Gedurende de gansche 13de eeuw is er in deze landen en volken nog weinig
eenheid te bespeuren; integendeel, wij zien eene veelheid van
onderscheidene eenheden: kleine staten en staatjes die voortdurend naar
volkomener onafhankelijkheid streven. Holland was reeds vroeg
zelfstandig geworden, had zich nagenoeg van het Duitsche rijk
afgescheiden, was er steeds op uit alle bemoeiingen van Keizers of
andere rijksvorsten met zijne binnenlandsche aangelegenheden af te
weren. De overige landen gaan met meer of minder goed gevolg denzelfden
weg. Vlaanderen heeft het misschien het zwaarst in zijn strijd om
onafhankelijkheid van Frankrijk te verwerven.
Onderwijl zijn de Nederlanders bezig hun land te verdedigen tegen het
water, woeste streken te ontginnen, te herscheppen in bouwland en
weiland. Het water geeft geen kamp: de Marcellus-vloed van 1218 wordt
meer dan eens door hevige overstroomingen gevolgd; doch de waterschappen
ontstaan, polderland komt te voorschijn, allerwege beginnen windmolens
te draaien.
Veelheid van eenheden zien wij ook in het volk dat deze landen bewoont.
Tegenover het geestelijk element stond het wereldlijke. God--zegt DIRC
POTTER in zijn _Minnen Loop_--heeft der wereld rijk in tweeën gedeeld:
de eene helft moet zich bezig houden met het tijdelijke; de andere moet
opwaarts schouwen en van daar nederbrengen wat zij ons, de eerste helft,
moeten leeren[1]. Het wereldlijk element werd weer gescheiden in heeren
en gemeente. Ridderschap, geestelijkheid en de gemeenten waartoe men ook
de landbouwers kan rekenen, vormden de drie groote bestanddeelen der
bevolking van al deze gewesten. Een dichter der 14de eeuw, WILLEM VAN
HILLEGAERTSBERCH, spreekt dan ook "van der drierehande staet der werelt"
en bedoelt daarmede: ridders, geestelijken en huislieden[2].
Niet meer, als in de 11de eeuw, waren de Zuidnederlandsche ridders op
het land wonende grondbezitters, die in vredestijd hunne goederen
bestuurden en zelf wel eens de hand aan den ploeg sloegen; die,
eenvoudig gekleed en gewapend, op zijn best een wachttoren op een heuvel
bewoonden, omgeven door een muur van ruwe steenen.
In het laatst der 12de eeuw reeds prijst de Duitsche dichter HARTMANN
VON AUE de ridders van Henegouwen, Brabant en de Haspengouw, als hij
voortreffelijke ridders wil noemen. De graven van Henegouwen en van
Leuven komen soms met honderden prachtig uitgedoste ridders ten
tournooi. In Holland zijn de BREDERODE'S, WASSENAERS, TEILINGENS,
EGMONDEN, ARKELS en zoovele anderen reeds aanzienlijke geslachten. JAN
VAN BRABANT, FLORIS en WILLEM VAN HOLLAND sterven op een tournooi of aan
de gevolgen van daar ontvangen wonden. Terwijl een aantal Vlaamsche
ridders zich bij Hesdin met het ridderlijk spel der "tafelronde"
vermaken, hechten zij zich het kruis op borst of schouder.
Naast doch vaker tegenover de ridders staan de geestelijken. Naast hen,
want ook in deze landen vond men prelaten als die bisschop van Beauvais
die in den slag bij Bouvines de vijanden met een ijzeren knots
neersloeg--omdat de Kerk geen bloed mag vergieten. Doch vaker tegenover
hen, in de werken des vredes. Overal worden kloosters gesticht voor
monniken en nonnen; kloosters van Benedictijnen, Cisterciensers,
Praemonstratensers. Door de instelling der bedelorden komt het
monnikwezen in een nieuw stadium van ontwikkeling. Vooral de orde der
Franciscanen breidt zich meer en meer uit. De bagijnen beginnen hare
hoven te stichten. Voorname abdijen als die van Egmond, Rijnsburg,
Leeuwenhorst verrijzen. In Groningen, in Friesland, Gelderland, ook in
Limburg en Brabant vindt men kluizenaars die voor langer of korter tijd
een eenzaam leven leiden.
Het overig, verreweg grootste, deel der bevolking woonde als visschers
langs de zeekust (MELIS STOKE kent Zandvoort reeds)[3], als landbouwers
en veeboeren ten platten lande, alleen of in dorpen en gehuchten, of
eindelijk als kooplieden, neringdoenden, ambachtslieden in de steden die
in aantal en omvang toenamen. Sommige steden dagteekenden nog uit den
tijd der Romeinen, andere waren opgekomen als middelpunten van
marktverkeer, hadden zich langzamerhand gevormd om een kasteel of
klooster of waren ontstaan uit de vereeniging van eenige landgemeenten.
Allengs verkrijgen zij het recht zich te beschermen met "eiken tune
(planken muren) ende diepe grachte", een stedelijke hal, een steenen
gevangenis (_steen_) te bouwen; andere vrijheden en voorrechten zullen
volgen. In groote steden als Gent en Brugge vinden wij reeds melding
gemaakt van plaveisel en steenen woonhuizen (verreweg de meeste waren
van hout en met riet gedekt).
De maatschappelijke toestand der boeren was gedurende de middeleeuwen
minder droevig dan men langen tijd heeft gemeend. Ook was de verhouding
tusschen heer en lijfeigenen niet louter die van een meester tegenover
zijne dienstknechten en belastingplichtigen; zij omvatte integendeel het
gansche leven in zijne meest verschillende uitingen en had niet zelden
iets patriarchaals. Bovendien worden gedurende de gansche 13de eeuw
eigenhoorigen verheven tot den vrijen dienstmansstand; aan het eind dier
eeuw is de groote meerderheid der bevolking vrij geworden.
Er wordt--het spreekt vanzelf in dien tijd--ter dege onderscheid gemaakt
tusschen ridders en dorpers; zoo wordt bijvoorbeeld een dorper die een
ridder slaat of scheldt, zwaarder gestraft dan wanneer hij een anderen
dorper te na gekomen is, en het schaken van een meisje uit den
aanzienlijken stand zwaarder dan van een arm meisje[4]. Toch was de adel
niet een _heerschende_ stand; wel had hij een eere-voorrang. Ook waren
ridders en poorters niet zoo scherp gescheiden of er hadden wel
huwelijken tusschen deze beide standen plaats. En eindelijk: de vroeger
zoo talrijke klasse van ridders nam gedurende deze eeuw af in aantal als
in aanzien. Verarmd door oorlog, tournooien en den ganschen nasleep van
het ridderlijk leven, moesten zij bij honderden in den dienst der
vorsten treden, den vorst hunne allodiën opdragen en voortaan leven als
zijne leenmannen of zijne baljuwen. Ook de kloosters daalden in
maatschappelijke en economische beteekenis. De geestelijkheid moest,
tenminste in Gelderland, een deel harer bezittingen aan den graaf
overdragen.
Maar stadig rees de ster der gemeenten[5].
In het wereldlijk bestanddeel der bevolking, bij heeren en gemeenten,
kunnen wij ook weer een veelheid van samengestelde eenheden opmerken: de
onderscheidene "sibben", maagschappen of geslachten. De band tusschen
bloedverwanten was toentertijd zooveel sterker dan nu, daar de mensch
alleen zich in de maatschappij meer weerloos en onbeschermd gevoelde.
Iemand was niet in de eerste plaats een persoon, maar lid zijner
"sibbe"[6]. De maagschap staat op den voorgrond, niet de enkeling.
Het familie-verband werd bij de Germanen voorgesteld door vergelijking
met het menschelijk lichaam. Zoo worden volgens den Saksenspiegel de
ouders voorgesteld door het hoofd; de kinderen door de geleding tusschen
hoofd en hals en zoo voort, totdat eindelijk de zevende "sibbe" in de
nagels der handen geplaatst, en vandaar "nagelmagen" genoemd werd. De
maagschap bracht verscheidene rechten en plichten met zich. Zoo b.v. het
recht en den plicht tot het opnemen der veete van een verslagen
bloedverwant. Nog in het midden der 13de eeuw heerschte in Friesland de
barbaarsche gewoonte om een verslagene niet te begraven, vóórdat zijne
naastbestaanden op den doodslager of diens betrekkingen bloedwraak
hadden genomen. Vervolgens het recht en den plicht om weergeld te
eischen en te betalen. In Kennemerland en West-Friesland was het nog in
de 14de eeuw gewoonte, dat bij doodslag de schuldige en zes zijner
naaste magen (in Drenthe "keurmagen" genoemd) ieder een zevende van het
weergeld (man-geld) of zoengeld betaalden. De magen staan elkander bij
voor het gerecht als in het gevecht. Zij deelen in de schande die over
een hunner komt.
Als de edelen graaf FLORIS omsingeld hebben, ontneemt AERNT VAN BENSCOP
hem zijn jachtvogel en zegt:
Ic moet nu op desen tijt
Uwen sconen sperwaer draghen,
_U te lachtre [Zijnoot: schande.] ende uwen maghen_.
Wanneer de oude MAERLANT zijne mede-christenen wil
opwekken tot strijd voor de kerk die in last is, zegt hij:
_Eest dat ghi sijt van haren maghen_,
So moetti nuwe wapene draghen,
Keren ende wreken dese overdaet.
En niet duidelijker voorstelling weet een middeleeuwsch ridder koning
ARTHUR te geven van een fellen zwaardslag, dan door als gevolg van dien
slag te noemen: "ic vergat al mire mage"[7].
Deze neiging tot het stellen van de maagschap boven den enkeling, het
samengestelde boven het enkele, het vormen van complexe eenheden, zien
wij in deze eeuwen ook elders.
Menige abdij, menig klooster, met zijn boomgaard, moestuin, vischwater,
met molen, bak- en brouwhuis, is als een kleine wereld op zich zelve.
Een ridderkasteel omvat binnen zijne muren en grachten tal van
afzonderlijke gebouwen. In menig gezin, vooral ten platten lande, at men
eigengebakken brood (_huisbakken_ kreeg eerst later zijne ongunstige
beteekenis); droeg men eigengeweven linnen; zelf slachtte men in
Reuzelmaand een varken, droeg zorg voor het rooken der zijden spek en
der hammen. De wetenschap omvat alle wetenschappen: geleerden als ROGER
BACO, ALBERTUS MAGNUS, VINCENT VAN BEAUVAIS, JACOB VAN MAERLANT weten
alles wat er in dien tijd te weten valt.
Wat wonder dat wij dezen geest der tijden terugvinden in die meest
geestelijke uiting van het leven: de taal? Dat ook daar de synthese het
wint van de analyse, zooals blijkt uit de neiging tot het vormen van
groote zin-complexen bij menigen middeleeuwschen schrijver? Zulk een
zin-complex is b.v. dit volgende uit den proloog van den _Brandaen_:
Die Heleghe Gheest moet mi leeren,
--Die welke der ezelinnen
Wijlen dede sprekens beghinnen,
Daer up dat reet Balaam,
Dat was een heydin man,
Dat so [Zijnoot: zij.] meinschelike sprac,
Daer sij den inghel Gods sach
Commen in haer ghemoet:
Den wech hi haer wederstoet [Zijnoot: versperde.]
Met eenen zwerde vierijn [Zijnoot: van vuur.];
Si vloo van den inghel fijn
Ende dede haeren heere cont--
Dese moete ontsluten minen mont:
Die ghene die haer gaf de macht,
Dat si wert redene acht [Zijnoot: met spraak begaafd.] [8].
Is de taal hier beeld van het innerlijk leven, inzonderheid het
gedachtenleven der menschen van toen, en valt hier een zwak schemerlicht
op de onnaspeurbare gangen der menschelijke gedachte--ook andere deelen
van dat innerlijk leven zijn ons in het afdruksel der taal bewaard
gebleven: de sterk ontwikkelde zinnelijkheid van het middeleeuwsch
geslacht en zijn gebrek aan zelfbeheersching.
Om begrippen van ruimte en tijd uit te drukken, bedient men zich niet
van ellen en mijlen, uren en dagen, doch men verzinnelijkt die begrippen
door te spreken van: een boogschot hoog, een steenworp ver; zekere
eilanden liggen volgens MAERLANT "twee dachseilinghe verre" van Afrika;
zeker arts is beroemd: "alse [Zijnoot: even.] verre als God de sonne
seinen doet". Iets zal gebeuren "eer die sonne ondergaet"; een paar
ridders vechten zoolang als men noodig heeft om een mijl te loopen. De
tijd van 24 uren wordt uitgebeeld door "tusschen twee sonnescinen"; van
den eenen winter op den anderen door: "tusschen twee sneeuwe". De lente
door: "alst ten nieuwen gerse [Zijnoot: gras.] kwam", najaar en voorjaar
door "te hooi en te gras". Men ziet de dingen nog vóór zich: een bosch
_staat_; een brug _loopt_ over een rivier; men hangt iemand niet op--men
hangt hem "_bi der kelen_"; men kust een meisje "_ane haren mont_", zit
met haar in het "_groene gras_", begraaft haar onder "_de rooskens
root_".
Behoefte aan volledigheid van voorstelling brengt de schrijvers van toen
tot het uitdrukken van deelen eener handeling, die wij--als onnoodig,
immers: vanzelf sprekend--weglaten. Het zijn gewoonlijk verbindingen van
twee werkwoorden, waarvan het eene een lichamelijken toestand, het
andere eene werking uitdrukt; aanwijzingen van het eerste soort, zooals:
"daer hi lach, sat, stont" achten wij nu overbodig--voor de
middeleeuwsche menschen waren zij dat niet.
Men zal zich moeten wachten, uitdrukkingen als: _antwoordde ende seide,
bevelen en overleveren, weest des seker ende hout dat vaste, Gods ghebot
ende sine woorde_ tautologieën te noemen: toen had elk der deelen van
zulke uitdrukkingen zijne eigen beteekenis en kracht; het verschil
tusschen onze voorouders en ons is slechts, dat zij er behoefte aan
hadden een grooter deel der voorstelling in taal te verzinnelijken dan
wij. Om dezelfde reden zijn in: _God, die coninc van den trone_
[Zijnoot: hemel.], de op _God_ volgende woorden volstrekt geen stoplap,
evenmin als in zoovele dergelijke uitdrukkingen, want er bestond
behoefte om ook aan dat deel der voorstelling uitdrukking te geven[9].
Gebrek aan zelfbeheersching toont zich telkens waar wij een
middeleeuwsch schrijver midden in een periode den eerst gekozen trant
van voorstelling zien verlaten, met dien verstande dat hij het indirecte
vervangt door het directe. Zij beginnen b.v. met een bode te doen
spreken in afhankelijke zinnen:
Dat sijn vader doot ware
Ende sijn moeder ooc mede.
Daarop laten zij dan plotseling, zonder overgang, volgen:
"Ende in u lant is groot onvrede,
"Want vremt volc, sonder waen,
"Hebben u lant ondergedaen [Zijnoot: onderworpen.]."
Blijkbaar is de dwang der periode, die het voortdurend gebruik van
afhankelijke zinnen met zich brengt, hun te lastig en de rechtstreeksche
uiting, als natuurlijker, hun aangenamer.
Een niet volkomen gelijk, maar toch verwant, karakter vertoonen die
perioden, waarin de dichter plotseling zijn verhaal of beschrijving laat
varen voor het sprekend invoeren van een zijner personages, zonder dezen
overgang aan te kondigen: een schrijftrant die, begrijpelijker wijze, in
hooge mate tot de verlevendiging van het verhaal bijdraagt[10].
De taal--wij zeiden het reeds--was hier spiegel van het leven. Welk een
brand van hartstocht slaat ons tegen uit de middeleeuwsche kronieken!
Hoe onbeteugeld stormen de driften in al die gevoelsmenschen, die nog
zoo weinig gewend zijn hun eerste opwellingen te onderdrukken en aan de
rede stem in het kapittel te geven. Waarlijk niet zonder reden vaardigde
men verordeningen uit, waarbij het dragen van wapenen verboden werd. Ook
het heiligste is soms niet veilig. Eene woeste menigte, in strijd met
den kloostervoogd HERDERIK van Schildwolde, stormt de kloosterkapel
binnen, rooft het corpus domini met het ciborium en steekt de
kloostergebouwen in brand. Van hertog JAN I van Brabant, een toonbeeld
van echte ridderschap, wordt ons verhaald dat hij in gramschap een stok
doormidden beet.
MAERLANT beschuldigt adellijke priesters dat zij vrouwen bedriegen en
als hunne prooi beschouwen. De abdis van het hoog-adellijk Rijnsburg
klaagde aan den paus, dat hare nonnen in vele opzichten den regel
overtraden, dat zij twistgierig waren en zelfs de handen aan elkander
sloegen.
De kloostermuren mochten hecht en hoog zijn--zij konden den hartstocht
niet buitensluiten, noch de zonde. Het klooster zal voor menigeen een
veilige wijkplaats zijn geweest, maar hoevelen namen hun strijd met zich
nadat de poort zich achter hen gesloten had! Als een rijk man gereed
staat der wereld vaarwel te zeggen en zijne goederen te vermaken aan het
klooster dat hem zal opnemen, welk een wedijver ontstaat er dan tusschen
de abdijen die vlassen op zijne nalatenschap[11]. Wat is er ook binnen
de kloostermuren geleden in den strijd met de zonde en den wellust. Hoe
heerschten ook daar trots, ijverzucht, toorn, gulzigheid en die
zonderlinge lusteloosheid, welke de monniken van Heisterbach _acedia_
noemden en die een middeleeuwsch prototype van _spleen_ en _weltschmerz_
schijnt te zijn geweest[11].
Gansche geslachten komen door de verplichting van veete tegenover
elkander te staan: in Leuven de patricische families van BLANCKAERT en
DE COLVERE; in den slag bij Woeringen vinden wij de SCAVEDRIESCHEN
tegenover de geslachten van WITHAM en MULREPAS; in 1290 breekt in de
Haspengouw een verbitterde strijd uit tusschen de Awans en de Waroux,
die 45 jaren duurt, waarin de partijen elkander te gronde richten en
vele dorpen worden verbrand.
De standen zijn tegen elkander verdeeld. De abdij van Rijnsburg is meer
dan eens in twist met de grafelijkheid van Holland of met Hollandsche
edelen, met TEYLINGHENS, WASSENAERS, VELZENS; nu eens over een brug, dan
over den eigendom van veenlanden. De bisschop van Utrecht, OTTO VAN DER
LIPPE, strijdt met de weerbarstige edelen in de buurt van Vollenhove en
slecht hunne kasteelen. GIJSBRECHT VAN AEMSTEL leidt in Holland en het
Sticht een boerenopstand waarvoor de bisschop moet wijken. Onder de
burgerij zien wij op vele plaatsen de ambachten staan tegenover de
patricische geslachten, die zich langzamerhand uit de gemeente omhoog
beurden, en die den ambachtslieden geen aandeel in de regeering
gunden[12].
Zien wij dus dikwijls man tegen man, geslacht tegen geslacht, stand
tegen stand, niet zelden vinden wij gewest tegen gewest. Het is de
strijd om Limburg tusschen JAN I van Brabant en REINOUT van Gelre;
tusschen de hartstochtelijke gravin van Vlaanderen, ZWARTE GRIET, en
WILLEM II van Holland; denzelfden graaf van Holland die bij Hoogwoude
tegen de Friezen sneuvelt.
Al die woelige elementen van hartstocht en strijd worden te nauwernood
in bedwang gehouden door Germaansch recht en Christelijk geloof.
"Van sachte meesters vuyle wonden", zeide het spreekwoord en waarin onze
voorouders te kort mogen zijn geschoten, niet daarin dat zij te zachte
heelmeesters waren. Zij die een meisje aanspoorden om zich te laten
schaken (het schaken was in zwang) werden gestraft met het verlies van
den neus. "Wie vrouwen ofte joncvrouwen vercrachte, men sal hem den hals
afsagen mit eenre plancken". Van ouds was het gewoonte "alle duytsche
lant door" dat een dief de galg kreeg, een moordenaar of moordbrander
het rad, dat manslag en roof met het zwaard werden gestraft, een valsche
munter in een ketel levend gezoden werd, een spion boeten moest met
verlies van een oog, een "pontsnider" (besnoeier van het geld) een duim
moest missen.
Wereldlijke en geestelijke overheid gingen hier hand aan hand. Ook de
kerk had tal van straffen te harer beschikking en maakte daarvan een
ruim gebruik: vasten, boeten, bedevaarten behoorden tot de gewone
straffen. Had iemand zich zwaarder vergrepen, dan moest hij soms zeven
jaren lang in ballingschap omzwerven. In het ergste geval werd hij door
de excommunicatie buiten de gemeenschap der kerk gesloten: als
vogelvrije zwierf hij rond en, bekeerde hij zich niet bijtijds, dan
wachtten hem de verschrikkingen der hel, door een middeleeuwsch monnik
samengevat in een vers dat reeds aan de tong een voorsmaak van dat
lijden geeft:
Pix, nix, nox, vermis, flagra, vincula, pus, pudor, horror.
Maar de kerk deed meer en beter dan schrik aanjagen en straffen. Met
krachtige hand bestuurde zij de gemeente der geloovigen; liet zij de
teugels vaak losjes hangen, zij hield ze stevig vast. Van de wieg tot
het graf begeleidde zij den mensch, ja, haar invloed eindigde ook met
den dood niet. Was de middeleeuwsche christen door den doop in de
gemeenschap der kerk opgenomen, dan moest menige gewichtige handeling
die hem en de zijnen van nabij raakte, door de kerk gewettigd worden.
Gestadig bezocht hij het kerkgebouw waar hem, uit geheimzinnig
schemerdonker, van het altaar zacht kaarslicht tegenglansde, waar bij
het mysterie der mis de opzwevende wierookgeuren hem stemden tot
aandacht en vereering. Lag hij op zijn sterfbed, dan naderde,
aangekondigd door de klinkende altaarschel, de priester met de heilige
hostie en de stervende blies den laatsten adem uit met de gewijde
waskaars tusschen de saamgelegde handen, in het vertrouwen op een zalig
leven in eeuwigheid.
In en buiten de kerk was de geloovige steeds omgeven door de heiligen
die vroeger op deze aarde hadden gewandeld, hem waren voorgegaan naar
den hemel, doch nog steeds over de menschen bleven waken. Wie op reis
ging, beval zich in de hoede van SINT JAN en SINTE GEERTRUIDE, SINT
CHRISTOFFEL was de toevlucht tegen een onverwachten dood, SINT MICHIEL
beschermde inzonderheid tegen den duivel. Immers, ook deze en zijne
trawanten waarden rond, zoekende wien zij konden verslinden. Maar wat
nood voor den vromen Christen? Konden God, Jezus en Maria, konden de
heiligen en zelfs de overblijfselen dier heiligen, niet elk oogenblik
een wonder verrichten? Telkens vernam men van betrouwbare menschen, dat
er wonderen geschied waren. Friezen getuigden dat zij in het jaar 1214
kruisen in de lucht hadden gezien, terwijl de kruisprediker OLIVIER van
Keulen sprak. In het klooster Aduard waren monniken, zóó eenvoudig van
hart, dat zij beproefden hunne kappen op te hangen aan de
zonnestralen[13]. Was er nog een grens tusschen wonder en werkelijkheid
voor wie deze en dergelijke dingen hadden gezien en gehoord? En is het
niet begrijpelijk, dat de dichter van den _Karel ende Elegast_ in den
aanvang van zijn verhaal "wonder en waarheid" in één adem noemt?
Wij hebben getracht in eenige groote trekken eene voorstelling te geven
van het leven der toenmalige maatschappij. Het was noodig eene poging
daartoe aan te wenden, omdat alleen langs dien weg eenigermate zal
kunnen blijken, op welke wijze zich hier het leven in de poëzie heeft
geuit. Zóóveel kan althans uit die voorstelling gebleken zijn, dat
gedurende de 13de eeuw het algemeene de overhand had op het bijzondere,
het samengestelde op het enkele, de stand op het individu. Het leven
heeft zich toen vooral _standsgewijze_ geuit. En zoo bevat de poëzie,
die wij nu zullen gaan beschouwen, in hoofdzaak uitingen, niet van
individuen, maar van standen. Daarom mag zij _standenpoëzie_ heeten.
In het leven van dien tijd kunnen wij geene scherpbelijnde
persoonlijkheden aanwijzen, wel typen van een der drie standen. Zóó is
het ook in de poëzie. HADEWIJCH, WILLEM VAN AFFLIGHEM en vooral MAERLANT
vertoonen iets van een dichterlijke persoonlijkheid, maar schaduwachtig
van omtrek. Eenige andere namen van dichters der 13de eeuw zijn tot ons
gekomen, doch het zijn _slechts_ namen. Wat baat het ons of wij weten
dat "CLAES VER BRECHTEN ZONE" den _Willem van Oranje_ vertaald heeft?
Dat WILLEM VAN UTENHOVE "een priester van goeden love" was en dat de
dichter van den _Reinaert_ eveneens WILLEM heette? Kennen wij die mannen
nu? Van vele andere dichterlijke werken zijn zelfs de namen der
bewerkers ons onbekend.
Dat onpersoonlijke kenschetst een groot deel dezer poëzie als
volkspoëzie, maar volkspoëzie, welke, naar de verschillende stroomingen
die zich in haar openbaren, als vanzelve zich scheidt in: ridderpoëzie,
geestelijke poëzie en poëzie der gemeenten.