op het hoofd, keek eenigszins vreemd, maar hij zei niets.
„Wilt u zoo goed zijn dit briefje aan meneer Van der Linden te geven?”
vroeg de kweekeling.
„Met pleizier.”
Van Leeuwendaal stak het in zijn zak en greep de hand van het jongetje.
„Je grootpa heeft me verzocht je van school te halen. Ben je niet blij
dat je zoo vroeg weg mag?”
Het kind keek eens naar den kweekeling; hij had graag „ja” gezegd, maar
hij durfde niet.
Op straat hield Van Leeuwendaal hem vast.
„Ik kan anders wel los loopen.”
„Ja zie je, ik ben zoo bang dat je ’n ongeluk krijgt. Hoe heet je?”
„Ik heet Willem en ik kan heel goed alleen loopen. Waarom komt grootpa
niet zelf?”
„Omdat hij te Scheveningen is met gezelschap.”
Kleine Willem lette er niet op dat voor Scheveningen het weer wel wat
guur was; ook niet dat het vreemd was te Scheveningen te blijven, als
iedereen zoowat naar de stad kwam om te eten. Evenmin dacht het kind
aan de altijd noodige verwisseling van kleeren; grootpa zou hem toch
nooit in zijn schoolpak en met zijn tasch op den rug uit hebben laten
gaan.
Maar hij had het eene woord gehoord, en dat had hem geëlectriseerd:
Scheveningen, de duinen, het strand! Hij schudde zijn blonden krullebol
tot de lokken van pleizier om zijn ooren dansten.
„Gaan we dadelijk?” vroeg hij.
„Wel ja; grootpa heeft gezegd, dat we gauw moesten komen.”
„Hoe gaan we dan?”
„We zullen een vigilante nemen.”
„Daar komt er een aan. Hé koetsier! Hij houdt al stil. Zeg meneer, wie
ben je?”
„Ja..... Ik ben.... ik heet....—hoe mal dat hij nu niet op een
geschikten naam kon komen!—Neitsel.”
„Nu, meneer Neitsel, mag ik op den bok zitten bij den koetsier?”
„Wel neen, zeker niet.”
„Waarom niet?”
„Dat zou je grootpa niet willen hebben; ’t is veel te gevaarlijk!”
„Gevaarlijk!” riep Willempje met diepe minachting, „’t Is in het geheel
niet gevaarlijk.”
Maar Van Leeuwendaal trok hem zenuwachtig met zich mee in het
huurrijtuig, en liet dat naar Scheveningen rijden. De mond van den
kleinen jongen stond niet stil; hij rammelde maar altijd door; het was
nog licht genoeg, zei hij, om in het duinzand wegen en gangen te
graven; als grootpa zijn werktuigen maar had meegenomen. En Van
Leeuwendaal antwoordde gedachtenloos. Wat was hij over zichzelven
ontevreden! Het bleek hem nu alweder te laat welk een volkomen gemis
aan geschiktheid hem kenmerkte om iets, wat dan ook, te doen. Hij kon
iets verzinnen en daarover praten, maar hij kon niets uitrichten zonder
het van meet af verkeerd te doen. Zoo was er ook nu niets behoorlijk
voorbereid. Wat moest hij te Scheveningen met dien knaap aanvangen?
Hij vond zichzelven stapelgek.
„Is grootpa in het Badhuis?”
„Ja.”
„Zijn er veel menschen?”
„Neen, niet heel veel. Ik heb ze niet gezien.”
„Zijn er kinderen bij? Ik bedoel jongens?”
„Dat geloof ik wel.”
Het vragen maakte Van Leeuwendaal zenuwachtig; hij had gaarne den
koetsier gelast terug te keeren, maar het was daartoe te ver gekomen.
Bij het dorp liet Van Leeuwendaal de vigilante stilhouden.
„Laat hem toch om de kerk rijden,” zei de kleine ongeduldig, „dan komen
we immers achter bij de trap.”
Maar Van Leeuwendaal luisterde niet langer naar hem; met haastigen tred
en het kind bij de hand voorttrekkend, liep hij, wadend door het mulle
zand, naar den hoogen weg, die langs het Badhuis voerde.
„Loop toch zoo hard niet,” riep Willempje, kwaad: „we zullen er immers
wel komen.”
Ze kwamen er, en rilling op rilling voer Van Leeuwendaal door het lijf;
een stijve wind zweepte het duinzand over den eenzamen weg; de avond
begon te vallen; in sombere eentonigheid loeide de groote zee, dof
weerspiegelend de jagende wolkenmassa boven haar in grijzen, grauwen
toon; de nog gesloten gebouwen ter rechterzijde rezen als doodsche
monumenten uit de dofgroene helm en ’t bleekgeel duin. Er liep of
wandelde niemand. Slechts hier en daar zat op een bank een oude
visscher met diepe groeven in het verweerd gezicht, met een grof buis
aan en donkerblauwe morsmouwen er onder; met een ouden hoogen hoed op
en een zwartgerookt pijpje tusschen de knevels, starend met zijn kleine
dofgeworden oogen, recht voor zich uit, naar de zee,—zijn verleden,
zijn oud arbeidsveld, zijn herinnering.
Op een helling van den weg zagen zij het Badhuis, gesloten, stil en
verlaten.
„Het is dicht!” zei Willempje.
Een oogenblik stond Van Leeuwendaal stil, nam zijn hoed af en veegde de
zweetdroppels weg, die op zijn voorhoofd parelden als ware het een
snikheete Julidag. Hij deed zijn best om zichzelven meester te blijven.
„Hé, ja!” zei hij, verbazing veinzend, „dat zie ik ook.”
„En je zei, dat grootpa er was.”
„Dat heeft hij me ook gezegd.”
„En hij is er niet en het is dicht,” ging het kind voort met
onverbiddelijke logica, maar op eenigszins angstigen toon.
„Dat zie ik ook.”
„Ik wil naar huis. Waarom heeft grootpapa mij voor den gek gehouden?
Dat doet hij nooit.”
„Wacht even. Nu weet ik het. Hij heeft gezegd: een villa voorbij het
Badhuis; daar was hij bij kennissen.”
„Ik wil maar liever naar huis.”
„Goed, strakjes. Maar eerst moeten wij toch je grootpa gaan opzoeken.”
Kleine Willem scheen het daarmee niet eens te zijn, want toen Van
Leeuwendaal weer haastig voortstapte, het Badhuis voorbij, keek het
kind met een pruilend gezicht naar de gesloten stores en liet zich,
tegenstrevend, half voorttrekken.
Een eindje verder hield de met roode baksteenen losjes bestraatte weg
op; Van Leeuwendaal beklom het tegenoverliggend duin en kleine Willem,
verlokt door het gezicht, dat hem altijd zoo bekoorde, vergat zijn
vrees, zijn grootpa en zijn verlangen naar huis; als een kat klauterde
hij naar boven, door zijn hijgenden en kuchenden geleider gevolgd. Toen
gingen ze rechts, als het ware weer in de richting van de stad. Maar na
een kwartier nam de schemering toe; kleine Willem werd moe en had geen
pleizier meer in klimmen en klouteren. Van Leeuwendaal was halfdood van
angst en afgetobdheid.
„Ik wil hier nu niet langer blijven,” zei het kind, bang om zich heen
ziende en op schreienden toon.
„Houd je mond, kwajongen,” riep Van Leeuwendaal met krassende hooge
stem, buiten adem.
Maar de jongeheer Van Velton, verwend door zijn omgeving en met eenige
eigenschappen zijner moeder begaafd, was geen zoet en gezeglijk kind.
„Ik wil niet,” schreeuwde hij. „Ik wil naar huis!”
„Kleine draak, wees stil, of ik trap je voor den grond.”
„Ik wil naar huis!” herhaalde Willempje, en toen hij er een om de ooren
kreeg: „Help! Hij slaat me! Ik wil naar huis.”
Van Leeuwendaal stond stil, buiten zichzelven van woede.
„Zal je stil zijn?” vroeg hij hijgend, het kind aan een oor trekkend.
Willempje, aan zulk een behandeling niet gewoon, begon te schoppen en
te trappen en raakte met den rand van zijn schoenzool Van Leeuwendaal
vrij hard tegen het broodmager scheenbeen. Met een vloek liet de baron
los. Het kind wilde wegloopen, maar viel in het zand, en kreeg daar van
Van Leeuwendaal, die het vol angst was nageloopen, den reeds
toegezegden trap.
„Houd nou je bek, kleine adder, of ik vermoord je.”
Maar er was niets, niets aan te doen.
Willem schreeuwde hoe langer hoe vervaarlijker en luider; in grooten
angst keek Van Leeuwendaal rond; er was niets te zien, dan de
duinranden, afstekend tegen de duister wordende lucht, en hier en daar
een ijle rhododendron; maar het was den in overspannen zenuwtoestand
verkeerenden man of hij in de verte twee personen zag, die haastig naar
hem toekwamen; zij kwamen op het rumoer af, dat scheen hem duidelijk,
en zich over het schreeuwend en in zijn woede kronkelend kind buigend,
beukte hij het met de vuist.
„Wees toch stil, hondenkind! Zal je nu stil zijn? Dáár, dáár!
Vervloekt, wees stil zeg ik!”
Doch Willempje schreeuwde niet meer; hij brulde, met kreten van pijn
onder de stompen der harde knokkels, maar hij was ook boven het punt
waaronder stil en bedaard worden nog mogelijk is; hij bleef, al
brullend, zich verzetten, schoppend en trappend, en terwijl Van
Leeuwendaal zich vooroverboog in het halfduister, trof hem de
jongensschoen onverhoeds midden in het gezicht. Razend wierp hij zich
op het kind.
„Ga dan naar de hel bij je vader, satansjong!” siste hij geheel buiten
zichzelven en, woelend met zijn lange magere handen om den hals van het
knaapje, drukte en kneep hij uit al zijn macht, met de wilde woede van
een bezetene.
Het arme kind gaf geen geluid meer; het lag onbeweeglijk stil, en
langzaam steunend op de handen, struikelend, en op zijn magere beenen
waggelend, stond Van Leeuwendaal op. Schuw keek hij rond in het dieper
wordend duister. Hij wist niet en hij dacht niet; zijn hoofd was leeg,
versuft, dronken. Zóó bleef hij een lange minuut staan, raapte, half op
den tast, zijn kalen hoed op en beklom zuchtend het naaste duin
stadwaarts, langzaam en met groote moeite. Op den heuvel woei de wind
hem in ’t gezicht; in de verte hoorde hij een voertuig ratelen, en
daarachter tegen de zwarte lucht ving een heldere gloed aan te glanzen,
de weerschijn van de pas ontstoken lichten in de groote stad. Hij keek
er naar en er kwam besef in zijn geest; hij keek er naar met groote
uitpuilende oogen, en toen zette hij het op een loopen, met wijde wilde
sprongen en stappen, wegzinkend in het zand of uitglijdend op de gladde
helm; viel hij, dan sprong hij op, vlug en lenig in zijn overspannen
toestand, als een kat, en hij vloog weer vooruit in de zwart-grauwe
duisternis onder den invloed van een vrees, die hem gek maakte, altijd
in de richting van het noorden, diep het duin in, tot hij neerviel in
het mulle schuivende zand, bewusteloos, met het gezicht voorover op den
grond.
’t Was rustig en doodstil in de zoo goed als geheel onbewoonde
duinstreek. Willempje Van Velton en baron Van Leeuwendaal omringde geen
geluid, dan het gekwaak in de lucht van een overvliegende eendenvlucht,
hier of daar opgejaagd, of ’t geritsel van het onrustig naar den kost
zoekend konijn.
Maar in de stad was het zeer onrustig over hen; zij was er vol van. Het
toeval had gewild dat de dokter zelf met zijn coupétje zijn kleinzoon
van de school kwam halen.
„We hebben hem al meegegeven.”
„Hè?” vroeg de dokter verbaasd, en aan niets anders denkend dan een
onverwachte en zeldzame uiting van moederlijke teederheid. „Al
meegegeven?”
„Ja, u hebt hem zelf laten halen.”
Dokter Van der Linden verbleekte.
„Wel neen, dat heb ik niet.”
„Er is hier ’n uur ongeveer geleden ’n meneer geweest, namens u. Hij
zag er niet rijk, maar toch nogal fatsoenlijk uit. ’n Heel mager heer
met ’n grooten neus. Hij kwam namens u den jongenheer halen!”
„En je hebt hem meegegeven aan ’n onbekenden vent?”
„Ik wist niet.... ik meende.... hij zei....” stotterde het jongemensch
achteruittredend voor den ouden heer, die woedend op hem afkwam.
„Wie gaf je het recht, beroerde kwajongen, mijn kind....”
„Ik zal meneer roepen”, zei de kweekeling en liep hard naar achteren,
op den voet gevolgd door den dokter. De school was nog aan, en het
praatje was dadelijk bekend: de kinderen mochten naar huis gaan en als
een zwerm verspreidde zich over honderden huisgezinnen in de stad het
nieuws: „er was een jongetje gestolen”; enkele wettische heeren zeiden,
dat er een „minderjarige was ontvoerd.”
De onderwijzer zelf was zeer ongerust; hij trachtte niet zijn personeel
te verontschuldigen; hij zag wel dat het niet baatte; maar hij reed met
zijn kweekeling mee naar het politie-bureel. Aan de
persoonsbeschrijving had de dokter dadelijk Van Leeuwendaal herkend. In
het rijtuig voerde de onderwijzer alleen het woord, troostend en
opbeurend, voorbeelden aanhalend van dien aard, die ook alleen hadden
geleid tot noodelooze ongerustheid. Maar de dokter dacht aan de oude
geschiedenis te Batavia; aan Van Leeuwendaal’s wraakzucht over het pak
slaag; aan de positie zijner dochter; en wat het verschrikkelijkste
was: aan het lot van zijn lieveling; hij was een man, en in zijn lange
medische en chirurgische carrière had hij geleerd met droge oogen het
lijden der menschen aan te zien; maar nu was hij oud; hij had al zijn
liefde bijeengebracht op dat kind, en als hij er aan dacht, dat
Willempje wellicht gruwelijk werd mishandeld, dan liepen hem rillingen
van smart door het lichaam, dan moest hij veel moeite doen om zijn
tranen te bedwingen.
Een inspecteur van politie bracht hen naar een hoofdinspecteur van
politie, die hen bracht naar een commissaris, die hen deed binnengaan
bij een hoofdcommissaris. Ieder hoorde het verhaal van den kweekeling
en de verklaringen van den dokter, noteerde ze, trok een bedenkelijk
gezicht, vond het een hoogst ernstig geval, en schoof dat over op zijn
chef, tot groote woede van den doodelijk ongerusten dokter, die
stampvoette over het tijdverlies.
De hoogste politioneele macht gaf dadelijk orders.
„Duizend gulden,” zei de dokter, „voor den man, die me het kind gauw en
goed terugbrengt.”
De voorgeroepen agenten zeiden niets; ze keken eerbiedig naar dien
ontstelden ouden heer, die zulk een som uitloofde; voor henzelven
beschouwden ze het verdwijnen uit de school onder den leertijd een
kwajongensgrap; die kinderen van de Haagsche „groote lui” waren
lievertjes! Daar wisten zij, politie-agenten, van mee te praten!
„Er schiet thans niets over dan te wachten,” zei de hoofdcommissaris
toen de agenten met instructies waren vertrokken.
„Te wachten!” zuchtte de oude heer. „Het is verschrikkelijk!”
Hij reed naar de Riquelles.
Juist kwam hem de panier van den ritmeester te gemoet. Louise met een
frissche kleur op het gezicht, mooier en eleganter dan ooit, mende de
poneys, die, hun korte dikke manen schuddend, op de stangen beten.
Toen papa, nog voor de rijtuigen geheel stilstonden, de deur van zijn
coupé opende, er uit sprong en op angstigen toon riep:
„Ik wou Wim van school halen.... Hij is weg!”—begon Riquelle te lachen.
„Maak u niet zoo ongerust, pa. Hij zal gespijpeld hebben: dat is zoo
erg niet; dat heb ik ook wel eens gedaan!”
Maar Louise lachte niet.
Zij kende haar vader en ze zag duidelijk aan zijn gezicht, dat er meer
stak achter het enkele woord. Den koetsier achter haar gaf zij de
teugels en sprong uit den panier.
„Wat is er, pa?”
„Ik zeg je: Willem is weg.”
„Maar hoe komt dat dan? Spreek toch duidelijk!”
„Hij heeft hem onder schooltijd weggehaald.”
Dokter Van der Linden zei het als tegen zichzelven op den smartelijken
toon van iemand, die een pijnlijke gedachte doelloos en machinaal
herhaalt en onder woorden brengt.
„Hij?” herhaalde Louise, haar man aankijkend met een vreemden blik, die
vroeg of papa wellicht in een stadium van kindschheid geraakte. „Wien
bedoelt u, pa?”
„Van Leeuwendaal.”
Zij werd zeer bleek; haar trekken drukten grooten angst uit.
„Wie is dat?” vroeg Riquelle.
„Ik kan het je niet in twee woorden zeggen; het is een smeerlap, een
vagebond, een verloopen zoon van ’n voorname familie.”
„Wacht even,” zei Riquelle, „daarover herinner ik me iets, maar ik weet
waarachtig niet wat. Het was een bekende familie in mijn jeugd, maar
sedert uitgestorven als ik me niet bedrieg.”
„Het is de kerel, dien je hebt laten afranselen.”
„Och wat! En kende u hem?”
„Zeker! Ik kende hem, helaas!”
„Dat is curieus,” ging de ritmeester langzaam voort met een
onderzoekenden blik op zijn vrouw.
„Zijn vader heeft hem eens in Indië op mijn dak gezonden.”
„Dus kende jij hem ook?” vervolgde Riquelle tot zijn vrouw.
Louise sloeg de oogen neer; zij had een benauwd gevoel als stond haar
een groot ongeluk voor de deur.
„Ja, ik kende hem.”
„Daarvan heb je me niets gezegd.”
„Neen.”
„Maar lieve, dat is toch vreemd. Als ik zijn afkomst had gekend en
geweten had, dat hij vroeger de gast van je papa was geweest....”
„Wat zou het hebben uitgemaakt?”
„Het scheelt nogal iets! Ik zou hem dan zeker geen pak slaag hebben
laten geven door ’n paar dragonders.”
„Ook dat doet er niet toe,” riep de oude heer. „Hij heeft het pak slaag
beet en ik vrees.... ik vrees....”
„Wat?” vroeg Riquelle snel.
„Dat de schurk zich wreekt op mijn arm kind.”
Een oogenblik stond de ritmeester verstomd. Hij hield volstrekt niet
van het souvenir zijner vrouw aan haar Indisch huwelijk, maar als man
van eer en fatsoen schokte het hem toch geweldig de middellijke oorzaak
te zijn geweest van het vermoedelijk ongeluk van een kind.
Maar hij herstelde zich.
„Ik geloof pa, dat u het veel te donker inziet.”
„Je hebt goed praten.”
„Wat zou zoo’n man aan ’n enkele wraakneming hebben?”
„Weet ik het! Maar het gebeurt in de wereld, dàt weet ik bij
ondervinding.”
„Nu ja, maar zeer zeldzaam. Weet u waaraan ik denk?”
„Neen!”
De oude heer zei het op een toon, alsof hem de gedachten van zijn
schoonzoon volkomen onverschillig waren.
„Chantage.”
Een oogenblik dacht dokter Van der Linden na.
„Waarom niet, pa?” riep Louise. „Ik geloof het ook. Waarom zou ’t hem
anders te doen zijn, dan om geld?”
„Ik had hem denzelfden ochtend pas geld gegeven.”
Ze zwegen nu alle drie een oogenblik, tot de dokter, die geen rust had
en met het hoofd op de borst en onrustig dwalende oogen geen twee
seconden stil kon staan, in zijn coupé sprong.
„Ik ga nog eens naar ’t politie-bureel.”
„Kom u gauw, als er iets is?” riep Louise met een in ’t oog vallend
opvlammen van moederlijke bezorgdheid.
Haar vader wuifde met de hand en knikte bijwijze van belofte met het
hoofd.
„Ik zal je de heele geschiedenis met Van Leeuwendaal vertellen,” zei
Louise toen ze thuis was met haar man.
„Is het zooveel?”
„Och neen, eigenlijk niet, Ed. Maar toch voorzie ik iets
verschrikkelijks.”
„Geloof je dan waarachtig ook, dat die man het kind zal kwaad doen?”
„Misschien niet, maar of hij ’t doet of laat, er zal veel over de zaak
gesproken en geschreven worden.”
„Ja, natuurlijk. Dat is altijd onpleizierig.”
„En dat wordt het dubbel om en door de oude geschiedenis met dien Van
Leeuwendaal te Batavia.”
Zij vertelde hem alles, en het hinderde hem geweldig.
Hij geloofde haar volkomen; hij wist dat ze geen woord onwaarheid
sprak, had de volle overtuiging dat nooit iets bestaan had tusschen
haar en dien kerel. Maar die was toch, dat wist men, in haar slaapkamer
geweest, toen ze nog een jong meisje was en terwijl ze te bed lag, en
dat was genoeg, zoo het besproken raakte, voor een zee van de
schandelijkste lasterpraatjes. Daarvoor vreesde hij, dien storm zag hij
aankomen, en dat domineerde beiden meer, veel meer dan de eigenlijke
vraag: wat is Willempje overkomen?
De chef der politie ontving den ouden heer triumfantelijk.
„We zijn op het spoor,” zei hij.
„En?”
„Hij is met het kind naar Rotterdam.”
„Hoe weet u dat?”
De commissaris glimlachte sluw. Dat was nu ook iets! Waarom gaf men
zulke zaken aan, als men niet meende, dat de politie in de gelegenheid
was er achter te komen? Hij tikte de asch van zijn sigaar en antwoordde
langzaam:
„Zóó vraagt men de boeren de kunst af.”
„Wat hebt u gedaan?”
„Er zijn twee geheime agenten naar Rotterdam. Maak u niet ongerust
meer. Er zal hem geen tijd worden gelaten iets kwaads te doen aan het
kind.”
„Goddank!”
„Ga gerust naar huis, mijnheer Van der Linden, gerust! Er zal hem niets
overkomen.”
De dokter wilde juist eenigszins gerustgesteld heengaan, toen een
agent, die de kamerwacht had, een collega aanmeldde, die op recherche
was geweest in de zaak van het vermiste kind.
„Als u even wilt wachten,” zeide de commissaris, „kunt u hooren wat
deze man rapporteert.”
Er kwam een heel gewoon, mager man binnen met een blonden baard,
zweetend en kuchend van vermoeienis, en de commissaris, met de
zelfvoldoening van iemand, die slechts zou hooren bevestigen, wat hij
reeds wist, zei:
„Ga je gang maar.”
De agent wierp een schuinschen blik op den dokter, dien hij herkende
als de oude heer van de duizend gulden; daarna keek hij zijn chef aan
en zei in telegram-stijl:
„Kind gehaald drie uur, vigilante genomen; Scheveningen gereden.”
„Wat?” riep de dokter, van zijn stoel opspringend.
De commissaris wenkte hem met de hand zich stil te houden, en de agent
vervolgde:
„Voor het dorp stilgehouden; hoogen weg opgewandeld; voorbij het
Badhuis en duinen ingegaan.
„Is er niet meer?”
„Maar dat is....” riep de dokter doodsbleek.
Weer legde hem de commissaris het zwijgen op. Hij vroeg fluisterend
eenige inlichtingen aan den agent, liet een inspecteur roepen en gaf
bevelen.
„We zullen nu moeten afwachten,” zei hij troostend tot den ouden heer,
toen zijn personeel was vertrokken, „dat is het eenige wat er op zit.”
„In de duinen verdwenen!” zuchtte dokter Van der Linden, en zijn haren
rezen ten berge van angst en schrik bij die gedachte.
„Zou men te Scheveningen niets weten?”
„Misschien wel, maar dat zullen we spoedig hier vernemen. Ik heb
natuurlijk kennis gegeven.”
„Als ik er eens heenging?”
Het kwam den commissaris voor dat beweging en verplaatsing voor iemand
in zulk een gemoedsstemming nog het beste was.
„Dat kan geen kwaad.”
„Ik ga dadelijk. Dank u meneer, dank u voor uw moeite. Rotterdam
schijnt een vergissing.”
„Men kan niet weten.”
„Toch niet, ik zeg u dat het een vergissing is. Dáár,” zei hij met de
bevende hand naar het noorden wijzend, „dáár is het; dat voel ik; daar
ben ik zeker van.”
Het was een lange reis in de duisternis.
Er brandde een eenzame lantaarn voor het kantoortje van het
dorpscommissariaat. Er was niemand dan de chef, en in een ander
vertrekje één beambte. Men had gehoord van de duizend gulden en men was
behalve met dienstijver ook vol van de gedachte aan de mogelijkheid die
premie te verdienen.
„Ik ben dokter Van der Linden.”
„O! de grootvader van het vermiste jongetje! Neem plaats als ’t u
blieft.”
„Is er nog geen bericht?”
„Het spijt me, meneer; voor ’t oogenblik nog niets.”
De ambtenaar vertelde nu lang en breed, welke goede maatregelen ter
opsporing waren genomen. Het duurde wel een kwartier, zoodat het
verhaal en zijn eigen staat van overspanning dokter Van der Linden
begonnen te biologeeren.
Plotseling werd er aan de deur getikt. De beambte trad met een
geheimzinnig gezicht binnen.
„Wat is er?” vroeg zijn chef.
„Ik hoor buiten, dat er in het duin een lijk is gevonden.”
Als bestorven en verlamd van schrik was de oude heer op zijn stoel
neergezonken. Dat werd daar zoo kalm en eenvoudig gezegd en het was zoo
vredig en stil in de warme kantoorkamer met de met zand bestrooide
houten vloer en de groote lamp boven den lessenaar,—dat ’t een parodie
leek op den storm van ontsteltenis, die in ’s dokters hersenen woedde.
„Het moet een manslijk zijn.”
„Weet je dat zeker?”
„Ik weet niets zeker; ik hoor het hier van voorbijgaande lui. Het is
geen kinder- maar een manslijk, en ze zijn er al mee opweg hierheen.
Hoor, daar komen ze al.”
Er kwam gestommel in het gangetje naast ’t kantoor, een geluid van
vermoeide, hijgende menschenstemmen. Een deur werd opengerukt en viel
dreunend weer dicht.
„Wilt u maar eens meegaan?” vroeg men den ouden heer en half versuft
wankelde hij mee.
Zij traden een kamer binnen, slecht verlicht en met geen ander
meubilair dan een groote ongeverfde tafel en een paar banken.
Op de tafel lag het magere lichaam van Van Leeuwendaal, vuil en nat van
den regen, die lang dreinig over de duinstreek was gevallen, doch nu
hard tegen de ruiten kletterde.
Toen de heeren binnenkwamen, trok een der agenten willekeurig de
veelgetinte demi-saison recht, als wilde hij ’t bewegingloos lichaam in
fatsoenlijk gezelschap een presentabeler aanzien geven.
„Dokter,” zei de ambtenaar, „zoudt u zoo goed willen zijn?”
In deze omgeving, met een lijk op de tafel en een beroep op zijn
hoedanigheid als deskundige, ging het dokter Van der Linden, als een
oud dragonderspaard, dat de signalen hoort. Hij richtte zich op, zette
zijn bril goed, stroopte zijn rechtermouw in de hoogte en onderzocht,
voor een oogenblik zijn verdriet en angst vergetend, het lichaam.
„Hij is het,” zei hij tot den ambtenaar, „en hij is dood;
waarschijnlijk.... aneurysma.”
„Wilt u ’t even constateeren?”
„Ja maar.... mijn kind?”
„Er wordt nog steeds gezocht, nietwaar mannen?”
„Ja.... zeker....” bevestigden ze alle vier, indachtig aan de duizend
gulden.
„We zijn wel knapjes nat,” zei een hunner lachend tot den ouden heer,
„maar we zullen het er toch maar op wagen.”