Het was de oude geschiedenis. Bij al zijn boosheid overviel den dokter

een onweerstaanbare lachlust om den dwazen vent; maar hij hield zich

goed.

„Geen cent,” zei hij barsch en wilde in zijn rijtuig gaan.

Doch de andere hield hem vast bij zijn jas.

„Kom dokter, wees niet chicaneus; tien pop, ziedaar; tien pop en een

lekkere sigaar. Ik weet niet meer hoe die smaakt, parole d’honneur!

en,” zei hij zachter, „ik heb honger ook.”

De oude heer voelde in zijn vestzak, haalde er een gouden tientje uit

en stopte het in de lange knokkelige hand.

„Merci! En nu de sigaar.”

„Loop naar den duivel.”

Dokter Van der Linden wipte in zijn coupé, waar het kind reeds in een

hoekje zat gedoken, en sloeg de deur met een harden slag dicht.

Ronduit gezegd was dit een waardig einde van dien onaangenamen dag. Hij

had niet kunnen weigeren op dat woord: honger, dat zoo’n naren klank

had; maar het was een dwaasheid geweest. De vent zou hem wel weer weten

te vinden; hij was te zeer een panier percé en te goed geslaagd met die

tien gulden om het bij deze eerste poging te laten. Wat daartegen te

doen? De politie? Maar och, dat was ook al zoo moeilijk. De heele oude

geschiedenis, met dien Van Leeuwendaal te Batavia voorgevallen, stond

hem nu weer helder voor den geest. Ze was reeds lang in ’t vergeetboek

geraakt. Men sprak er niet meer van en zou er wellicht nooit meer over

gesproken hebben, als dat akelig individu daar niet onverwacht en van

slechter conditie dan ooit, uit de lucht kwam vallen. Een diepe zucht

ontsnapte den dokter. Het was een beroerd geval. Nog denzelfden avond

schreef hij aan Louise:

„Kindlief! Hedenavond ben ik aangehouden en om geld gevraagd door dien

Van Leeuwendaal. Mocht hij zich ook tot u wenden, zeg hem of laat hem

zeggen, dat gij hem niet te woord staat. Vroeger was hij een dwaas, nu

is hij een gemeen sujet geworden, waarmede een vrouw als gij zelfs geen

gesprek kunt voeren. Je Pa.”

Het was volstrekt niet overdreven en dokter Van der Linden was goed

ingelicht.

Toen Van Leeuwendaal terugkwam bij zijn ouders met zijn kort, maar naar

zijn meening hoogst interessant avontuur in Indië, dacht hij er minder

dan ooit aan iets ter hand te nemen. Hij slenterde rond, kroeg in,

kroeg uit, flaneerend langs de straten, burger- en dienstmeisjes

bewerkend met monocle en badientje, en eindelijk, toen zijn ouders

gestorven waren en ’t beetje geld op was, toog hij naar Amerika. Hij

speelde er den schuimlooper een jaar of wat lang, tot dat nergens meer

goed ging, en kwam terug naar Europa. Eerst trad hij op te Londen,

leefde er goed van, doch werd op een zeer onbehoorlijke manier

betrokken als medeplichtige in een valsche wisselzaak. Dit bracht hem

een paar jaren in de gevangenis, en dit knakte hem naar het uiterlijk

zóó, dat haast niemand hem herkende en men er over verbaasd moest

staan, dat zulk een hoogst ordinair uitziend individu ooit een swell

was geweest. Nog teerde hij op zijn naam, die bekend was, en zijn

titel; nog waren er kroeghouders, gewezen livreibedienden of

kamerdienaars, die zich herinnerden hoe zij voor hem als kind en voor

zijn familie, met nederige buigingen de deur hadden geopend, en die het

niet over hun hart konden krijgen hem krediet te weigeren, al wisten

zij ook, dat hij nimmer zou betalen.

Op een goeden dag, slenterend langs de straten, zijn eenig bedrijf, zag

hij mevrouw Riquelle. Hij twijfelde; ook zij was veranderd, schoon niet

zoo ongunstig; zij was dik geworden, en ze scheen nog veel dikker door

haar „omstandigheden”, welke zij rustig, zonder vertoon, maar ook

zonder terughoudendheid, droeg; hij liep haar vooruit en toen weer

terug; toevallig keek ze hem aan; nu twijfelde hij niet meer; zij was

het, maar ze had hem niet herkend, en hij miste den moed haar aan te

spreken. Doch hij had nagedacht en geïnformeerd, en hij had ingezien

dat dit voor een chevalier d’industrie als hij, een waar buitenkansje

was, een melkkoetje, dat in geen jaren zou opdrogen.

Zoo had hij eenige dagen rondgegluurd en geloerd.

En eindelijk, zijn kans schoon ziende, had hij den dokter gesnapt en

met betrekkelijk goed resultaat. Hij wreef het gouden tientje tusschen

zijn mageren duim en wijsvinger. ’t Was zoo’n aangenaam gevoel. In geen

maanden had hij goud in zijn handen gehad!

Voor het venster van een winkel, waaruit een breede lichtbundel zich

krachtig naar buiten verwijdde, veegde Van Leeuwendaal met groote zorg

zijn rossigen hoed en sloeg hij de pluisjes van zijn kale jas; toen

liep hij met zijn kromme, naar binnen gebogen magere beenen snel de

Plaats over en trad vast besloten de restauratie van Van der Pijl

binnen. Er zaten verscheiden gasten, waaronder die Van Leeuwendaal en

zijn verleden op hun duimpje kenden. Het waren meer verwonderde en

medelijdende blikken, die hem troffen, dan boosaardige, zelfs van den

kant des ouden kellners. Hij zette zijn hoed af; in die weinige jaren

had hij zijn ganschen haartooi verloren; zijn schedel glom als een

spiegel.

Toen hij op zijn ouden toon een matig dinertje bestelde, liet hij

gemakshalve den bediende ’t goudstuk zien; toen werd hij in dit

établissement, waar hij ook meer schuld had dan krediet, bediend. Hij

at geweldig, en de oude knecht, die toekeek, had zulk een medelijden,

dat hij desnoods voor hem zou betaald hebben. Van Leeuwendaal keek daar

niet naar,—wie bekommerde zich om knechts! Hij riep, toen hij voldaan

was, om een havana, stak die aan, slurpte een likeurtje en stak zijn

beenen voor zooveel mogelijk rechtuit onder de tafel.

En al „savoureerend”, zooals hijzelf zou gezegd hebben, van het een in

het ander, met een lichten nevel om zijn geest en een sterke neiging

tot slaperigheid, trachtte hij er over na te denken, welke middelen hem

ten dienste stonden om de Van der Lindens verder te exploiteeren.

Hij zou haar bang maken, en dan zou zij wel moeten afschuiven; niet dat

hij het doen zou op brutalen, dreigenden toon,—volstrekt niet. Daartoe

was hij te veel gentleman; men moest nooit onbeschoft zijn tegen de

dames. Hij zou zeer nederig verzoeken op zijn manier, en dan zou zij

toch wel gevoelen en begrijpen, dat een fatsoenlijke dame zich geen man

tot vijand maakt, die, toen ze nog jong meisje was, ’s nachts, terwijl

ze sliep, bij haar in de kamer is geweest. Er was wel niets gebeurd,

maar toch: iedereen kon het zijne er van denken, en de graaf Riquelle,

officier der cavalerie, zou zeker niet gesticht zijn als hij er van

hoorde; Van Leeuwendaal gevoelde zich niet op zijn gemak toen hij dacht

aan dien ritmeester, die hem zoo nijdig had aangekeken, en die volkomen

in staat was hem een geweldig pak slaag toe te dienen. Doch zij kon wel

zwijgen en opdokken; hij had haar in zijn macht; ’t was maar te doen om

een handig gebruik te maken van wat hij wist.

Langzaam en met tegenzin stond hij op en betaalde. Er werd in het

fatsoenlijk établissement zelfs geen poging gedaan om hem ’t geld op

afrekening zijner oude schulden in te houden; wat er na de vertering

over was, kreeg hij terug; recht liep hij naar de overzijde een stil

koffiehuis binnen, waar hij plaats nam achter het groene gordijn, dat

hen, die voor het venster zaten, in de duisternis hield en dus onttrok

aan de blikken der voorbijgangers; hij dronk er eenige glazen bier en

een paar grogjes, en ging toen eenigszins zwaaibeenend naar wat hij

zijn huis moest noemen; een armzalig zolderkamertje in een hoog,

vervallen huis door tal van gezinnen bewoond, dat in de oude stad stond

en bekend was in de wandeling als de „Arke Noachs”.

Baron Van Leeuwendaal liet zich maar half ontkleed in het bed vallen,

kroop tusschen het vuile beddegoed en sliep, dank zij den sterken

drank, weldra vast genoeg om geen last te hebben van talrijke gasten,

die gymnastiek maakten tegen de bedgordijnen.

En toen hij reeds sliep, droomend van een lui en lekker leven, zat

Louise nog op, ongerust en zenuwachtig over dat briefje van haar vader.

Maar zij was het daarmee niet eens.

Een passieve houding strookte, als er iets bijzonders te doen was, in

’t geheel niet met haar aard. Zij had allerlei plannen bedacht om

handelend op te treden en weer verworpen.

Toen ze haar man van een vergadering hoorde thuiskomen, waarin

militaire zaken werden besproken, bergde zij ’t briefje weg en

veranderde de uitdrukking van haar gezicht.

„Het heeft lang geduurd,” zei ze.

„Ja, maar ’t was zeer interessant; een lezing over de ontwikkeling van

het paard.”

„Nu, dat zal jij wel mooi hebben gevonden.”

„Natuurlijk.”

„En wat vertelden ze?”

Het interesseerde haar niets, maar zij kende zijn liefhebberij voor

paarden, en ze wist hoe graag hij er over sprak, als hij meende haar

niet te zullen vervelen. Zoo verviel hij nu ook in een uitweiding over

tal van bijzonderheden uit het leven van veulens, waarbij zij

aandachtig luisterde, met moeite den drang tot geeuwen bedwingend.

„A propos, ik heb dien kerel gerecommandeerd,” zei hij, toen zijn

mededeelingen gedaan waren.

„Wien?” vroeg zij verschrikt.

„Wel, dien ploert, die ons altijd zoo brutaal fixeert en soms hier om

het huis draait.”

„Je hebt toch geen aangifte.....”

„Bij de politie? Neen, merci, mijn beste! met de politie,” zoo

vervolgde hij op den toon der diepste verachting, die een hooggeboren

Hagenaar voor de politie koestert, „wil ik nimmer iets te maken

hebben.”

„Dat is goed!”

„Ik heb veel eenvoudiger expediënten voor zulk volk.”

„Wat dan, Edmund?”

„Ik heb twee van mijn mannetjes gezegd nu en dan een oog in het zeil te

houden.”

„En als ze dien man zien?”

„Dan zoekt een hunner ruzie met hem en ranselt hem af, terwijl de ander

op den uitkijk blijft staan; dat doen wij altijd met zulk volk.”

„Het is zeker heel gemakkelijk, maar is het niet gevaarlijk?”

„Bah, men laat de cavalerie met rust.”

De recommandatie trof al zeer spoedig doel.

Het gaf geen aanleiding tot tusschenkomst der politie; al wist Van

Leeuwendaal uit welken hoek de wind woei, toch vond hij het niet

raadzaam een aanklacht in te dienen, welke bij zijn antecedenten zeer

zeker tot geen voldoening zou geleid hebben. Met een doek om zijn oog

en een kreupel been, ging hij dokter Van der Linden opzoeken, die, toen

hij van den bediende hoorde hoe het individu was toegetakeld, zijn

pleizier en zijn nieuwsgierigheid beide niet kon bedwingen.

„Zóó,” zei hij norsch, „wat is het nu weer?”

„Ik kom uw geneeskundige hulp inroepen.”

„Dank je. Ik gun jongere collega’s graag patiënten.”

„Het is anders niets meer dan billijk,” vervolgde Van Leeuwendaal op

klagenden toon, „dat de vader repareert, wat de dochter beschadigt.”

„Ik verzoek je mijn dochter buiten spel te laten; zij heeft met

vechtpartijen en dronkenmansgelagen niets te maken.”

„Och wèt? Vechtpartijen en dronkenmènsgelagen! Ik wou wèrèchtig, dat ik

dronken was geweest en gevochten had. Ik ben aangerand en mishandeld,

door gemeene soldaten, die u of uw schoonzoon op me hebt afgezonden.”

„Zoo?” zei de dokter lachend. „Nu, ik deed het niet, maar als mijn

schoonzoon dat mocht gedaan hebben, geef ik hem groot gelijk. Lieden

als jij verdienen niet beter. Doe dien band eens van je oog.... hm! ze

hebben je aardig te pakken gehad..... De kerel, die je dien opstopper

gaf, had iets in zijn mouwen.... Ik zal je een smeersel voorschrijven

en droppels tegen de ontsteking..... Doe nu maar weer dicht, en laat me

het been zien.”

Van Leeuwendaal deed het alles in stilte, blij dat het zoo gelukt was,

zich op die wijze weer in te dringen.

„Ze hebben je zeker een trap gegeven tegen het scheenbeen, hè?” vroeg

dokter Van der Linden en meteen kneep hij in het been, dat Van

Leeuwendaal het uitschreeuwde.

„Net ooievaarspooten,” mompelde de dokter met belangstellende

verbazing.

Maar intusschen schreef hij wat voor en blies in zijn beurs.

„En hoe weet jij nu,” vroeg hij ten slotte, „of die kerels iets met den

ritmeester Riquelle te maken hadden?”

„Het was in den omtrek van zijn huis.....”

„Dus je liep te spionneeren!”

„Volstrekt niet, dokter! Ik dacht er zelfs niet aan. Ik deed mijn

avondwandeling voor de digestie, en dan kom ik altijd langs het huis;

ik pèsseer....”

„Maak het maar kort.”

„Plotseling komt mij een eindje verder, juist voor een klein stil

zijstraatje, een soldaat op zij, grijpt mij bij den arm en rukt mij ’t

straatje in; een ander soldaat scheen daarvoor de wacht te houden. Ik

geef den vent parole d’honneur een what you call voor zijn kop, maar

hij was de sterkste. Enfin, hij zei: smeerlap, nu voortaan uit de buurt

van mijn ritmeester blijven! Is dit niet een afdoend bewijs?”

De dokter haalde lachend de schouders op.

„Ik zou het aannemen, als ik in jou plaats was, voor een goeden raad,

mij er naar gedragen, en God danken dat ik er nog zoo goed was

afgekomen.”

„Tudieu! God danken voor een pak slaag,—die is wel aardig! Ik weet nog

niet precies of ik het doen zal.”

Van Leeuwendaal grijnsde zoo leelijk, dat de dokter hem sterk verdacht

van wraakzuchtige plannen.

„Als je nu heel fatsoenlijk bent,” zei hij, „dan zal ik je nu en dan

iets geven voor je onderhoud. Maar maak het mij noch iemand lastig, dat

zeg ik je, want dan is het uit en voor goed ook, hoor! Ga nu maar

gauw!”

„Dank u, dokter, mèèk u verder niet ingerust over mijn précieuze

gezondheid.”

Buiten frommelde hij ’t papiertje ineen en wierp het weg. Dat oog en

dat been zouden ook wel beteren zonder zalf of droppels. Een glas grog

meer, men sliep lekker, slaap genas en dat was minder kostbaar, doch

veel lekkerder. „Een trouvaille,” mompelde hij hoofdschuddend

voortstrompelend, „een ware trouvaille die familie. De oude heer zal me

in mijn ziekte nog vet mesten en als ik beter ben, wacht maar, dan

zullen we die lieve familie wel straffen. Die dragondergrap zal haar

duur te staan komen.”

Terwijl hij voortliep, tornde hij om een hoek bijna tegen een heer op,

die, met zijn wandelstok zwaaiend, luid in zijn eentje sprak.

„Pèrdon!” zei Van Leeuwendaal pijnlijk.

„Het is niets; hebt gij u niet bezeerd?” vroeg de andere, den doek

ziende en het kreupel loopen.....

„U is wel vriendelijk! Dat is niet iedereen.”

„Zijt ge zoo weinig niet gewoon?”

„Om u de wèèrheid te zeggen, in den laatsten tijd niet erg. Als men

geen geld heeft, pèrbleu!....”

„Ge schijnt toch een goede opvoeding te hebben genoten.”

„Magnifique!” zei Van Leeuwendaal met een geheimen spot, die den ander

ontging. „De fijne puntjes ontbraken, dat is het eenige wat er aan

mankeert.”

„En geen werk?”

„Wat blief? Geen werk, vraagt u?”

„Ja, ik vraag of gij geen werk, geen betrekking kunt vinden in deze

door en door verrotte maatschappij.”

„Ah!.... u bent een sociaal-democraat?”

„Ja.”

„Dat zou men u niet aanzeggen.”

„Ik ben het niet uit armoede, maar uit overtuiging. Sedert ik weet hoe

onze samenleving het recht met de voeten treedt en hem, die er voor

strijdt, verguist en beleedigt, heb ik nagedacht en ben tot een

bepaalde overtuiging gekomen.”

Hij had eenige schreden met den kreupelen, doodarmen baron opgeloopen,

en was nu stil blijven staan onder het licht van een lantaarn.

„Mijn denkbeelden hebben zich verruimd; van het enge van een bepaalden

werkkring, zijn zij gekomen tot een begrip, dat het geheel onzer

maatschappelijke samenleving ook in zijn onderlinge verhoudingen

begrijpt. Ik weet thans welke ellende wordt schuil gehouden onder het

dunne vernislaagje onzer beschaving.”

„Eééh!” riep Van Leeuwendaal buitengewoon verrast.

Hij rekte zijn mageren hals uit en draaide met zijn hoofd heen en weer,

om met het beschikbare ééne oog het gezicht van den vreemdeling beter

te kunnen zien; deze, die van de zonderlinge inspectie niets begreep,

richtte zijn kloek gebouwde gestalte meer op, benieuwd te weten, wat

deze proletariër bedoelde.

„Eééh!” herhaalde Van Leeuwendaal op fijnen, gerekten toon. „Maar u

bent, wacht eens.... Wat drommel, het is haast onmogelijk, dat ik me

vergis.... Laat eens kijken: de luitenant Van.... de luitenant Van....

Tiens, tiens! ik kan op den naam niet komen.”

„Ik heet Van Schermbeek.”

„Precies! Eureka! Het is Van Schermbeek!”

„Maar wie is u?”

„Van Schermbeek! In Indië geweest.... artillerie.... gewoond bij moeder

Sleeks.... met Fournier en van.... van.... Die duivelsche namen!”

„Van Brakel,” klonk het, maar niet meer opgewekt of oratorisch; veeleer

pijnlijk.

„A la bonne heure! Van Brakel! Ja, dat was een andere tijd; een rare

boel voor mij, maar toch nog zoo kwaad niet bij later vergeleken.

Enfin! Het is wonderlijk, dat u mij niet herkent. Iedereen herkent mij

bij het eerste woord. Ik ben Leeuwendaal, baron Van Leeuwendaal.”

De gewezen luitenant Van Schermbeek ging een schrede terug; hoezeer hij

in den laatsten tijd nogal in aanraking kwam met menschen van minder

allooi, was hem dit specimen toch te machtig. In een oogenblik

herinnerde hij zich weer de geheele geschiedenis te Batavia

voorgevallen en ook de veel erger ongunstige mededeelingen nu en dan

gedurende zijn verblijf in Holland vernomen. Hij was door opvoeding,

verleden en karakter een veel te fatsoenlijk man om zich met gemeen

volk gemakkelijk te encanailleeren.

„O zoo!” zei hij langzaam en tamelijk ontnuchterd. „Is u die persoon?”

„Hm! Dezelfde.”

Van Schermbeek zon gaarne gezegd hebben, dat hij dan het genoegen had

hem te groeten, maar zijn nieuwe denkbeelden omtrent de maatschappij

enzoovoort waren daarmee in lijnrechten strijd.

„En hebt u geen middel van bestaan?”

„Direct niet. Ik leef zoo’n beetje van den eenen dag in den anderen.”

„Zoudt gij geregelden arbeid verlangen?”

„Werk! Ik weet eigenlijk niet goed wat dat is. Ik heb nooit gewerkt.”

„Dan is het meer dan tijd, om, als het kan, een fatsoenlijk, werkzaam

leven aan te vangen.”

„Daar zit juist de knoop: het kan niet.”

„Waarom niet?”

„Het is geheel in strijd met mijn aard en gewoonten; ik zou kunnen

voorgaan, toespreken....”

„Aan voorgangers en redenaars van uw slag is geen behoefte,” zei Van

Schermbeek, kalm en ernstig: „wij hebben dus verder niets te bespreken.

Goeden avond!”

„A propos, werp het idee niet weg. Ik zou....”

„Goeden avond!” herhaalde de ander op een toon, die voor Van

Leeuwendaal geen verdere discussie toeliet. En Van Schermbeek ging op

zijn schreden terug.

Corrie Roos had haar intrek genomen bij den slijter om, zoo dacht zij,

de schuld haars vaders in te verdienen. De behandeling viel haar mee;

de menschen waren zoo kwaad niet. Doch langzamerhand en zonder dat zij

het eigenlijk bespeurde, verviel zij metterdaad in het dagelijksch

leven tot weinig meer dan een gewone dienstbode.

Alleen als er „partijen” waren of de burgerluitjes uitgingen was zij

zoo iets als een dame, want dan werd met haar geparadeerd als met de

kapiteinsdochter, die tot levend en welgedaan bewijs moest strekken van

de menschlievendheid der familie, welke haar om niet in huis had

genomen en verzorgde. Zij kwam in gezelschappen, die ze niet kende;

waar het er netjes en goed gemeubeld uitzag; waar het aan dranken en

lekkernijen niet haperde; waar de dochters en vriendinnen goed gekleed

waren; waar het vroolijk toeging,—maar waar toch stukjes werden

uitgehaald en uitlatingen werden gebezigd, die ze wel kende van de

school en van de straat, maar die ze noch in haar kinderjaren in Indië,

noch thuis van haar vader en moeder ooit had bijgewoond of gehoord.

Corrie dacht nog wel eens aan den afgewezen kapitein en aan haar nu

getrouwde zuster, maar toch zonder spijt. Voor den man gevoelde zij

niets en Nelly benijdde ze niet. Zij kon zich in de nieuwe

levensomstandigheden vrij goed schikken, even goed als destijds haar

vader dat had kunnen doen, wiens aard ze in menig opzicht had. En zij

en de dochter des huizes hadden elk in stilte een galant; ze verzonnen

samen zooveel mogelijk boodschapjes tusschen licht en donker, net als

ze vroeger deed met haar zuster, en dan maakte ze lange wandelingen met

die jongelui, klerken bij een van de ministeries.

Zoo leidde zij onbezorgd en tamelijk onverschillig een leven, dat,

vergeleken bij haar jongste verleden, inderdaad zoo slecht nog niet

scheen.

Haar zuster schreef zij niet meer.

Op den brief, waarin zij had herhaald dat zij het aanzoek van den

kapitein had afgewezen, was een epistel gevolgd, dat allesbehalve

malsch mocht heeten en waarin zij werd uitgemaakt voor al wat dom was.

Haar te vergeven, dat zij een kapitein had afgewezen, terwijl Nelly

zelfs een tweeden luitenant in liefde had aangenomen, was onmogelijk.

Zoo was de briefwisseling tusschen de zusters op onaangename wijze

gestaakt.

Maar er kwam een oogenblik dat Corrie in doodelijke ongerustheid, haast

soms niet wist wat ze deed en onder tranen bij zichzelve Nelly groot

gelijk gaf; gelijk in alles!

Het was dan gebeurd, zooals haar zuster had voorspeld; ’t was op een

avond,—natuurlijk; zoo iets gebeurt altijd ’s avonds; zij waren alleen,

zij en Etienne; ook precies als altijd bij gelegenheden, dat een derde

persoon een onmogelijkheid is; zij zaten samen in een buitentuin, in

het donker, in een priëeltje,—soedah, het was de old, old story! Maar

Etienne—Steef noemden „ze” hem thuis—was in zijn soort geen slecht

jongmensch en, wat in dit geval meer zei: hij was dol van Corrie. Een

erge kwast was hij, volgens het algemeen gevoelen van zijn collega’s en

superieuren; hij droeg manchetten tot op zijn nagels, zat keurig netjes

in de kleeren, en sprak bijna zoo schaapachtig Haagsch als Van

Leeuwendaal, zoodat zij, die hem niet kenden, hem in de wandeling voor

een heel heer hielden, ofschoon hij ’t grootste deel van elke maand

zonder fondsen was, en dan vaak een sleutel droeg op de plaats, waar

men een horloge had mogen veronderstellen. Hij woonde in bij zijn

vader, een eerzaam mandenmaker, die op een plank in het voorhuis

zittend, met stalen vlijt rietjes en teentjes tot manden en mandjes

vlocht. ’s Morgens als Etienne naar zijn kantoor ging, wipte hij vlug

het kleine huisje uit, waarover hij zich schaamde, en ’s middags sloop

hij er in, of, als er toevallig een dame aankwam, liep hij er voorbij

om naderhand langs een omweg terug te keeren.

Doch ondanks al die kleine ijdelheden en gebreken, was Etienne Van

Haafte bij weinig kennis en een middelmatig verstandje, geen jonkman

met bepaald slechte eigenschappen, en toen Corrie hem huilend vertelde,

hoe het met haar geschapen stond, schrikte hij wel hevig, maar zwoer

dadelijk dure eeden, dat hij haar trouwen zou.

De verdere ontdekking gaf aanleiding tot hevige tooneelen bij de

familie Maas, te meer toen bleek, dat ook de jongejuffrouw Maas in

omstreeks geheel overeenkomstige omstandigheden verkeerde. Ook de

oudelui Van Haafte waren woedend; niettemin duurde al die boosheid met

de geweldige uitbarstingen en het gehuil, dat die vergezelden, niet

heel lang. Corrie was er geheel suf van en betreurde bitter, dat zij

bij de préliminairen geen weerstandsvermogen genoeg aan den dag had

gelegd; dan was er niets gebeurd. Doch, als altijd, kwam het berouw te

laat; zij zou trouwen, dat was de slotsom, en daar Etienne schoon

slechts klerk toch ambtenaar was, zou ze „mevrouw” worden, dàt was ten

minste een troost!

Toen men eenmaal zóóver was, ging alles vrij gemakkelijk. Op een goeden

ochtend kleedde zij zich en.... ’s avonds reed zij als mevrouw Van

Haafte naar een kleine woning op het dorpje Rijswijk, waar ze zouden

wonen voor de goedkoopte, want le mari had slechts zooveel jaarlijksch

inkomen, als in den tijd van zijn actieven dienst in Indië, wijlen papa

Roos per maand had genoten.

Het ging Corrie slecht af, huis te houden met zoo weinig en Etienne zat

halve nachten copiëerwerk te doen, dat hij had machtig weten te worden

tegen zóóveel centen per bladzijde van zóóveel regels met zóóveel

letters op elken regel.

Toen het eerste product de bloemkool had verlaten, en Corrie

lichamelijk nog nauwelijks hersteld en finantiëel zieker dan ooit was,

kwam haar man opgewonden en druk te huis.

Hij kuste haar en het kind.

„Lieve,” zei hij, „we moeten eens ernstig spreken.”

„Wat is het?”

„Er worden ambtenaren gevraagd om naar Indië te gaan.”

Zij streek haar hand langs het voorhoofd en zuchtte. Naar Indië! Hoe

kwam hij daaraan? Hoe kwam hij aan dat stille droombeeld, dat ze altijd

zoo zorgvuldig had teruggedrongen, als het bij haar opkwam?

„Naar Indië!” herhaalde ze.

„Er worden er zes gevraagd, maar er zijn wel zestig sollicitanten.

Verbeeld je, het geeft driehonderd en vijftig gulden in de maand,

vrijen overtocht en een voorschot voor uitrusting!”

„Maar als er zooveel sollicitanten zijn....”

Indische menschen in Holland: Oorspronkelijke roman · 第 13 / 17 段