FRANKISCHE ROMANS.

De stoffen, in deze romans verwerkt, moesten een publiek dier dagen wel

krachtig aantrekken. Daar was in de eerste plaats de indrukwekkende

gestalte van KAREL DEN GROOTE, immers ook hier te lande bemind en

geëerd; groot in de oogen van het nageslacht niet het minst om zijne

oorlogen tegen de heidensche Saksen en Mooren. Streden de edelen en

burgers dier dagen die ter Kruistocht waren opgetrokken, niet denzelfden

strijd tegen het "Saracynsche diet" dien ook de groote Koning met zijne

dapperen had gestreden? En onder die dapperen verschenen in deze romans

voor het geestesoog de dappersten en wijsten, die beroemde "genooten",

lijfwacht en raad des Konings, wier roem de wereld vervulde: ROLAND en

zijn boezemvriend OLIVIER; bisschop TURPIJN, het type van den

strijdbaren geestelijke dier dagen; OGIER van Ardennen, BERNARD van

Brabant, BERENGIER, hertog NAIMES van Beieren en anderen[8]. Het

geweldige en grootsche in vele dezer dichterlijke werken moest wel

indruk maken op een publiek, eenvoudig van gemoed, beheerscht door

dezelfde hartstochten als de personages in die verhalen.

Daar is ROLAND met zijne helden in den ongelijken strijd tegen duizenden

bij duizenden Sarracenen, die weigert op zijn wonderhoorn Olifante te

blazen om zijn Koning te hulp te roepen; die eindelijk afgestreden, ten

doode gewond, zich uitstrekt op den top van een heuvel, het gelaat naar

Spanje gekeerd, maar het hart vol van "het zoete Frankrijk" en zijne

maagschap; die stervend zijn rechter handschoen omhoog houdt tot God

zijn oppersten leenheer; dan zijgt zijn hoofd op zijn arm, met

saamgelegde handen ontslaapt hij; cherubijnen komen en voeren graaf

ROLAND'S ziel naar het paradijs. Elders is het GARIN, de reusachtige

hertog van Lotharingen, door een overmacht na heldhaftige tegenweer

neergeveld, die daar ligt tusschen de overige dooden, "als de eik

tusschen de kleine stammen." HAYMIJN, de vader der vier Heemskinderen,

die onder zijne baronnen in zijne ridderzaal gezeten is, wanneer de

gezanten van koning KAREL, ROLAND en WILLEM VAN ORANJE onder hen,

binnentreden. Overmoedig zitten HAYMIJN'S baronnen; elk heeft zijn

scherp zwaard over zijne knieën gelegd. HAYMIJN zit in een groenzijden

bliaut, het eene been over het ander geslagen, zijn elleboog rust op

zijn knie, zijn hoofd op zijn hand. Niemand durft een woord spreken. De

afgezanten komen voor HAYMIJN en nijgen voor hem. Hij wil hen niet

aanzien. Zij richten het woord tot hem. Hij zwijgt. Vaalbleek wordt hij,

nu hij zijne vijanden daar voor zich ziet, maar hij kan geen woord

uitbrengen: te vol is zijn gemoed. Weer spreekt ROLAND. HAYMIJN blijft

zwijgen. Dan komt zijne gemalin, de schoone vrouw AYA, met een gouden

schaal vol koelen wijn en heet de gezanten welkom. Zij verwijt haren man

dat hij zich gedraagt als een dorper. Maar nauwelijks heeft zij dat

woord gesproken of de vuist van den geweldenaar treft haar zoo in het

aangezicht dat het roode bloed op hare voeten stort.

Niet overal zijn de toestanden zoo aangrijpend, geweldig of ruw; ook

voor het zachte, het teedere is er eenige plaats.

In de grootsche _Chanson de Roland_ komt de teederheid soms te

voorschijn als een weemoedig zonnetje uit dreigende onweerswolken.

ROLAND'S boezemvriend en wapengezel OLIVIER is doodelijk gewond; met

moeite houdt hij zich nog in den zadel, de nevel des doods houdt zijn

blik reeds omtogen; zoo voert zijn ros hem over het slagveld. In ROLAND

die komt aangereden waant hij een vijand te zien. Met inspanning zijner

laatste kracht brengt hij zijn vriend een zwaardslag op den helm toe.

ROLAND ziet hem aan; zachtkens, zachtkens zegt hij: gezel, doet gij dat

met opzet? Ik ben ROLAND die u zoo lief heeft.--Ik hoor u, zegt OLIVIER;

ik hoor u spreken, maar ik zie u niet. Moge God u zien, vriend. Ik heb u

getroffen, vergeef mij.--Ik heb geen letsel bekomen, antwoordt ROLAND ik

vergeef het u.

Hoe treffend is het tooneel in den _Willen van Oranje_, waar de

roemruchte graaf, nu monnik geworden en op inkoop voor zijn klooster

uit, door roovers aangevallen wordt; na ze te hebben gedood of verjaagd,

ontdekt hij in een kar die de roovers medevoerden, zijne eigen jonge

kinderen.

Aandoenlijk is in den roman der _Heemskinderen_ de trouw van het

reuzenros Beyaert aan zijn meester REINOUT. Wanneer het eindelijk op den

eisch des Konings in de Oise verdronken zal worden, slaat het telkens de

steenen stuk welke de dienaars aan zijne pooten hebben gebonden; zoolang

het ros zijn meester ziet, heeft het kracht om dat vol te houden. Nu

dwingt de Koning REINOUT te zweren, dat hij niet zal omzien naar

Beyaert. Op nieuw wordt het ros in de rivier geworpen. Op nieuw komt het

boven en steekt het hoofd op, hinnekend naar zijn meester, "alsof 't een

mensch geweest hadde, die na sijn lieven vrient bitterlijk geschreit

hadde"[9]. Wanneer REINOUT dan niet naar den trouwen vriend omziet,

zinkt het ros en verdrinkt.

De vrouwen en de liefde komen vooral in de oudere romans niet op den

voorgrond. Slechts van tijd tot tijd komt een komisch tooneeltje of een

komische trek den ernst vervangen; de grappen waarmede de personages

zich vermaken, zijn ruw of grimmig.

Behalve de kleine roman van _Karel en Elegast_, die een afzonderlijke

plaats verdient, is geen enkele dezer romans in zijn geheel tot ons

gekomen; van bijna alle bezitten wij slechts grooter of kleiner

fragmenten[9]. Wij noemen den roman van _Flovent_ in de eerste plaats,

omdat de _kern_ van dit gedicht herinneringen bevat aan de eerste

Frankische dynastie: de Merovingen. FLOVENT wordt ons voorgesteld als

oudste zoon van den eersten christelijken koning van Frankrijk, CLOVIS.

Wij zien hem in ballingschap rondzwerven met zijn trouwen schildknaap

RICHIER. Voortdurend zijn hij, zijne magen en vrienden, in oorlog met de

Sarracenen (onder wie hier, gelijk zoo dikwijls, de heidensche Saksen

schuilen). Een christelijke en een heidensche prinses betwisten elkander

FLOVENT'S bezit. Ten slotte wordt hij teruggeroepen naar Frankrijk door

zijn vader die in Laon door de Sarracenen belegerd wordt. De heidenen

worden verslagen en FLOVENT later koning van Frankrijk. Ons fragment van

ruim 600 verzen wijkt sterk af van de eenige ons bewaarde Fransche

redactie, die echter zelve weer moet zijn voortgekomen uit eene oudere.

Onder de Karolingische romans behoort in de eerste plaats het

_Roelants-lied_ te worden genoemd. Algemeen bekend is, dat wij hier het

verhaal hebben van den slag bij Roncevaux, waarin de achterhoede van

KAREL DE GROOTE'S leger, onder bevel van graaf ROELANT, in de Pyrenaeën

door de vijandige Basken is vernietigd. Daar KAREL'S leger terugkeerde

van een tocht tegen de Mooren, lag het hier nog dichter voor de hand, de

Basken in Sarracenen te veranderen. Het grootsche Fransche gedicht is

waarschijnlijk in zijn geheel vertaald; doch de oorspronkelijke

vertaling schijnt niet tot ons te zijn gekomen, wel een vijftal

fragmenten die op deze verloren Middelnederlandsche bewerking berusten.

Tracht men daaruit die verloren bewerking weer samen te stellen, dan

komt men tot een fragment van ruim 1000 verzen die in ruim 1700 verzen

van het Fransch ten deele teruggevonden worden.

Naar den strijd met de Mooren verplaatst ons ook de cyclus van gedichten

welke zich groepeeren om den persoon van WILLEM VAN ORANJE, een der

voorname edelen uit Zuid-Frankrijk, die de Mooren telkens terugsloegen

wanneer zij pogingen deden om den Islam ook aan deze zijde der Pyrenaeën

te verbreiden. Voorzoover wij weten, is slechts één dezer werken, het

zoogenaamde _Moniage Guillaume_ (WILLEM'S monniksschap) hier vertaald;

van dat laatste deel van WILLEM'S geschiedenis is ons een klein fragment

van ruim 400 verzen bewaard gebleven. Aan MAERLANT danken wij de

wetenschap, dat zekere CLAES VAN HAERLEM, "VER BRECHTEN SONE", deze

vertaling vervaardigde[10]. De ons bewaard gebleven fragmenten behelzen

de ontmoeting van WILLEM met de roovers, waarvan boven sprake was en

eenige van zijne latere lotgevallen.

Van den strijd der Karolingische koningen met hunne groote vazallen

geeft de roman van _Renaus de Montauban_ ons een voorbeeld[11]. Een der

machtige vazallen des Konings, HAYMIJN van Dordogne, is met dezen in

strijd. Zijne zonen REINOUT, ADELAERT, RITSAERT en WRITSAERT zetten

dezen strijd tegen den Koning en zijn zoon LODEWIJK voort. In dien

strijd moeten zij vluchten en eene schuilplaats zoeken bij vreemde

koningen. Ten slotte moeten zij zich overwonnen verklaren en zich aan

den Koning onderwerpen. Het wonderpaard Beyaert en de toovenaar MALEGIJS

spelen een gewichtige rol in dit gedicht. De roman draagt terecht den

naam van den oudste der vier Heemskinderen--zooals zij later te onzent

genoemd werden--daar REINOUT'S reuzenkracht en heldenmoed de kans

telkens weer ten voordeele der zijnen doen keeren. Dat ook dit gedicht

eene bewerking is uit het Fransch, staat vrij wel vast, al blijft het

mogelijk dat de Nederlandsche bewerker op zelfstandige wijze eenige der

bestaande legenden tot een geheel heeft vereenigd. Welk Fransch

origineel door hem is gevolgd, weten wij niet; wel dat het geen der ons

overgebleven redactiën is geweest. Misschien ook is de Nederlandsche

bewerking eene samensmelting van een paar oudere redactiën en heeft de

bewerker, evenals de Fransche dichter, een noordelijke en een zuidelijke

Renout-sage gekend, al gaf hij de voorkeur aan de laatste[12].

De ons bewaard gebleven fragmenten tellen ruim 2000 verzen; misschien

slechts een zevende der gansche bewerking[13].

Naast den _Reinout van Montalbaen_ moet de _Geraert van Viane_ genoemd

worden; ook deze roman immers bevat herinneringen aan den strijd van

CHARLEMAGNE met zijne groote vazallen, al zijn die herinneringen hier

verbonden met heugenissen aan den strijd tegen de Sarracenen in

Zuid-Frankrijk. Slechts een klein fragment van nog geen 200 verzen van

dezen roman is tot ons gekomen. Naar het schijnt is de Fransche roman

van BERTRAND DE BAR SUR AUBE niet het voorbeeld van den Nederlandschen

bewerker geweest, maar eene veel oudere bewerking.

Een beeld van den strijd tusschen machtige adellijke geslachten vinden

wij in de _Chanson des Lorrains_. Door die geheele grootsche epopee

immers loopt als een roode draad: de bloedwraak; alles draait om de

"veede" tusschen het geslacht der hertogen van Lotharingen en dat van

FROMONT van Bordeaux. Gedurig wordt er een zoen getroffen, maar telkens

wordt de vrede weer verbroken en vangt de strijd verwoeder dan ooit

weder aan; een strijd in hoofdzaak van kracht en heldenmoed tegen

sluwheid en bedrog. Wanneer BEGGE van Lotharingen op de jacht overvallen

en vermoord is en daarna ook GARIJN zelf, het hoofd van het geslacht der

Lorreinen, zetten hunne zoons den strijd voort. GARIJNS zoon GIRBERT

doodt FROMOND van Bordeaux; diens zoon FROMONDIJN neemt nu de "veede"

over en zoo gaat het voort. Van de Middelnederlandsche vertaling bleven

ons een vijftiental fragmenten bewaard, te zamen meer dan 10.000 verzen,

misschien slechts een tiende deel van het oorspronkelijk gedicht

bevattend[14].

Een eigen plaats neemt onder de Oudfransche heldendichten de _Aiol_ in.

Zeldzaam en aantrekkelijk is hier vooral de figuur van den jongen

ridder, die alleen naar des Konings hof trekt om de zaak van zijn

verongelijkten en verarmden vader te verdedigen. In de verroeste

wapenrusting van zijn vader, op een armzalig paard, rijdt hij heen en

wekt den spotlust van wie hem op zijn weg ontmoeten--maar hij wint zijne

zaak. Deze roman is tweemaal in het Nederlandsch bewerkt; die beide

bewerkingen zijn onderling onafhankelijk[15]. De eene, in Limburg

vervaardigde, bewerking geeft een vrij dor uittreksel van het ons

bekende Fransche gedicht; de bewaard gebleven fragmenten, ongeveer 600

verzen bedragend, omvatten vs. 2538-10092 van het origineel. Eenige

verzen der Middelnederlandsche bewerking (vs. 58-73) vindt men in het

Fransen niet terug. De andere bewerking, waarvan ons 1200 verzen zijn

overgebleven, wijkt veel meer van het Fransch af dan de eerstgenoemde.

Of wij daarom recht hebben aan te nemen, dat zij dus op eene, ons

onbekende, Fransche redactie moet berusten, mag echter betwijfeld

worden. De samensteller dezer bewerking volgt het Fransche verhaal wel

in hoofdzaken, doch verwerkt die hoofdzaken op eigen wijs. Hij heeft

veel weggelaten (vs. 518-601 komen overeen met vs. 8354-9061: 83 verzen

in het Nederlandsch voor 707 verzen in het Fransch); van vs. 801-1200

dezer bewerking vindt men in het Fransch nagenoeg niets. Dat deze

bewerker zijn eigen weg ging, moet men vermoeden ook met het oog op het

feit, dat wij hier een blijkbaar oorspronkelijk Nederlandschen naam

vinden voor AIOL'S zwaard, nl.: _Scaerdeline_, terwijl in het Fransche

gedicht geen zwaard van AIOL een naam draagt[16]. Dat namen uit het

origineel als _Elie, Avisse_ zijn weergegeven door _Helline_ en

_Anflisse_, doet denken dat de Nederlander het Fransche verhaal slechts

kende van "hooren zeggen". Bovendien komen eenige namen uit het tweede

fragment dezer bewerking (_Baselie, Mersaelien ende Eggermort,

Florette_, het wout van _Bonival, Godevert van Brusewijc_) in het

Fransch in het geheel niet voor.

Slechts kleine fragmenten bleven ons over van den roman van _Auberi le

Bourgoing_. In dat verhaal vinden wij de krijgstochten en daden van een

jong Bourgondisch ridder, die met zijn neef en wapenbroeder GASCELIN, in

Beieren de Russen en in Vlaanderen de Friezen bevecht en ten slotte door

een huwelijk met GUIBOURC, koningin-weduwe van Beieren, koning van dat

land wordt.

Eindelijk moeten wij nog melding maken van een paar fragmenten, die tot

dusverre geacht worden ontleend te zijn aan den roman van _Doon de

Mayence_ en aan de _Chanson des Saisnes_ (Saxons). Het eerstgenoemd

fragment verhaalt ons van drie ridders: FIERABRAS, ELEGAST en MILO

(ROELANTS vader) die van de jacht terugkeeren naar de stad Vauclere,

welke door de Sarracenen onder HABIGANT belegerd wordt. Zij ontmoeten

drie Sarraceensche vorsten die zij uitdagen; het gevecht zal plaats

hebben op een eiland in de rivier. Op hun weg naar Vauclere doen de

ridders een inval in het kamp der heidenen en een hevig gevecht vangt

aan. In den Franschen roman van dezen naam, waarin de stad Vauclere en

de Sarraceensche aanvoerder HABIGANT (AUBIGANT) inderdaad eene groote

rol spelen, heb ik ons fragment niet kunnen terugvinden. Wanneer men in

aanmerking neemt dat de roman van _Fierabras_ hier volgens MAERLANT'S

mededeeling reeds vóór het eind der 13de eeuw vertaald was; dat in den

_Geraert van Viane_ de strijd tusschen OLIVIER en ROLAND ook plaats

heeft op een eiland in een rivier[17]; dat ELEGAST hier, evenals in den

roman van _Karel en Elegast_, optreedt als toovenaar; dat de naam van

ROELANTS vader evenals die van den hier voorkomenden pair van

CHARLEMAGNE, SANSON, licht van elders bekend konden zijn, dan moet men

waarschijnlijk achten, dat wij hier eene vrije bewerking van Fransche

epische stoffen vóór ons hebben.

Wat het fragment betreft, dat bekend is onder den naam _Gwidekijn van

Sassen_, ook daarin blijft nog veel over dat opheldering behoeft[18].

Met JEAN BODEL'S _Chanson des Saxons_ heeft ons fragment niets gemeen;

dat het vertaald zou zijn naar eene vroegere bewerking dezer stof die

bewaard is gebleven in de Noorsche Karlamagnus-sage, acht ik

onwaarschijnlijk wegens de gewichtige afwijkingen. Ons fragment

verplaatst ons in de volgende omstandigheden: Het Fransche leger,

waarbij ROLAND en zijn broeder FRANSOYS (niet van elders bekend),

OLIVIER, ESCOUS, OLLEUS, REYNOUT en vele andere ridders zich bevinden,

heeft het beleg geslagen voor de stad Sassine, waar de reus FLEDRIC,

GWIDEKIJN'S broeder, het bevel voert. Een nachtelijk gevecht heeft

plaats, waarin FLEDRIC sneuvelt. De dichter der Nederlandsche bewerking

kende het _Roelants-lied_ blijkbaar; met den ridder in de zwarte

wapenrusting die tooveren kan, zal ELEGAST wel bedoeld zijn[19]. Ook

hier moeten wij, naar ik meen, denken aan eene vrije bewerking van

epische stoffen, die den Nederlandschen bewerker misschien slechts door

mondelinge overlevering bekend waren geworden.

Behalve de genoemde romans zullen hier te lande in dezen tijd

vermoedelijk nog andere bekend zijn geweest, misschien door eene

Nederlandsche vertaling. MAERLANT, zagen wij, spreekt van _Fierabras_.

Waarschijnlijk heeft hij den naam van dezen heidenschen reus, die in

Spanje, na een gevecht met OLIVIER, tot het Christendom bekeerd wordt,

leeren kennen uit den roman van dien naam. Misschien kende hij ook

Nederlandsche bewerkingen der romans van _Foulque de Candie_ en van

_Karel en Galie_, welke laatste ons in eene Nederduitsche omwerking in

den _Karlmeinet_ is bekend gebleven.

Van deze door MAERLANT genoemde of aangeduide romans en van de reeds

behandelde: _Roelants-lied_, _Willem van Oringen_, _Reinout van

Montalbaen_, zal men wel mogen aannemen, dat zij uit de eerste helft der

13de eeuw, ten deele misschien (het _Roelants-lied_ b.v.) nog uit het

laatst der 12de eeuw dagteekenen. Ook van den _Flovent_, _Geraert van

Viane_, de _Lorreinen_, den _Aiol_ (ten minste de Limburgsche redactie)

en den _Aubri de Borgengoen_, mogen wij wel aannemen dat zij nog in de

eerste helft der 13de eeuw vervaardigd zijn. Of de vrije bewerking van

den _Aiol_, de _Doon de Mayence_, de _Gwidekijn van Sassen_ tot

dienzelfden tijd behooren, of eer in de tweede helft der 13de eeuw

moeten geplaatst worden? Zoolang wij niet meer en beter gegevens hebben,

zal dat bezwaarlijk zijn uit te maken[20].

Dat in vele dezer romans echte poëzie of tenminste poëtische stof wordt

gevonden, hebben wij vroeger reeds gezien. Die poëzie echter was

voortgebracht door de dichters der oorspronkelijke werken; er is hier

gewag gemaakt van die poëzie alleen om den smaak onzer voorouders in

dezen te kenschetsen. De Nederlandsche dichters der middeleeuwen hebben

slechts eenig aandeel in deze poëzie, voorzoover zij die hebben

nagevoeld. De vraag die wij ons bij de beoordeeling dezer Nederlandsche

werken hebben te stellen, is: welk karakter dragen zij als bewerking of

navolging?[21]

Over het algemeen kan men zeggen, dat--met uitzondering van het

_Roelants-lied_--bij de bewerkers wel gevoel voor het ridderwezen

bestond. In de _Lorreinen_ die vrij letterlijk vertaald schijnen, worden

de lange gevechten niet weggelaten of bekort, ook in de _Geraert van

Viane_ zijn verzen als:

Wi sullen hem marghiin laten weten,

Of onse swerde connen sniden,

tenminste niet weggevallen, indien zij al in het oorspronkelijke

voorkomen. In den _Aubri_ is sympathie voor het ridderwezen; de bewerker

heeft behagen gehad in AUBRI'S getrouw strijdros Blanchaert dat zijn

meester terugvindt.

Ende het begonde neyen [Zijnoot: hinneken.] zeere

Ende scrabbelde metten voete.

Ook in den _Renout_ kan men nog vrij wat van de ruwe grootschheid van

het oorspronkelijke zien, al blijft de bewerking beneden haar origineel.

Eene jammerlijke tegenstelling met deze bewerkingen vormt die van het

_Roelants-lied_. Niet zoozeer, doordat de bewerker slechts gebrekkig

Fransch kende; daarin zal hij wel niet veel lager gestaan hebben dan de

meeste overigen. Maar doordat hij zoo weinig heeft gevoeld van dat echt

ridderlijk epos, zoo sober van uitdrukking, maar zoo indrukwekkend in

zijn grootschen eenvoud. Voor het ridderwezen heeft hij weinig gevoel,

hij heeft er ook geen verstand van. De Fransche dichter is soldaat in

zijn hart; hij geniet bij elken strijd, bij elk tweegevecht; hij kent de

wapenrustingen door en door: de blinkende, met goud doorwerkte

halsbergen, de met goud en gesteenten versierde puntige helmen, de

lansen met hunne kleine vaantjes, de zwaarden van gebruineerd staal, de

gouden sporen. Hij volgt elken slag met het oog van een kenner en weet

op een prik of de den neus beschermende strook metaal (_le nasel_) al

dan niet doorkliefd wordt en of het zwaard afschampt, dan wel het

lichaam der tegenpartij doorklieft en eerst door het zadel wordt

tegengehouden, of nog verder dringt en ook het paard een diepe wonde

toebrengt. Hij is godsdienstig op zijne ruwe eenvoudige wijze, maar hij

weet dapperheid toch ook in een Sarraceen te waardeeren; hij is een

getrouw vazal: voor zijnen Koning en voor "douce France" heeft hij alles

over. De woeste grootschheid van het berglandschap, waaraan wij telkens

worden herinnerd door verzen als dat gestadig terugkeerend: "halt sunt

li pui e tenebrus li val" [Zijnoot: Hoog zijn de bergen en duister de

dalen.], verhoogt nog den indruk van het geheel.

Van dat alles nu heeft de Nederlandsche bewerker weinig of niets

gevoeld. Geheele stukken die betrekking hebben op het ridderwezen of die

uitingen zijn van den feodalen geest, laat hij weg. Voor ridderlijke

mannentaal geeft hij vrome breedsprakigheid. Waar hij een epitheton

toevoegt, geschiedt het om de Christenen dapperder en vromer, de

heidenen lafhartiger en slechter te maken. Fatsoenlijk is hij: wanneer

OLIVIER zijn aanstaanden zwager ROELANT dreigt, dat hij het huwelijk

tusschen dezen en zijne zuster AUDE zal verhinderen, zegt hij in het

Fransch:

Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I · 第 22 / 113 题