„wat lekkers”, liet zij zich geen tweemaal nooden. Zij bracht den avond
door bij haar buren en vergat haar vader en zijn drankflesch geheel;
het was een gezellig avondje geworden bij de buren; er werd gelachen en
gekheid gemaakt door een paar klerken, die een visite maakten en
smoorlijk werden van Corrie. ’t Was al laat toen ze naar beneden ging
en met eenigen schrik dacht zij aan haar vader. Hij zat in zijn stoel
en sliep; zacht naderde zij om de lamp uit te blazen, die hij had
aangestoken; zij zou hem maar in dien leunstoel laten zitten; hij zat
daar goed, meende zij; er was toch geen sprake van hem wakker te
krijgen; al doende wierp zij een blik op hem en schrikte van zijn
blauwe gelaatskleur. Een rilling overviel haar; zij liep terug naar
boven:
„Juffrouw, juffrouw! Bent u nog op?”
„Ja, wat is het?”
„Zoudt u eens willen komen zien... Ik ben zoo bevreesd... Papa ziet er
zoo akelig uit.”
Zelf bevend, ging de juffrouw mee, en haar man, die niet gevraagd was,
volgde zonder jas en op zijn pantoffels, want hij stond op het punt
naar bed te gaan.
Kapitein Roos zat nog onbeweeglijk in den leunstoel met de kin op de
borst en de armen afhangend.
Zij riepen hem eerst bij den naam met eenige deferentie, omdat men
meende dat hij zou wakker worden; die deferentie verminderde toen hij
geen antwoord gaf, zoodat de buurman eindelijk heel familiaar vlak aan
zijn oor: Roos! Roos! schreeuwde; zij schudden hem, maar ook dat hielp
niet; het zware lichaam gleed stijf opzij.
Daar schrikten zij allen van, en doodsbleek gingen ze achteruit.
Dat was de dood geweest, de weerzinwekkende dood! En met den
instinctmatigen eerbied, grooter voor het vergaan dan voor het worden,
deinsden de levenden ontsteld af en hielden de handen terug.
De buurman liep naar den dokter. Corrie, huilende, trachtte haar vader
met eau-de-cologne tot zichzelven te brengen; de juffrouw wreef zijn
polsen met azijn.
„Dat is die vervloekte drank,” zei ze met een blik vol haat op de
flesch, het symbool van den geweldigen erfvijand haars volks.
Hun pogingen slaagden niet—dat wisten ze wel vooruit. Toen de dokter
kwam en even het lichaam in den leunstoel had onderzocht, zei hij
niets, keek eens rond en gaf de juffrouw een wenk; zij bracht Corrie
weg.
„In zijn drinkensbakje gebleven!” luidde daarna de diagnose.
Voor Corrie was het heel gelukkig, dat, evenals bij het sterven harer
moeder, andere menschen alles voor haar beredderden, want zij was tot
niets in staat. Weer stond de voorkamer vol officieren in uniform en
gepensionneerden in min of meer zwarte rokken. Zij moesten „iets” doen,
dat waren ze met elkaar eens. Er moest gezorgd worden, en al waren hun
middelen niet groot, de band, in het leger en onder officieren
krachtiger dan bij de burgerij, verloochende zich ondanks de tallooze
disputen onder de levenden, ook bij dit sterfgeval niet. Na de
begrafenis kwam er een commissie, die bepalen zou wat er te doen viel
en dat zou gedaan worden. Zij maakten het aanvankelijk Corrie niet
lastig, maar een week later bezochten zij haar.
Ze waren met hun drieën, een gepensionneerd majoor en een kapitein en
een luitenant met verlof.
„We komen u eens spreken, juffrouw, over uw omstandigheden, wat u ons
wel niet kwalijk zult nemen.”
„O neen,” zei Corrie met haar gewone openhartigheid. „Ik ben u heel
dankbaar voor uw moeite en opoffering.”
„Och, laat dat! Onder kameraden!....”
„Nu ja, majoor, dat weet ik. Intusschen zijn toch maar, naar ik hoor,
de loopende huisschulden afbetaald en....”
„En verpande sieraden gelost, zeker! En nu komen wij u eens vragen of u
ook eenig plan hebt.”
„Een plan? Neen, hoe zou ik een plan hebben?”
„Zie eens, juffrouw Corrie; het komt ons beter voor dat u dit
huishouden niet voortzet.”
„Mij ook. Ik zou het niet kunnen. De kinderen zijn zoo lastig en
brutaal! Maar als ze het zonder mij slecht moesten hebben.....”
„Ze hebben tucht noodig, en die zullen ze in gepaste mate deelachtig
worden. U kunt daaromtrent zeer gerust zijn. Zij zullen goed worden
behandeld; dáárop geef ik u mijn woord van eer.”
„Gelukkig!”
„En nu wat u aangaat. U weet wel dat uw papa in den laatsten tijd de
boeken bijhield van den heer Maas. Het schijnen menschen te zijn, die
nogal fortuin hebben.”
„Ik weet het niet,” zei Corrie boos en met een opwelling van
trotschheid, meer uit haat dan uit karakter voortkomend. „Ik weet het
niet: ik bemoeide me met dat volk nooit.”
„Het is maar, dat zij het voorstel hebben gedaan u bij hen in huis te
nemen!”
„Mij? U hebt er toch niet aan gedacht, hoop ik?”
„Ik wist niet, dat u zoo’n afkeer van die menschen hadt.”
„Zij zijn mijns vaders ongeluk geweest,” zei Corrie ontroerd. „Bij die
menschen is hij een slaaf van den drank geworden en dat hebben zij van
hem gemaakt.”
Allen zwegen. Het was waar, dat wisten ze. Juist daarom was het zoo
pijnlijk, wat nog volgen moest.
„Misschien weet u ook, dat uw papa bij meneer Maas een schuld had
wegens geleende gelden van ’n paar duizend gulden.”
„Ik wist niet, dat het zooveel was.”
„Nu is hun voorstel, dat u daar zult komen inwonen en helpen in de
besturing van het huishouden, om zoodoende die schuld een weinig in te
verdienen.”
Corrie gaf zoo dadelijk geen antwoord. Zij zag erg bleek en keek
droevig voor zich uit naar de figuren op ’t goedkoope, verschietende
behangselpapier aan den wand. Dat was de „beer” dien hij had gemaakt
voor Nelly. Nu hij dood was, zou zij bij die lui in een soort van
slavernij of pandelingschap gaan om althans in persoon de rente op te
brengen van dat geld. Er ging haar van alles door het hoofd. Zij dacht
aan zooveel mooi opgetuigde vrouwen, die men ’s middags in de
hoofdstraten kon ontmoeten; die voor veel meer waarde dan een paar
duizend gulden aan het lijf hadden, en die toch zoo gemakkelijk aan
geld kwamen. Maar dat kon niet, dat was onmogelijk! Zij had eigenlijk
geen keus; zij moest maar doen wat anderen wilden en voor anderen.
Gelaten sloeg zij haar groote donkere oogen op naar den majoor, die
zenuwachtig op zijn grijze knevels beet en zich, nu hij recht besefte
wat dat inhad, in stilte reeds had voorgenomen, dat het toch niet zou
gebeuren.
„Als het zóó is,” zei ze zuchtend, „in Godsnaam dan, majoor; dan zal ik
er maar heengaan.”
„Maar indien het voor u zulk een groote opoffering is, dan zou
misschien.... er wel iets op te vinden zijn,” meende de kapitein, die
voor het eerst tusschenbeide kwam.
Allen zagen hem aan. Hij was een man van zes, zeven en dertig jaar,
kort en breed, met een gladgeschoren gezicht en scherpe, schrandere
trekken; hij had iets gedecideerds, dat vertrouwen schonk.
„Als u bedoelt dat het geld door een collecte of een inschrijving moet
bijeengebracht worden, dan moet ik er voor bedanken,” zei Corrie, met
een plotselinge inspiratie van offervaardigheid.
„Men zou het kunnen opnemen,” meende de luitenant.
„Ik geloof,” zei Corrie, „dat het alles ’t zelfde blijft; papa was het
geld eerlijk schuldig, en als ik iets moet doen om te zorgen, dat het
wordt teruggegeven, dan zal ik het wel doen,” ging ze nog steeds zeer
bleek en met tranen in de oogen voort. „En daarom zal ik bij de familie
Maas in betrekking gaan.”
De heeren stonden op, bogen zwijgend en drukten haar met voelbare
hartelijkheid de hand. Op straat spraken ze niet, maar liepen door met
krachtigen militairen pas.
Corrie was in tranen uitgebarsten, toen ze weg waren. Nu was de maat
vol! Dat was nog wel het eenige, dat aan haar ongelukkig bestaan
ontbrak! Gaan dienen bij zulk volk!
Des avonds bezocht de kapitein zijn ouderen vriend den majoor, die
dadelijk weer over middelen begon om Corrie te helpen, zonder dat het
een bedelpartij werd.
„Want daar wil ze niet aan,” zei hij.
„Dat prouveert voor haar.”
„Waarachtig! Zij is een flinke meid; ik had het niet achter haar
gezocht.”
„Roos was in z’n tijd ook een man van ferm karakter.”
„Dat was hij,” zei de majoor eenigszins aangedaan. „Als ik bedenk, dat
hij mijn slaap is geweest hier in Holland! Het was ’n brave, beste
kerel. Op de chambrée leer je mekaar ’t beste kennen.”
De kapitein, van de academie, liet dat in ’t midden.
„Intusschen,” vervolgde de majoor, „is het lastig.”
„Ja. Ik zie er geen gat in.”
„Als het een jongen was, dan ging het makkelijk.”
„Zeker, maar dat is ze nu eenmaal niet. Laat ons bij de zaak blijven.
Zij is jong.”
„Precies.”
„Mooi.”
„Hm!.... Dat is te zeggen..... Nu soit, soedah, laat ons aannemen dat
ze mooi is.”
„Neen, maar ze is het, majoor.”
„Goed, goed. Ik zie nog niet, waar je heen wilt. Aangenomen dus: ze is
mooi!”
„Zij heeft een goed hart, een degelijk karakter.”
„Ik twijfel er niet aan, mijn vriend,” antwoordde de majoor erg
boekerig. „Ga voort asjeblieft.”
„Ze is van fatsoenlijke afkomst; de dochter van een braaf officier.”
De majoor zette groote oogen op en keek strak zijn bezoeker aan, die
onder het halve licht van een door transparenten beperkte lamp, zijn
sigaar kneep.
„Voor den bliksem!” viel de majoor uit. „Wat is dat? Hoor ik goed?
Begrijp ik je of begrijp ik je niet? Vooruit met je stukken, zeg!
Vooruit er mee!”
„Een oogenblik; m’n sigaar wil niet trekken..... Ziezoo. Ja, majoor, ik
geloof dat het volkomen begrepen is.”
„Dus,” vroeg de majoor met zijn bovenlijf vooruitkomend over de tafel,
zacht en weifelend, „dus zou je waarachtig van plan zijn haar te
trouwen?”
„Waarom niet?”
„Waarom wèl?”
„Dat is geen antwoord, maar een weervraag.”
„Kijk eens! Het is iets anders een meisje te vinden waarop men de
algemeene benaming „knap”—van uiterlijk—en goed kan toepassen, en het
is iets anders haar te trouwen.”
„Ongetwijfeld!”
„Het is iets anders kasian te hebben met een arme wees en respect voor
haar flinke eigenschappen, en het is iets anders haar tot vrouw te
nemen.”
„Zeker, zeker, dat geef ik toe.”
„Welnu dan?”
„Het is ook daarom alleen niet: zij bevalt me; haar persoon heeft
indruk op me gemaakt; ik zie in, dat ik vrij wel op haar verliefd ben.”
De majoor schudde het hoofd met gefronste wenkbrauwen en blies zulk een
rookwolk onder de lampekap, dat er eerst weer licht kwam op het
tafelkleed, toen de warrelende spiralen waren weggetrokken.
„Dat moet je niet doen, hoor!”
„’t Verwondert me. ’t Was meteen het middel.”
„’t Doet er niet toe. ’t Is ’n ander geval. De menschen verwarren
altijd. Weet je wat ik geloof?”
„Wat dan?”
Het antwoord kwam niet zoo spoedig; de majoor scheen er moeite mee te
hebben.
„Ik spreek als ’n oud vriend,” zei hij gemoedelijk, „en met geen andere
bedoeling, dan je bestwil.”
„Daarvan ben ik immers overtuigd. Zeg maar op; ik beloof te voren
onderwerping en geheimhouding.”
„Zie je, je bent nu met verlof, en je zult ook wel eens gepierewaaid
hebben hier in Holland.”
„Zelfs te Parijs en te Weenen,” antwoordde de kapitein lachend. „Ik had
nog wat geld hier en dat heb ik verteerd met Wijntje en Trijntje. Heel
veel pleizier gehad, betoel!”
„Zoo! Enfin; ik had het van jou niet gedacht. Maar ik begrijp het. Je
hadt in Indië een huishoudster.”
„Dat spreekt.”
„En nu je hier niets nieuws meer kan vinden, wordt je verliefd op ’n
nonnaatje, zoo bruin als waarschijnlijk haar grootmoeder was. Komen
daarbij geen souvenirs in het spel, amice? Zoo ja, is het dan goed? Is
het wenschelijk voor jezelf; is het eerlijk spel tegenover het meisje?”
Het ernstig glad gezicht van den kapitein met den sterk geprononceerden
neus was zeer betrokken; met de hand in de borst van zijn jas, had hij
een faux air van „Napoleon te St.-Helena.”
„Verdomme majoor,” zei hij eindelijk, „dat doet me onaangenaam aan.”
„Denk er eens over.”
„Dat behoeft niet. Ik heb geen oogenblik aan zoo iets gedacht.”
„Ik weet het wel, en dat was ook niet noodig.”
„Ik ben er niets lekker over, dat u zoo iets vooronderstelt.”
„Vooronderstellen doe ik niet; ik waarschuw slechts.”
„Ja maar.....”
„En bovendien,—je weet wat we bepaalden.”
„’t Is waar. Maar ik moet u een tegenbewijs leveren; ik ga haar vragen
op staanden voet.”
„Ga je gang,” zei de majoor verstoord. „En moge het je wel bekomen.”
Corrie had haar broertjes en zusjes naar bed gebracht; zij had de
poging harer goede burger-buurlui om haar gezelschap te houden en op te
vroolijken, in dank van de hand gewezen. Zij was vermoeid en wilde
vroeg gaan slapen. Het verdriet over de vernedering, om bij die gehate
menschen als ondergeschikte te moeten dienen—want daarop kwam het „in
betrekking” gaan toch neer—had ze ter zijde gesteld. Zulk verdriet
bleef op haar leeftijd niet lang demonstratief; zij zag er
verschrikkelijk tegenop, maar nu het eenmaal besloten was, onderwierp
zij zich er aan, als aan een onafwijsbaar noodlot; het Oostersch
fatalisme zat haar zóóver nog in ’t bloed.
Langzaam en zacht weerklonk de schel; zij schrikte er van; wat kon dàt
wezen? en zonder te weten waarom het gewone feit, dat er gebeld werd,
zulk een indruk op haar maakte, bonsde haar hart, als stond er iets
verschrikkelijks voor de deur.—Zij hoorde dat boven een deur werd
geopend en iemand van de trap kwam, om te zien wie zoo laat—’t was nog
geen acht uren—nog een bezoek bracht.
„Juffrouw!” zei de buurvrouw een oogenblik later buiten de kamerdeur in
de gang.
Corrie deed open.
„Wat blieft u?”
„Daar is iemand om u te spreken. Een van de heeren van hedenochtend.”
Zij draaide de petroleumlamp hoogerop en lei machinaal het tafelkleed
recht.
„Wilt u meneer maar hier laten komen?” vroeg ze.
Zonder te aarzelen trad de kapitein de kamer in en groette.
„Ga zitten meneer,” zei Corrie hem een stoel wijzend. „Wat is er van uw
dienst?”
Maar hij bleef staan voor den stoel.
„U zult mij, hoop ik, niet kwalijk nemen, dat ik zoo vrij ben u nog te
komen bezoeken, maar het kan geen uitstel dulden.”
Verwonderd keek zij hem aan.
„Is het iets zoo dringends?”
„Ja, juffrouw..... Wilt u mijn vrouw worden?”
„Uw vrouw?” herhaalde zij en haar groote zwarte oogen gingen wijd open.
„Uw vrouw? Maar meneer, fopt u mij? Dat zou u allesbehalve mooi
staan.... in mijn omstandigheden.”
„Ik meen het zeer ernstig.”
„Mijn hemel, meneer.... hoe komt het u in ’t hoofd?”
„Dat weet ik niet. Ik denk dat niemand zoo iets weet. Alleen verzeker
ik u op mijn woord van eer, dat het mij ernst is.”
Zij keek hem eens aan. Nu, als een grappenmaker zag hij er in ’t geheel
niet uit. Integendeel, zijn scherp geteekende trekken, sterker
uitgedrukt dan ooit, lieten geen twijfel toe aan de oprechtheid zijner
woorden.
Een oogenblik dwaalde haar blik doelloos langs de kale behangselwanden
en over de half beschaduwde povere meubeltjes der kamer; intusschen
stond de buurjuffrouw te luisteren aan de op een kier staande deur,
stikkend haast van nieuwsgierigheid.
Corrie steunde haar hoofd, dat zij zwak voelde, met haar kleine bruine
hand. Het schemerde haar voor den geest. Wat was dit nu voor een gek
geval! Waarom vroeg hij haar? Uit kasian, dat sprak vanzelf. Zij
gevoelde niets voor hem en was zelfs een beetje bang voor zijn streng
gezicht. Hij zag er in ’t geheel niet uit als iemand, die uit vrijen
ging; het was veeleer of hij in dienst was voor den troep.
„Wilt u mijn aanzoek in overweging houden?” vroeg hij.
„Neen meneer, ik dank u. Het is zeer vriendelijk van u, maar het
medelijden met mijn toestand is te ver gedreven.”
„Dat is het niet,” zei hij zacht. „Ik houd heel veel van u.”
Corrie schudde glimlachend het hoofd.
„Dat kan niet!”
„Waarom niet? Ik geef toe dat mijn aanzoek onder vreemde, voor menigeen
ongepaste omstandigheden plaats heeft. Laat dat zijn. Het is een
buitengewoon geval. Morgen zoudt u wellicht voor goed besluiten....”
„Ik heb al besloten. Ik dank u voor uw aanzoek, maar ik kan het niet
aannemen.”
„Wijs mij zóó niet af,” zei hij eenigszins bewogen. „Mijn bedoelingen
waren zuiver. Verdenk die niet.”
„Dat laat ik daar. Ik denk en ik kan niet anders denken, dan dat dit
een soort van menschlievende daad is, en dáárvoor bedank ik.”
„Geloof me, het is dat niet.”
„Voor mij wel en dus blijft dat hetzelfde. Eens en voor goed: ik doe
het niet.”
„Dus u weigert om die reden?”
„Ja! Onvoorwaardelijk ja. Ik ben geen grootheid; geld en goed bezit ik
niet; een schoonheid ben ik evenmin; ik ben in het minst geen partij.
Als u mij nu vraagt, na het gesprek van hedenochtend, dan zie ik er
niets in dan kasian. Ik wil niet, meneer, ik wil niet. Zóó ben ik
niet!”
De gave van het woord bezat ze maar in zeer geringe mate; doch ze had
zich opgewonden en zag bleek, terwijl de tranen weer opkwamen in haar
nog roodgeweende oogen.
Hij zag, dat er op dit moment niets met haar was aan te vangen.
„Wind u niet op,” kalmeerde hij. „Denk over mijn voorstel na. Het is
gedaan uit achting en liefde. Maar ik dring mij niet op. Ik vraag
alleen een redelijken bedenktijd vóór u beslist.”
„Geloof me, het is onnoodig. Ik zou het u nooit vergeven en mijzelve
ook niet. ’t Zou een ongelukkig huwelijk worden, anders niet. Ik houd
nu niets van u en als ik u nam, zou ik het moeten doen om mij te
bergen. Dat wil ik niet, nu niet en nimmer.”
„Ik zal thans niet verder aandringen,” zei hij; „toch hoop ik, dat u
denken zult over mijn woorden, die waar zijn en welgemeend.”
„Het zij hoe het wil, maar ik moet u bepaald afwijzen.”
De kapitein zei geen woord meer, boog en ging.
Corrie kreeg een moederlijke vermaning van de buurjuffrouw, die, zei
ze, wel niet geluisterd had, maar toevallig gehoord wat de kapitein had
gezegd en Corrie had geantwoord. Zij was in de gang geweest en de deur
had opengestaan. Een mensch kan toch niet helpen, dat hij niet doof is!
Maar een kapitein af te wijzen,—dat vond de buurjuffrouw, die met haar
echtvriend de liefdefirma op touw had gezet toen deze nog slechts
sergeant was—en in „het militaire” had hij het bij die waardigheid
gelaten—toch al te kras; zij meende dat iemand in de omstandigheden van
haar buurmeisje een kapitein moest aannemen, het mocht dan zijn hoe het
wilde. Vooral in een tijd, dat het zoo slecht ging met alles; vooral in
Indië moest alles heel slecht gaan, had haar man op zijn bureau hooren
vertellen.
Nu, dat was zoo.
De berichten luidden steeds ongunstiger.
Mourant, die een hevige scène had gehad met Henriëtte, waarin hij ruzie
gemaakt en gevleid, gebeden en gevloekt, gesmeekt en gedreigd had, was
kortweg ’t huis uitgejaagd, met een haat en een minachting, die hem
razend maakten. Hij was, niet wetende wat te doen, de straat
opgeloopen, inwendig kokend van woede, en schoon uiterlijk zijn kalmte
bewarend, wel tien jaren ouder in zijn gezicht. Nogeens zou hij het
dien dag beproeven. Hij wilde, hij kon de werkelijkheid niet als
zoodanig aannemen. Het was al te dwaas! Zij was ziek; ze moesten weg;
een groote reis door Italië en Griekenland of zoo! ’t Kon, ’t mocht
niet zijn, dat zij en haar vermogen hem ontgingen en hij daar werd
neergezet alleen, verlaten, bespot, geminacht. In een restaurant
trachtte hij tot kalmte te komen door iets te eten en een glas
champagne met ijs te gebruiken. Het gelukte hem, en bedaarder, schoon
niet minder somber gestemd, ging hij naar zijn kamers om er de middelen
te beramen, die nog denzelfden dag, zonder verwijl, toegepast moesten
worden.
Er was een mail aan.
Mourant was gewoon veel brieven te ontvangen, vooral in den laatsten
tijd, maar zooveel als er ditmaal op de tafel lagen, waren er anders
toch nooit.
Hij las er een en werd erg bleek. Mijn God, dat moest er nog bij komen!
Zijn vriend, zijn beste vriend, zijn boezemvriend, dien hij een
onbeperkt vertrouwen had geschonken, bleek hem voor een goed deel van
zijn vermogen te hebben bestolen en opgelicht. Bevend streek hij de
handen over ’t hoofd, als vreesde hij, dat iets daarin verkeerd zou
gaan zitten. Met zijn weinige grijze haren en potsierlijke verwarring,
half luid sprekend met de breede gemaakte gebaren, die ten slotte
natuurlijk bij hem waren geworden, liep hij heen en weer in de kamer,
nu eens een enveloppe van een brief scheurend en dien, na een
vluchtigen blik op den inhoud, neerwerpend bij de andere. Het was
immers alles ’t zelfde! Zijn vrienden beklaagden hem allen, maar zijn
geld kreeg hij niet terug. Wat te doen, wat te doen? En allen schreven
hem, dat hij in ’t belang van de kansen op redding, van een gedeelte
althans, zoo spoedig mogelijk naar Indië moest komen. Hij wist, althans
begreep, dat dit volkomen waar was, maar dan verwierp hij hier
moedwillig alle kansen.
Een denkbeeld kwam bij hem op: als zij eens te bewegen was ook naar
Indië te gaan!
Hij begon zich te verkleeden in een stemming, welke hem toescheen
overeenkomst te moeten hebben met die van een ter dood veroordeelde.
Zijn handen beefden zoo, dat hij de knoopjes van zijn overhemd niet
vast kon krijgen.
De huissleutel van Henriëtte’s woning was nog in zijn bezit en hij trad
binnen met zijn gewone air van heer en meester der vesting; maar de
meid kwam hem dadelijk in de gang te gemoet; het was of ze op hem had
gewacht.
„Ik zou u niet aanraden binnen te gaan,” zei ze snibbig en brutaal.
Hij verwaardigde haar met geen blik en had reeds den voet op de eerste
trede van de trap.
„Meneer Jules is boven.”
Mourant trok den voet terug en keek het meisje in haar aardig, maar
onbeschaamd gezichtje. Zijn verbeelding stelde hem de kamer voor, met
Henriëtte en Jules er in, zijn optreden daar en de onvermijdelijke
onaangenaamheden. Hij wist dat die jonge kerel zich voor niets zou
ontzien en dat hij zich blootstelde aan een bejegening, die tot alles
kon leiden, van een kaakslag tot een tweegevecht. De vrees maakte zich
van hem meester; hij was bang. Een held was hij met het woord en waar
dat indruk teweegbracht kon hij verschrikkelijk zijn; zijn uiterlijk
was groot, forsch, indrukwekkend. Maar zijn persoonlijke moed was een
muisje door dezen berg gebaard. Als er kans bestond op een vuistslag,
een sabelhouw of een pistoolkogel, dan trok hij zich gaarne terug met
al de kracht die in hem was. Een oogenblik aarzelde hij; toen stak hij
duim en vinger in een vestzak en haalde langzaam een sovereign te
voorschijn.
Het meisje lachte hem brutaal uit.
„Ik laat me niet omkoopen! Ik doe wat mevrouw mij heeft gelast.”
„Dus zij heeft je hier gezonden?”
„Zeker. Waarom niet?”
„En om mij te beletten....”
„Wel neen! Wie belet u iets? Ga maar gerust binnen.”
Zij zei het spottend; ze had gezien dat hij niet durfde.
„Nu ja.”
„Neen wezenlijk meneer; geneer u niet.”
„Je moet me helpen er een eind aan te maken.”
„Dank u; ik help u niet.”
„Ik zal je er rijk voor beloonen; je moet!”
„En ik wil niet. Wat denkt u! Ik heb heel graag een fooi, maar ik mag
zien, dat die met pleizier wordt gegeven. Heb ik vroeger ooit iets van
u gehad?”
Thans begreep hij welk een groote fout hij had begaan door tegen de
kleinigheden te zondigen; zijn zuinigheid met fooien had op gruwelijke
manier de wijsheid bedrogen.
Aarzelend liep hij in de gang op en neer, den neus in den wind, de
handen op den rug, inwendig dol van woede, uiterlijk vrij kalm. De
bonne telde met een cynischen glimlach de knoopjes van het lijf harer
japon: gaan, niet gaan! De lust om binnen te dringen was er bij
Mourant; de physieke moed ontbrak, en dit leidde hem tot een
philosopheeren over redenen, die hem het maken eener scène—’t zij
luidruchtig of in gewonen toon—onmogelijk maakten. Zoo viel het hem in
dat hij geen zedelijk recht bezat; dat hem bij een gewelddadig optreden
elke rechtsgrond ontbrak, omdat hij geen ander beroep had, dat uit een
immoreele verhouding voortsproot. Was hij zelfs niet op wettige gronden
als voogd der kinderen te wraken? In een oogenblik zette hij een
pleidooi op tegen zichzelven en vóór de noodzakelijkheid
onverrichterzake heen te gaan.
„Zeg aan mevrouw,” zei hij, „dat ik haar het onaangename van mijn
tusschenkomst thans wensch te besparen, maar dat ik haar verzoek mij
morgen vóór negen uren mede te deelen, waar en wanneer ze mij kan
ontvangen.”
„Het is goed.”
Zij liet hem uit met overdreven gedienstigheid.
„Niets meer van uw orders?”
Zonder het brutaal schepsel met een blik te verwaardigen, ging Mourant,
in groote deftigheid en met zenuwachtigen greep zijn demi-saison hooger
op de borst trekkend, het trottoir op.
Intusschen waren Jules en Henriëtte volstrekt niet meer op hun gemak,
dan de man in de gang was geweest. Jules had vast besloten voor goed
Mourant af te maken; hij was jong en sterk en zijn voornemen stond
vast. Maar als hij dacht aan de persoonlijkheid van den advocaat en
zich voorstelde hoe deze hem met het woord dadelijk de baas zijn zou,
zoodat hem om te overwinnen niets anders overbleven dan de ruwe
uitingen van het vuistrecht, dan parelde het zweet hem erger op het
voorhoofd in dit koel klimaat, dan ooit onder het tropisch zonnetje van
Indië; dan werd hij zoo zenuwachtig, dat, als zijn liefde voor
Henriëtte niet zoo sterk was geweest, hij zoo spoedig mogelijk een goed
heenkomen zou gezocht hebben. Thans zou hij blijven; het gold niet meer
of minder dan.... zijn aanstaande vrouw.