invloed der Fransche ridderpoëzie, kan niet volstaan om die bewering te

staven. Immers, ook in de overige landen van West-Europa was dat het

geval. Doch--en dat feit weegt zwaarder--de volksziel nam hier te lande

het ridderwezen niet zóó gretig in zich op, werd daardoor niet zoo

krachtig bevrucht, dat uit die bevruchting een zelfstandige nationale

ridderpoëzie werd geboren; eene _eigen_ ridderpoëzie, gelijk de

Duitschers er eene bezitten in de werken van GOTTFRIED VON STRASSBURG,

HARTMANN VON AUE, WOLFRAM VON ESCHENBACH en het nationaal-ridderlijk

epos van _Nibelungen_ en _Gudrun_.

Waar wij den geest der Nederlandsche dichters in de door hen vertaalde

of nagevolgde werken kunnen waarnemen, daar zien wij naast gevoel voor

het ridderwezen in zijne onderscheidene uitingen, ook vroomheid en

zedigheid die slechts matige sympathie koesteren voor de ridderidealen:

die den hartstocht temperen, de kieschheid ontzien, moralizeerende

opmerkingen invoegen; voorts merken wij niet zelden gemis aan

verbeelding op. Opmerkelijk is, dat de eenige Frankische roman, dien wij

voor een oorspronkelijk werk mogen houden, hooger staat dan de twee

zelfstandig bewerkte Keltische romans. _Karel en Elegast_ staat niet

veel lager dan de beste "Chansons-de-geste" uit den nationalen cyclus;

_Moriaen_ en _Walewein_ veel lager dan de beste Fransche romans van den

uitheemschen cyclus. Het ridderwezen in zijne eerste periode, die zich

afspiegelt in de Frankische romans, heeft--zou men zeggen--sterker

indruk gemaakt op het Nederlandsche volk en er meer sympathie gevonden,

kon dus ook beter door hen vertolkt worden, dan dat der volgende

periode, toen liefde, maar vooral zinnelijke liefde, hoofsche

bevalligheid en fijne vormen overheerschend waren.

Maar hoe ook, het ridderwezen heeft op de ontwikkeling van ons volk

ongetwijfeld invloed geoefend. De uit dat ridderwezen geboren poëzie

heeft de ridderlijke idealen onder deze volken helpen verbreiden. Die

idealen en die poëzie hebben er deels ingang gevonden, deels hebben zij

afkeer gewekt en verzet doen ontstaan. Ook vonden zij, onder

geestelijkheid en gemeenten, stroomingen der geesten, die, zoo zij al

niet tegen den geest der ridderschap indruischten, dan toch in eene

andere richting gingen. Dat verzet en die stroomingen in andere richting

vragen nu onze aandacht.

Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I · 第 24 / 113 题