Maar de dokter was niet tevreden; hij wilde meer menschen, meer lichten

en zelf meegaan; wat het kostte, kwam er niet op aan, maar het kind

moest dood of levend gevonden worden; het kon niet ver weg zijn. De

menschen deden hun best; in wind en regen zwermden tientallen door het

duin met lantaarntjes zoekend langs den grond, druipnat en vloekend,

maar met het droombeeld der duizend gulden voor oogen, ijverig en

oplettend.

Er ging een uur voorbij; men vond niets.

De meesten gaven het op en gingen naar huis.

Dokter Van der Linden kon niet meer; doodmoe, buiten adem, met de

wanhoop in ’t hart, keerde hij terug in het dorp.

„Het is onverklaarbaar,” zei de ambtenaar.

„Wat denkt u er van?”

„Wel, ik heb goeden moed. Het kind is weggeloopen of meegevoerd.”

„Denkt ge, dat hij nog leeft?”

„Zeker; anders zou ’t lijkje wel gevonden zijn.”

Er werd aan de deur getikt; het hart van den ouden heer bonsde. Een van

de mannen, die nagekomen was, bracht een pet mee. De tranen sprongen

den ouden heer in de oogen.

„Het is van hem!” zei hij schor.

De man, die het petje gevonden had, keek erg teleurgesteld; dat men

dáárvoor geen duizend, geen honderd, ja geen tien gulden geven zou,

begreep hij ook wel. En toen hij met leege handen bij de agenten

terugkwam, vloekte hij.

„Zoo’n rakkersche kwajongen! Waarom loopt hij ook onder zijn pet

vandaan?”

„Je hebt zeker niet goed gekeken,” zei een hunner; „hij moet er naast

hebben gelegen.”

„Zou die magere daar op de tafel hem opgevreten hebben?” bromde de

petvinder met een kwaadaardigen blik op het lijk.

„Jongens, er moet gauw een brancard komen om dien gast weg te brengen,”

zei de oudste ernstig. „Als de baas komt en hij ziet, dat het nog niet

gedaan is, zit er weer boete op. Vooruit!”

Zij gingen aan het werk, mopperend en ruwe uien slaand, tot een hunner,

die even op de stoep was geweest, door de katroldeur als het ware met

een vloek naar binnen viel.

„’t Verloren schaap is terecht, hoor! Duizend pop?—ho maar!”

In het kantoor stond een arme visscher met den zuidwester in de hand en

een dik buis aan met hoogopstaanden stijven kraag; de man scheen er een

beetje verlegen mee, maar zijn groote mond met bruine hoeken vol

tabakssap, lachte goedaardig toen hij zag hoe die oude heer beefde,

schreide en het jongske kuste, dat hem de armen om den hals sloeg en

half huilend niets dan „Grootpa!” riep. De dokter herstelde zich

spoedig; hij nam Willempje op den schoot en luisterde naar het verhaal

van den visscher, dat luidde: „Ik ging over de duinen naar huis, hoorde

een kind huilen en roepen en vond dit jongske.” Détails kon de man niet

geven; daar had hij zelfs hoegenaamd geen idee van, naar het scheen.

Hij had het kind meegenomen naar zijn afgelegen woning, en had het

niets gevraagd. Doch toevallig hoorde hij van iemand, die uit het dorp

kwam, dat er zooveel te doen was bij de politie om dat jongetje, en nu

bracht hij het. Dokter Van der Linden schreef een cheque van duizend

gulden; de arme visscher, hoe dom ook en eenvoudig, begreep van deze

handeling de portée bijzonder vlug; de oude heer tastte in zijn

portefeuille, en die greep vervloeide naar de agenten van politie, die

blij waren dat ze er toch iets van hadden, maar den „joei” gruwelijk

benijdden.

Het was in de stad om het huis van den dokter haast een volksoploop; de

schrikkelijkste verhalen deden de ronde; toen de oude heer met het

kind, dat ziek en pijnlijk was en bij transmissie nog naar gedroogde

scharretjes rook, vielen de gruwelen grootendeels in duigen. Eerst had

het geheeten, dat het kind letterlijk aan stukken was gesneden; men

rilde, en moeders in zenuwachtigen angst besloten hunne kinderen thuis

te houden van school, als had in Den Haag een particulier en modern

Herodes domicilie gekozen. Den dag na de terugkomst van Willempje in

het grootvaderlijk huis, volgden de courantenberichten met juistheid de

feiten vermeldend en met halve woorden gissend naar het onderling

verband. Toen moest de begeerige wolf van het algemeen gerucht een

anderen kant uit om voedsel. Niet meer het feit zelf, maar het: waarom?

trad op den voorgrond. Waarom had die man, een baron nog wel, het kind

willen vermoorden? Waarom had hij zelfmoord gepleegd? Want van dat

laatste was het publiek niet af te brengen.

Daar moest iets achterzitten! En in de herinnering van oud-gasten, die

Indië reeds veel jaren hadden verlaten, doemden met de namen de feiten

op; de een wist er dit, de ander dàt van,—niemand meer het ware.

Brokstukken der Leeuwendaalsche geschiedenis te Batavia raakten onder

het publiek, groeiden aan tot omvangrijke schandalen, vonden hun weg in

enkele clandestiene weekblaadjes, waarop iedereen laag neerzag, maar

die haast iedereen met wellust verslond; die iedereen kende en bleef

kennen, maar altijd verloochende. Daar was van alles in het gerucht;

maar het essentiëele kwam hierop neer, dat mevrouw Riquelle in haar

jeugd een ongeoorloofde liaison had gehad met Van Leeuwendaal, die, een

nacht in haar kamer doorbrengend, zich stilletjes en terwijl zij sliep,

had verwijderd met een schat aan geld en diamanten; dat hij was

achterhaald door de politie, gestraft door de justitie, en nu, na vele

jaren in de gevangenis te hebben doorgebracht, zich was komen wreken,

doch, bijtijds betrapt, zich had gezelfmoord, vóór hij tijd had het

kind af te maken.

Het was een heerlijke bijdrage tot de chronique scandaleuse der

residentie, en zij had, schoon van a-z een lange leugen, volkomen het

gewicht van een véridiek verhaal, omdat iedereen het geloofde.

In de hoogere standen alleen werd het zoo zwaar niet opgenomen, schoon

even algemeen geloofd. Openlijk werd het daar tegengesproken. Hoe het

dan ook zijn mocht,—ieders gevoel van solidariteit als menschen uit één

stand, bracht mee, dat men een vrouw van wie gezegd werd, dat zij in

haar jeugd amours had gemaakt met een jongen adellijken losbol, en die

later, schatrijk, getrouwd was met een homme rangé, cavalerie-officier

en mede behoorend tot de coterie, de hand boven het hoofd hield, vooral

indien zij zich zoo uitstekend naar haar omstandigheden wist te

gedragen.

Toch keken de dames er Louise „op aan”, en zij zag en voelde dat.

„Het is zeer onpleizierig,” zei de oude mevrouw Riquelle tot haar zoon,

toen hij haar alles vertelde. „Het is vreemd ook.”

„Ellendig is het, maar vreemd niet zoozeer.”

„Ik heb het altijd wel gedacht, Eddie.”

„Wat dan, ma?”

„Herinner je eens dien dag, toen je me het eerst kwam spreken over je

voorgenomen huwelijk?”

„Ja.... ik herinner me dat.”

„Wat heb ik toen gezegd?”

„Ik weet het zoo precies niet meer, ma,” antwoordde de ritmeester

ongeduldig. „Denkt u, dat men alle gesprekken letterlijk kan

onthouden?”

„Ik weet het nog heel precies. Wantrouw altijd eenigszins menschen uit

Indië, heb ik gezegd. Al zijn ze nog zoo goed en beminnelijk, ze hebben

altijd hun histoires en vroeg of laat openbaren zich die.”

Mevrouw Riquelle had dat nooit gezegd tegen haar zoon, al beweerde zij

ook het zich precies te herinneren; de ritmeester keek haar een

oogenblik verwonderd aan; toen trok hij de wenkbrauwen samen en vroeg

zeer onvriendelijk:

„Dus u gelooft....?”

„Dàt doet niets ter zake, helaas! Wat wáár is, wat jij gelooft, wat ik

geloof,—het komt er alles niets op aan. Iedereen neemt de praatjes aan,

die de ronde doen.”

’s Middags in de sociëteit kwam een zijner collega’s en

academievrienden naar hem toe.

„Dat is een heele geschiedenis met je stiefzoontje.”

„Ja, het is een beroerd geval.”

„Dat is het.”

Het werd met een ernst en een overtuiging gezegd, die Riquelle vreemd

deden opzien.

„De kerel had twist gehad met den ouden heer Van der Linden, bij wien

het kind woont. Om zich te wreken, heeft hij het van de school gehaald,

naar het schijnt om het te vermoorden.”

De ander knikte toestemmend.

„Ja,” zei hij weer, na een oogenblik zwijgens, „het is een hoogst

onaangename geschiedenis.”

Verder werd het onderwerp niet aangeroerd, doch wel viel het Riquelle

op, dat sommige getrouwde officieren zoo op een afstand bleven, vooral

die uit burgerfamilies, door hun afkomst altijd eenigszins bezield met

stillen haat en wangunst tegenover de „hof-kringen”, zooals de Haagsche

adellijke families niet zonder spot genoemd werden.

„Als ik in jou plaats was,” zei zijn vriend, „nam ik mijn ontslag.”

Riquelle werd vuurrood; het was een denkbeeld, dat hem de laatste

dagen, bij het gevoel dat er iets onaangenaams in de lucht zat, als het

ware snippersgewijs door ’t hoofd was gegaan. Maar hij werd er boos om

en vroeg brusque:

„Wat bedoel je daarmee?”

„Wel niets; maak je niet kwaad. Het is waarachtig zoo aangenaam niet in

den dienst! Wie fortuin heeft, is wel gek er in te blijven.”

Het was pijnlijk voor den ritmeester. Hij kende dat in het militaire.

Had het over iets anders geloopen, dan zou er toelichting kunnen

volgen, maar op het kiesche punt: de eer zijner vrouw, ging dat niet.

Er kon en er mocht daarvan geen sprake zijn. Het was een onderwerp,

waarover geen woord mocht gesproken worden, zonder dat hij zijn sabel

trok. Toch was het zoo hard, heen te gaan! Hij had den dienst met al

het onaangename er aan verbonden, zoo lief!

Met groote vaste schreden ging hij heen en wandelde alleen langs stille

buitenwegen, waar zijn rinkelende sporen op dat uur van den dag het

luidst gerucht waren. Ja, het moest toch maar gebeuren! Hij had de

gezichten gezien en hij wist dat nu. Strijd er over had hij niet; hij

besloot dadelijk en vast, maar hij had tijd en beweging noodig om „er

over heen” te komen.

Thuis vond hij de Fourniers, en het gesprek liep weer in alle

levendigheid over die geschiedenis met Van Leeuwendaal, die, vond

Hortense, zoo goed was afgeloopen.

„Maar papa is er erg ziek van.”

„Och kom,” zei Fournier, die altijd veel van den dokter had gehouden.

„Wij zullen eens naar hem gaan zien!”

„Het is ook hier,” zei Hortense met een droevig lachje, „onze

afscheidsvisite.”

Riquelle wist het en terwijl zij spraken over de reis naar Indië, zei

hij als langs zijn neus weg:

„Wij zullen hier ook niet zoo heel lang blijven. Ik denk mijn ontslag

te nemen, en dan gaan we, als Louise ’t goed vindt, voor een poosje

naar Italië.”

Louise klemde de lippen opeen, zoodat haar mondje een messnee leek over

haar gezicht; zij kon geen woord spreken, het had haar geweldig

aangepakt, zij wist wat dat offer hem kostte en hoe kiesch ’t van hem

was het zóó te behandelen, als de meest gewone zaak. Hortense begreep

het ook, en toen ze met Fournier na een afscheid onder zenuwachtige

handdrukken en harde kussen, in hun rijtuig zat, schudde zij met de

oude peinzende langzaamheid haar ernstig blond hoofd.

„Zij is een zonderling schepsel, Gérard. Die Van Leeuwendaal, jij,

papa, Riquelle....”

„Beste Stance,” riep Fournier met meer drukte dan noodig was, „zeg toch

zulke dwaze dingen niet!”

Voor het huis van den dokter sprong hij uit het rijtuig en schelde. Ook

Hortense stapte uit. Zij moesten lang wachten en Fournier werd

ongeduldig.

„Meneer thuis?” vroeg hij boos, toen eindelijk de deur openging en

terwijl beiden reeds de gang instapten, omdat ze wel wisten dat

„meneer” nu niet uit was.

Maar de meid zei, met bewogen stem en tranen in de oogen:

„De ouwe heer is daar net met een harde koorts de eeuwigheid ingegaan.”

AANTEEKENINGEN

[1] Willemstraat.

[2] De vele straten met Indische namen in het N.-W. gedeelte van Den

Haag.

Indische menschen in Holland: Oorspronkelijke roman · 第 17 / 17 段