zeker was van zijn zaak, want op het geheele district kon hij niet
rekenen. Er was een ook liberale tegencandidaat gesteld in een andere
gemeente en ook voor dien was, dat wist hij, door vrienden en verwanten
hard gewerkt. Hij had de verkiezings-artikelen gelezen in de
plaatselijke courantjes; ofschoon men hem om de positie zijner familie
had gespaard, was hij er bij de tegenstanders van eigen partij toch
niet geheel zonder kleerscheuren afgekomen. Hij vond het heel
fatsoenlijk voor een verkiezings-quaestie! Mijn hemel, als men eens zag
hoe zulk een onbloedige en voor een groot deel onpersoonlijke strijd
een deel der natie—het fatsoenlijke!—tot een ploertigen kermistroep
verlaagde, die niets ontzag, voor wien eens anders reputatie en goede
naam geen grooter waarde hadden dan een flesch met water in Indië!
Neen, in dat opzicht was hij er bepaald goed afgekomen.
Telkens als er gebeld werd, sprong Hortense op. Wel twintigmaal in een
uur liep ze naar het venster om te zien of de telegrambesteller nog
niet arriveerde; zij berekende den tijd en vroeg telkens aan Gérard of
hij nu niet dacht, dat het telegraphisch bericht er reeds lang wezen
kon.
Eindelijk viel het kind zich al spelende met ’t hoofdje tegen een stoel
een der vele builen uit een kinderleven; het zette een keel op van
belang; de verschrikte ouders schoten toe; zij hoorden niet eens dat er
gebeld werd.
„Asjeblieft mevrouw, een telegraaf,” zei de meid.
Hortense vergat haar schreeuwend kind, rukte het couvert open, vloog
Gérard om den hals en kuste hem met aandoening. Hij, een beetje bleek
en zenuwachtig nu ook, keek het telegram in en vergeleek het aantal
uitgebrachte stemmen met dat op hem vereenigd.
Hij was gekozen met een meerderheid van twee stemmen; „les deux font la
paire,” dacht hij glimlachend.
Het was een groote drukte, dien dag en den volgenden. Het regende
brieven en telegrammen. Dokter Van der Linden kwam feliciteeren en was
zeer in zijn schik. Allerlei soort van vrienden en bekenden maakten
visites of passeerden hun kaartjes. Toen de dokter er was, kwamen er
juist ook eenige Indische heeren, waaronder er waren, die hem niet
weinig benijdden en hem een geluk wenschten, dat ze o zoo graag
hunzelven hadden gegund. Ook Mourant, juist voor zaken in Den Haag,
zooals hij zei, kwam, en keek den gekozen volksvertegenwoordiger met
verbazing aan, als ontdekte hij iets in hem, dat hij nog nooit had
vermoed; zoo’n beleedigende verbazing, die onuitgesproken zegt: „hoe
heb jij ’m dat zoo kunnen leveren.”
Fournier zag het en amuseerde er zich mee.
„Ziezoo,” zei een der oud-gasten, een gewezen hoofdambtenaar, „nu
hebben we weer een voorstander der Indische belangen in het
Nederlandsche parlement.”
„En ’n uitstekend redenaar,” voegde een ander er bij.
„’t Spijt me,” antwoordde Fournier droogjes. „Men moet voor Indische
aangelegenheden niet te veel op mij rekenen.”
„Maar m’n waarde heer, de groote belangen dier zoo talrijke inlandsche
bevolking.....”
„Neen, toch niet. Ik denk niet, dat ik me veel moeite daarvoor geven
zal.”
„Mijn God, hoe is het mogelijk! Iemand, die in Indië is geweest en dat
alles heeft aanschouwd.”
„Nu ja, dat is zeer betrekkelijk. Ik heb op twee hoofdplaatsen gewoond.
Persoonlijk ben ik dus met de bevolking al heel weinig in aanraking
geweest, en ik heb ook nooit lust gevoeld verder met haar en haar
omstandigheden in aanraking te komen.”
„En dat zegt een oud-ambtenaar bij de rechterlijke macht!”
Het was Mourant, die het riep, met zijn armen theatraal omhoog, en zijn
neus en zijn buik in den wind. Fournier keek hem eens eventjes schuin
aan met een ironisch lachje. Welzeker, hij begreep dat volkomen!
Mourant zou het dadelijk gloeiend hebben opgenomen en nog opnemen voor
„den” Javaan, als dat hem aan zoo’n heerlijk plaatsje op het Binnenhof
kon helpen; hij zou hartroerende tooneelen schetsen met al het pathos,
waarover hij, bij gebrek aan beter, beschikte.
„Ja, zie je,” voegde Fournier er droogjes bij, „het is nu juist niet
als ambtenaar bij de rechterlijke macht dat men sympathie krijgt voor
de inlandsche bevolking.”
„Men ziet toch haar lijden onder den afschuwelijken toestand van
verdrukking en maatschappelijke ellende.”
„Niet zoozeer..... Men ziet eigenlijk meer haar gemeenheid en haar door
en door leugenachtigen en verdorven aard.”
„Leugenachtig, ja; maar kan dat anders, na zooveel jaren onderdrukking?
Wij moeten het volk de gelegenheid openen zich te ontwikkelen,
beschaafder en beter te worden.”
„Ga gerust uw gang; ik doe er niet aan mee. Ik heb niet de minste
sympathie voor de bevolking. Gaarne erken ik, dat ik er weinig van weet
en niet veel meer van heb gezien, dan de slechte zijde.”
„Let dan op de goede; let op den zachten, vredelievenden aard der
inlanders; op hun tevredenheid met weinig; hun berusting in het lot;
hun kinderlijken eenvoud.....”
Fournier lachte.
„Die laatste is heel aardig.”
„Hoe dat?”
„Ik begrijp niet hoe de menschen over zulke dingen kunnen spreken. Wat
volgens onze zeden zeer gemeen, verachtelijk, ja streng strafbaar voor
de wet zou zijn, is bij die lieden uiterst gewoon en geoorloofd; men
gaat nu zoover het bij hen „kinderlijk eenvoudig” te noemen.”
„Het strookt met hun godsdienstige levensopvatting.”
„’t Is wel mogelijk, ofschoon ze ook zonder die opvatting zoo handelen.
Ik zeg u nogmaals, dat de inlandsche bevolking mij hoegenaamd geen
belangstelling inboezemt.”
„Maar dat volk....”
„Het is niet eens ’n volk. Het is niets, eenvoudig niets. ’t Zijn een
troep individuën met begrippen omtrent het huisgezin, die meer
overeenkomst hebben met den toestand in een apen-kolonie of een
konijnenhol, dan met de onze. U moet me ’t niet kwalijk nemen, maar ik
weiger pertinent mij voor de bevolking in de Tweede Kamer in de bres te
stellen.”
Zij keken elkaar teleurgesteld aan en schudden bedenkelijk de hoofden.
Na een oogenblik van stilte vroeg Mourant:
„En de toestand der Europeesche ingezetenen?”
„Daar weet ik iets meer van,” antwoordde Fournier; „die toestand is
voor de particulieren niet gunstig, maar toch altijd nog gunstiger dan
hier.”
„Gunstiger dan hier?”
„Welzeker. In Indië komt men om fortuin te maken. Lukt dat niet, dan
beklaagt men zich bitter, al heeft men er ook een ruim en aangenaam
bestaan.”
„U vergeet iets.”
„En dat is?”
„Tal van ondernemers hebben ontzettende verplichtingen, die hen drukken
en waaraan zij niet kunnen voldoen.”
Een oogenblik kwam de advocaat geheel bij Fournier boven.
„Och,” zei hij lachend, „dat is ook nog zoo kwaad niet; het beste
baantje in Indië is tegenwoordig landeigenaar te zijn met ’n paar
millioen hypotheek op z’n land; dan heeft men ’t beter, dan iemand
anders.”
Zij schudden weer de hoofden en keken ernstig, afkeurend.
„Wij hadden niet gedacht, dat u de belangrijke Indische aangelegenheden
zoudt belachelijk maken.”
„Eigenlijk doe ik dat volstrekt niet.”
„U doet feitelijk toch niets anders.”
„Is het niet waar, wat ik zeg?”
„Het is overdrijving; het is een caricatuur van de waarheid.”
„Dat geef ik niet toe,” zei Fournier, die er een einde aan wilde maken,
geraakt. „Ik sta op een geheel vrij standpunt. Ik ben niet naar Indië
gegaan om een carrière of om fortuin te maken, en ik heb ook het een
noch het ander uit Indië teruggebracht. Trouwens, ik had er geen de
minste behoefte aan. Ik ben volstrekt niet tot lid der
Volksvertegenwoordiging gekozen als zoogenaamd „Indisch specialiteit”;
er is zelfs bij alles, wat mijn verkiezing voorafging, van mijn
verblijf in Indië alleen melding gemaakt door mijn tegenstanders, als
verwijt en verdachtmaking.”
„Dat is niet de schuld van Indië.”
„Ik weet het, maar permitteer mij, dat ik u voor eens en voor goed zeg,
dat ik als lid der Kamer met Indië volstrekt niets meer verkies te
maken te hebben, dan ieder gewoon lid.”
Het was zeer beslist gezegd, zóó beslist, dat de heeren met groote
deftigheid, waarachter veel spijt en teleurstelling was verborgen,
opstonden, hun hoeden namen en heengingen.
Hortense, die onder het gesprek even in de kamer was geweest, kwam
binnen toen ze hoorde, dat de bezoekers heengingen; dokter Van der
Linden was stil in een hoekje blijven zitten, bladerend in een album,
zonder zich met het discours in te laten.
Fournier stond achter het groene staatsiegordijn en zag hen druk
pratend het plein oversteken.
„Waar hadt jullie het over?” vroeg Hortense, terwijl ze bij hem kwam
staan en tegen hem aanleunde.
„Och, ze wilden me in de Kamer voor hun Indische kliek winnen.”
„Je hebt geweigerd?”
„Zeker, ik heb er niets mee op, hoegenaamd.”
„Wel, ik zou het toch maar gedaan hebben; het is altijd iets, en je
weet wel, die lui schrijven in couranten en tijdschriften—het is beter
hen te vriend te houden.”
„Je hadt hen ten minste wel met ’n enkel woord aan het lijntje kunnen
houden; dat verbindt tot niets,” meende dokter Van der Linden.
Fournier keek hem schuin aan en lachte. Die oude heer was ook een
beste! zoo cynisch mogelijk!
„Och, ’t is beter zoo. Ze weten nu waarop het staat; ik ben nu ineens
van hun gezeur af, en van dat eeuwig gezanik over Indië; ze weten nu,
dat ik niet in hun kliek kom; ze kunnen daar nu boos om zijn, maar aan
den anderen kant zal het een goeden indruk maken.”
Mourant, terugkomend bij Henriëtte, vertelde het haar met diepe
verontwaardiging.
„Ik heb in Indië dikwijls hooren zeggen, dat hij heel knap was,” merkte
zij op.
„Knap! Ja, ’t mocht wat!”
„Nu, ’t is toch waar. Er werd altijd met den grootsten lof over hem
gesproken.”
„Hij is een egoïst; door en door een egoïst!”
„Zoo, dat wist ik niet.”
„Hij is iemand,” ging Mourant declameerend voort, „van een slechte
cynische natuur; een man zonder hart en zonder gevoel.”
„Och, wat? Hoe weet je dat allemaal?”
„Wij hebben hem aangezocht om de belangen van Indië in de Kamer te
helpen verdedigen.”
„En hij heeft geweigerd?”
Mourant knikte met het hoofd en keek haar aan met ’t gezicht van
iemand, die verwacht, dat een ander verstomd zal staan.
„Waarom heeft hij niet gewild?”
„Och,” zei Mourant, de breede schouders ophalend, „om allerlei nonsense
redenen. Praatjes om zich er af te maken.”
Henriëtte vond het niets aardig van Fournier. Waarom, dat wist ze zelve
niet, want van die „Indische aangelegenheden,” die in een Kamer worden
behandeld, begreep ze niets hoegenaamd. Maar hij had het toch, meende
ze, moeten doen al was het alleen maar voor de vrienden.
„Hij is zeker trotsch geworden,” zei ze, „sedert hij geparenteerd is
aan die familie Riquelle.”
„Best mogelijk.”
„’t Is jammer Willem, dat jij niet gekozen bent. Zou dat nu met geld en
wat moeite niet te doen zijn?”
Zijn gezicht betrok.
„Nu niet; later misschien.”
Zij had hem in zijn zwakke zijde getast. De helft van het hem nog
resteerende leven zou hij er voor hebben gegeven; maar hij wist wel,
dat het niet gelukken zou; in zoover sprak hij de waarheid, dat er nu
geen quaestie van wezen kon.
Terwijl hij zoo somber voor zich uitkeek, nam zij hem aandachtig waar.
Inderdaad, hij werd er niet jonger op! Wat begon zijn hoofd kaal en ’t
overblijvend haar grijs te worden! Wat kreeg hij oude trekken in zijn
voorhoofd en zijn gezicht! Hoe sterk nam zijn corpulentie toe! Zou zij
aan dien man haar toekomst binden? Ze was jong, mooi en rijk. Aan
adspiranten zou het zeker niet ontbreken, dat vertelden haar honderden
mannenoogen op de straten en in de theaters. En ondanks alles, was ze
dan toch eigenlijk, als ze wilde, volkomen vrij!
„Er is een geschikt oogenblik onbenut voorbijgegaan,” zei Mourant
zuchtend, maar toen hij Henriëtte aanzag, ging hem dat geschikte
oogenblik uit het hoofd. „Wat is er?” vroeg hij, kleurend van
verlegenheid—iets, dat hem in jaren niet was overkomen—om haar
zonderlinge gelaats-uitdrukking.
„Er is niets. Ik dacht, dat het zoo jammer was.”
„Wat?”
„Wel, dat je niet eens kans zoudt hebben in de Kamer te komen.”
„O, dàt zeg ik niet. Later....”
Zij ging er niet verder op door. Later, dacht ze,—nu ja! Wat zou hij
dan een echte oude heer wezen! ’t Was niet voor het eerst, dat haar die
gedachte plaagde. Zij had de waarheid gesproken tegen mevrouw Mourant.
Thans zou ’t haar een halve ton waard zijn geweest den wettigen man
terug te geven aan de wettige vrouw. Maar daarvan kon in geen geval
quaestie wezen!
Dien avond sprak Mourant aanhoudend over wat hij de gouden toekomst
noemde; hun huwelijk was thans een gebeurtenis in het verschiet,
waarvan men het tijdstip bijna met zekerheid kon bepalen. Hij was dien
dag nog vriendelijker en aardiger tegen de kinderen dan gewoonlijk.
Henriëtte gaf er zoo weinig mogelijk antwoord op.
„Wat ben je stil, lieve!” zei hij ten slotte, haar naar hem
toetrekkende. „Je bent zeker niet in orde.”
Zij liet toe, dat hij haar een kus gaf; meer ook niet. Zij wilde juist
lachend zeggen, dat ze zoo gezond was als een visch, toen hij
voortpratend, weer over hun huwelijk begon.
„Ik heb den heelen dag al last van hoofdpijn.”
„Nu!” zei hij triomfantelijk en als gerustgesteld: „nu, zie je wel! Dat
dacht ik al. Ik zou maar vroeg naar bed gaan.”
Zij liet het zich geen tweemaal zeggen; zij kon nu eenmaal niet met hem
meepraten, en ze betwijfelde zeer of ze het wel ooit weer van harte zou
kunnen doen, als hij sprak over trouwen.
Hoofdpijn had ze niet en slaap evenmin. Zij ontkleedde zich toch in
haar kamer, met het plan naar bed te gaan, denkende dat ze wel zou
inslapen. Half ontkleed ging ze zitten op een kleinen fauteuil in een
hoek der kamer. ’t Was zoo’n moeilijk geval! Hoe zou ze van hem
ontslagen raken; want dat het daartoe komen moest, stond thans bij haar
vast. Welk een berg van geweldige onaangenaamheden voor den voet! Er
was geen overkomen aan, en met de kleine hand voor de groote donkere
oogen en den elleboog op de leuning van den armstoel, zat ze stil na te
denken, nu en dan met een zucht het hoofd schuddend. Dat men toch
sommige dingen niet ongedaan kon maken! Met een lichte rilling van kou,
die kippevel joeg over haar bloote armen, stond ze op en kroop diep
onder de dekens in haar bed. Ze wilde er thans niet meer aan denken; ze
had den tijd en die geeft raad; het zou nooit gebeuren, nooit!
Instinctmatig hield zij haar rol van half-zieke den volgenden dag tegen
Mourant vol, en naar de leerschool, die ze gedurende de ziekte van
Veninga had doorloopen, was ze knorrig en gemelijk. Hij deed zijn
uiterste best om haar ’t leven te veraangenamen; hij bracht cadeautjes
mee en fijne bonbons, waarvan hij wist dat ze veel hield, zich volkomen
onbewust van het feit, dat hij daardoor olie wierp op het vuur, dat
bezig was alle genegenheid voor hem te verteren.
„Ik wou wel een beetje wandelen,” zei ze op een mooien middag, met
hetzelfde knorrige gezichtje der laatste dagen.
„Uitstekend lieve! Willen we het Park eens ingaan?”
„Och ja! Als ik maar wat frissche lucht krijg; ik word zoo akelig van
dat thuis zitten.”
„Het is mijn schuld niet,” zei hij aarzelend.
„Neen, dat weet ik ook wel.”
„Komaan, laat ons dan gaan.”
Toen ze zich kleedde in haar kamer, trok hij zijn bruine
glacé-handschoenen aan, streek zijn zijden cylinderhoed op en bekeek
zich met welgevallen in den spiegel; de gesloten jas sloot zonder
rimpel of plooi om zijn zware gestalte; hij was correct gekleed door
den besten tailleur van Brussel, en terwijl hij zichzelven monsterde
van top tot teen, streek hij met welgevallen zijn grijzende
bakkebaarden op, hoogst met zichzelven ingenomen.
Een glimlachje gleed over het gelaat van Henriëtte, toen ze hem zóó
verraste.
„Als je klaar bent?” vroeg ze spottend.
Hij lachte en keek haar aan, alsof hij niets minder verwachtte dan een
woord van bewondering, dat echter niet volgde. Er waren niet veel
wandelaars in het Park; voor de Brusselaars was het de dag niet, noch
de tijd van den dag; slechts hier en daar kwam men een paar
vreemdelingen tegen of een bonne met spelende kindertjes. Zij hadden
een heel eind gewandeld, pratend over koetjes en kalfjes, en wilden
weer huiswaarts gaan, toen, bij het verlaten van het Park, een viertal
heeren hen aansprak. Het waren kennissen uit Indië. Er werden handjes
gegeven en vroolijke groeten gewisseld. Iedereen deed als wist hij van
den prins geen kwaad, en als was het volstrekt niets bijzonders,
Mourant en de weduwe Veninga samen daar te ontmoeten. Toch was het
Mourant hoogst onaangenaam, en hij was bang dat het Henriëtte, die ook
niet hield van die ontmoetingen, nog meer uit haar humeur zou helpen.
„Blijven de heeren eenigen tijd hier?” vroeg zij aan den oudste van het
viertal, een onder den tropischen hemel grijs geworden maar goed
geconserveerd koopman.
„We stellen ons voor, hier ’n dag of veertien te vertoeven.”
„Wel dat doet me genoegen. Weest dan morgen mijn gasten.”
Een oogenblik keken ze elkaar verbaasd en besluiteloos aan.
„Met heel veel pleizier.... als we u ten minste niet derangeeren.”
„Volstrekt niet! Hier,” ging ze voort, eenigszins zenuwachtig een
kaartje nemend uit een kleine blauwzwarte portefeuille, „hier is mijn
adres.”
Mourant wist niet hoe hij het had; hij kon goedschiks niets zeggen,
maar hij verbeet zich van spijt.
„Ik begrijp je volstrekt niet,” zei hij, toen het viertal onder veel
buigingen en hoedzwaaien het Park was ingegaan.
„Zoo! ’t Is mogelijk.”
„Sedert verscheiden dagen ben je onwel en klaagt aanhoudend over
hoofdpijn.”
„’n Reden te meer.”
„Maar lieve Jet, hoe kan je nu toch zoo tegen jezelve zijn?”
„Wat, tegen mijzelve? Ik ben tegen niets, maar ik wil eens ’n paar
menschen aan mijn tafel zien.”
„Het is nog zoo lang niet geleden, dat je daar veel op tegen hadt.”
Ongeduldig haalde ze de schouders op.
„Dan ben ik sedert veranderd; dat is alles.”
Mourant ontstelde er van in allen ernst, en hij keek haar oplettend,
haast angstig aan. Zóó had zij nog nooit tegen hem gesproken.
„Ik gun je immers gaarne elk genoegen,” zei hij zacht.
„Dat merk ik! We ontmoeten ’n paar kennissen van vroeger, die hier
vreemd zijn; ik vraag hen te dineeren, en je staat er bij met ’n
verstoord gezicht; nauwelijks zijn ze weg of je begint aanmerkingen te
maken. Denk je misschien dat dit aangenaam is?”
„Ik zal geen aanmerkingen meer maken,” antwoordde hij met een soort van
sombere theatrale onderwerping, maar onwillekeurig dacht hij aan zijn
vrouw, die nooit gasten zou geïnviteerd hebben, zonder hem vooraf te
vragen of hij het goed vond. Nu ja, maar dat was ook iets anders.
’s Avonds in hun hotel, toen ze terugkeerden uit den schouwburg, zaten
de vier Indische heeren nog een oogenblik bij elkaar een glas grog te
drinken voor ze hun kamers zochten. Slechts twee hoorden bij elkaar: de
koopman Van Namen en zijn neef Jules, die administrateur was van een
land; de twee andere heeren waren ambtenaren met verlof, die elkaar en
de anderen toevallig in het hotel te Brussel hadden ontmoet.
„Ik sta nog verbaasd, als ik denk aan die invitatie van mevrouw
Veninga.”
„Eigenlijk,” zei een der ambtenaren, „had ik ze liever niet aangenomen.
De scheeve verhouding tusschen haar en Mourant is zoo algemeen bekend.
’t Gaat alles zoo ontzettend openlijk.”
„Och, hier te Brussel is het wel aardig,” meende Van Namen. „Bovendien:
men behoeft als man zulke dingen niet te weten, als men niet wil.”
„’t Is waar! Ik vind het verbazend jammer. ’t Is een eeuwig mooi
vrouwtje,” vond Jules.
„’t Is een beeldje. Trouwens, Mourant is wel veel ouder, maar hij is
nog een verduiveld kranige kerel.”
„Wat was hij tiré à quatre!”
„Asjeblieft. Nu, het is de moeite waard.”
„Men zei in Den Haag, dat hij van z’n vrouw ging scheiden, nietwaar?”
„Ja,” bevestigde Van Namen; „ze heeft toegestemd.”
„Zoo’n bofferd!” liet Jules zich ontvallen.
Ze lachten allen luid.
„Je bent, hoop ik, niet van haar gecharmeerd?”
„Neen, God! Daar is wel geen quaestie van. Maar ik vond het toch
jammer. ’t Is zonde. En Mourant vind ik in elk geval ’n ploert.”
Daar kreeg men bijna standjes om; die uitdrukking was te kras en men
redeneerde en twistte er over nog wel een uur lang.
Henriëtte had den volgenden dag geen hoofdpijn; zij was de
bedrijvigheid zelve. Het zilver, dat reeds lang in de étuis stil had
gesluimerd, moest voor den dag gehaald en gepoetst worden.
Den heelen dag bleef Mourant bij haar. Hij was nu met het diner
verzoend. Het mocht dan een tinka wezen, maar die had het dadelijk
aangenaam gevolg, dat zij niet zoo knorrig en uit haar humeur was als
anders.
„Wil je wat voor me doen?” vroeg ze.
„Heel graag; als je maar zegt wat.”
„Ik heb ’n paar dingen te bestellen bij den confiseur.”
„Met genoegen, ik zal er dadelijk heengaan.”
Zijn bereidwilligheid tot het doen van voor een heer toch altijd minder
aangename boodschappen, stemde haar zacht, en ze glimlachte tegen hem,
wat ze in geen dagen had gedaan.
Het verrukte hem en met een groot air van gewicht luisterde hij naar
haar bestellingen en noteerde ze in zijn zakboekje.
’t Gaf voor ’t oogenblik een zekere vertrouwelijkheid tusschen hen,
waarin Mourant een innig behagen schepte.
De gasten kwamen prompt op tijd.
Mourant kreeg een plaats aan het andere smalle eind der tafel tegenover
Henriëtte, maar ver af. Naast hem zaten Van Namen en de oudste der twee
ambtenaren. Jules en de jongste zaten bij Henriëtte.
„Ik heb het zóó gerangschikt,” zei Henriëtte toen ieder op zijn bord
naar zijn kaartje keek, „omdat ik weet dat de heeren graag over
politiek praten, en daar begrijp ik niets van.”
„Mogen we u daarmee niet lastig vallen?” vroeg Jules.
Verrast keek Henriëtte hem aan. Hij was een mooie indo-Europeaan. In
Indië zou hij niet de aandacht hebben getrokken, want daar is zijn type
niet meer dan gewoon. Maar in die Europeesche omgeving maakten zijn
lichtbruine huidskleur, zijn blauwzwarte haren en groote, sombere oogen
een bijzonder effect; ’t was hetzelfde van Louise Van der Linden en
hetzelfde ook van Henriëtte.
„Ik wist niet dat zulke jongelui zich daar ook mee ophielden.”
„Ah, dat is te zeggen: niet als staatkunde. Er is toch nog een andere
beteekenis voor „politiek”.”
„Hij bedoelt „sleem” of „pienter”,” zei een der ambtenaren.
Doch bij Jules en Henriëtte viel die aardigheid geheel in het water.
Het ergerde hun. Eigenlijk konden ze in het geheel niet hooren, dat die
pur sang Hollanders altijd flauwe aardigheden debiteerden op de manier
van spreken der Indische lui; het was dan toch ook wat,—de manier
waarop de meesten zich in hun eigen taal uitdrukten, en waarbij ze zich
vaak met vloeken, herhalingen en interjecties moesten opzweepen om hun
denkbeelden in niet al te verkeerden vorm onder woorden te brengen!
„Och!” zei Henriëtte glimlachend: „waar zoo’n politiek onder ons toe
dienen zou, begrijp ik niet.”
„Die is altijd goed!” riep Mourant luid, zich buigend over zijn bord en
haar aankijkend.
Eigenlijk had hij over die eigenwijze regeling van de tafel geweldig
het land.
„Ik heb wel eens gehoord,” zei Jules zacht tegen Henriëtte, „dat het
soms heel gevaarlijk is politiek met de dames om te gaan.”
„’t Hangt er van af.”
„Dat bedoelde ik ook. Men zegt dat de dames liever oprechtheid zien,
dan geslepenheid.”
„Ja! Ik althans. Als iemand openhartig is, weet men ten minste dat hij
het meent.”
Het eten was uitmuntend en Henriëttes rechterbuurman zat in stilte te
genieten.
„Die schotel, mevrouw,” zei hij met een zucht van innige voldaanheid,
„was een gedicht.”
Toen Mourant op zijn woorden geen repliek kreeg en daarvan zelfs geen
oogenblik notitie was genomen, keek hij met opgetrokken wenkbrauwen en
een teleurgesteld gezicht naar de overzijde. Wat zaten die twee nu
zacht te spreken met elkaar! Zoo’n onbeduidende sinjo! Hoe dwaas van
haar om hem tot buurman te nemen, in plaats van Van Namen. ’t Was zelfs
onbeleefd; de oudste der gasten behoorde aan haar rechterhand te
zitten.
’t Werd bij het dessert nog erger.
De goede wijn had zijn effect gedaan en spraakzamer gemaakt. Er werd
aan den kant van Henriëtte druk gepraat en gelachen. Jules had, schoon
vruchteloos, getracht een telegraphische communicatie onder de tafel
tot stand te brengen, wat hem niet gelukt was. Hij had ook gezien, dat
zijn poging als brutaal en ongepast werd beschouwd, en haar daarom niet
herhaald. ’t Verwonderde hem. Een vrouwtje met haar antecedenten mocht
waarlijk zoo kleinzeerig niet zijn. Zij had, toen hij ’t niet
herhaalde, verder ook niets laten blijken. Haar ééne vragende blik was
genoeg geweest. Zij praatte en lachte nu weer voort, inwendig verheugd
over de verlegenheid van den jongen man, toen haar oogen hem hadden
gevraagd of ’t hem wellicht mangelde in zijn bovenverdieping.