AANTEEKENINGEN

[1] _Der Minnen Loop_, IV, vs. 4 vlgg.

[2] _Gedichten_ (edd. BISSCHOP en VERWIJS), bl. 207. Bij den

Henegouwschen dichter JEAN DE CONDÉ vindt men een _dis des trois estas

dou Monde_ (_Dits et Contes de Baudouin de Condé_, II, 49 suivv.). Beide

stukken hebben overigens niets gemeen.

[3] Vgl. Boek VIII, vs. 1070.

[4] VANDERKINDERE, _Siècle des Artevelde_, p. 141.

[5] Voor dit overzicht raadpleegde ik, behalve de werken van PIRENNE,

MOLL en BLOK; A. SCHULTZ, _Höfisches Leben zur zeit der Minnesinger_;

SCHOTEL, _De Abdij van Rijnsburg_; MOLL en DE HOOP SCHEFFER, _Studiën en

Bijdragen; Mem. Cour. de l'Acad. Royale de Belgique_, no. 32; _Kronijk

v.h. Histor. Genootschap_, XII, (164-165); twee artikelen van POLS in

_Bijdr. voor Vad. Gesch. en Oudh._ (stuk over Graaf JAN I van Holland)

en redevoering ter algem. vergadering van het Prov. Utr. Gen. in 1879.

_De Slag van Woeringen_ (ed. WILLEMS), vs. 2078, 2635; voorts in de

Aant. p. 542.

Wat den _Grêgorjus_ van HARTMANN VON AUE betreft, merk ik nog op, dat de

tijdsbepaling niet geheel vast schijnt te staan.

[6] Vgl. _Reinaert_, vs. 2006-'98:

Hi rekende dat hi ware mijn oom ende began ene sibbe tellen; aldaer

worden wi gesellen.

[7] Over de maagschap zie men: JACOB GRIMM'S _Deutsche

Rechtsalterthümer_, (4e Ausg.), I, 642 flgg; FOCKEMA ANDREÆ in:

_Geschiedkundige Opstellen aangeboden aan Robert Fruin_, p. 259 vlgg.;

_Nederd. Regtsoudheden_, p. 298; _Versl. en Meded. der Kon. Akad. afd.

Lett._, 4e Reeks, Deel I; MOLL, _Kerkgesch._, II, 4, 225; _Kroniek van

Melis Stoke_ (ed. BRILL), IV, 1482; ook ald. IV, 1305; _Kerken Claghe,_

vs. 212; _Moriaen_, vs. 174-177; voorts _Grimb. Oorlog_, II, vs. 291,

413, 857, 1247, 4354, 4571 en pass.; _Parthonopeus_, vs. 1227;

_Limborch_, II, 1862. In het _Mnl. Wdb._ zullen i.v. nog wel andere

voorbeelden genoemd worden.

[8] Ik heb dit staaltje gekozen als bijzonder duidelijk sprekend. De

oudere philologie is in deze gevallen alras geneigd tot schrappen van

wat zij: _inlapsels_ noemt; doch men moet hier zeer voorzichtig zijn.

Wie een citaat uit den _Brandaen_ niet afdoend acht uit hoofde van

mogelijken invloed van het Duitsch (de proloog kan zeer licht van den

Nederlandschen bewerker zijn), vindt tal van andere voorbeelden in

MAERLANT'S _Alexander_, I, 953-960; VII, 61-84; 93-105; _Leven van S.

Lutgarde_, II, 3651-'67; 3790-'96; 3824-'39; 6694-6716; 9542-'48;

9632-'47; 9775-'95; 10359-'376; 10730-'37; 11504-'512; 13844-'66; III,

548-557; 850-864. _Der Leken Spieghel_, II, c. 48, vs. 668-685 (men

lette vooral op het slotvers in verband met den aanvang). _Der Minnen

Loep_, I, 2047-2060. STOETT, _Syntaxis_, p. 146; _Hildegaersberch's

Gedichten_, 155, 203 vlgg.; 157, 129-138; 157, 1-15. FRANCK onderstelt

in den dichter van het _Leven der H. Lutgarde_ opzet bij het maken

zijner lange en ingewikkelde zinnen. Mij schijnt dat zeer twijfelachtig.

Doch indien er al opzet geweest zij, dan zal de kunst de natuur hier te

hulp zijn gekomen. (Zie FRANCK'S betoog in _Neue Jahrbücher für das

Klass. Alt. Gesch. u. Deutsche Lit._, Jahrg. 1904, XIII. Bd. S. 432-434.

F. denkt aan invloed van het Latijn).

[9] Deze en andere voorbeelden vindt men: _Karel en Elegast_ (ed.

KUIPER) vs. 394, 802, 862, 103, 1192, 1232; _Sp. Hist._, I, p. 34, vs.

21; _Alexander_, I, 1121; _Moriaen_, vs. 86, 3795; _Tijdschr. v. N.T. en

L._, XVII, 297 vlgg.; _Kar. e. Eleg._, 100, 198; _Merlijn_, p. 72, vs.

6696; _Lied in de Middeleeuwen_, bl. 572; STOETT, _Syntaxis_, p. 121;

BOTERMANS, _Die hystorie van die seven wijse mannen van romen_.

Proefschrift, p. 50; _Leven van Sinte Lutgart_ (ed. VAN VEERDEGHEM).

Inl. XXXVI.

[10] _Torec_, 3800-3804; 3738-'41; _Moriaen_, 355, 573, 972; _Karel en

El._, 329, 640; andere voorbeelden in STOETT'S _Syntaxis_, p. 144.

Het verwante verschijnsel in mijne _Mnl. Ep. Fragmenten_, p. 187;

behalve de daar aangehaalde plaatsen nog: _Flovent_, 395; _Madelghijs

Kintsheit_, p. 69, vs. 40; _Aiol_ (Vlaamsche redactie), vs. 663; _Karel

de Groote en zijne XII. Pairs (Lorreinen)_, p. 12, vs. 287; p. 31, vs.

872 (weer het eerste verschijnsel). LONGINUS of althans de schrijver van

het boek [Greek: Peri Upons] heeft op dezelfde eigenaardigheid bij

HOMERUS gewezen. Zie: DIONYSII LONGINI _de Sublimitate_ (ed. B. WEISKE.

Lipsiae. WEIGEL. 1809). Sect. XXVII.

[11] Vgl. TE WINKEL'S _Maerlant_, p. 257, noot 2; WYBRANDS, _De Abdij

Bloemhof_, p. 72; _Naturen Bloeme_, II, 690-2; MOLL, _Kerkgesch._, II,

2, 78; _Brab. Yeesten_, V, 144-146; MOLL, t.a.p. II, 2, 45; MOLL en DE

HOOP SCHEFFER, _Stud. en Bijdr._, II.

[12] DEWEZ, _Histoire générale de la Belgique_, III, 43; HEELU'S _Slag

bij Woeringen_, 3834, 5115 vlgg.; PIRENNE a.w. II, 174; SCHOTEL,

_A.v.R._, o.a. p. 100-101; PIRENNE I, 416, 422.

[13] BLOK a.w. I, 175.

_Bijdr. en Meded. v.h. Histor. Genootschap_, XXIII, 43.

Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I · 第 20 / 113 题