Het ridderwezen. Overzicht der Fransche ridderpoëzie. Ouderdom
der Nederlandsche ridderpoëzie. In hoeverre indeeling naar de "matières"
te onzent geoorloofd?
Romans: _Flovent_, _Roelants-lied_, _Willem van Oringen_,
_Renout van Montalbaen_, _Geraert van Viane_, _Lorreinen_, _Aiol_, _Aubri
de Borgengoen_, _Doon de Mayence_, _Gwidekijn van Sassen_. Overige
romans. Aesthetische waarde der bewerkingen. _Karel en Elegast_.
II. Keltische, Klassieke en Oostersche romans: _Lancelot_, _Percevael_,
_Ferguut_, _Floris en Blancefloer_, _Partonopeus en Melior_. Overige
romans. Aesthetische waarde der bewerkingen. _Moriaen_, _Walewein_.
Eindbeschouwing.
Germaansche kern in Frankrijks grond geplant, snel opgeschoten, frisch
uitbottend en breed zich vertakkend, bloeiend in pracht, verstorven door
overmaat van weelderigheid--zoo ging op, zoo blonk, zoo verzonk het
ridderwezen.
Het Germaansch gebruik, den manbaren jongeling in een plechtige
bijeenkomst met schild en speer te begiftigen, was de kern, door de
Franken gebracht in het naar hen genoemd land; onder den invloed der
kruistochten ontwikkelde die kern zich daar tot een zedelijke instelling
met een hoog-ideaal karakter. Een ridder moest zijn "grootmoedig in
tegenspoed, edel van bloede, overvloeiend van eerlijkheid,
voortreffelijk door hoffelijke zeden, standvastig in mannelijke
braafheid. Dagelijks moest hij met devote gedachtenis aan 's Heeren
lijden de mis hooren, voor het Katholiek geloof zijn lichaam veil
hebben, de heilige Kerk met hare dienaren van alle geweldenaars
bevrijden, weduwen en weezen en onmondigen in hunnen nood beschermen,
onregtvaardige oorlogen vermijden, oneerlijk krijgsloon weigeren, tot
bevrijding van iederen onschuldige als kampvechter optreden, geene
steekspelen bezoeken, tenzij met ridderlijke bedoelingen, den roomschen
Keizer of zijn stadhouder in wereldlijke zaken gehoorzamen, den staat
ongeschonden in zijne kracht laten, geene leengoederen des rijks
vervreemden en onberispelijk voor God en menschen leven."
Door zulke verplichtingen werd de woeste strijdlust van vroeger, in
veilige bedding gebracht, aangewend tot ontwikkeling en beschaving der
maatschappij. Maar de aanraking met het weelderig Oosten, de toenemende
rijkdom en weelde, menschelijke zwakheid en zinnelijkheid begonnen na
eenigen tijd de instelling in haar ideaal karakter te bedreigen, deden
haar langzamerhand veraarden en eindelijk ontaarden. De eerbied voor de
vrouw werd vooral in Zuid-Frankrijk opgeschroefd tot een vrouwendienst
waarin het zinnelijk element zich krachtig deed gelden; de hoofschheid,
die gaandeweg de vroegere ruwheid had vervangen, werd galanterie; de
losheid, loszinnigheid en die: losbandigheid. Toewijding die goed en
bloed op het spel zette met het oog op een grootsch doel, werd eerzucht,
roemzucht; mildheid sloeg over tot spilzucht. Ten slotte was de adel een
stand geworden, die zich slechts door meer rijkdom en uiterlijke
beschaving onderscheidde van de overige bevolking, die hem veelal
overtrof in innerlijke kracht, in zedelijke en geestelijke
ontwikkeling[1].
De poëzie, uit het ridderleven geboren, heeft dat leven in zijn
ontwikkelingsgang gevolgd. Maar ook hier: werking en wederwerking. Wie
kan het vergeten, die nooit vergeten kan dat roerend-droeve verhaal van
FRANCESCA DA RIMINI en die verzen:
Galeotto fu 'l libro e chi lo scrisse:
Quel giorno più non vi leggemmo avante.
Dichters, afhankelijk van de ridderschap en onder haar levend, hebben
uit verhalende liederen grootere verhalende gedichten geschapen. In den
aanvang behandelden die gedichten uitsluitend het nationaal verleden,
uit den tijd der Merovingen, zooals de _Floovant_; uit dien der
Karolingen verhalen waarin KAREL DE GROOTE, zijne pairs of de groote
vazallen des rijks optreden: de _Chanson de Roland_, de _Chanson des
Saisnes_ (Saksen), den _Ogier_, den cyclus van _Guillaume d'Orange_, de
_Lorrains_ (hertogen van Lotharingen), _Renaus de Montauban_, _Aiol_,
_Auberi le Bourgoing_. Kort voor of in den aanvang der 12de eeuw
begonnen dichters van meer ontwikkeling ook verhalen uit den
Trojaanschen oorlog en andere sagen der klassieke oudheid te verwerken:
den _Roman de Troie_, den _Roman d'Enéas_, _Roman de Thèbes_, de _Geste
d'Alexandre_, den _Roman de Jules César_.
Uit de aanraking der Fransch-Normandische maatschappij met het Keltisch
element in Engeland ontstond omstreeks het midden der 12de eeuw een
nieuw soort van verhalen: de Keltische romans. Keltische zangers die
rondzwierven door Engeland en Frankrijk, zongen ook in het laatste land
hunne lais, liederen van fabelachtigen of mythologischen inhoud, die al
spoedig werden vertaald en nagevolgd door Fransche dichters.
Langzamerhand werden deze stoffen met de nationale versmolten, werden
ook nationale stoffen in den geest der Keltische romans behandeld. Wij
vinden hier in hoofdzaak òf verhalen, waarin Koning ARTUR en zijne
gemalin op den voorgrond komen en het Christelijk element zich krachtig
doet gelden òf zulke, waarin de dolende ridders van ARTURS hof eene
hoofdrol spelen als: de _Tristran_, _Ivein_, _Lancelot_, _Erec_,
_Gauvain_, _Cligès_.
Tot de romans der eerste groep behooren ook groote prozaromans als _Le
Grand Saint Graal_, die bestaat uit deze drie deelen: _Jozef van
Arimathea_, _Merlijn_, _Perceval_; voorts _la queste_ (het zoeken) _du
Saint Graal_ en een gedicht _Le Petit Saint Graal_.
Een middeleeuwsch dichter heeft ons het overzicht dezer romans, waarvan
ik slechts eenige voorname heb genoemd, gemakkelijk gemaakt door de drie
voorname stoffen, welke zij behandelen, aan te wijzen. In de _Chanson
des Saisnes_ heet het:
Ne sont que trois matières a nul home entendant:
De France et de Bretaigne et de Rome la grant.
Maar de romans welke klassieke en Keltische stoffen behandelen, zijn,
bij alle verschil van onderwerp, inderdaad ééns geestes kinderen; de
romans waarin nationale stoffen verwerkt zijn, danken hun ontstaan aan
een anderen geest.
Zoo mag men deze epische poëzie dan ten slotte scheiden in twee groote
afdeelingen, die zich tot elkander verhouden als het nationale tot het
uitheemsche.
Tegenover het krijgshaftige, eenvoudigvroom Christelijke der oude
nationale _Chansons-de-Geste_ met hunne ruwheid en grootschheid, ziet
men de Keltische en klassieke romans met hunne hoofschheid, hunnen
vrouwendienst, het sterk ontwikkeld lyrisch-erotische, gemengd met
mystiek, hunne neiging tot het wonderbaarlijke tegenover het wonder in
de nationale gedichten. Naar den inhoud staan deze beide groepen ook in
zóóverre tegenover elkander, dat zij verschillende beschavingstoestanden
weergeven: de nationale groep weerspiegelt een beschaving minder
ontwikkeld dan die waaruit de uitheemsche geboren is. De nationale groep
staat dichter bij het volks-epos, de uitheemsche dichter bij het
kunst-epos. Voor een deel geldt dit onderscheid van volks-epos en
kunst-epos ook met betrekking tot de dichters dezer romans; want de
makers der oudste _Chansons-de-Geste_: _Roland_, _Girard de Roussillon_,
_Jourdain de Blaives_, _Floovant_, zijn ons onbekend; van de dichters
der latere _Chansons_ kennen wij eenige bij naam: ADENEZ-LE-ROI,
BERTOLAIS, JEHAN DE FLAGY, JEHAN BODEL, CRESTIEN DE TROYES, BÉROL,
BENOIST DE SAINTE MORE, ALBÉRIC DE BRIANÇON, LAMBERT LE TORT, ALEXANDRE
DE BERNAY... doch zelden veel meer dan den naam. Sommige dezer dichters
hebben nationale romans van lateren tijd bewerkt of omgewerkt, andere
hebben uitheemsche gedicht.
Ten slotte zijn de beide groepen gescheiden ook naar den uiterlijken
vorm, want bijna alle uitheemsche romans zijn geschreven in korte verzen
van acht lettergrepen, in tegenstelling met de overige die in het oudere
decasyllabische vers of in alexandrijnen zijn gedicht[2].
Langs zulke wegen was de Oudfransche epische poëzie bezig zich te
ontwikkelen, toen zij ook in Zuid-Nederland bekend werd. Dat zij daar
bekend werd, is licht te verklaren uit het internationaal karakter der
ridderschap en de nabuurschap van Frankrijk. Maar bovendien waren
Fransche taal en literatuur reeds in de laatste helft der 12de eeuw in
een deel van Zuid-Nederland bekend en in aanzien. Kennis van het Fransch
werd als noodzakelijk deel der opvoeding van den adel beschouwd; in
Vlaanderen was het Fransch voor den hoogen adel en de hooge
geestelijkheid als een tweede volkstaal[3]. Aan het hof van den
Vlaamschen graaf PHILIPS VAN DEN ELZAS (1168-1191) leefde en werkte de
beroemde CRESTIEN DE TROYES, dichter van vele Keltisch-Fransche romans;
BOUDEWIJN VIII van Vlaanderen dichtte Provencaalsche liedjes; een paar
bekende Fransche dichters, ADAM DE LA HALLE en JEHAN BODEL woonden te
Atrecht[4]. Het is begrijpelijk dat deze veelvuldige kennismaking met de
Fransche literatuur leidde tot vertaling en navolging; dat wij eene
Nederlandsche ridderpoëzie zien ontstaan onder den invloed der Fransche.
Den juisten tijd van dat ontstaan te bepalen, is vooralsnog niet
mogelijk. Wel mogen wij met voldoende zekerheid aannemen, dat wij het
laatst der 12de of althans de eerste helft der 13de eeuw als zoodanig
moeten beschouwen. MAERLANT immers heeft meer dan eens in zijne werken
(_Alexander, Sint Franciscus, Spieghel Historiael_) gewaarschuwd tegen
den, zijns inziens, verkeerden invloed van allerlei ons bekende
ridderromans. Onder die romans vindt men een paar die tot de
bovengenoemde "nationale" groep behooren, zooals _Willem van Oranje_ en
de _Heemskinderen (Renaus de Montauban)_; enkele zoogenaamde klassieke
romans, zooals die over _Alexander_; een paar die in het Oosten spelen:
de _Floris en Blancefloer_ en den _Partonopeus_; eindelijk een groot
aantal die tot de Keltisch-Fransche romans behooren, zooals die van
_Lancelot_ en _Tristan_[5]. Bij deze, aan MAERLANT'S werken ontleende,
bewijsplaatsen behooren eenige verzen uit het _Leven van Sinte Lutgart_
gevoegd te worden. De dichter van dat werk klaagt, dat de menschen niet
willen luisteren naar "goede exempelkine", maar gaarne komen:
Daer men van ouden ijeesten [Zijnoot: geschiedenissen.] singet,
Oec daer men voert die sagen bringet
Van wigen [Zijnoot: strijden.] och van tavelronden,
Daer wilen eer hen onderwonden
Te dichtene af die menestrele.
...
Mar wonder hevet mi van desen
Warumme si so gerne lesen
Van ouden sagen dat gedichte
Ende oc geloeven also lichte
Din logeneren die se tellen.
...
Mar die die oude bourden scriven,
Si swegen bat, dat seggic hen[6].
Zoowel MAERLANT als WILLEM VAN AFFLIGHEM moeten het oog hebben op
Nederlandsche romans. Immers, zij richtten zich vooral tot de
gemeentenaren en lagere geestelijken die over het algemeen weinig of
geen Fransch verstonden. En zou zelfs onder den lageren adel de kennis
van die taal zoo verbreid zijn geweest, dat men er de voordracht van
Fransche gedichten met eenig gemak kon volgen? De heilige LUTGARDIS,
wier moeder van adel was, kon in de veertig jaren die zij doorbracht in
het klooster Aquiria bij Kamerijk, waar men Fransch sprak, nauwelijks
zooveel van die taal leeren dat zij daarin om brood kon vragen wanneer
zij honger had[7]. Zouden ook lieden uit dien kring der maatschappij
geen deel hebben uitgemaakt van het publiek dat Fransche romans liefst
vertaald hoorde voordragen?
Indien men nu in aanmerking neemt, dat de _Alexander_, het oudste der
genoemde werken van MAERLANT, omstreeks 1257-1260 zal zijn vervaardigd
en het _Leven van Sinte Lutgart_ tusschen 1263-1274; dat de romans,
waartegen met zooveel nadruk gewaarschuwd wordt, eenigen tijd hebben
behoefd om zóó bekend te worden; eindelijk, dat de oorspronkelijke
Fransche werken, die hier werden nagevolgd, deels in de tweede helft der
12de eeuw reeds bestonden, deels van nog vroeger tijd dagteekenen--dan
zal men wel mogen aannemen, dat men te onzent in het laatst der 12de of
den aanvang der 13de eeuw het grootste deel der bewuste ridderromans
heeft verdietscht.
Mag men in een overzicht der Nederlandsche ridderpoëzie zich bedienen
van het onderscheid in: nationale (Frankische) en uitheemsche
(Keltisch-Fransche of Britsche, klassieke, Oostersche) ridderdichten? In
allen gevalle volstrekt niet met hetzelfde recht dat de Fransche
literatuurgeschiedenis hier heeft. Nergens blijkt dat men te onzent zich
bewust is geweest van een onderscheid in drie "matières". Niet, als in
Frankrijk, beantwoorden hier de beide groepen aan verschillende
cultuurtoestanden, waarvan de een op den ander volgde. Integendeel,
voorzoover wij nu kunnen zien, mogen wij niet aannemen, dat men te
onzent begonnen is met werken der oudste (nationale) groep te vertalen.
VELDEKE'S _Eneïde_ is het vroegste episch vertaalwerk dat wij met
zekerheid kunnen aanwijzen; daarna komt een deel van den _Roman de
Troie_, vertaald door SEGHER DIEREGOTGAF. Zou de vertaling van de
_Chanson de Roland_ niet ouder zijn dan beide? Onmogelijk is dat niet,
zelfs m.i. niet onwaarschijnlijk, aangezien het oorspronkelijk gedicht
reeds vóór den eersten Kruistocht (1096) bestond. En het moet opgang
gemaakt en zich snel verbreid hebben: reeds in 1130 vinden wij eene
Duitsche bewerking. Doch zekerheid kunnen wij in dezen niet verkrijgen.
Voorloopig moeten wij het er voor houden, dat men hier te lande in het
laatst der 12de of den aanvang der 13de eeuw, zonder oordeel des
onderscheids, Fransche ridderromans heeft vertaald en nagevolgd. Indien
wij nu toch onderscheid blijven maken tusschen een paar groepen van
riddergedichten, dan geschiedt dat alleen, omdat ook nu nog voor ons een
verschillende geest uit die beide groepen spreekt; dat verschil mogen
wij hier ook ter wille van een beter overzicht doen uitkomen.