zouden rooken in een andere kamer, die uitkwam op den tuin met
balkonvensters. Voordat Mourant den tijd had er iets aan te doen, stond
Henriëtte met Jules op een der kleine balkons te kijken naar het fraai,
maar bekrompen en ommuurd tuintje, dat er in den helderen maneschijn en
tegen de zwarte schaduwen der gebouwen tooverachtig uitzag.
En hij kon maar niet los komen van Van Namen, die, waarschijnlijk ook
door den wijn op dreef geraakt, hem midden in het vertrek aan den praat
hield en zelfs een knoop van zijn jas had gegrepen om hem niet te laten
ontsnappen.
Mourant stond op heete kolen, toen hij het tweetal achter de rood
damasten gordijnen zag verdwijnen.
„Vindt je het niet benauwd in de kamer?” vroeg hij met een poging om
den knoop van zijn jas vrij te werken.
Maar Van Namen liet niet los. Als hij een goed glas wijn had gedronken,
was hij verschrikkelijk à cheval op politiek gebied. Nu was de wijn,
die Henriëtte had doen schenken, uitmuntend, en Van Namen had hem niet
gespaard.
„Wij moeten het liberale beginsel niet loslaten,” vervolgde hij in
extase en met half gesloten oogen.
„Juist; maar we moesten niet zoo onder die warme gaslamp blijven
staan,” meende Mourant, terwijl hij zich het zweet van zijn breed
voorhoofd wischte.
„Welke ook haar gebreken zijn geweest,” ging Van Namen voort; „welke
verwijten men ook der liberale partij naar het hoofd slingere,—zij
heeft goed gedaan. Het had meer, het had beter kunnen zijn.....”
„Zeg, laat ons nu op ’t balkon gaan; daar kunnen we net zoo goed praten
als hier.”
„Het is waar; het had meer kunnen zijn en beter.....”
„Kom, ga nu toch mee, Van Namen!”
Hij zei het heel ongeduldig; hij hoorde ’t zilverlachje van Henriëtte
in een duo met den jeugdigen barytonlach van Jules, en dat joeg hem
gruwelijk het land op.
„Het had vooral meer en beter moeten zijn voor Indië. Toch moet men in
zijn afkeuring en critiek niet te ver gaan. Men moet niet loslaten wat
men verkreeg na zoo veel moeite; vasthouden moet men aan zijn
principes.”
En Van Namen kneep en schudde den knoop van de jas van Mourant, als
ware het voorwerp de incarnatie van het liberaal beginsel en ook kneep
hij zijn eigen oogen dichter dan te voren, om geen afleiding te geven
aan zijn politieken gedachtenloop. En Mourant keek wanhopig naar de
breede plooien in de zware stoffage der gordijnen, waarachter Henriëtte
op het plafond stond met Jules.
„Ja, ja,” zei hij diep zuchtend. „Maar kom nu mee naar buiten; het is
hier zoo benauwd.”
Hij trachtte hem bij den arm mee te troonen, maar dat ging zoo
gemakkelijk niet.
Van Namen bespeurde het nauwelijks.
„Zeker,” zei hij, „ik ga mee; maar ik wou nog dit zeggen: In Indië zijn
er veel, die de liberale partij willen loslaten, heelemaal loslaten,
omdat zij te weinig voor Indië deed; dáár kom ik tegen op; ik zal in
den breede en punt voor punt aantoonen.....”
Het was niets. Er gebeurde achter de gordijnen, op het balkon, in het
geheel niets. Hoe kon dat ook? Op het balkon, er vlak naast, stonden de
twee verlofgangers, en men kon elkaar duidelijk zien, want donker was
het niet.
Toch was het Mourant of hij het geluid hoorde van een kus. ’t Bloed
steeg hem naar het hoofd; hij greep in zijn zak, opende een klein
scherp mesje en sneed zonder aarzelen den knoop van zijn jas, waaraan
Van Namen hem vasthield.
O, ’t was een gezicht voor hem, toen hij de gordijnen wegschoof! Zij
lag over de balustrade gebogen, leunend op den eenen arm en haar mooi
gezichtje omhooggekeerd naar Jules, die op de balustrade zat. Henriëtte
zag wel aan het invallend licht, dat er iemand naar buiten trad, en ze
begreep volkomen wie; maar ze deed alsof ze niets bemerkte en Jules,
die zoo’n ongunstige opinie had over Mourant, vond het, toen hij dat
gewaarwerd, volmaakt overbodig de tegenwoordigheid van Mourant door
woord of gebaar te constateeren.
En achter hem hoorde Mourant de stem van Van Namen.... „differentiëele
rechten”.... „vermindering van gedwongen diensten”..... „mildere
bepalingen op de cultures”..... „Ha, ha!”
Van Namen had na een paar oogenblikken doorpratens de oogen geopend en
schaterde van het lachen toen hij „de grap” ontdekte. Hij liep naar
Mourant, dien hij tusschen de gordijnen zag staan.
„Jou oude grappenmaker!” riep hij, hem op den schouder slaande. „Daar
heb je me origineel te pakken gehad!”
Henriëtte wendde zich om. Mourant kreeg een schok door dat „oude
grappenmaker”. ’t Kwam zoo in ’t geheel niet bij de gelegenheid te pas.
Van Namen vertelde lachend de geschiedenis van den knoop, en allen
lachten mee. Henriëtte keek hem zelfs wat vriendelijker aan; het was
toch alleraardigst gevonden, dacht ze.
„Ja, ja!” riep Van Namen. „Hij is goed, hij is goed! Een vos verliest
zijn haren wel, maar niet zijn streken.”
’t Pas opgeklaarde gezicht van Mourant betrok weer geweldig; dàt was
nummer twee! Op welke wijzen zou hij nog meer moeten hooren, dat hij
niet jong meer was?
„Je oom werd zoo zwaar op de hand,” zei hij tegen Jules.
„Ja, dat overkomt hem wel eens.”
„We stonden net onder de kroon; ’t was er ontzettend warm.”
„Ik kan ’t me voorstellen.”
Er rees een gevoel van haat op in Mourant, dat voelde hij. Die korte
antwoorden op zoo’n koelen toon kende hij; het waren zooveel
verzekeringen, dat de aangesproken persoon liever niets wilde te maken
hebben met hem, die ’t gesprek begon. En dan zoo’n kwajongen! Zoo’n
sinjo!
„Het is hier heerlijk,” zei Mourant tot Henriëtte.
„Zoo?” vroeg zij met een spottende stemmodulatie. „Ja, dat hebben
meneer Jules en ik dadelijk opgemerkt. Je bent echter de eerste, die
het zegt.”
Mourant had het kunnen beschouwen als een verzoek om heen te gaan. In
elk ander geval zou hij, beleedigd en gekrenkt, zich hebben
teruggetrokken. Hij kwam zich mengen in het gesprek tusschen een heer
en een dame; beiden toonden vrij onbewimpeld door hun antwoorden dat
zij van den derden man niet waren gediend.
Doch hij had geen hart meer, als man. Jules, die jong was, dacht: „als
ze mij zoo geantwoord had, zou ik zijn heengegaan.” De liefde van
Mourant verschilde veel in jaren; zij maakte hem niet toornig of
verontwaardigd bij een openlijke vernedering, maar onderworpen en laf.
In plaats van heen te gaan, trad hij ook op het balkon en ging aan den
anderen kant der balustrade naast Henriëtte zitten.
„Wees maar voorzichtig,” zei ze.
„Ik zal er niet afvallen. Was je daar bang voor?”
„Neen. Verbeeld je! Maar de maan komt door, en ’t waait nogal.”
Hij zette zijn borst hoog op en zijn breede schouders uit.
„Ik kan er tegen.”
„Nu ja! Je bent dadelijk verkouden! Hebt u daar ook zooveel last van,
meneer Jules?”
„’n Enkelen keer,” zei Jules.
„Dus toch wel?”
„Zooals ik zeg: ik ben ’n paar maal ’t slachtoffer geweest.”
Het trof haar, dat hij niet blufte, en ’t deed Mourant genoegen, die
door de heeren van het andere balkon werd aangeroepen.
„Waarom hebt u me niet geholpen, meneer Mourant ’n beetje te plagen?”
vroeg zij zacht en vroolijk.
Jules trok driftig de schouders op.
„Hoe minder ik met hem in aanraking kom, hoe liever.”
„Och kom?”
„Ik vind den man in ’t geheel niet de moeite waard.”
„In welk opzicht?”
„In elk opzicht. Ik vind hem over ’t algemeen....”
„Sst!”
Hij begon hoe langer hoe luider te spreken, zooals iemand doet, die
onaangenaamheden zoekt; toen zij hem het zwijgen oplei, hield hij stil.
Henriëtte ging terug naar de kamer en Jules, dien zij met haar waaier
gewenkt had, volgde haar.
’t Ging Mourant door merg en been; hij moest met de anderen praten, en
hoorde en zag Henriëtte en Jules het balkon verlaten, die hem heel
gewoon lieten staan. ’t Maakte hem zenuwachtig en overviel hem als een
voorgevoel. Toen het gesprek uit was, ging hij ook de kamer in,
trachtte zich een houding te geven, zette zijn lorgnet op, en
rondkijkend uit de hoogte, met kleine pasjes draaiend op zijn hielen,
dreef hij naar den kant, waar Jules en Henriëtte zaten in een tête à
tête.
„Foei, meneer Jules,” had ze gezegd. „Het is volstrekt niet aardig van
u, ons genoegen te bederven.”
„Het spijt me, maar het is uw schuld. Ik kan nu eenmaal dien Mourant
niet dulden. Ik vind hem.... ik.... Permitteer me, dat ik maar niets
zeg.”
Zij zuchtte, keek naar de punten harer goudleeren schoentjes en tikte
daar zacht op met haar waaier.
„Indien ik het had geweten....”
„Dan zoudt u mij niet mee hebben gevraagd! Wel, daar zoudt u gelijk aan
hebben gehad.”
„Dat niet.... Ik zou het anders geregeld hebben.”
„U zoudt hem toch niet hebben uitgesloten?”
„Waarom niet?”
Verlegen draaide hij aan zijn zwart kneveltje, dat met jeugdigen
overmoed twee spitse punten à crocs droeg.
Zij zag hem vlak in het gezicht, en hij vermeed dien blik; ’t was een
pijnlijk moment voor hem.
„U zult me ’t genoegen wel willen doen er niet verder over te spreken.”
„Soedah!” zei ze met een zucht. „Het is ook de tijd noch de plaats. ’n
Andermaal.”
„Heel graag, als u wilt. Waar en wanneer?”
„Ik weet het nog niet; wij zullen zien.”
„Daar komt-ie weer aan,” bromde Jules nijdig, toen Mourant langzaam
optrad. „Ik zal maar bij de anderen gaan.”
„Blijf liever. Ik heb mijn reden om meneer Mourant zoo weinig mogelijk
te woord te staan.”
„Ik heb een geldiger reden: ik haat hem! ik zou,” ging Jules weer
driftig voort en de Europeesche taalvormen uit het oog verliezend, „ik
zou hem met pleizier ’n pak rammeling geven.”
„’n Pak rammeling?” vroeg zij lachend en Jules, die nu snapte dat hij
zich Indisch versproken had, lachte mee.
Mourant kwam dichterbij. Jules keek naar hem uit de hoeken zijner
oogen, nijdig, moorddadig, wat men noemt „gemeen”.
Gelukkig kwamen de anderen ook binnen.
„Zullen de heeren niet ’n partijtje maken?” vroeg Henriëtte.
Ja, dat wilden de heeren. Zij wilden whisten; Mourant kon zich er niet
aan onttrekken; Jules bedankte en de gastvrouw verklaarde met een
vriendelijk lachje, dat ze in ’t geheel geen esprit de jeu had; het
beviel Van Namen en de twee anderen uitstekend; ze kregen hun cognac
met gefrappeerd apollinaris-water, net als in Indië, en het amuseerde
hen kostelijk dat Mourant zoo’n geweldig koopje snapte, en dom genoeg
was duidelijk te laten blijken hoe hij uit zijn humeur geraakte. De
eerste vijf minuten bleven „de jongelui”, zooals Van Namen niet zonder
ironie had gezegd, bij het spel staan kijken; daarna gingen ze weer een
luchtje scheppen en toen begon Mourant volgens zijn partner te spelen
„als een schutter.”
En hij verloor!
Lachend was bepaald dat men zou spelen tot een gewoon Indisch tarief
onder whistende heeren: een kwartje het punt; maar als Mourant’s
partner het van te voren had geweten,—nu, hij zou dan hebben
voorgesteld tegen Hollandsch tarief te spelen!
Toen ze gedaan hadden, stond Mourant minus acht en zestig.
„Ongelukkig in het spel,” zei Van Namen, „gelukkig in de liefde.”
Mourant trok zijn beurs met een pijnlijken trek op ’t gezicht. Het was
hem in den tegenwoordigen tijd werkelijk niet zoo onverschillig of hij
een bankje verloor of niet; het leven kostte hem veel en zijn inkomen
werd steeds kleiner. Geen Indisch finantiëel bankroetje of hij pikte
een vorkje mee.
„Acht en zestig kwartjes, dat is precies zeventien pop,” zei Van Namen
lachend, terwijl hij de hand ophield.
Men sprak nog, na het spel, een half uurtje. Welstaanshalve ging
Mourant een eindje met de heeren mee; hij sloeg een dwarsstraat in en
kwam met een omweg weer bij het huis terug; hij beproefde met een
sleutel de deur te openen, maar die was van binnen gegrendeld; de meid,
die nog aan het wegruimen was, keek uit een venster boven de deur, en
vroeg hem wat hij verlangde, er in plat Brusselsch Fransch bijvoegend,
dat mevrouw reeds sliep.
Een onverstaanbaar antwoord brommende, ging hij heen; zijn
gemoedsstemming was verschrikkelijk. Zij hield dus niet meer van hem;
hij had uitgediend; hij kon gaan! Hij kon zoo dadelijk niet naar zijn
logement terug; hij had behoefte aan beweging en terwijl de mist, die
in den laten avond was komen opzetten, dikker werd en meer en meer den
omtrek beperkte van het licht der straatlantaarns, was het of zijn
stemming daalde. Daar zonk zijn schoone droom weg in den muisgrijzen
nevel. Een mooie jonge vrouw en de twee ton van Veninga! Daar had hij
zóó veel voor gestreden! ’t Was haast onmogelijk. En zijn persoonlijke
ijdelheid kwam boven. Hij zou het dan toch nog eerst moeten zien! Zij
was immers aan hem verbonden door dien eenen zonder vergunning gesmeden
band! Zij was zijn vrouw! En bovendien: hij was de beheerder van het
vermogen: executeur-testamentair, voogd.... Maar jawel! Al de ophef
over die macht waren maar praatjes van onervaren roman-schrijvers,
speculanten op geheimpjes-theorieën. Hier was immers niets geheim!
Iedereen wist het en dat maakte het als wapen krachteloos. Hij kon er
niemand mee verwonden, dan zichzelven, want hij kon niemand iets nieuws
vertellen, en het eenige zou zijn, dat men van hem ging zeggen: hoe
gemeen!
En dan dat executeurschap, die voogdij!
Neen, dat gaf alles niets, niets, volstrekt niets.
Met geweld en dreigementen viel niets te doen; misschien met list,
zachtheid en overreding. Zuchtend besloot hij zich dat te probeeren.
Als die Indische lummel maar weg was!
Doch toen hij den volgenden dag, na een nacht half slapeloos en voor de
rest in nare droomen doorgebracht, op weg was naar Henriëtte, tamelijk
opgewekt omdat hij een goed doordacht plan had beraamd, liep de gal
dadelijk bij hem over en verzwolg zijn goed humeur, toen hij Jules, den
Indischen lummel, bij het omslaan van een hoek plotseling te paard voor
zich uit zag rijden. Dat ging natuurlijk het huis voorbij! Mourant
hield zijn schreden in, minachtend grijnslachend toen hij zag hoe Jules
trachtte den Engelschen vos te laten tandakken; hij liep dicht tegen de
huizen aan den kant waar Henriëtte woonde, zoodat zij hem niet kon zien
aankomen. Welzeker! Voor het huis keek Jules naar boven, groette met
een buiging en een sierlijken coup de chapeau, glimlachte, zijn
glinsterend witte tanden toonend, en groette met de rijzweep.
Het was hem, Mourant, toch te machtig.
Hij versnelde onwillekeurig den pas; dat zou hij haar betaald zetten;
zijn oogen glinsterden toornig onder de gefronste wenkbrauwen en zijn
eenigszins grauwe gelaatskleur werd rood. Plotseling stond hij
verschrikt stil. De meid, de Brusselsche meid, die hem den vorigen
avond op zoo’n eigenaardigen toon had gezegd, dat mevrouw reeds sliep,
kwam met een koket, schoon mutsje en een tablier met een hartvormig
verlengstuk boven den band naar buiten trippelen; hij was overtuigd,
dat ze hem opmerkte, maar zij deed of ze hem niet zag en liep met een
trippelpasje in de richting, die Jules uitging. Mourant volgde haar,
hij wist eigenlijk zelf niet waarom. In een andere straat zag hij dat
de meid stevig aanstapte, den ruiter, die stapvoets reed, opzij kwam en
wenkte; hij kwam langs het trottoir en.... zij gaf hem een briefje.
Mourant dacht dat hij door den grond zonk.
Hij had wel voorondersteld dat de meid, omgekocht door „dien sinjo”,
een briefje van hem in ontvangst zou nemen voor Henriëtte, en hij was
het reeds met zichzelven eens over de beste manier om haar dat afhandig
te maken.
Doch dàt was iets....
Een oogenblik sprak Jules met ’t meisje, dat erg draaide, en wiegde met
hoofd en heupen, en koketteerde met gemaakte rollende lachjes en
grooten oogopslag; hij wendde zich zijwaarts om op het paard en kreeg,
toevallig naar het scheen, Mourant in het oog.
Doch ’t was niet toevallig.
„Wil ik u wat zeggen?” had de meid gevraagd.
„Nu, lief kind, zeg eens op.”
„Le vieux komt achter me aan.”
„Allons donc!”
„Op mijn woord van eer. Nu staat hij stil. Kunt u niet eens rechts op
zij kijken?”
Dat deed hij, en toen hij Mourant zag, deed hij zijn best om op zijn
paard een uitdagende houding aan te nemen, hetgeen Mourant, die veinsde
naar het venster van een comestibles-magazijn te kijken, ontging.
„Cor-lief! Je zult wel erg nijdig op me zijn, omdat ik je zoo lang
op een brief heb laten wachten. Ik beken schuld, maar als je alles
weet, zal je me vergeven. Ik ben geëngageerd, weet-je? Jij bent
zoo’n goeie, dikke gans! Hadt ge maar gedaan, zooals ik, dan deedt
ge nu zeker ook een goed huwelijk, want je bent knap genoeg, dat is
zeker. Hij is luitenant, Cor, dus word ik ook weer een
officiersvrouw, weet-je, en zijn naam is Roozendoorn (Pierre Jean).
Een mooie naam, ja? Erg lief: mevrouw Roozendoorn; net een naam om
in een tuin te gaan zitten. Hij is heel knap en flink, en ook erg
goed. Hij heeft blauwe oogen, groote, zoowat net als pa, maar die
zwemmen zoo door het vele drinken. De zijne niet, die zijn heel
helder. Hij heeft ook een blonden knevel en zijn neus gaat een
beetje in de hoogte, een heel klein beetje maar, net als die van
jou en van dat jongemensch, je-weet-wel! die altijd om ’t hoekje
stond te wachten en zulke gekke dingen schreef. Pierre is een best
mensch; je kunt je niet begrijpen hoe goed en knap hij is. Ik houd
heel veel van hem en hij is al nummer negentig op de ranglijst van
de tweede luitenants. Hij is veel knapper dan papa ooit was en hij
zal het zeker ook veel verder brengen in de wereld. Ik hoorde aan
boord hem wel eens praten met de andere officieren over allerlei
dingen, waarvan ik niets begreep en die ik zeker weet dat papa ook
niet zou begrijpen. Hoe maakt hij het? Hoe gaat het met het
ongelukkige drinken? Het is verschrikkelijk Cor, dat je zoo dom
hebt kunnen zijn.
„Was je toch in ’s hemels naam maar met me meegegaan. Ik maak me
soms zoo ongerust over je, dat ik zit te huilen. Ja, ik ken je door
en door en ik weet hoe lobbesachtig en zwak je bent en hoe er maar
weinig noodig is om je te verslingeren. En nu vooral Cor, wees
voorzichtig, ja? Als ik nu eens mevrouw Roozendoorn ben en jij past
niet goed op, dat zou dan toch erg onpleizierig voor me zijn. Aan
boord, weet je, zat hij me altijd te plagen. Ze hadden er allemaal
schik in. Een Duitsche dokter zei iets van liepzig nekzig, waarom
ze allen erg lachten; ik zette een leuk gezicht, weet-je, maar ik
begreep er niets van en ik weet het nog niet, want bij de familie,
waar ik hier tijdelijk woon tot Pierre en ik getrouwd zijn, is geen
enkel boek. Laat pa toch haast maken met de stukken. Pierre zal wel
naar Atjeh moeten en wij zouden zoo graag trouwen vóór dien tijd.
Je kunt nooit weten, nietwaar! Hij wil me dan hier laten, maar we
zullen elkaar nog wel eens nader spreken. Ik ga mee, zeg! Hier is
wat geld voor de kinderen; ik heb het mijne nu haast niet noodig en
ik weet, dat jij het best kan gebruiken. Hoe is het er mee? Zijn
het nog zulke bengels? Ga jij ’s avonds nog wel eens loopen? Gunst,
Cor, wees toch voorzichtig. Ik had maar het liefst dat je naar hier
kwam. Toen we te Batavia aan wal gingen, wist ik heusch niet dat
Pierre verliefd op me was. In geen drie weken liet hij iets van
zich hooren en ik was hem heusch heelemaal, of ten minste heel erg
vergeten; op een avond komt hij ineens en vraagt me te spreken en
hij begint erg gauw te praten, gauw en onduidelijk. Maar ik
verstond het heel goed, zie je, en ik geloof toch, dat ik toen al
wat van hem hield; sedikit, ja! maar nu heel, heel veel! Die twee
japonnen hoef je niet op te zenden, Cor. Houd jij die maar; als ze
je te nauw zijn, leg je ze maar wat uit. Ik heb altijd op den groei
gerekend; dat was maar zaak. Dat het hier warm is, weet je nog wel.
Maar lekker toch! Ik had den eersten dag den beste een gevoel of ik
hier nooit vandaan ben geweest. Nu, dag lieve Cor—soedah! ik huil
alweer. Grappig, ja! Ik wou dat je ook hier waart. We zijn altijd
zoo samen geweest van kleins af! Schrijf me gauw en wees hartelijk
omhelsd door je liefh.
Nelly.
P.S. Ook Pierre laat je groeten, schoon onbekend. Betaal ook dat
ringetje, je-weet-wel, bij den goudsmid.”
Corrie huilde ook. Tranen als knikkers rolden langs haar dikke wangen.
Het ging zoo slecht! Met de kinderen schikte het nogal,—maar papa was
door den drank geheel gedemoraliseerd. Zij had hem in ’t huisgezin niet
willen verlaten en spijt had ze er eigenlijk niet van, dat ze gebleven
was, want het scheen haar altijd toe, dat ze er haar moeder een grooten
dienst mede deed, wat haar troostte en geduldig maakte.
In het eerst had Roos hoog opgegeven van de liefde zijner dochter
Corrie, die hem niet wilde verlaten; maar zijn met elke maand als het
ware toenemende dronkenschap wischte den indruk van het blijven der
eene en het heengaan der andere spoedig uit. Tegenwoordig was hij
onhandelbaar. Sedert Nelly hem niet meer onder den duim had, was hij
aan het uitdeelen van klappen geraakt en de minste aanleiding kon nu
voldoende zijn om hem den rotting te doen zwaaien, die dan
onverbiddelijk op de dikke schouders van Corrie neerkwam. Zij was boos
op hem en had een hekel aan hem gekregen. Dikwerf zei ze tot de
juffrouw, die boven woonde, dat ze zou wegloopen, als ze dat niet liet
om de kinderen. En de juffrouw had verontwaardigd gezegd, dat, als zij
het weer hoorde, zij er eens bij zou komen.
Zij hoorde hem ’t huis binnenkomen; hij zong.
„Ik heb,” zei hij met zware tong, „iets lekkers voor je meegebracht;
iets fijns. Maraskino di Zara.... paperlapa! Wat zeg je er van?”
Zij nam het zwijgend aan. ’t Kon haar niet schelen. Ze hield niet van
wijn of likeur, maar ze maakte het in een mandje gevlochten fleschje
open en dronk een klein glaasje om hem te voldoen.
„Het is op de gezondheid van onze Nel en haar aanstaanden man. Ja, dat
is altijd ’n ferme meid geweest! Die wist van aanpakken, weet-je! Ze is
nu toch maar weer het eerste getrouwd. Ja, te duivel, ’t was altijd ’n
aardig kind.”
De herinnering aan Nelly deed hem aan, en dat deed hem weer meer
drinken. Nu en dan stamelde hij enkele woorden en dronk dan weer een
groot glas jenever en zweeg.
Zijn dochter liet hem stil zitten; de kinderen, die eerst een beetje
erg levendig waren geweest, had hij weggevloekt, dreigende met zijn
rotting. Zij waren naar de keuken gevlucht, waar Corrie hun een
boterham sneed, die ze staande opaten van de groezelige aanrechtbank,
met een glas water uit het kraantje der leiding.
Stil hielp zij de kinderen daarna te bed, nog altijd denkend aan den
brief van Nelly en aan Indië. Ja, het was wel waar! Zij had mee moeten
gaan, maar ze kon niet; het was onmogelijk. En hoe ze zich door dit
finantiëel en moreel altijd achteruitgaande huisgezin moest werken,
ging haar bevatting te boven. Zij wilde niet weer gaan zitten bij haar
vader en keerde terug in het kleine keukentje met de verroeste
haardkachel, en het doffe vaatwerk aan den beduimelden muur; door het
hooge venster zonder gordijn viel een koud stalen schemerlicht uit de
grijze wolkenlucht naar binnen, de armoedige naaktheid nog
troosteloozer makend door het scherp afteekenen der hardgele deurposten
en schoorsteenlijsten. Zij was nu eenmaal geen knappe propere
huisvrouw,—dat wist ze wel, ze kon niet poetsen en schuren en wasschen
en plassen; ze haatte het en ze deed het niet; ze had het nooit gedaan
en het ook niet zien doen. Hoe heerlijk had die Nelly het in Indië!
De buurjuffrouw keek eens om het hoekje van de keukendeur.
„Je moet zoo ’t hoofd niet laten hangen,” zei ze opbeurend.
Er ontspon zich een langdurig gesprek. Corrie had er zoo’n groote
behoefte aan haar nood te klagen en ze kwam zoo rond voor haar eigen
tekortkomingen uit, dat de buurvrouw altijd erg veel sympathie voor
haar gevoelde, en dikwerf uit medelijden met haar een duchtigen coup de
main gaf om het verwaarloosde huishouden een beetje op streek te
helpen.
„En de oude heer is zeker weer?”.... vroeg ze.
„Als hij het niet is, zal hij het gauw zijn.”
„’t Is ongelukkig.”
„Ik begrijp niet hoe het moet eindigen.”
„Neen, ik ook niet; menschen, die drinken, houden het dikwijls erg lang
vol.”
Corrie schrikte er van; het was een onuitgesproken gedachte, die al
dikwijls bij haar was opgekomen.
„Maar op den duur houden zij het toch niet uit. Hoe oud is hij?”
„In de vijftig? Ik weet het niet precies.”
„Het is nog jong. ’t Is jammer. Hij is nog zoo’n knap manspersoon. Had
hij maar liever een vrouw genomen.”
Ze praatten door, terwijl de duisternis viel, en ze dronken samen bij
het licht van ’t keukenlampje een kop thee, intusschen gezet. Al
pratend vervloog de tijd en vervlogen de tallooze kopjes thee. De klok
in de gang sloeg het eene uur na het andere.
„Heb je al gegeten?” vroeg de buurvrouw.
„Ja, van middag al. Hoe zoo?”
„Ik zou anders zeggen: ga met mij mee; ik heb nog wat lekkers.”