„Dan heb ik weinig kans, dat is waar; doch je hebt me zoo dikwijls

verteld, dat er zooveel hoofdofficieren hier zijn en andere

gepensionneerde hoofdambtenaren, die je nog kent uit den tijd van je

papa.”

„Ja, dat is zoo.”

„Als ik eens naar hen toeging? Want je begrijpt, het is alles een

quaestie van protectie.”

„Ze kennen je niet.”

Hij liep onrustig op en neer. Het denkbeeld uit zijn Haagsche misère te

komen, lachte hem zoo toe! Maar hij was heel jaloersch, en de vraag,

die hem thans op de lippen lag, kostte hem heel veel strijd.

Toen hij haar toch doen zou, kreeg hij er een kleur van, hij wist zelf

niet hoe ’t kwam.

„Als jij eens ging?”

Het viel den jongen ambtenaar erg mee. Corrie toonde geen de minste

verwondering of ergernis. Met haar van nature practischen Indischen

aard, had zij dadelijk ingezien dat dit om te slagen verreweg de beste

oplossing was. Van kindsbeen af had ze te veel menschen gezien om

bepaald verlegen te zijn, al zag ze er tegen op.

„Ik zal het doen, Etienne, maar indien het mocht gelukken, moet je me

één ding vast beloven.”

„En dat is?”

„Zonder dan elke maand een kleinigheid af van je traktement, en laat

dat hier ontvangen door Maas, tot de schuld, die pa aan hem had, is

betaald.”

Hij had er weinig lust in, want hij meende dat dit de plicht van Nelly,

zijn onbekende schoonzuster, was; hij beloofde het echter.

Maar zijn belofte was op dat oogenblik welgemeend. Zij had meer kunnen

vragen, als zij gewild had, want Etienne was overgelukkig door het

welslagen zijner poging om Corrie te spannen voor de lading protectie,

die den kruiwagen vullen moest, welke hem naar de betrekking in Indië

zou rijden. Hij was zoo lief, zoo vriendelijk en zoo zorgzaam voor haar

als in de beste dagen hunner eerste intieme verhouding. Corrie sloeg er

geen acht op; zij was vol van het denkbeeld der démarches, die zij doen

moest, en zij had geen veelzijdig verstand genoeg om, als haar één

gedachte vasthield, op andere bijzonderheden te letten.

„Ik geloof,” was het eerste, dat zij den volgenden ochtend zei, „dat ik

het beste doe met de Van Stralens te beginnen.”

„De kolonel Van Stralen,” zei Etienne om iets te zeggen, en met een

eerbiedigen klemtoon op den hoofdofficiers-rang.

„Het is te hopen, dat ik hem thuis tref. Ik zal daarom wat vroeger

gaan, dan mama er destijds heenging, want die kwam altijd eerst, als de

oude heer naar de sociëteit was.”

Etienne had een idee; of het uit zijn eigen slimheid voortkwam, dan wel

een puntje jaloezie hem stak, had hijzelf niet kunnen uitmaken, maar

hij zei met een erg leep gezicht: „Misschien kon het geen kwaad als je

eens eerst met haar sprak.”

Zij gaf het hem toe; dat was wellicht nog het verstandigste en op

denzelfden tijd van den dag, dat haar moeder zoo dikwerf vol hoop op de

fortuin van het spel de schel had doen weerklinken in de marmeren gang

der Van Stralens, drukte Corrie op den koperen knop.

Een klein beetje in verwarring trad mevrouw Van Stralen, die juist in

de bekende kamer haar dames-partners bijeen had om het gewone spelletje

aan te vangen, de benedenzijkamer binnen, niet wetend welke vreemde

bezoekster haar overviel op dit ongewone uur, want schoon Corrie haar

bij het huwelijk de gebruikelijke kennisgeving had gezonden, was de

naam van Van Haafte haar volkomen ontgaan en het zien van Corrie maakte

haar niet wijzer.

„Met wie heb ik het genoegen te spreken?” vroeg ze koel.

„Kent u me niet meer?” vroeg Corrie, teleurgesteld: „mijn papa was de

kapitein Roos.”

„Och wat! ben jij een van de meisjes Roos....? Ja, nu herinner ik mij;

je bent eenigen tijd geleden getrouwd, en hoe gaat het je?”

„Wat zal ik u zeggen, mevrouw?” antwoordde Corrie glimlachend: „mijn

man is een jong ambtenaar en de traktementen hier in Holland....”

Mevrouw Van Stralen begon te lachen. „Ja kind, dat begrijp ik; dat is

misère ouverte.”

Zij voorzag een aanval op haar beurs en hoe onaangenaam dat ook is in

gewone omstandigheden, schrikte het haar thans niet af; zij had nog

genoeg sympathie voor haar gestorven vriendin om iets voor de dochter

over te hebben.

Toen Corrie haar echter verteld had waarom het te doen was, kwam zij

geheel in haar humeur; zij vond het heel verstandig van het jonge

vrouwtje, dat zij niet had geaarzeld de hulp in te roepen van goede,

oude relaties, en het getuigde naar hare meening gunstig voor het

karakter van den jongen man, dat hij het er op durfde wagen de groote

wijde wereld in het Oosten in te gaan, in plaats van als een huismusch

te willen leven en sterven onder den rook der schoorsteentjes van zijn

geboorteplaats.

Het maakte haar zoo warm, dat zij in een opwelling van haar goed hart

zich de zaak geheel aantrok; verklaarde, dat Corrie geen moeite meer

hoegenaamd behoefde te doen, want dat zij, mevrouw Van Stralen, alles

in ’t werk zou stellen om Van Haafte het baantje te bezorgen.

„Maar, zie je kind, de kolonel heeft zijn eigenaardigheden; hij zou

voor iemand door het vuur gaan, maar hij wil altijd graag zelf gekend

wezen. Kom daarom nu morgenochtend, om een uur of tien, nog eens terug

en vraag het hemzelf ook.”

Met die blijde boodschap reed de jonge vrouw met de paardentram naar

haar dorpje, en den volgenden morgen zat zij precies op tijd tegenover

den kolonel, die met zijn vrouw in de huishoudkamer het ontbijt

gebruikte. Zij moest haar hoed en haar mantel af doen en mee aanzitten;

de dochter van een oud krijgskameraad mocht, zei de kolonel, geen

vreemde in zijn huis zijn. Hij behandelde haar met die eigenaardige,

hoffelijke vriendelijkheid, waarover zijn vrouw altijd in stilte lachte

en die, zoo zei ze, tot de streken behoorde, welke hij niet verloor, al

raakte hij zijn haren kwijt.

Toen zij had verteld, wat de kolonel trouwens reeds achter de gordijnen

hoogst uitvoerig van zijn vrouw had vernomen, trok hij voor een

oogenblik het passend bedenkelijk gezicht, dat elke gedachte aan

luchthartigheid moest uitsluiten.

„Er zal een zware wijs opgaan, mevrouwtje; ik heb er al van gehoord.

Slechts enkele plaatsen en, zooals het gaat, veel liefhebbers!”

„Ja, kolonel, dat is zoo,” gaf Corrie toe met haar gemoedelijkst

lachje, „maar toch als u, met uw vele relaties en hooggeplaatste

vrienden en kennissen, uw best voor ons zoudt willen doen, hadden wij

zeker een mooie kans.”

De kolonel was opgestaan. Hij klopte haar vaderlijk met de hand op den

gevulden schouder. Het was nu eenmaal zijn oude zwak: als hij een

jonge, knappe vrouw zag, kon hij moeilijk zijn handen heelemaal

thuishouden. En hij lachte haar allervriendelijkst toe met scherpe

mondtrekking onder zijn grijze knevels en erg geteekende ganzenpootjes

naast zijn oogen.

„Wel,” zei hij, „we zullen ons best doen, dat spreekt vanzelf, en je

moet maar nu en dan hier bij mevrouw komen informeeren, wat je man te

doen staat. Zijn request heeft hij natuurlijk al verzonden?”

Corrie wist dat eigenlijk zelf niet, maar zei gemoedelijk: ja, en zij

ging heen tot aan de deur begeleid door den gevoeligen ouden heer,

wiens welwillende hand en vinger zij nog voelde, toen zij reeds op het

trottoir was. Het beviel Etienne maar half. Aan den eenen kant was hij

blij, dat het geloop van zijn vrouw bij al die oud-gasten, over het

algemeen voor niet heel onschuldig gehouden, zoo spoedig ten einde was;

maar overigens vreesde hij, dat, door alles aan die familie Van Stralen

over te laten, het doel niet zou bereikt worden. Corrie bestreed zijn

tegenwerpingen. Zij stelde een onbeperkt vertrouwen in de slimheid en

den invloed van mevrouw „de kolonelsche” en daar Etienne inderdaad zijn

verzoekschrift reeds aan den minister had verzonden, was zij na

tweemaal vier en twintig uren weer bij haar beschermster, om te

vernemen, of haar man ook „stappen” moest doen.

De geheele kleine kring der familie Maas en der Van Haaftes was in rep

en roer. Het was een feit en het stond in alle couranten: Etienne was

benoemd als ambtenaar in Indischen dienst. Driehonderd en vijftig

gulden in één enkele maand! Vier duizend en tweehonderd gulden in één

jaar! Als de eerzame mandenmaker zich deze som voorstelde in den vorm

van gevlochten mandjes en korfjes, dan duizelde hij er van. Al die

kleine burgerlieden, die in hun kring van zulke inkomsten voor jonge

mannen nooit hoorden, keken Etienne, die zelf half gek was van vreugde

en zenuwachtige opgewondenheid, aan, alsof hij een wonderdier was,

waaraan noodwendig iets bijzonders moest te zien zijn, dat zij te voren

nooit bij hem hadden opgemerkt.

Maar voor elkaar wilden zij dat niet weten en zelfs zij, die Etienne

voor nooit iets anders hadden gehouden dan een „kwast”, waarin niets

dan dwaasheid stak, verklaarden nu het luidst, dat zij altijd wel

gedacht hadden, dat er „iets” in hem zat en hij het ver in de wereld

zou brengen. In de eenvoudige woning op het dorpje Rijswijk heerschte

een gestadige drukte, die Corrie, toch zelf reeds opgewonden door het

vooruitzicht haar vaderland weer te zien, somtijds het hoofd geheel

deed verliezen. Den ganschen dag snorden de naaimachines, brachten

winkelknechts stukken goed van allerlei soort en werd tot in het

oneindige gedisputeerd over de „uitrusting” en wat daarvoor noodig was.

Etienne moest zich bij elk bezoek van familieleden, kennissen en

confraters van zijn departement in een andere kamer gaan verkleeden en

kwam dan terug in zijn onmogelijk wijden kabajo en dito slaapbroek, tot

groote hilariteit van allen en in de eerste plaats van hemzelf, doch

met uitzondering van Corrie, die zoo trouw mogelijk de modellen had

gevolgd van wijlen haar vader, den ouderwetschen, groot- en

zwaargebouwden kapitein Roos. Hoe die roezige tijd vóór het vertrek

naar Indië verliep, wist ze zelve niet; maar zeker is het, dat ze op

den bepaalden ochtend met man en kind en een groote hoeveelheid bagage,

in een waggon zat van een trein, die het station van den Hollandschen

spoorweg zou verlaten; dat er velen op het perron stonden, afscheid

nemend met vertoon van aandoenlijkheid, waarbij kwam een groote mate

van eerbied voor de jonge vrouw, toen de deftige kolonel Van Stralen en

zijn echtgenoote ook even verschenen om den vertrekkenden vaarwel te

zeggen.

Te Nieuwediep lag het groote stoomschip, waarmee ze de reis zouden

maken. Al de herinneringen uit haar kinderjaren waren bij Corrie

levendig geworden. Zij vond het niets vreemd aan boord en installeerde

zich met haar kleine in de voor hen bestemde hut, zonder iets te vragen

of ergens aanmerking op te maken, zich schikkend in bekende

omstandigheden. Maar voor den Hèègschen jongen bureau-ambtenaar, die

nog nooit een voet had gezet op een mailboot, was het zoo overstelpend

vreemd, dat hij nauwelijks goed wist, wat hij zei en deed, en in zijn

verwardheid een van verlof terugkeerenden luitenant-kwartiermeester

aansprak voor den administrateur. En toen het oogenblik kwam, dat de

trossen werden losgeworpen, het schip met zachte schommeling van den

oever deinde, den afstand van het land met elke seconde vergrootend;

toen van het wachtschip het volkslied in schetterende tonen weerklonk

en de Jantjes in het want een luid hoezee! aanhieven, toen werd

Etienne, leunend over de reeling, bleek als een doek; een gevoel van

angstige beklemdheid maakte zich van hem meester en, hij wist zelf niet

hoe ’t kwam, maar de tranen schoten hem in de oogen en zijn sigaar

ontsnapte zijn bevenden vingers. Doch Corrie was niet aan dek; zij was

bezig met haar kind en met haar goed beneden in de hut; zij hoorde wel

aan het geluid daarbuiten, dat men de reis aanvaardde, doch wat

daarachter bleef was niets voor haar, en de oogenblikken van geluk en

genot, dáár genoten en gesmaakt, wogen te weinig op tegen de zorgen en

het verdriet, dan dat zij iets er voor zou hebben gevoeld bij haar

terugkeer naar het groene land der zon, waar zij haar vroolijke,

onbezorgde eerste jeugd in het toen zoo gelukkig ouderhuis had

doorgebracht.

Verwezen tuurde Nelly op het bericht onder het mail-nieuws in de

courant, die haar man met een collega samen las. Op het eerste lijstje

der benoeming van het, zooals men het in Indië noemde, „nieuwe

factuurtje geïmporteerde ambtenaren,” had zij niet zoozeer gelet. Maar

nu zij in de passagierslijst van den naar Indië vertrokken stoomer las:

„E. Van Haafte, echtg. en één kind”, kwam het denkbeeld bij haar op,

dat die „echtgenoote” niemand anders wezen kon dan haar zuster. Zij

informeerde te Batavia waar zij maar eenigszins kon, doch niemand

maakte haar wijzer, tot een brief van Corrie zelf, kort en inderhaast

geschreven, haar zekerheid gaf.

Toen moest ze er toch om lachen.

„Zoo’n nest,” zei ze tot haar man; „ik had nooit gedacht, dat er nog

iets van zou terechtkomen.”

En hij met een cynischen glimlach:

„In Indië komt alles terecht!”

Het was dien dag, wat men noemt, allergemeenst weer. Het anders zoo

vroolijke en vriendelijke Brussel met zijn kleurrijke en opgesmukte

winkelgevels en zijn levendige drukte in de hoofdstraten, zag er

naargeestig en grauw uit. De regen viel kletterend neer op het

plaveisel der trottoirs en rommelde op de regenschermen der

voetgangers, die zich zoo snel zij konden door de straten spoedden.

Onder de reusachtige marquise van het station du Nord, die nog voor een

deel het dofgrauwe daglicht onderschepte, was het kwartduister, en

overal droegen reizigers en bedienden de natte sporen door de lokalen

over het perron en in de drukkende en benauwde atmosfeer verspreidde

zich de duffe, onaangename geur, die dampte uit het natte hout der

waggons van aangekomen treinen, uit de druipende dekkleeden en uit de

vochtige lading der open véhikels.

Met den kraag van zijn demi-saison hoog opgeslagen, de dampende sigaar

voortdurend in den mond en de handen diep in de zijzakken verborgen,

stapte Mourant ongeduldig het perron op en neer, het oogenblik wachtend

dat de trein naar Holland zou vertrekken.

Hij zag er bleek en vervallen uit en al hield hij uit jarenlange

gewoonte iets aangeleerd deftigs in zijn houding, toch kon men het hem

aanzien, dat hij in den laatsten tijd onevenredig verouderd was.

Alles tusschen hem en Henriëtte was uit, voor goed uit.

Toen hij de laatste maal een poging had aangewend om haar te spreken te

krijgen, was hem dat alleen gelukt op een soort van

deurwaardersbriefje, waarin hij haar in bijna officiëele termen als het

ware sommeerde, hem in zijn hoedanigheid van voogd over haar

minderjarige kinderen, te woord te staan.

Zij ontving hem alleen en ofschoon hij dadelijk aan haar gezicht had

gezien, dat er hoegenaamd geen hoop bestond op herstel hunner vroegere

verhouding, had hij toch na eerst gesproken te hebben, zoo kalm en

bedaard dat mogelijk was over de belangen der kinderen, een laatste

poging tot toenadering gedaan. Dat het een kapitale dwaasheid was,

gevoelde hij toen en betreurde hij nu, maar het was hem onmogelijk

geweest anders te handelen. Terwijl hij daar tegenover haar zat

overstelpte hem de gedachte, dat al zijn droombeelden voor de naaste

toekomst, ook zijn finantiëele, zoo plotseling en geheel onverwacht

waren vernietigd, en toen hij gereed was met zijn mededeelingen en haar

de stukken overhandigde, die betrekking hadden op zijn voogdij en het

beheer van haar vermogen, waarom hij met bevende hand weer het bruin

elastiek sloeg, dat ze bijeenhield, loosde hij een diepen zucht en zag

haar smeekend aan.

Het baatte niet; het kon niet baten.

Ware zij een man geweest, een vroegere vriend, dan had er sprake kunnen

zijn van medelijden; thans trof hem slechts uit twee groote koude

zwarte oogen een blik vol haat en minachting. „Henriëtte,” zei hij, „is

’t mogelijk, dat alles zóó moet eindigen?”

Zij trok even ongeduldig de schouders op.

„Heb je,” vervolgde hij, toen er geen antwoord kwam, „alles goed

overdacht?”

„Er valt niets te overdenken,” zei ze snibbig.

„Meen je dat inderdaad? Geloof je werkelijk met dien jongen man

gelukkig te kunnen zijn?”

Zij had hem half den rug toegekeerd en staarde, spelend met een der

cordelières van de staatsiegordijnen, uit het venster.

„Wij zijn geëngageerd en als de stukken in orde zijn, trouwen we.”

„Dat weet ik, dat heb je me doen weten. Maar het is geen antwoord op

mijn vraag.”

„Mij dunkt van ja. Wat zoudt u nog verder dienen te weten?”

„Ik vroeg, of je kunt veronderstellen, een gelukkig leven te zullen

leiden met dat jonge mensch, die alles weet.”

„Hij is een fatsoenlijk man,” zei ze met emphase, „een man van eer!

Bovendien: wat gaat het u aan, als ik u tòch niet hebben wil?”

„Het gaat mij aan, Henriëtte, omdat ik u liefheb, omdat wij elkaar

hebben liefgehad en omdat ik beloofd heb een vader te willen zijn voor

uw kinderen.”

„Dáár zou ik me op beroepen,” zei ze schamper lachend en hem haar

gelaat toekeerend, waaruit woede en haat spraken.

„Of hij fatsoenlijk is en een man van eer, laat ik in ’t midden. Het

kan zijn dat hij thans de beste bedoelingen heeft; doch wat zal later

het geval zijn, als het eerste vuur gedoofd is; als er kleine

verschillen ontstaan en de herinnering, die hem nooit geheel verlaten

kan, opkomt aan de verhouding tusschen u en mij!”

Mourant had haar ongetwijfeld getroffen in een zwakke zij, doch hij was

te veel advocaat geweest in zijn betoogtrant en had er geen rekening

mee gehouden dat hij voor een zaak stond, die met geen logische

redeneering te winnen was. Het was als olie in het vuur.

„Jij,” stoof ze op, „jij rekent alle menschen naar jezelve. Hij is geen

gemeene kerel! Hij is iemand met een goed hart, in wiens schaduw je

niet staan kunt met al je mooie praatjes. Hij zal me niet ongelukkig

maken, zooals jij het je goeie arme vrouw hebt gedaan.”

Tranen van woede waren haar in de oogen gesprongen en terwijl Mourant,

door den hevigen uitval een oogenblik van zijn stuk gebracht, niet wist

wat te antwoorden, nu deze bom was gesprongen in zoo geheel verkeerde

richting, ging een zijdeur open en trad Jules driftig en bleek de kamer

binnen en op Mourant toe.

„Hebt u hier,” vroeg hij op hoogen toon, „uw zaken als voogd van de

kinderen afgedaan?”

Mourant had zijn tegenwoordigheid van geest herkregen. Zij stonden

dicht voor elkaar, man tegen man, en zagen, als leeuwen gereed toe te

springen, elkaar in de oogen.

„Ik weet niet,” zei Mourant, „dat ik u daarover eenige opheldering zou

schuldig zijn.”

„Het raakt me niet, wat u weet. Ik heb u alleen te zeggen dat mevrouw

Veninga mijn aanstaande is.”

„Dàt raakt mij niet.”

„En ik zeg u er bij, dat ik niet verkies, haar door u lastig te zien

vallen.”

„Wat u verkiest,” zei Mourant, thans op zijn beurt erg uit de hoogte,

„doet hier niet ter zake. Dit is het huis van mevrouw en zoo ik hier

kom, om zaken met haar te bespreken, zou het gepast zijn als vreemden

zich daarbuiten hielden.”

De jonge man, die zich meer en meer opwond en begreep, althans

gevoelde, dat hij tegenover Mourant met praten het veeleer zou

afleggen, dan verder komen, greep onverhoeds een glas water, dat er als

het ware voor klaar stond op een guéridon, en wierp het Mourant met

volle kracht in het gezicht.

Het was een armzalige figuur, die de man van eenigszins gevorderden

leeftijd daar maakte. Zijn met zooveel zorg opgekamde bakkebaarden

hingen hem als een paar natte haarkrullen aan ’t gezicht en groote

waterdroppels liepen snel van de punt van zijn spitsen neus. Hij rukte

een foulard uit zijn borstzak, wreef snel zijn oogen uit en droogde

zijn gezicht. Toen hij weer zien kon, was het eerste, wat zijn blik

trof, het opgewonden gelaat en de gloeiende oogen van den minnaar

zijner vroegere minnares, die hem toesnauwde:

„Je kunt nu verder van me krijgen wat je hebben wilt; mijn adres is

bekend; maak nu, dat je weg komt en zet hier geen voet meer in huis of,

zoo waar als God leeft, ik trap je de deur uit.”

Zonder een woord te spreken ging Mourant heen. Met die scène was alles

uitgeweest; voor goed uit.

Terwijl de trein voortvloog tusschen de onafzienbare rijen, tot dwergen

getopte, pereboompjes, die de bermen van den weg begroeiden, was het

weer helder geworden, en vroolijk speelde het zonlicht op de natte

blaren van het geboomte; maar in de donkere stemming, waarin Mourant

verkeerde, was geen verandering teweeggebracht. Hoe meer hij nadacht,

leunend tegen de harde kussens van den weinig comfortabelen Belgischen

spoorwegwaggon, des te bitterder werden zijn conclusiën. Dat Henriëtte

zich tegenover hem had schuldig gemaakt aan de zwartste ondankbaarheid,

was voor zijn zelfgenoegzamen aard een onbetwistbaar feit. Maar er was

meer. Langzamerhand begon hij tot de overtuiging te komen, dat het toch

eigenlijk van hem had afgehangen aan alles een anderen loop te geven.

Hij begreep nu, rustig en stil neerzittend in den coupé, volstrekt niet

hoe het mogelijk was, dat hij zich door het brutaal optreden van dien

jongen „sinjo” zoo uit het veld had laten slaan. Thans buiten de

omgeving, waarin hij zich den laatsten tijd bevonden had, thans alleen,

had hij grooten moed en hij dacht er zelfs een oogenblik aan op een der

tusschenstations uit te stappen en naar de hoofdstad terug te keeren.

Doch hij deed het niet. Ondanks zijn groote ingenomenheid met

zichzelven begreep hij wel, dat hij een al te dwaas figuur had gemaakt;

onherstelbaar dwaas!

En wat nu? Toen hij zoover was met zijn gedachtenloop, ontsnapte hem

een luide zucht, die door het rammelend spoorweggedruisch heen, het oor

scheen te bereiken van den in een Belgischen spoorwegwaggon

onvermijdelijken geestelijke, die stil en zonder op te zien zijn

getijden las, maar nu eensklaps gestoord scheen en een oogenblik den

deftigen heer in het hoekje aankeek. Mourant wierp hem een grimmigen

blik toe; hij had zoo’n hekel aan die heeren, al hadden zij hem nooit

iets in den weg gelegd!

Het was reeds laat in den namiddag, toen hij in Den Haag aankwam; toch

stond hij op het punt in een vigilante te stappen, zonder een bepaald

plan, zonder dat hij de vraag: waarheen? voor zichzelven had beslist.

Hij noemde den koetsier den naam van een hotel, omdat hij den man, die

met een gezicht als een vraagteeken van den bok naar beneden keek, niet

op een adres kon laten wachten.

Maar hij deed het machinaal en zonder overtuiging, en met loomen tred

volgde hij in het logement den kellner, die hem, met drie treden te

gelijk, voorsprong naar zijn kamer op de bel étage. Den ganschen avond

liep hij het voor een hotel fraaie, doch als in een hotel ongezellige

vertrek op en neer, sigaren rookend en champagne drinkend, om zijn leed

te verzetten en het gevoel van diepe onbehaaglijkheid te verdrijven,

dat hem nooit zoo had beheerscht, als dien ganschen langen dag en dat

hem den volgenden ochtend, na een nacht vol looden slaap, bij het

eerste ontwaken dadelijk weer overviel. Reeds vroeg ontbeet hij in de

eetzaal, geheel tegen de gewoonten der soort van gasten, die hier hun

intrek namen. Hij was blij, toen hij op straat was en de koele wind der

zeestreken hem verfrischte. Mourant wandelde in de richting van zijn

oude huis; het huis, waarin zijn nu verlaten vrouw woonde; maar nog

voor hij er aankwam, zag hij met verbazing, dat er een huurbordje

uitstak. Toen verwonderde hij zich over zijn verwondering. Het was

immers de natuurlijkste zaak der wereld, dat zij alleen niet was

blijven wonen in zulk een betrekkelijk ruim huis; hij had dat als ’t

ware op de vingers kunnen narekenen, doch hij rekende zoo weinig met

wat zijn vrouw betrof, dat de gedachte geen oogenblik bij hem was

opgekomen. Nu liep hij er voorbij en keek nieuwsgierig door de

spiegelruiten naar binnen in de holle, leege benedenkamers. Waar zou

zij gebleven zijn? Het scheen voor ’t oogenblik moeilijk dit te weten

te komen, hoe uiterst gemakkelijk dat metterdaad was.

Zij had een advocaat, wiens naam en adres hem bekend waren, en naar

diens kantoor wandelde hij heen.

Een uur later stond hij voor een nette eenvoudige woning aan den

Bezuidenhoutschen weg en schelde aan.

Het dienstmeisje, dat hem open deed en hij te voren nooit gezien had,

scheen van hem te schrikken.

„Is mevrouw thuis?” vroeg hij op den afgemeten toon, dien hij altijd

aannam tegen minderen.

Indische menschen in Holland: Oorspronkelijke roman · 第 14 / 17 段