Zij had hem bleek, zenuwachtig en met tranen in stem en oogen, haar
leven geschetst gedurende de ziekte van Veninga, en haar lijden onder
zijn beleedigende, ruwe bejegening; zij had hem doen gevoelen hoe zij
bezweken was, niet uit liefde voor Mourant, maar door de groote
behoefte aan liefde, die zij, zonder andere vrienden of familie, elken
dag dieper gevoelde naarmate het humeur van Veninga haar erger griefde
en verbitterde. En eindelijk had zij toegegeven, half en half met het
denkbeeld: als ik dan toch elken dag word uitgescholden alsof ik het
was; als ik ieder oogenblik onder de uitgedrukte verdenking moet staan
het te zijn, welnu, dan zal ik het wezen.
En Jules, die in zijn wijze van denken, in zijn geheele levensrichting
een niet minder groote overeenkomst toonde met Henriëtte, dan in de
kleur van oogen, haar en huid, had dat dadelijk volkomen begrepen.
Maar die bekentenis had voor hem den toestand geheel veranderd.
Aanvankelijk had hij gedacht, dat deze kennismaking met het mooie jonge
weeuwtje zou uitloopen op een voorbijgaande liefdesgeschiedenis,
waarbij Mourant den gefopten minnaar zou vertoonen; hij had zich ’t
verloop onder de bestaande omstandigheden haast niet anders kunnen
voorstellen. Thans was dat heel veranderd. Hij gevoelde dat hij
Henriëtte zeer liefhad, en zij hem ook. Het begon er anders uit te
zien. Hij moest haar òf dadelijk verlaten òf haar trouwen! Heel gauw
had hij tot dat laatste besloten. Zijn oom, thans razend van woede, had
Brussel verlaten, zwerende, dat als Jules het deed, hij nimmer meer in
zijn woning te Batavia zou worden toegelaten. En Jules, die wel wist
dat dit op den duur tegenover een planter, wien het voor den wind gaat,
niet is vol te houden, liet zijn oom stilletjes vertrekken.
De slechte berichten uit Indië hadden ook Fournier bereikt.
Ondanks den practischen raad van Hortense, had hij toch niet zoo goed
gezorgd voor hun eigen geld, als voor dat van Louise en van dokter Van
der Linden. Dat maakte het heel moeilijk voor hem en drukte hem zwaar
ter neer, terwijl hij de Jobstijdingen las, die de jongste mail
aanbracht.
„Wat scheelt er aan?” vroeg zijn vrouw, toen ze zijn kantoorkamer
binnenkwam om te zien of er ook brieven voor haar waren.
En toen hij zoo gauw niet antwoordde, vroeg ze ongerust:
„Is het weer mis?”
Hij knikte toestemmend en zuchtte diep. Het zat hem als een brok in de
keel. Nooit was hij geldzuchtig van aard geweest, en voor hemzelven was
het niet erg. Maar nu hij kinderen had, nu was de mededeeling, dat zijn
halve fortuin gewoon naar de maan was, hoogst verdrietig; ’t was hem of
zijn kinderen in hun toekomst werden bestolen en hij de dief was.
Hortense ging naast hem zitten, en haar gezicht tegen het zijne
drukkend, keek ze mee in den noodlottigen brief, dien hij voortging met
lezen; toen ze die cijfers zag, begreep haar heldere geest alles; een
oogenblik werd ze erg, erg bleek.
„’t Is een ruïne!” zei hij toonloos.
„Het is verschrikkelijk!”
Een paar seconden zwegen beiden.
„’t Beste is, Gérard, dat we hier den boel zoo spoedig mogelijk aan
kant doen; dat je voor het lidmaatschap bedankt; dat we teruggaan naar
Indië en je de praktijk weer opneemt.”
„Ja,” zei hij nogmaals uiterst ontstemd.
„’t Baat niet, Gérard, of we er lang over tobben. Een kort besluit, een
goed besluit.”
„Had ik maar heelemaal gedaan, zooals je gezegd hebt!”
„Gedane zaken nemen geen keer, vent. Er moeten spijkers met koppen
worden geslagen. Het is hoogst verdrietig, dat weet ik immers zoo goed
als jij! Maar ’t baat niet er om te treuren.”
Fournier keek haar met verwondering aan.
Hij wist dat zij een hekel had aan Indië; dat zij er altijd ziek was;
dat hun eerste kind er zoo geleden had; dat aan haar verblijf te
Batavia hoogst onaangename herinneringen waren verbonden.
En hij wist hoe blij ze was om zijn verkiezing, hoe zij in haar vreugde
zelfs nog weinig dagen te voren had gesmaald op Indië.
Nu was zij de eerste, die sprak van teruggaan naar Indië, niet alsof
het een zaak was van de grootste opoffering, maar de meest alledaagsche
ter wereld.
„Ik vrees dat het onvermijdelijk zijn zal,” zei hij.
„Zeker, met wat ons overblijft kunnen wij immers niet blijven leven,
zonder erg te verminderen.”
„Als we dat toch eens deden.”
Beslist schudde zij het hoofd.
„Neen, Gérard, dat mag niet; dáárvoor zijn we te jong.”
„Ik heb zulke ernstige bezwaren.”
„Zeker. Ik begrijp dat wel: je verkiezing hier; het nare werk ginds;
het andere leven, eentonig en afmattend.”
„Juist, dàt ook. Maar.....”
„Kom,” zei ze, hem kussend en lachend, wel zenuwachtig maar toch met
vertoon van vroolijkheid, „kom, het zal wel schikken. Wellicht is het
weer in orde binnen een jaar of vijf. Dan zijn we weer hier terug, en
het is maar de quaestie van eenigen verloren tijd.”
„En jij, en de kinderen?”
„Wij gaan natuurlijk mee.”
„Om er weer als vroeger doodziek te worden?”
„Wel neen; we zijn nu, Goddank, allen uitstekend gezond, en ik zie niet
in, dat....”
„En vroeger dan?”
„Dat was iets anders. Mijn hemel, je kunt toch niet zeggen dat men
ergens per se ziek moet zijn, omdat men er eens ziek was?”
„Enfin, ik moet er eerst nog eens over nadenken; het is een heel
besluit.”
„Gérard, het geeft niets of je al langer nadenkt; het moet gebeuren,
daartegen is niets te doen. Wat schrijft Droz?”
„Kijk zelve maar,” antwoordde hij, zuchtend den brief overhandigend.
Zij las hem met een gezicht vol ernst en gewicht.
„Juist wat ik dacht! ’t Kantoor gaat prachtig, te beter naarmate de
tijden slechter zijn.”
„Ja, dat wist ik.”
„En hij wil graag eens naar hier. O, maar Gérard, dat treft prachtig.”
Doch Fournier werd boos.
„Het ontbreekt er nog maar aan, dat je verheugd bent,” zei hij
schamper. „Je schijnt heelemaal te vergeten, dat het vandaag de
ongelukkigste dag is, die we in jaren hebben doorleefd. Je weet, ik
hecht niet aan het geld om ’t geld, maar ik verzeker je, dat dit me te
machtig is.”
Het scheelde maar weinig of tranen van aandoening kwamen hem in de
oogen. Hortense troostte en bemoedigde hem. Doch toen hij des middags
in zijn kantoor was begonnen met maatregelen te nemen voor zijn
vertrek, en hij voor ’t een en ander het advies zijner vrouw noodig
had, vond hij haar met de kinderen op het tapijt zitten in hun
kleedkamer, schreiend en snikkend.
Hij was er zeer door bewogen, en zij, schrikkend op zijn onverwacht
binnentreden, droogde haastig haar tranen. Daar had je het! dacht hij.
Zij had zich goed gehouden voor hem; zij had zichzelve geweld aangedaan
en hem het denkbeeld, naar Indië terug te keeren, met opgewektheid
aangepraat, terwijl het haarzelve doodelijk bedroefde, hoewel ze hem
toch niet alleen wilde laten gaan, al waagde zij er ook haar eigen
gezondheid aan en die van haar kinderen.
Bewogen keek hij haar aan, terwijl ze haar best deed om, zich
bezighoudend en sprekend met de kinderen, hem niet te laten zien, dat
ze gehuild had, en toen hij haar stil en met dankbare genegenheid
aanzag, vond hij haar mooi en lief; het was de eerste maal in zijn
leven.
„Stance,” zei hij: „wil je me een groot, groot genoegen doen?”
Verschrikt zag ze hem aan met wijdgeopende oogen en angsttrekken om den
mond. Zij behoefde geen uitlegging; ze wist wat het was; zij had het
gevoel dat ze in Indië haar dood te gemoet ging, doch dat vond ze het
ergste niet; zij sloeg haar armen om zijn hals, en streed niet verder
om haar droefheid te bedwingen.
„Nooit, Gérard, nooit! Ik heb je eens laten blijven en ben alleen naar
hier gegaan, en je hebt me zelf verteld hoe akelig en verdrietig je dat
leven was zonder familie, zonder eigen gezin.”
„Nu ja, doch wat.....”
„Gérard, spreek er niet van; ik doe het niet. Wij moeten bij elkaar
blijven. Later, als we ouder zijn en het mocht dan nog noodig wezen,
dan kunnen we altijd zien.”
„Dat is ook een uitvlucht!”
„Het kan me niet schelen: nu doe ik het niet.”
Hij kuste haar blonde haren; haar aanhankelijkheid deed hem goed, en
zeker, het zou een heel ander leven voor hem zijn met haar en de
kinderen in eigen woning, dan hier of daar te Weltevreden in een
paviljoentje.
Dokter Van der Linden en de jonge familie Riquelle hadden geen last van
slechte tijdingen uit Indië. Wel hoorden zij er van spreken in Den Haag
en zagen zij dat de couranten wemelden van advertenties, waarin huizen
en villa’s te huur en te koop werden aangeboden met en zonder
ameublement, maar verder trof het hen niet,—tot op een goeden middag
Louise een brief ontving van haar gewezen stiefdochter, waarin die
meedeelde, dat zij en Fournier door finantiëele omstandigheden
genoodzaakt waren terug te keeren. Het trof haar hoogst onaangenaam;
zooals haar sedert haar huwelijk met den ritmeester nog niets had
getroffen, want alles ging van een leien dakje. Zij was op normalen
tijd in „de” omstandigheden geraakt, en nu lag sedert maanden reeds,
meer op den schoot van papa en mama Riquelle dan in zijn prachtig met
kanten en strikken opgesierd wiegje, een jeugdige gravin Riquelle met
den blonden krullebol, die sedert vele jaren het hoofd van dokter Van
der Linden had verlaten, en met eenige sprekende bijzonderheden der Van
Veltons, als had die oude Bataviasche koopman voor goed zijn tjap
gedrukt op de nakomelingschap van Louise.
Zij had daar, ondanks haar scherpzinnigheid, niets van bespeurd; zij
verbeeldde zich, dat ’t kleintje sprekend op haar man geleek, en daar
waren beiden recht gelukkig mee. Louise had een gevoel alsof ze tot
rust was gekomen; alsof zij eindelijk was beland waar zij wezen moest.
Met gemoedelijkheid en een kalm vertrouwen zag zij de toekomst tegen.
Niets kon haar deren. Zij had Riquelle voor goed lief, en hij haar, dat
wist ze; in de coterieën was zij opgenomen; men mocht haar gaarne en
bewonderde haar gedistingeerde vormen en goeden conversatie-toon,
terwijl men haar schoonheid benijdde en haar rijkdom op prijs wist te
stellen.
„Vindt je het niet vreemd, Edmund?”
„Ja,” zei de ritmeester zijn rossige knevels opdraaiend, „dat is het
zeker. Het spijt me voor Fournier. Ik weet dat hij het niet voor zijn
genoegen doet.”
„En hij is pas in de Staten-Generaal gekozen.”
„Dat komt er nog bij! Ik kan me toch niet voorstellen, dat hij voor ons
geld heeft gezorgd, en niet voor het zijne.”
„Het schijnt toch wel.”
„’t Zou verschrikkelijk wezen! Zouden we niet eens naar papa gaan?”
„Mij dunkt, dat ware ’t beste; wellicht weet pa Van der Linden er meer
van.”
Zij lieten den coupé inspannen. Toen Louise bij het afrijden even door
het raampje keek, betrok haar gelaat en liet zij zich achterover in de
kussens vallen. Midden op den weg liep langzaam een vrij fatsoenlijk
gekleed burgerman, nog jong betrekkelijk, met een ronden hoed en een
wandelstok in de hand. Hij keek haar brutaal in het gezicht met een
ergerlijk onbeschaamde uitdrukking op zijn gelaat. Het was nu reeds de
derde maal dat zij, haar huis verlatend, dien persoon ontmoette en op
die wijze door hem werd gefixeerd. ’t Was onuitstaanbaar, maar er was
niets aan te doen. Riquelle had het niet gezien. Als hij ook maar had
kunnen vermoeden, dat die man zijn vrouwtje hinderde, hij zou hem met
de rijzweep hebben afgerost. Bij het huis van haar vader dacht zij er
niet meer aan. Een mooie vrouw maakt dikwijls diepen indruk; dat was ze
van jongs af gewend!
„Het is een gek geval,” zei de oude heer, die wel hoe langer hoe kaler
en grijzer werd, maar weinig verouderde, „hij heeft inderdaad voor ons
geld gezorgd en niet voor ’t hunne.”
„Maar hoe is het mogelijk?”
„Sommige menschen zijn zoo. Hij is voorzichtig voor anderen, sekuur van
aanbelang; maar zijn eigen geld moest hij door anderen laten beheeren.”
„Zouden wij hen niet kunnen helpen?” vroeg Louise.
Riquelle zei niets, maar keek haar een beetje angstig aan; hij bevond
zich zoo uitstekend bij de tegenwoordige ruimte van middelen! En als
iemand, die weet wat ontbering van comfort is, als men dit zoo gaarne
zou hebben, was hij haast gierig op het bezit.
„Wij zouden wel kunnen,” meende de dokter.
„Welnu, dan moeten we het doen.”
Maar haar vader schudde het hoofd.
„Nonsens, kind. Persoontjes als Fournier en Hortense nemen zulke hulp
niet aan.”
De ritmeester haalde diep adem.
„Dat meende ik ook.”
„Wij konden het toch beproeven.”
„Goed! Ik zal het doen, kind. Het is zeer zeker, dat het niets
hoegenaamd zal baten; maar als ik je er een pleizier mee doe, dan
gaarne, en ik beloof je, dat ik mijn best zal doen.”
Zij vroeg naar haar zoon. Die was naar school, zei de dokter op een
toon van gewicht.
„Waarom neemt u niet liever een gouverneur?”
„Gekheid! kinderen moeten met kinderen omgaan.”
„Dat vind ik ook,” zei Riquelle.
„Als jullie nog een kwartier wacht is hij thuis.”
Maar daar had Louise geen tijd voor, want ze moesten nog noodzakelijk
eenige visites maken, nu ze toch en route waren. Riquelle bevestigde
het; hij was volstrekt niet verlangend naar den jongenheer Van Velton
en de antipathie was wederkeerig.
Glimlachend schudde de dokter het hoofd, hen uitlatend op den corridor.
„U bent al tweemalen naar uw kleindochter wezen zien,” zei Louise
verwijtend en terwijl ze de trap afging omkijkend naar haar vader.
„Ik ga weinig uit, maar ik kom toch gauw eens aan.”
Wat kon hem dat pasgeboren gravinnetje schelen! Had hij niet zijn eigen
kleinzoon, dien fermen jongen?
Toen zij in het rijtuig stapte, zag ze wederom aan de andere zijde door
het raampje het gezicht van den man, dien ze de laatste dagen telkens
als ze uitging ontmoette, die haar fixeerde en volgde; zij schrikte er
ditmaal van. Het trof den ritmeester ook, dat die man zoo keek en hij
monsterde hem met een gezicht en een paar oogen, die den kerel dadelijk
vol vrees het hoofd deden omwenden.
„Wat is dat voor een man?” vroeg hij, toen het rijtuig wegreed.
„Ik weet het niet.”
„Onbeschoft volk!”
„Wel Edmund, ik zie nu al dagen lang dien man, telkens als we uitgaan,
en iederen keer kijkt hij zoo verschrikkelijk brutaal.”
Riquelle’s gezicht betrok onheilspellend.
„Maar lieve Louise, waarom dat niet eer gezegd?”
„Ik durfde niet goed, ik vond het zoo gek.”
„Integendeel, het is....”
„Ik was bang, dat je me zoudt uitlachen, of misschien in drift een
ongeluk begaan.”
„O zoo! Neen, ik zal wijzer zijn. Persoonlijk zal ik aan zoo’n individu
de handen niet vuil maken.”
„Het is allervervelendst!”
„Wees maar gerust,” zei hij, zijn hand op haar schoot leggend en de
hare zacht drukkend met een teedere beschermende uitdrukking op zijn
gezicht: „je zult er geen last meer van hebben.”
Dokter Van der Linden liet er geen gras over groeien. Nauwelijks was
zijn kleinzoon van school thuis gekomen, of hij liet hem netjes kleeden
en toog op weg naar de Fourniers; al wandelend praatte hij met het
ventje; het was zijn grootste genoegen. Aan de overzijde van de straat,
een eindje achter hen, volgde dezelfde man, van wien Louise last had.
Met de handen in de zakken van zijn paletot, den wandelstok onder den
arm, het hoofd vooruit en een weinig gebogen, slenterde hij langzaam
voort, in gedachten verzonken, nu en dan een blik slaande op den ouden
heer en het kind aan de overzijde. Zoo volgde hij hen tot voor het huis
van Fournier.
„Toe Hortense,” zei de dokter, „hou jij mijn kleinen vent zoolang
bezig. Ik wou Gérard eens spreken over zaken.”
„Hij is op zijn kantoor.”
„Goed kind, dan vind ik hem wel.”
„U wilt....”
„Wat?”
„U wilt ons toch geen proposities doen om hier te blijven?”
„En als dat nu eens ’t geval was?”
Hortense kreeg een kleur en haar hoofd, zich oprichtend, maakte korte,
zenuwachtige bewegingen vol trots.
„Het is heel lief van u, doch het helpt niet.”
„En waarom niet, asjeblieft?” vroeg de oude heer boos en op den
eenigszins ruwen toon, die hem in vroeger jaren niet vreemd was.
„Omdat wij niet mogen en niet kunnen.”
„Pfff! groote woorden, meisje! Zaken zijn zaken, dat zei je oude heer
altijd en dat is waar. Asjeblieft geen sentimentaliteit.”
„Het is geen sentimentaliteit!”
„Wat is het dan? Is ons fortuin niet wezenlijk het onze en zijn wij er
niet op eerlijke en fatsoenlijke manier aangekomen?”
„Och, dat is het niet, meneer Van der Linden.”
„Dat is het wel, mevrouw Fournier, want was dat anders, dan hadt je
gelijk. Het is ’t eenig motief voor het afwijzen van proposities als de
onze.”
„We kunnen heusch niet.”
„Nu,” vervolgde hij lachend, „wind je maar niet op. Ik zal het wel eens
bepraten met je man.”
En hoe weinig hoop hij daarop had, deed hij toch zijn best; toen hij
binnenkwam riep hij met bonhomie, waardoor echter een tintje
ontevredenheid straalde:
„Wat ga je nu voor onbezonnen dingen doen?”
Fournier stond op en ging hem met een uitgestoken hand te gemoet.
„Het moet, papa Van der Linden; het is onaangenaam, maar het kan niet
anders.”
„Hoor eens, Fournier: een kort lied is gauw gezongen. Wil je me cijfers
noemen?”
„Onder ons, natuurlijk!”
„Dat spreekt vanzelf.”
Zij staken de hoofden bijeen boven het zakboekje, dat Fournier op zijn
schrijftafel opensloeg.
„Nu,” zei de dokter opkijkend over zijn bril. „Het is te doen!”
„Dat wil zeggen?” vroeg Fournier, die met minder scherpzinnigheid in
dit geval dan Hortense, niet zoo dadelijk het fijne van de zaak
begreep.
„Kijk eens hier! Wij, Louise en ik, kunnen samen zooveel dekken dat
jullie niet naar Indië behoeft te gaan.”
Fournier stond driftig op met een breed gebaar van afwijzing.
„Stil!” vervolgde de dokter: „laat me uitspreken. Als je gaat met je
familie, zal Stance er zeker ziek worden, want zij is nu eenmaal niet
voor het klimaat vervaardigd, en je kindertjes hoogstwaarschijnlijk
ook. Ik heb veel, wat het beheer van mijn vermogen aangaat, haar vader
en jou te danken. Louise nog veel meer door haar zoo belangrijk aandeel
in de erfenis van Van Velton. Het is dus geen geschenk, geen
edelmoedigheid of zoo,—het is een uitvloeisel van knellende zedelijke
verplichting en het zal mijn dochter en mij een vreugde zijn.”
Een oogenblik dacht Fournier na, aarzelend.
„Laat Hortense beslissen.”
Maar de dokter werd rood van kwaadheid, sloeg met zijn vlakke hand op
de schrijftafel, dat de inkt uit den koker spatte, en riep:
„Dat behoeft niet, want ze verdomt het. Ziedaar!”
Zich in stilte vermakend om den barschen uitval van den dokter,
betoogde nu Fournier met grooten ernst, dat het voorstel, hoe goed
gemeend en hoe treffend offervaardig, onmogelijk kon worden aangenomen.
„Men doet zoo iets,” dus eindigde hij, „als men in werkelijken nood zit
en dan, zou ik zeggen, is het plicht.”
„Maar jullie zit in nood.”
„Och kom!” lachte Fournier: „dat is ook wat!”
„Waarachtig! Je begrijpt het niet, mijn waarde, maar het is zoo.
Hortense houdt het niet vol in Indië en de kinderen ook niet.”
„Dat is niet gezegd; zij zijn er vroeger....”
„Geloof je dat ik van zulke zaken meer weet dan jij?”
„Zeker. Maar u heeft thans een nevenbedoeling.”
„Goed! Als je meent dat dit overwegend is, kan ik je niet overtuigen;
intusschen: ik heb je gewaarschuwd en ik zal het Stance ook doen. De
gevolgen van deze dwaasheid komen voor jullie rekening.”
Half boos ging de oude heer heen, en toen hij in de kamer kwam waar
zijn kleinzoon, die zich veel te groot achtte om zich met die
„kleintjes” bezig te houden, een heel eigenwijs gesprek hield met
Hortense—ging hij regelrecht op haar af.
„Zeg Stance, als je soms lust hebt tot zelfmoord, dan is er een
gemakkelijker manier voor jou en de kinderen dan naar Indië te gaan.”
Zij trok ongeloovig en minachtend de schouders op.
„Je denkt, dat het niet waar is, maar ik geef je er mijn woord op, mijn
woord van eer.”
„Waarop?”
„Op de waarheid van ’t geen ik zeg. Binnen het jaar ben je dood.”
„Het is goed!”
„Wat is het? Is het goed?”
„Nu, zoo meen ik het niet. Maar als het waar was...”
„Als het waar was? Het is waar.”
„Ik zeg: als het waar was, ging ik toch nog liever, dan hem alleen te
laten gaan.”
„Maar mijn God, jullie bent zoo koppig als ezels. Hij behoeft immers
evenmin te gaan.”
Zij knikte vastberaden met het hoofd.
„Wij moeten.”
Driftig reikte de oude heer haar de hand.
„Dan wil ik je groeten.”
Hij trok zijn kleinzoon mee, en Hortense half lachend liep hem
achterna.
„Ik hoop niet, dat u boos zijt.”
„Och wat? Jullie bent een paar dwazen; een paar kinderen, die elkaar
opwinden. Jullie brengt van die nonsense ideeën uit romans en
tooneelstukken over in je dagelijksch leven. ’t Is een paskwil!”
En hij liep woedend weg, regelrecht naar de Riquelles.
„Ik had het wel gedacht,” zei Louise zuchtend.
„’t Is jammer,” veinsde de ritmeester, „maar het doet hen toch in mijn
achting rijzen.”
„Zoo,” grijnsde de dokter, hem kwaadaardig door zijn bril beglurend, en
bij zichzelven dacht hij: die is goed! eerst neemt hij uit
onbaatzuchtigheid Wies om haar dubbeltjes en nu een ander weigert iets
daarvan te aanvaarden, doet dat hem in zijn achting rijzen. Hij zei
niets, maar lachte zacht en met ergernis.
„Wil ik het nog eens beproeven?” vroeg zij aarzelend.
Dat zou wel een zeer slecht middel zijn geweest, en zij zag er
gruwelijk tegen op.
„Geen moeite doen, kind! Zij willen niet en jij noch iemand ter wereld
zal die stijfkoppen tot verstandige menschen bekeeren.”
„Ik kan die opvatting niet deelen,” zei de ritmeester ter verdediging
der Fourniers.
„En ik zeg, dat het belachelijk komedievertoon is.”
„Ja, men kan alles zoo noemen. Op die wijze wordt elke geste een
acteursdaad en elk beter gevoel theatralia.”
„Niet alles, maar heel veel. Pouah! ’t is belachelijk,” ging de dokter
voort, wiens ironische geest bovenkwam. „Als ik in den schouwburg zit,
zie ik bijvoorbeeld een stuk opvoeren. Twee jonge menschen zijn op
elkaar verliefd; dat hebben ze natuurlijk al lang aan elkaars gezicht
gezien. Het meisje is rijk, de jongeling arm. Het is voor zijn
fijngevoelig hart een onoverkomelijk bezwaar. Ik woon zijn zielsstrijd
bij en haar verdriet; ik hoor zijn klachten, ik zie hem lijden, en dat
werkt op mijn zenuwen. Ik krijg er tranen van in de oogen, en ik ga met
een bewogen gemoed naar huis. Zoo’n edel karakter, hè! Maar gesteld
eens, dat ik een zoon had, een knap jongmensch met een fatsoenlijke
positie, maar, evenals ik dan, zonder fortuin en die zoon kwam me tegen
terwijl ik nog onder den indruk van die edele onbaatzuchtigheid op de
planken, naar huis wandelde; en die zoon zei: Papa, ik ben doodelijk
verliefd op een meisje met een ton of vier, wat denk je dan, dat ik zou
antwoorden?”
Riquelle draaide zijn knevels op en zei niets; Louise, eenigszins boos,
evenmin.
„Dan zou ik zeggen,” ging de oude heer voort: „blikskater, die moet je
zien te krijgen. En als hij mij dan antwoordde, dat het meisje ook heel
veel van hem hield, maar dat hij haar niet wilde vragen uit een gevoel
van kieschheid of onbaatzuchtigheid, omdat zij zooveel geld had en hij
niet, dan geloof ik dat ik hem op straat om zijn ooren zou slaan, mij
bitter beklagend dat de goede God me zoo’n domoor tot zoon had gegeven.
Ik weet niet, schoonzoon,” voegde hij er bij, „hoe u daarover denkt.”
Als ze onder vier oogen waren geweest, zou Louise, die inwendig kookte
van woede, haar vader de repliek niet schuldig zijn gebleven; nu vond
ze ’t beter te zwijgen.
„De oude heer,” zei Riquelle later, „zal mij nooit vergeven, dat ik
zijn kleinzoon concurrenten bezorg.”
In geen jaren was de dokter zoo uit zijn humeur geweest en knorrig
zelfs tegen zijn afgod, den kleinzoon, die op zijn beurt zeer boos was,
wilde hij in zijn coupé stappen dien hij ontboden had, terwijl hij bij
zijn dochter vertoefde.
Maar er werd een hand op zijn arm gelegd en hij stond stil, trachtend
door zijn bril den persoon te herkennen, die hem staande hield, wat
door de ingevallen duisternis niet gelukte.
„Dèg dokter,” zei een pedante Haagsche stem met een intonatie, die
duidelijk vroeg: herken je me niet?
En de dokter, die de stem herkende, zei barsch:
„Wat mot-je?”
„U is wel vriendelijk! En dat onder goede bekenden.”
„Zoek je bekenden maar elders.”
„En als men nog wel aan elkaar is geparenteerd langs de teedere
vrouwelijke lijn.”
„Hoor eens, geen praatjes, hè! Ik wil niets met je te maken hebben. Ik
heb destijds niets als onaangenaamheden van je beleefd. Wat ik na dien
van je gehoord heb....”
„Lèster, lèster, allemaal lèster!”
„Het kan me niet schelen of het laster is, maar ik verbied je mij
lastig te vallen en mij aan te spreken.”
„O gèèrne, gèèrne! ’t Is niet om lèstig te zijn, volstrekt niet. Ik wou
u alleen maar aanpompen voor vijf en twintig pop.”