Doch hij wachtte het antwoord niet af. Door een open deur aan het einde

van de gang, zag hij een vrouwengestalte in den tuin met den rug naar

hem toegekeerd, gebogen over een bloemperk, en zonder iets te vragen of

te zeggen, schreed hij voort over den looper en trad met een zekerheid,

als ware hij volkomen op de hoogte der lokaliteit, de kamer binnen, die

op den tuin uitzag. Een poedel—zijn hond!—sprong van een canapé met

kort gebrom, maar zijn baas herkennend, kwispelstaartte hij en lekte

hem de hand. Mourant ging zitten en streelde het dier den kop; hij keek

de kamer rond en vond haar erg gezellig en met goeden smaak gemeubeld.

Doch hij had niet lang tijd aan die bijzonderheden te denken; hij

onderging haast tegen zijn wil een hem sedert lang vreemde sensatie:

een gevoel van rust en behaaglijkheid, dat hem vreemd geworden was; dat

iets moest hebben van den indruk, dien een zwerver ondervindt bij zijn

terugkeer.

Zijn vrouw was binnengekomen en recht naar haar plaats gegaan aan de

tafel, waarop naast het theeservies een mandje borduurwerk stond. Zij

zag bleek, maar scheen in ’t minst niet ontsteld en zij keek hem ook

aan met een gezicht, dat duidelijk vroeg wat hij eigenlijk verlangde.

En de zwijgende vraag bracht hem in verlegenheid. Hij had haar nooit

ontzien; hij had altijd tegenover haar de grootst mogelijke vrijheid

betoond in zijn spreken en doen; meer, veel meer, dan hem ooit toekwam.

Thans wist hij niet, wat te zeggen en keek met saamgeknepen lippen

aandachtig naar den hoed, dien hij in de hand hield, als ware ’t een

kunstwerk.

Zoo zaten zij eenige oogenblikken zwijgend tegenover elkaar: zij in

stillen triumf, in het algemeen zoo volkomen begrijpend, wat er gebeurd

was, als had ze het bijgewoond; hij niet wetend, hoe aan te vangen en

in pijnlijke onzekerheid, of, indien hij iets zei, zijn woorden goed

zouden opgenomen worden.

„Ik heb je erg gegriefd.”

Bij zichzelve moest ze lachen om het onhandig begin; hij was en bleef

toch altijd dezelfde: een groot en ijdel menschenkind, vol aanstellerij

en met een minimum wezenlijk gevoel. Nooit was hij zoozeer naar het

uiterlijk in harmonie geweest met haar schatting van zijn innerlijk

wezen.

„Waartoe kan het dienen dáárover te komen spreken?” vroeg zij.

„Omdat het mij berouwt.”

„Een berouw, dat te laat komt, als altijd.”

„Waarom te laat? Er is immers in den zin der wet....”

Zij viel hem toornig in de rede.

„De zin der wet doet hier niets ter zake.”

Maar hij gevoelde zich à cheval op dien „zin”.

„Toch wel. Er zijn in zoover immers nog slechts voorbereidende stappen

gedaan, waarop met een enkel woord is terug te komen.”

„Ik spreek daar niet van en ik wensch daar niet van te hooren. Een

scheiding is, wat het is, met of zonder de wet; formaliteiten tel ik

niet. Waarom ben je hier gekomen?”

„Ik kwam.... ik kwam een verzoening voorstellen.”

„Wat is er gebeurd met de weduwe van Veninga?”

„Zij is.... te Brussel.”

„Dat is mijn bedoeling niet.”

Hij trok met een zeker air de schouders op.

„Wat kan ik er meer van zeggen! Zij is te Brussel en zij en ik zijn

voor eeuwig gebrouilleerd.”

„Gebrouilleerd,” zei ze niet zonder spot, „ja, dat begrijp ik.”

„Welnu, laat het dan daarbij blijven.”

Maar zijn vrouw bleef onverbiddelijk. Na haar laatste bezoek aan

Henriëtte, had zij de waarschijnlijkheid van terugkeer van dezen quasi

berouwhebbenden zondaar voor oogen gehad en zij was vastbesloten, hem

niet te sparen, maar, indien zij vergeven wilde, een geheel andere

houding tegenover hem aan te nemen, dan de vroegere vol meegaandheid.

„Waarom,” vroeg mevrouw Mourant, zich oprichtend, „heeft de weduwe

Veninga u weggezonden?”

Mourant kreeg een kleur als bloed. Hij had een verhaal verzonnen, dat

hij, als ’t noodig mocht zijn, wilde opdisschen en waarin hij, zoo al

geen schoone, dan toch een eenigszins waardige rol vervulde. Dat

„weggezonden” was hem een klap in ’t gezicht en op geraakten toon

antwoordde hij blufferig:

„Er is geen sprake van.”

„Het is onnoodig er doekjes om te winden. Je zegt dat je een verzoening

verlangt?”

„Dat herhaal ik.”

„Ik kan het alleen gelooven, indien je oprecht bent en niet huichelt of

liegt. Ze heeft je dus weggezonden?”

Het klamme zweet parelde hem op het voorhoofd.

Zoo iets had hij allerminst verwacht, en vruchteloos trachtend zich in

deze pijnlijke omstandigheid een houding te geven, zag hij haar aan met

iets van vrees op zijn gezicht.

„Ik wil,” ging zij voort, toen hij niet dadelijk antwoordde, „de volle

waarheid weten. Zooals je hoort, weet ik er reeds een deel van. Doch

dit zeg ik u: indien ik niet alles van u verneem, wat aanleiding gaf

tot uw komst hier in mijn huis, dan ben ik voor niets te spreken; dan

wil ik van geen verzoening weten; dan gaat de scheiding onverbiddelijk

door.”

Er viel niets tegen te doen, dat zag hij duidelijk in.

C’était à prendre ou à laisser. Een oogenblik streed hij een zwaren

strijd tegen zijn groote ijdelheid, die hier den genadeslag scheen te

moeten krijgen, en zij met haar effen rustig gelaat en kalmen helderen

blik las in zijn geest zooals zij het altijd gedaan had: gelijk in een

open boek.

Eindelijk ving hij hortend en stootend aan met het verhaal van zijn

jammerlijk wedervaren, doch al doende kwam hij meer op streek en van

een opsomming van feiten, werd het allengs meer een klacht dan een

zelfverdediging.

Zoo zwaar het hem gevallen was in den aanvang, zoo luchtte het ten

slotte zijn gemoed en hij verdiepte zich, al pratend, in kleinigheden,

die hij had mogen verzwijgen, maar die het hem nu een droevige wellust

werd in bittere woorden weer te geven.

Geen enkele maal viel zijn vrouw hem in de rede. Zwijgend hoorde zij

hem aan, langer dan een kwartier, en toen hij gloeiend van

opgewondenheid met tranen van woede in de oogen en trillingen van

wraakzucht in de stem, alles en alles had verhaald, toen wist ze, dat

hij de geheele waarheid had gesproken.

„Het moest zoo gaan,” zei ze eenvoudig, nadat hij had uitgepraat; „het

kon niet anders.”

En toen hij haar vragend aankeek:

„Ik heb haar bezocht te Vlietwijk; zonder dat ik haar iets vroeg, zei

ze mij toen reeds, dat ze van je ontslagen wenschte te zijn.”

Mourant boog onder den slag het hoofd. Dat het waar was, wat ze zei,

betwijfelde hij nu niet meer. Wat waren toch de vrouwen!

Er werden niet veel woorden meer tusschen hen gewisseld. Mevrouw

Mourant gaf de verbaasde dienstbode last een kamer voor „mijnheer” in

orde te maken. Hij keerde terug naar ’t hotel om zijn rekening te

betalen en zijn bagage te halen en nog denzelfden avond installeerde

hij zich in het huis zijner vrouw met een onverklaarbaar gevoel van

groote vreugde, dat al de soesa van den laatsten tijd, die zijn

zenuwgestel geweldig had aangegrepen, voorbij was. Voor geen schatten

der wereld had hij die laatste weken nog eens willen doormaken.

„Ziezoo,” zei Jules, na den smadelijken aftocht van zijn tegenstander,

met erg manhafte schreden op en neer stappend: „ziezoo; nu geloof ik

niet, dat dit heerschap het u nog lastig zal maken.”

De waarheid was, dat, toen Mourant zwijgend heenging, hem een pak van

het hart viel. Hij was, van nature, schoon sterk en kloek gebouwd,

zoo’n voorvechter niet; het zou zeer de vraag zijn geweest of hij, had

Mourant zich flink en onverschrokken vertoond, een schitterend figuur

zou gemaakt hebben. Nu hij hem zoo gemakkelijk van de baan had

geslagen, klom zijn moed tot groote hoogte.

„Ik ben er zóó verschrikt van!” zei Henriëtte, inderdaad nog bevend van

het hoofd tot de voeten.

Jules drukte haar aan ’t hart en gaf haar een zoen.

„Het is de moeite niet waard, lieve. Het moest gebeuren. Had ik mijn

zin gehad, dan zou ik, dat weet je, er al veel eer een eind aan hebben

gemaakt.”

„Zou hij het er bij laten?”

„Of hij wat?” vroeg Jules, een weinig ontsteld.

„Of hij je niet zou uitdagen?”

„Dat denk ik niet; maar als hij het deed....”

„O, neen, ik zou het niet gedoogen. Je leven is mij veel te dierbaar,

om het op die wijze in gevaar te zien.”

„Mijn leven,” herhaalde hij verwonderd en gedwongen lachend, „maar

beste Jet, haal je nu geen dwaasheden in het hoofd. Hij zal wel zoo

verstandig zijn, niets van zich te laten hooren.”

Doch de jonge vrouw was maar half gerustgesteld. Zij bezat niet de

scherpzinnigheid en de menschenkennis van een mevrouw Mourant en zij

behield nog altijd een zeker denkbeeld, dat heel conventioneel achter

uiterlijk vertoon innerlijke waarde onderstelde.

Telkens kwam zij ongerust terug op de mogelijkheid, voor haar een

waarschijnlijkheid, dat Mourant de ondergane beleediging zou willen

wreken.

„Beloof me,” drong ze aan, toen Jules haar verliet, „beloof me stellig,

dat je een duel zult weigeren.”

„Dat zou ik onmogelijk kunnen.”

„Lieve Jules,” ging ze opgewonden voort, „ik wil het niet hebben.”

En toen hij zag, dat zij zich weer meer opwond en de tranen haar in de

mooie oogen stonden, deed hij opnieuw zijn best haar gerust te stellen,

ofschoon het ook, door al haar praten, bij hemzelven hoe langer hoe

meer begon vast te staan, dat een cartel hem van den kant van Mourant

te wachten stond.

Van dat idee doordrongen, ging hij niet naar zijn logement, informeerde

in een wapenwinkel naar het adres van den besten Brusselschen

schermmeester, bij wien hij een even dure, als langdurige les op de

sabel nam.

Henriëtte kon, toen hij weg was, haar vrees niet alleen dragen; zij

maakte de bonne, reeds lang haar vertrouwelinge, er deelgenoote van, en

dit had in zooverre een goede zijde, dat het haar meer geruststelling

bracht, dan al de betuigingen van haar aanstaande.

„Celui là!” riep het coquette ding, de handen van verbazing

ineenslaande. „Le vieux? Est-il possible? Mais c’est un gros blagueur,

madame. Il est poltron comme le dernier des derniers!”

En toen haar meesteres nog twijfelde, ging zij geruststellend voort:

„Croyez-moi, madame, je m’y connais. Avec ses grand airs il a peur d’un

rien. Ce ne sera pas lui qui cherchera querelle à msieur Jules.”

Zoo babbelde zij voort en verhaalde al lachend nu en dan hoe Mourant

zich steeds angstvallig had teruggetrokken, als naar haar opinie een

man in zijn omstandigheden tot uitersten van gewelddadigheid behoorde

over te slaan.

„Zie je wel,” zei Jules den volgenden avond, thans volkomen

gerustgesteld en triumfantelijk, „zie je wel, dat ik gelijk heb gehad.

Hij is een blufzak, anders niet.”

Maar Henriëtte, terwijl zij het toegaf, dacht aan het geklap van haar

bonne, die het toch eer en beter scheen geweten te hebben dan hij.

„Ik wou,” vervolgde Jules, den rechterarm uitstekend en met een

beweging als bracht hij een „slag naar ’t hoofd” toe, die zijn

tegenstander moest verpletteren, „dat de kerel den moed had gehad, mij

uit te dagen; hij zou dan van een nog heel andere reis zijn

thuisgekomen.”

Nu het gevaar voor goed was geweken, maakten zij druk werk van de

verwezenlijking hunner plannen. Jules had zijn stukken in orde

gekregen; die van Henriëtte waren compleet; daarvoor had destijds

Mourant gezorgd. Uiterst stil en eenvoudig werd hun huwelijk te Brussel

voltrokken; daartoe gehuurde lieden dienden hun tot getuigen, en kort

daarna vingen zij de groote reis aan naar Indië, waar Jules, wiens tijd

reeds lang was verstreken, met ongeduld werd verwacht; het was meteen

hun huwelijksreis, al had er dat, door de kinderen, niet den schijn

van. Te Marseille aan boord gaand, trof Henriëtte het uiterlijk van een

bijzonder kloek gebouwde jonge vrouw, met een echt Indisch gezichtje.

Ze keken elkaar een oogenblik aan, alsof ze trachtten zich te binnen te

brengen, waar ze elkaar vroeger hadden ontmoet; maar toen ze nog

dienzelfden dag, op de gebruikelijke manier, aan elkander werden

voorgesteld, maakten de namen der wederzijdsche echtgenooten haar niet

wijzer. Van een mevrouw Van Haafte had Henriëtte in haar leven niet

gehoord.

De oude dokter Van der Linden begon er langzamerhand aan te gewennen,

vrij geregeld, maar voor zijn beschikbare middelen toch zeer matig,

door Van Leeuwendaal geëxploiteerd te worden. Wel was zijn kleinkind

nog steeds de lust zijns levens, en zou dat ook wel blijven tot hij

stierf, maar de jongeheer moest trouw naar school en kreeg privaatles

bovendien. Deze opvoeding strookte geheel met des dokters begrippen.

Van die apenliefde, waardoor kinderen tot weetnieten worden

grootgebracht, wilde hij nimmer hooren. En zoo kwam ’t, dat de oude

heer, zijn plicht doende tegenover den knaap, het levensgenot zijner

laatste jaren zeer verkort zag. Hij kon zich soms gruwelijk vervelen.

Lust in uitgaan had hij niet meer; in studie of lectuur nog maar bitter

weinig; een wandelingetje was in een half uur gedaan en in het lieflijk

Hollandsch klimaat meestal verre van aangenaam; in eten, drinken en

rooken moest hij matig zijn en zich ontzien, dat voelde hij het best

aan zijn eigen lichaam. Zoo sleet hij dan den langen dag grootendeels

in de zitkamer van zijn huis, turende door het venster met een

gedwongen belangstelling in kleinigheden, waarover hij vaak zelf vol

ergernis en met minachting de schouders ophaalde. Hij werd oud, zeer

oud. Het teekende zich in zijn trekken en zijn gestalte; zijn vele

campagnejaren, in alle beteekenis, wogen zwaar. Slechts zelden ontving

hij bezoek. De oud-gasten dachten niet meer aan hem; daartoe vertoonde

hij zich te weinig in het publiek; daartoe was hij betrekkelijk te lang

uit Indië. Eens in de week bezochten hem Louise en haar man, de

ritmeester; het waren een soort van plichtmatige bezoeken, waarin nu en

dan wel iets van de oude affectie doorstraalde, maar die toch niet

langer werden gerekt dan strikt noodzakelijk was; hij had iets tegen

Riquelle en deze had iets tegen hem; wat het was, wisten zij niet;

nooit hadden zij onaangenaamheden gehad met elkaar en de ritmeester

behandelde zijn schoonvader steeds met onderscheiding en groote

beleefdheid. Doch juist dat laatste hinderde den ouden heer; hij had

wel eens met dien eenigen man in zijn familie meeningsverschil willen

hebben en daarover gemoedelijk twisten, doch bij de afgepaste manieren

van den ritmeester wilde dat niet gelukken en daardoor was dokter Van

der Linden tot de slotsom gekomen, dat zijn schoonzoon geen meening

had.

Van Leeuwendaal, die intusschen van het pak slaag, door hem opgeloopen,

geheel bekomen was, amuseerde den dokter door zijn dwaas gebabbel.

Het was wel vervelend, dat deze sinjeur altijd om geld kwam, maar aan

den anderen kant was hij een gezellig tijdverdrijf. Het geld, dat deze

verloopen telg van een voorname familie kwam afbedelen, was voor een

zeer bemiddeld man maar een kleinigheid. Niettemin begon dokter Van der

Linden steeds met zich schrap te zetten tegen elken aanval op zijn

beurs en dan smaakte hij het dubbel genoegen der toepassing van het

boléh tawar en van de vermakelijke argumenten, die Van Leeuwendaal

aanvoerde in zijn betoog, dat hij het „parole d’honneur” voor niet

minder doen kon.

De wraakzuchtige plannen van dezen panier percé tegenover de familie

Riquelle traden bij die zonderlinge verhouding ook op den achtergrond;

zij sluimerden in, zonder uit te sterven. Hij kreeg genoeg om het leven

van een „fatsoenlijken” vagebond voort te zetten, maar de pogingen nu

en dan door dokter Van der Linden aangewend om hem op te heffen uit den

modderpoel van zijn bestaan, mislukten. Werd er beproefd hem beter te

kleeden, dan verdwaalde na weinige dagen het nieuwe pak in den lommerd,

wat meer dan eens leidde tot verwoede scènes, die den ouden heer geen

kwaad deden, in zoover hij dan zijn gemoed kon koelen over allerlei

kleinigheden, die hem hinderden in zijn eigen bestaan. Daarbij dacht

ook hij geen oogenblik meer aan de mogelijkheid, die eerst zoo zwaar

bij hem gewogen had, dat Van Leeuwendaal iets zou ondernemen tegen de

familie; dit deed hem te ver gaan.

In een vlaag van buitengewone mildheid had hij Van Leeuwendaal een

zilveren horloge geschonken en bij de eerste aanvraag om middelen kwam

hij tot de ontdekking, dat het den weg der nieuwe pakken was opgegaan.

Het trof dien dag al heel ongelukkig; des dokters maag was van streek

en bovendien had de onderwijzer van zijn lieveling hem geschreven, dat

hij ernstige klachten had over vlijt en het gedrag van dit veel

belovend knaapje. Hij voer geweldig uit tegen Van Leeuwendaal. Het was

een dier heftige attaques van boosheid, die hem in zijn jeugd vaak

hadden overvallen; doch waarvan hij zich op lateren leeftijd had

gecorrigeerd door er een goede dosis cynisme voor in de plaats te

stellen. En Van Leeuwendaal, die ondanks zijn verregaand verval, toch

niet alles kon verdragen, was onder dien vloed van smaadredenen

weggeloopen. Snel stapte hij voort, zooals zijn gewoonte was met de

handen in de zakken van zijn veel getinte overjas en het scherpe,

magere gezicht ver vooruitgestoken. Hij was woedend en al zijn half

begraven plannen van wraak herleefden. Als men hem zóó behandelde, dan

zou men toch eens zien, met wien men te doen had. Te verliezen had hij

niets, zoodat hij er veel op wagen kon. Deze gedachte kalmeerde hem;

hij ging niet naar een of andere kroeg, zooals zijn gewoonte was,

hetzij hij geld had of niet, maar trok zich terug op zijn ellendig

kamertje en zat er uren na te denken over het leed, dat hij die

verwenschte familie Van der Linden kon aandoen met de mogelijkheid dat

er nog wat geldelijk voordeel voor hem viel te behalen, want sneed het

mes niet van die twee kanten, dan zou het toch maar half werk zijn.

Het kostte hem veel inspanning; nu eens bedacht hij dit, dan weer iets

anders en meestal verwierp hij het uit gebrek aan moed. Doch toen hij

dacht aan den kleinzoon, helderde zijn gezicht op. Dat was het teere

punt, voor hem ook het zwakke, en daarin zou hij hen allen treffen.

Het denkbeeld stond hem met dat al maar vaagjes voor den geest. Doch

daarover bekommerde hij zich het minst.

Het kon wel een paar dagen lijden, dacht hij, vertrouwend op zijn

„krediet”. Maar daarin vergiste hij zich. Het feit, dat hij in den

laatsten tijd betaalde en soms zelfs groot geld „op zak” had, werkte

juist in den tegenovergestelden zin; het had zijn op medelijden gegrond

krediet van vroeger totaal ondermijnd. Dat viel hem tegen! Hij moest

toch leven! Hij had behoefte aan eten, rooken en drinken; aan drinken

vooral. Zijn wraakzuchtige plannen streden tegen het meer en meer

opkomend idee naar dokter Van der Linden te gaan en vergiffenis te

vragen. Het laatste vonkje van betrekkelijke eerlijkheid, dat door dien

strijd zelf nog werd bewezen, zou er bij ondergaan. Hij stond stil en

glimlachte. Hoe dwèès! Er behoefde in ’t geheel geen strijd te wezen.

Het een stond het ander volstrekt niet in den weg. Hij zou heel leuk

naar den ouden heer gaan om pèrdon te vragen en te zien wat geld

machtig te worden. Vervolgens zou hij zijn grooten coup slaan.

Maar de oude heer had zijn goed humeur nog niet terug.

„Onbeschaamde ploert!” viel hij uit, waar de dienstbode bij was,

driftig de vestibule instormend, waar Van Leeuwendaal op de mat stond.

„Hoe durf je hier in huis komen!”

„Pèrdon!”

„Ik verbied je een voet meer over mijn drempel te zetten.”

„Pèrdon, dokter. Ik kom mijn excusen aanbieden.”

„Ik heb met jou excusen niets te maken. Je bent ’n laag sujet; ’n door

en door gedemoraliseerd individu.”

„Het is zoo, dokter; het spijt me; ik kan het niet helpen.”

„Wat ’n kerel!” riep de oude heer hoonend, met het hoofd in den nek Van

Leeuwendaal beschouwend door zijn bril. „Hij kan het niet helpen!”

„Parole d’honneur, dokter; het is mijn schuld niet.”

„De mijne zeker!”

„Pèrdon; het is een fout in mijn gestel; een onjuistheid in mijn

appreciatie-vermogen. Ik kan den tijd niet waardeeren; daarom heb ik

nooit ’n horloge kunnen hebben. Als schooljongen heb ik ook altijd mijn

horloge naar den lommerd gebracht. Het is een zwak.”

De oude heer keerde zich om en keek naar de groote klok aan den wand

als moest dit getuigen dat het hem niet ontbrak aan het vermogen den

tijd te waardeeren; metterdaad schoot hij bijna in een lach. Wie had

ooit zulk een dwaas gehoord. Hij had veel komieks in zijn leven

gehoord, maar de zucht tot het verpanden van horloges te hooren

verklaren uit een soort van psychologischen drang, uit een soort van

onweerstaanbaren lust tot het feit zelf, was hem te machtig.

„Je begrijpt wel, dat ik van zulke kinderachtige praatjes niets wil

hooren,” zei hij, zich goedhoudend.

„Dokter!” riep Van Leeuwendaal op kluchtigen toon, pathos parodiëerend,

„wees niet langer boos. Ik beloof beterschap, parole d’honneur! Mag ik

meteen zoo vrij zijn u nog eens aan te pompen! Hm! Tien pop!”

Een oogenblik keek dokter Van der Linden verbaasd en verbluft over zulk

een verregaande brutaliteit, sprakeloos in het smal en mager

vogelengezicht van Van Leeuwendaal met de hoogopgetrokken wenkbrauwen

en de scherpe, lange trekken om den mond. Hij wist niet wat hij doen

zou: hem de deur uitjagen of toegeven aan den opkomenden lust deze

haast eenige gelegenheid om zich te amuseeren niet onherroepelijk weg

te werpen.

„Je bent een echte chevalier d’industrie”, zei hij grommend, maar

inwendig lachend. „Ik moest je eigenlijk door de politie laten

oppakken!”

En Van Leeuwendaal, die zag dat hij het gewonnen had:

„Zeker, ongetwijfeld!”

„Zoo, ben je zelfs dat met me eens?”

„Zelfs dat! Maar verbeeld u, dat ik het liever niet zou willen, voor de

politie. Wat zou zij er aan hebben! Het zou geen aanwinst zijn. Bij de

politie zijn er veel, niet beter dan ik. En wat de horloges

aangaat!....”

Al voortbabbelend met de bedoeling zijn clowns-rol zóó te spelen, dat

de oude heer er heel veel pleizier in had, volgde hij, ongevraagd,

ongeweigerd, dezen naar binnen. En terwijl zijn mond allerlei dwaasheid

sprak, bromde in zijn geest de weder opgewekte woede over de harde en

onomwonden bejegening en vlamden de oude wraakplannen hooger op dan

ooit.

„Ik heb,” zei de oude heer, zoekend onder papieren op zijn

schrijftafel, „een paar oude stukken, die je eens voor me moest

overschrijven.”

„Ik schrijf een leelijke hand.”

„Dat weet ik, maar dan doe je je best maar ’n beetje!”

„Helaas! het helpt niet. Het is toch altijd even leelijk.”

„Nu, het komt er niet op aan; doe het maar.”

„Geloof me, dokter, het gaat niet; mijn schrift is tegenwoordig totaal

onleesbaar.”

„Dus,” zei de oude heer, weer woedend, „dus je bent zelfs te lui om

voor mij, die je, onverplicht, geruimen tijd zoo goed als geheel

onderhoudt; van wien je leeft, wiens parasiet je bent,—om voor mij iets

te copiëeren.”

„Dat is het waarlijk niet, parole d’honneur! Maar heusch, geloof me; u

zoudt er toch maar uw oogen op bederven.”

„Het is wel!”

„Kan ik u met nog iets van dienst zijn?”

„Loop naar den duivel, vent.”

„Dank u. En vooral voor de tien pop. Ik zal ze opschrijven bij de rest,

en als ik nog eens ’n erfenis krijg....”

„Kom, ga nu maar.”

Van Leeuwendaal kocht zich een paar glaasjes cognac en wandelde toen

naar den kant der school van den jongenheer Van Velton.

„Dàg schoone mèègd,” zei hij tot een dienstmeisje, dat den grooten

schelknop en ’t handvat der deur blinkend wreef.

„Kijk hij!” riep de dienstbare met verachting, en in stilte voegde zij

er bij: „zoo’n verloopen mesjeu!”

„Gaat hier een jonkertje Van Velton school?”

„Weet ik het?”

„Als je ’t niet weet, lief kind, wees dan zoo goed en vraag het eens.”

De dienstbode deed het, maar met tegenzin.

Van Leeuwendaal zag haar de lange gang doorgaan en aan het eind daarvan

een deur openen. Een eigenaardig geluid drong tot hem door: een dof

gestommel, waartusschen verwarde menschelijke klanken en gonzend

geschuifel; hij herinnerde het zich uit zijn jeugd; hij had altijd

gruwelijk ’t land gehad aan dat geluid, want het had hem, luien

ondeugenden knaap, nooit iets anders voorspeld dan straf en nog eens

straf.

Er verscheen een jongmensch in ’t vaal en kaal zwart met een bril op en

een keurig gepunt potlood achter het oor: het type van een kweekeling.

Hij bekeek Van Leeuwendaal wantrouwend.

„Wat is er van uw dienst?” vroeg hij.

„Ik kom den jongenheer Van Velton halen.”

„Namens wien?”

„Namens dokter Van der Linden.”

„Meneer Van der Linden laat anders nooit den jongenheer Van Velton

halen.”

„Och kom!” zei Van Leeuwendaal woedend: „ik meende dat hij het elken

middag deed.”

„O ja, na schooltijd; dat bedoel ik niet; ik bedoel: binnenstijds.”

„Dan heeft de grootpa van den jongenheer daarop vandaag een

uitzondering gemaakt. Hij heeft mij verzocht....”

„Ik zal hem halen,” zei de kweekeling, thans gerustgesteld door Van

Leeuwendaals bekendheid met de omstandigheden. „Alleen zal meneer

waarschijnlijk een briefje meegeven.”

Het duurde wel een kwartier eer ’t ventje kwam.

Van Leeuwendaal stond op heete kolen; als de meid van den dokter zich

eens vergiste in den tijd en te vroeg kwam, dan was hij verloren.

Indische menschen in Holland: Oorspronkelijke roman · 第 15 / 17 段